Korte inhoud en eerste pagina’s van het boek


voorkant-annalen-v-g

De Annalen van Gamor is een epische roman die het fantasy genre overschrijdt. Het beschrijft de tocht van een volk dat een uitweg zoekt uit de verschrikkingen van de ijstijd op weg naar een betere toekomst.

Het is een roman waarin avontuur, liefde en jaloezie een hoofdrol spelen en de moderne maatschappij gespiegeld wordt tegen de achtergrond van een ver verleden. Of is het de verre toekomst?

Kaj Elhorst is erin geslaagd een roman te schrijven die vele lagen kent.

Kaj Elhorst is journalist en romanschrijver. Fantasy is naast de detectiveroman zijn meest geliefde literatuur. Hij schreef eerder voor kinderen onder meer de Arie Bonkersreeks en Het Spinhuis (uitgeverij Maretak) en voor volwassenen Het Geheim van de Alphense Runen (uitgeverij Albini).

‘Een andere wereld met herkenbare problemen en menselijke moed en twijfels, zonder die combinatie was het Kalam nooit gelukt om zijn einddoel te bereiken: een betere wereld voor zijn volk en voor zichzelf. Maar de eeuwige zoektocht naar verbetering gaat voort…’

Eerste pagina’s

Het was nooit begonnen en nooit kon er aan begonnen worden en toch was het er. Kalam Elso Dramatik voelde het in al zijn botten, heel zijn vlees, heel zijn Gamor. Vooral zijn Gamor…het sprak hem toe en vertelde hem opnieuw dat niets was zoals het was begonnen en alles bleef zoals het eindigen zou. Wie hem dat vertelde? Het was een stem, nee een geluid of nee…een licht in zijn hoofd, misschien waren het ook de geuren om hem heen. Misschien ook de IJsrand waarachter Gûl, de zon, steeds verdween en waarvandaan hij ook terugkeerde. Kalam twijfelde keer op keer over de boodschapper, niet over de boodschap.

De jongeman met zijn wildgolvende haardos en woeste baard legde zijn kruisboog in de sneeuw en wroette met zijn voet eronder om te zorgen dat zijn kostbaarste bezit niet weg zou zakken naar de andere wereld. Daar, diep onder de sneeuw vermoedde hij een wereld van sluipers, kleine naargeestige wezens die van tijd tot tijd door de sneeuw omhoog kropen en dan bij voorkeur een plekje in je oren zochten. Daar fluisterden ze je dingen in van de andere wereld, dingen waar je niets aan had en die je alleen maar in de war brachten. Zes spichtige benen zouden ze hebben en een mond met stekels waarmee ze in je konden prikken en je ziek maken en…een staart als een ijsrat. Kleine, zwarte oogjes die scherp en gemeen naar je konden staren, zo gemeen dat sommigen op hetzelfde moment waren gestorven. Kalam had ze nooit gezien maar hij had er genoeg over gehoord om aan te nemen dat het waar was. Iedereen die hem voor was gegaan, had erover verteld en dus was het zo. Daarvan was Kalam overtuigd.

Rustig ging hij op zijn knieën in de sneeuw liggen en overpeinsde zijn ouders, zijn broers,zijn zusters, zijn neven en nichten. Hij haalde hun beelden voor zich en als het beeld verscheen, zong hij zachtjes “Na tha, na Gamor, na rulia benin. Asta effe rulia grannahin” Ik ben van jullie, zoals jullie zijn van mij.”  De tonen van zijn lied voelde hij kruipen van zijn keel naar zijn tenen totdat ze zijn voeten verwarmden en dan zijn benen en daarna zijn middel en borst.

Deze keer leek hij iets langer te kijken naar de rulle sneeuw onder zijn voeten die zoveel doorgangen doorliet voor sluipers. Het was onmogelijk om je volledig af te schermen tegen die kleine plaaggeesten. Alleen wie zijn familie in en bij zich hield, de Gamor vasthield, kon er op rekenen enigszins beschermd te zijn. Gamor, ja, gezamenlijkheid samen blijven en sterk staan en…even aarzelde hij…er drong zich een vreemde, onbekende tegenstelling aan hem op. Doorgaan of voortgaan, was er verschil? Kalam begreep helemaal niet waarom die vraag in hem naar boven kwam. Hij besloot de woorden op te bergen en niet “weg te gooien”. Zijn moeder had hem altijd aangeraden zulke gedachten weg te gooien. “Wat uit het verleden komt, moet je koesteren en liefhebben”, zei zij altijd. “Wat je komt toewaaien, moet je weggooien want het is van de sluipers.” Waarom had ze dat zo zeker en stellig gezegd? Iets in hem zei dat hij het deze keer niet moest doen. De angst gloeide even in hem op dat hij zichzelf bijzonder of hoog zou voelen. Het was gevaarlijk om te denken dat je bijzondere boodschappen ontving want die kwamen dan van ver weg, van een plaats die jou belangrijk vond. Kalam begon opnieuw zijn lied te zingen en langzaam vloeiden rust en zekerheid en de warmte die daarbij hoorde weer terug.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: