
Kalam hield zijn arm om de schouders van A’ akane geslagen en hij wist waar zij naar keek. Net als de zijne waren haar ogen gericht op de opkomende zon die zijn eerste stralen over de heuvels in de verte zond. Het licht van de stralen reikte tot ver over het strand, het water van de zee liet het licht flonkeren en nog verder schenen de stralen totdat zij zich verloren in de eindeloze duisternis die nu heerste in het huis van Gûl. Hoe kon het ook anders? Als Gûl niet thuis was, zou het donker zijn.
Onwillekeurig gingen de gedachten van Kalam uit naar de mannen en vrouwen die zovele jaren geleden al vertrokken waren in de richting van het huis van Gûl. Hij wist nu dat ze duisternis hadden gevonden en geen licht want Gûl gaat in zijn huis rusten en het licht wordt er alleen maar minder. Pas als hij op reis gaat, schittert zijn licht weer, zo meende Kalam en hij merkte hoe A’akanes gedachten in zijn hoofd kropen en hem hetzelfde vertelden. Maar waarom waren de mannen en vrouwen met hun boot dan nooit teruggekomen? Hadden zij niet verlangd naar het immer weerkerende licht van Gamor?
Nu hij hier stond met zijn vrouw, miste hij de mannen van Foelar en Rannsjak en hun vrouwen. Moedig, ja moedig waren zij geweest en gedreven, zoekend naar het licht en de warmte die hem ook op zijn lange reis hadden begeleid. Zonder het geloof in licht en warmte had hij zijn volk niet naar deze plek van Gamor kunnen leiden.
Groot was de stad geworden. groter dan de rode stad die vlakbij lag en de zoon van Primus had zijn zwaard zelfs in de handen van Kalam gelegd. De rode stad was een wijk geworden van Gamor, de stad temidden van een wereldrijk dat zich met weinig veldslagen en met veel handel en praten en huwelijken had uitgebreid over het hele gebied. Uiteindelijk had Amtros de wijk genomen uit de streek en waren de Vogelgrijpers vertrokken naar andere landen, ver achter de derde heuvelrug. Soms dwong een geheime gedachte Kalam tot een spottende glimlach. Was Amtros met zijn benden misschien naar Kana’an vertrokken? Ging het altijd maar door in cirkels en moest altijd iemand de mindere zijn. En was Kana’an nog wel een bevroren land of waren de sluipers erin geslaagd hun groene wereld naarboven te toveren?
Eigenlijk hield het hem niet bezig. Zijn herinneringen waren veilig opgeborgen in de K’awal die hij dagelijks raadpleegde en die hem elke dag voorzag van aanwijzingen die hij dan weer in regels en voorschriften omzette. Soms klaagden de mensen in Gamor dat er alsmaar meer regels en voorschriften kwamen maar als zij dan weer zagen hoe gemakkelijk het voedsel naar de stad kwam en hoe luxe zich op lexe stapelde, dan zwegen zij.Dan begrepen zij dat regels en voorschriften de prijs waren die zij moesten betalen voor hun welvaart.
Hoewel, de laatste jaren was er een nieuwe stem door de stad gegaan: Kraj d’a Man, een grote, brede, machtige man, hij kon een loopvoeter optillen, zo zei men, verkondigde een nieuwe boodschap. Hij beweerde dat niet één uitverkorene maar alle stedelingen tesamen de toekomst van hun stad moesten gaan bepalen. Ja, hij had zelfs gedreigd met zij vrienden en kameraden de stad te verlaten en de anderen aan hun lot over te laten. Dat zou niet ebst egweest zijn want Kraj d’a Man en zijn kameraden bouwden schepen en metselden muren. Voor Gamor waren zij onmisbaar en daarom had Kalam hen gedeeltelijk hun zin gegeven. In het vervolg zou Kraj ook de sleutesl van de kist met staven van Gûl bezitten. Ook hij mocht over de waardevolle staven beschikken die zo belangrijk waren voor de handel.
Niet dat het leven daardoor in de stad veel beter was geworden. Van tijd tot tijd gebruikte Kraj de staven om een feest te organiseren op het plein voor de tempel. Dan traden twee of drie mannen met zweaarden en grote vorken gewapend elkaar tegemoet en dan streden zij totdat er één overleefde. Erbarmelijk vond Kalam dat, vooral als hij zag hoeveel vrouwen en kinderen na afloop huilden maar zijn macht was niet groot genoeg meer om ertegen op te treden.
Nee, zijn macht taande en hij voelde hoe ook zijn kracht verloren ging. Alleen als hij hier op het strand uitkeek, afwisselend over zee en de heuvels en als hij de stralen van Gûl voelde, dan keerde zijn kracht terug. A’akane wist het en zij vergezelde hem maar al te graag naar die momenten omdat zij aanvoelde hoe belangrijk ze voor hem waren. Om zo nu en dan opnieuw de kracht en de macht te voelen die hem ooit hadden doortrokken.
De hemel rond het huis van Gûl kleurde eerst paars en langzaamaan werd ze donkerblauw. Steeds verder konden ze nu over de zee uitzien. Heel in de verte, aan de horizon leek iets op te lichten, de stralen van Gûl te weerkaatsen. Kalam zag het en in stilte vroeg hij zich af of het mogelijk was dat het licht dat zijn mannen in het huis van Gûl zelf maakten, doordrong tot aan de voet van de muren van Gamor an Gamor.
“Nee geliefde man”, de woorden van A’akane klonken zacht maar zeker. “Dat wat jij ziet, kan niet een licht zijn van onze mannen in het huis van Gûl. Opnieuw had ze zijn gedachten opgevangen zoals dat al vanouds gebeurde. “het moet een ster zijn zoals ze ‘s nachts ook aan de hemel staan om tenminste enig licht te verspreiden. Kalam haalde zijn schouders op. “Ik begrijp het niet”, zei hij haast berustend. “Waarom heb ik dat licht dan nooit eerder waargenomen?” Nog voordat A’akane daarop antwoord kon geven, werden zij plotseling omgeven door hun drie kinderen. De oudste droeg al de wapens zoals jonge mannen in Gamor dat gewend waren. Een wereldheerschappij zonder wapens was nog nooit mogelijk gebleken ook al breidde het rijk zich uit zonder strijd. Wapens waren het symbool en het symptoom van macht.
“We gaan jagen en sporten”, zeiden de jongens en ook de meisjes sloten zich daarbij aan. “Jagende meisje?” lachte Kalam en nu kwam A’akane tussen beiden. “Je bent zxeker vergeten wie hun moeder is. Moet je eens zien hoe goed zij hun kruisboog kunnen spannen en hoe zij op loopvoeters kunnen rijden!” Kalam zuchtte. Inderdaad, hij leek soms vergeten te zijn wie de moeder van hun kinderen was. De oudste dochter, die geboren was toen ze hier aps waren aangekomen, kleedde zich vaak opvallend met veren en pluimen en weinig kleren aan haar lijf. Ze reed loopvoeter als een krijger en schoot veel van haar manlijke concurrenten voorbij. Haar rijd- en schietkunst maakte haar tot een fel begeerