Achtergronden en Archeologie Gamor Anth’em

voorkant-annalen-v-gHet verhaal over de sluipers

——————————–

Sluipers spelen in de Annalen van Gamior een belangrijke rol. Het zijn, volgens het volksgeloof, akelige wezentjes die in je oren kunnen kruipen en je verkeerde gedachten influisteren.Lange tijd hebben historici en archeologen zich afgevraagd hoe dit geloof in de wereld is gekomen. De laatste maanden begint duidelijk te worden wat de herkomst is van deze sluipers.

Volgens onderzoekers zijn de sluipers geen doodgewone overlevering waarvan de bron onbekend is. Zij zoeken de herkomst van de sluipers in de herkomst van de Anth’. Dit volk zou namelijk bestaan uit nakomelingen van mensen die van een andere planeet, mogelijk Bacchus, op aardezijn aangekomen. In dat verband passen zij in de opvattingen van Erich von Däniken die al in de twintigste eeuw beweerde dat de mensheid was geconstrueerd door wezens van een andere planeet. Hij schreef daarover een boek “Waren de goden kosmonauten?”

Sluipers zouden dan zijn voortgekomen uit kleine wezentjes, duimgroot, op die planeet die zich erop toelegden de andere bewoners van de planeet het leven moeiulijk te maken. Zo aten zij inderdaad oorbanket en daartoe moesten zij dus in de oren van andere wezens kruipen, wat heel hinderlijk was. Aanwijzingen daarvoor zijn gevonden op de planeet Bacchus. De wezentjes bestaan nog en de onderzoekers hebben grote moeite gehad ze van zich weg te houden. Deze wezentjes gooiden ook met steentjes en stof, bij voorkeur op de ogen gericht zodat de grotere wezens niets meer konden zien waarna de sluipers hun gang konden gaan.

Sluipers zijn volgens biologen te rubriceren onder  de omnivoren, alleseters. Zij zijn vooral in het pikkedonker klaarwakker en overvallen iedereen en alles om aan hun vraatzucht te kunnen voldoen. Zij zijn geen zoogdieren maar leggen eieren, bij voorkeur in het nest van muis- en egelachtigen. Daar knagen zij aan de jongen totdat deze ziek worden en doodgaan. Volwassen dieren zien nauwelijks kans om daartegen op te treden. De manlijke sluipers zijn de dieren die op de jongen passen, de vrouwtjes worden veel ouder en zuigen na enkele jaren de mannetjes leeg, zodra zij niet meer geschikt zijn voor de voortplamting. Het onderzoek gaat door.

===========================================================

Archeologie

In de afgelopen paar jaar is er aanmerkelijk meer duidelijk geworden over de bijzondere samenleving van de Anth’ . Al in een heel vroeg stadium hebben archeologen ontdekt dat de veronderstelde leefomgeving, Kana’an, in de Harz lag. Dat was een aanname die werd gebaseerd op opmerkingen in de Annalen van Gamor. De vondst van dit geschrift was natuurlijk zo’n twintig jaar geleden al een opzienbarebnde gebeurtenis. Tot die tijd was men er immers van uit gegaan dat mensen in de IJstijd niet konden schrijven. Met deze vondst werd deze wetenschappelijke opvatting volledig ondergraven.

De Annalen van Gamor waren geschreven in een schrift dat was uitgekrast in de muren van de stad die onder Kalam’s leiding was gesticht. Daarbi bleef het niet wnt er werden ook teksten gevonden op een primitieve vorm van perkament.Later toen het verhaal enige duidelijkheid begon te bieden, vond men soortgelijke teksten ook terug in de stenen wanden van wat ooit Kana’an geweest kan zijn.  De letters bleken voor archeologen relatief eenvoudig te lezen te zijn doordat de letters voor een groot deel overeenkwamen met het Griekse alphabeth. De archeologoen hadden daar onmiddellijk oog voor maar kregen het bewijs pas doordat zij woorden uit de Anth’ taal leerden kennen die zorgden voor een logische samenhang van de annalen. Deze woorden konden zij leren kennen doordat in dezelfde ruimte ook vellen perkament werden gevonden met afbeeldingen en onderschrift. Door de juiste uitleg te geven aan de gevonden materialen werd duidelijk in welk verband de illustraties geplaatst moesten worden. Zo zijn de archeologen en historici langzaamaan tot het inzicht gekomen dat De Annalen van Gamor een redelijk goed inzicht geven in wat zich heeft afgespeeld in Kalam’s tijd.  (wordt vervolgd)

De annalen van Gamor geven een nieuwe mythologie, een verfijndere zingeving en bovenal een sfeervol, mooi verhaal. Het boek is in mei 2013 uitgekomen. De grote lijn draait om een individu en een volk dat zich onder barre omstandigheden ontwikkelt.

Kaj Elhorst is journalist en romanschrijver. Fantasy is naast de detectiveroman zijn meest geliefde literatuur. Hij schreef eerder voor kinderen onder meer de Arie Bonkersreeks en Het Spinhuis (uitgeverij Maretak) en voor volwassenen “Het Geheim van de Alphense Runen” (uitgeverij Albini). Op het ogenblik is hij ook met een groot fantasy-project bezig.

Hij werd geboren in 1946 en dat jaartal is misschien wel symbolisch. In dat jaar was Nederland immers net begonnen aan een nieuwe ontwikkeling. De mogelijkheden leken onbegrensd. In zijn boeken zoekt hij die grenzenloosheid op.

Zijn eigen leven vormt daarvan de bron want hij is altijd op zoek geweest naar grenzen en structuren. Al als jong kind speelde hij met zijn vriendjes echte verhalen. Als hij rover of soldaatje speelde, ging het om het beleven van de werkelijkheid. Een nieuwe werkelijkheid waaraan hij dan zelf vorm kon geven.

Die belangstelling combineerde zich met zijn fysieke behoefte aan schrijven. Als vierjarige hanteerde hij al de pen ook al kon hij nog niet lezen of schrijven. Hij schreef zijn taal en zijn tekens. Een ongebreidelde interesse voor alles wat met taal en schrift te maken had, kenmerkte hem. En zo is het nog steeds. Hij is niet alleen schrijver/journalist geworden vanwege zijn nieuwsgierigheid naar de werkelijkheid maar ook omdat hij zich steeds heeft afgevraagd wat je met die werkelijkheid kan doen.

ENCYCLOPEDIE

A´ake – de `wakkere`, de leider van de Anth´

A’ake Moz Tar’ak, de nieuwe, schijnende A’ake, de eretitel die Rannhald zichzelf toebedeelde.

A’ariha – het eerste kind van elke vrouw in de buitenste kring was er één van de A’ake. Het kind werd na de eerste zoogperiode weggenomen bij de moeder en naar de middelste kring gebracht om opgevoed te worden en zijn of haar leven te slijten. De moeder zou het nooit meer zien. Zo’n kind was A’ariha. Bij binnenkomst in de middelste kring kreeg het een eigen naam.

Abra’ah – vreemdelingen

Abra’ah gûl namth te’em t’ippler Ant’ ba’agar” – zin uit de Gamor Anth’em  die betekent:  “Vreemdelingen op dieren gezeten brengen de Ant’ het geheim van de zon”.

Angamor – De breker van de gamor, de kwade geest die de band tussen de Anth’onderling en hun omgeving verbreekt. De “geloofloze”.

Anth’- het volk waarvan Kalam lid is

Anthamolan – de heilige kist net herinneringen van de voorvaderen van de Anth’

Bagar – schenken

Be’am – staak die uit de grond komt (boom)

Be’as – bomen, bos

Gamor – alles waarmee de Anth’ verbonden zijn. De band tussen binnen- en buitenwereld.

Gamor Anth’em – het lied dat verhaalt van de voorvaderen. Letterlijk, de adem van het volk.

Gûl – de zon

Gûl”trip – vuur

Gul an Tra – Zon met de aarde, de levenslijn.

Ha’aaraakittinaa” – de achternaam van elke vrouw in de buitenste kring: “te openen door de A’ake”.

Grootjagers of Magarden, raadslieden van de A’ake

Hagarde – reizen in het hoofd, fantasie, een fantast

Hiksa – geestelijke afwijking die een veel meer dan gemiddelde vorm van helderziendheid inhoudt´

Hiksa´emanth – het Grote inzicht, verstrekkende visie die over de grenzen van het zienbare heengaat

Jammer – een viool van been en smalle repen huid van waterluiaaard

Jankerman – poolwolf

Kana’an – het warme nest, de plek waar de Anth’  warmte, rust en veiligheid vonden. Later is het woord door de Joden overgenomen in de betekenis van “Land van Melk en Honing”

K’alan van de kana’an – de binnenste cirkel waar Kalam met zijn familie leeft, de cirkel van de leiders.

K’alan ath – de cirkel van het werkvok, niet de jagers maar hun helpers.

K’arath – de buitenwereld

Kr’ak – In heet water gekookt botmeel waardoor een lijmachtige stof ontstaat die door de Anth’ grotendeels wordt gebruikt als kit.

Ma’akat hiksa: krankzinnig

Moz´- sterke wind uit het oosten

Moz´na-es, waar de wind je wijst

Moz tha anth – karma, lot.

Nad’ar – de leiding waarlangs heet water uit Nogûl naar Kana’an stroomt. Dit hete water stelt de bewoners van de binnenste en middelste kring in staat hun voedsel te koken. In de buitenste kring is dat niet de gewoonte. Bovendien verwarmt het warme water de hele Kana’an, ook de buitenste kring.

De Nad’ar is aangelegd van uitgeholde botten van enkele groottanden duie in de loop van de tijd het land van de Anth’ hebben bezocht. Ze is aangelegd vlak voor de geboorte van Kalam.

N’amanth – (de mensen van)  de middelste kring, de leraren, verhalenvertellers, zangers, artsen

Namth – geheim

Na tha, na Gamor, na rulia benin. Asta effe rulia grannahin – de dagelijkse spreuk van de Anth´ die wijst op de onderlinge verbondenheid en een beroep doet op de steun die daarvan uitgaat. Letterlijk betekent het “Ik ben van jullie, zoals jullie zijn van mij.”

Nevelgarden – aasetende roofvogels ter grootte van een adelaar

Panak -de wijze man van de N’amanth

Pok’om – heksenjacht

Raad van de Grootjagers, de raad van adviseurs van de A’ake

Rannhald – de man die A’ake zal worden al stamt hij uit de buitenste kring. Hij volgt de oude A’ake op en wordt Kalams grootste vijand

Ranndok – De man met gamor uit de buitenste kring, vriend van Kalam

Roar – rooftand aan het hof van de A’ake, de rooftand die macht en pracht van de A’ake weerspiegelt.

Rommer – tijdelijke sneeuwhut die alleen geschikt is als slaapplaats.

Roofkop – ijsbeer

Sluipers – wezens uit de andere wereld die zo nu en dan naar boven komen en vooral in de oren van de Anth’ kruipen en ze berichten influisteren uit de andere wereld. Daarmee brengen ze de Anth’ in verwarring en wekken ze onvervulbare verlangens op. Onbewust verlangen de Anth” naar kennis over deze andere wereld.

T’anga – “die te hebben is”, dat geldt voor alle vrouwen in de buitense kring. Een andere naam hebben zij niet.

Te’em t’ippler – gezeten op dieren

Wagarden – rondzwervende Anth’ die verstoten of weggelopen zijn en meestal van roof leven

Za’kran – neusfluit, fluit die wordt bespeeld door het instrument op de rug van de neus te plaatsen en er via de neusgaten lucht in te blazen. De Za’kran wordt alleen bespeeld bij zeer bijzondere gelegenheden (begin en einde van de nachttijd, uitvaart en huwelijk van jagers). Daarom wordt de fluit ook wel aangeduid zonder lidwoord, als ware het een wezen.

Zucht – opening in het dak van een rommer die zorgt voor frisse lucht

Archeologie

Van de Gamor Anth’em is vermoedelijk een fraai voorbeeld gevonden in een ijsgrot in het Reuzengebergte. Onderzoeker Ralf Hergord vermoedt ook dat dit de versie is die Kalam in het ijs heeft gehakt aangezien het ijs reeds honderdduizenden jaren oud is. Hoewel schrift in die tijd de Anth nog onbekend was, zijn er toch afbeeldingen gevonden van vereenvoudigde tekens die wijzen op een poging tot vorming van schrift. Bovendien is in de directe nabijheid een vulkanisch gebied gevonden dat wijst op een gedoofde geiser. Als blijkt dat deze Nogul zou zijn, dan is het mogelijk dat Kana’an ook in deze streek heeft gelegen. Het archeologisch onderzoek wordt dankzij vele geldschieters in 2014 en 2015 voortgezet.

Volgens Hergord wijst alles erop dat de gevonden afbeeldingen vrijwel twijffelloos van de hand van Kalam zijn. Dat zuij zolang goed bewaard zijn gebleven, ziou het gevolg zijn van een tienduizenden jaren vrijwel gelijkblijvende temperatuur in de berg en het gebrek aan vulkanische werking in de directe omgeving. Dat zou betekenen dat met de in de verhalen genoemde Nogûl inderdaad de berg wordt bedoeld die door Hergord en de zijnen is onderzocht.Er wordt met de Duitse en Tsjechische overheid en deskundigen overlegd over de mogelijkheid om de ruimte met de afbeeldingen open te stellen. Het onderzoekswerk van Hergord is nu verlegd naar een speurtocht naar de Zee van Hoop.

De namen

Kalam Erso Dramatik, een zeer mooie naam voor iemand uit Kana’an maar dat mag ook verwacht worden van de zoon van de A’ake! Zijn eerste naam betekent “Gebeurtenis`, dat is althans op te maken uit het beeldschrift dat van de Gamor gevonden is. Zijn tweede naam betekent `vooruit` en zijn derde naam is de geslachtsnaam van zijn familie.

 

 

GAMOR Anth’em

 

Zij kwamen van hoog,

Hoger dan de goden,

Langs stralen van Gûl,

En langs de regenboog,

Zij kwamen met weinigen,

Zeer weinigen,

Veel minder,

Maar zij brachten mee hun hoogheid,

Als last, als vreugd en hinder.

 

Refr:

 

Het was nooit begonnen en nooit kon eraan begonnen worden en toch was het er,

Dat was de ladder die hen bracht,

Van de allerhoogste hoogten,

Tot de nederigste van nederigheden,

Er was geen begin en geen einde, geen einde en begin,

Geen weg, geen spoor, geen richting geen doel,

En toch gingen zij met vaste tred,

En kwamen zij aan waar zij wilden komen,

Niet aan het einde, niet aan het begin.

 

Refr.

 

Zij kwamen van hoog, hoger dan de goden,

Waarheen zij stuurden hun vaders en moeders,

Niet om te beginnen , niet om te eindigen,

Maar slechts om daar te zijn waar zij waren,

En te blijven waar zij zouden aankomen,

Te gaan waar zij zich bevonden,

Te aan te komen waarheen zij vertrokken,

Te vinden wat zij hadden en te reizen waar zij stil stonden,

Te zien wat zij kenden en te horen wat zij wisten.

 

Refr.

 

Zij voeren een eindeloze reis door een donkere nacht,

Maar bleven gericht op “Berbre’en”, de blauwe, de blauwe…

De blauwe die lokte van ver tot hen zong,

Die klanken en kleuren bracht, niet eerder gevonden,

Die lichten vertoonde, niet eerder gezien,

Die vormen vertoonde, nooit eerder aanschouwd,

Die eeuwig bestonden, verborgen en vreemd,

Verwarring bleef zaaien maar aantrok als geen,

Een blik in de ruimte, een oog vol van glans.

 

Refr.

 

En zie waar zij kwamen

In een nieuwe wereld,

Een ander wereld, een vreemdeling alom,

En al wat zij wisten, vergaten zij hier,

Het was niet meer nodig,

Ze konden het niet meer,

De wereld zo nieuw, zo anders zo vreemd,

Maakte hen onwetend, een vreemdeling in eigen huis,

Het geluk was ook met hen, zo leek deze nieuwe wereld te zeggen.

 

Refr.

In velden van overvloed en heerlijkheid

Waar Gûl zijn stralen liet dalen

Dag in dag uit tot in de eeuwigheid

Die zij al lang kenden van einde tot begin

En zo wisten zij van de dagen

Die kwamen na hun komst

Van sneeuwbui en sluipers

Die hun plaagden en hinder brachten.

 

Refr.

En niets wisten zij nog,

Van hoe zij zich moesten redden.

Hoe zij de wereld aankonden,

Met vaardigheid en kennis,

Niets wisten zij nog wat te doen in de nood,

Zij kozen slechts voor het onderdak dat de wereld hen bood,

Zij vochten de kou aan,

Bestreden de sneeuw,

En waren gevangen in hun huis.

 

Refr.

 

En zie hoe zij leefden in ijsgrotten koud

Een kou die ook warmte hun bracht,

Een warmte die in hen leefde maar naar buiten bedacht,

Dat zij Gûl ook bereikten, wanneer zij dat wilden,

Dat ûtmo’an, de god van het weer, donder en wanhoop,

Hen niet kon beletten om vrolijk te zijn

En levend te vinden om te zoeken,

En zoekend te vinden tot aan het begin van de tijd

Vanouds ook het nieuwe begroetten.

 

Refr.

 

En zie ook hoe zij elkaar verloren,

De wijzen, de rijken, de armen, een ieder zichzelf,

Zie ook hoe de Gamor smolt,

Temidden van ijskou en sneeuw,

Zie ook dat nieuws, een heel nieuw bericht,

Hen slechts kon versterken, opnieuw opgericht,

Hoe kringen verdwenen en groeiden tot één,

In Gamors naam bleek dat nog te bestaan,

Het zoeken was slechts nog naar die ene, het licht Berbre’en.

 

 

Refr.

 

De oude A’ake keek eenzaam voor zich uit

Eenzaamheid en blikken in de verte

Zij boden hem de vergezichten en terug

Zij gaven hem gedachten en geschenken uit de hoogte

Gedachten en geschenken die hoger reikten dan de goden

Terug naar huis hem brachten waar hij eigenlijk hoorde

Hij zag zijn zoon en wist waar diens pad heen zou gaan

En wist dat hij hem niet lang vast kon houden

Hij zou hem geven zin om op dat pad te gaan.

 

Refr.

 

Maar wie wo wie moest hem dan volgen in de rij?

Wie zou de mantel van de A’ake gaan dragen?

Welke schouders waren daarvoor juist gemaakt

Wie zou de mantel krijgen zonder vragen?

En wat moest daar de oorzaak dan van zijn?

Waaraan kon hij zijn opvolger herkennen?

Hij schouwde in de verte met veel pijn

Totdat hij blikte in bekende ogen

Ogen, zo gevaarlijk maar met blauw licht.

 

Refr.

 

Het blauwe licht, het licht dat al beloofde,

Al dat nooit begonnen was en waaraan nooit begonnen kon worden

Het blauwe licht zo stralend door Gûl

Het blauwe licht dat zich afkeerde van Utmo’an, de god van het weer, donder en wanhoop.

Het blauwe licht dat trok, dat zoog en kracht gaf,

Het blauwe licht  dat vol was van belofte

Berbre’en het doel om steeds naartoe te gaan

Het scheen in de ogen van een jonge man,

Die de A’ake zo goed kende.

 

Refr.

 

Het blauwe licht beheerste hem, nam hem al in beslag,

Het waren niet de sluipers die hij zag,

Die sluipers die woonden achterin het blauwe  schijnsel

En ook die draken die hun kop zo schudden zolang al en zo heftig

Hij zag ze niet achter ’t blauwe licht zo godenschoon zongedragen,

Ja dat licht zou brengen een nieuw leven in het Kana’an

Nadat de nevel hem, de A’ake, had weggedragen

Hij zweeg voorlopig nog maar zijn keuze was gemaakt,

Een keuze door Gûl hem ingegeven.

 

de wegen om te

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: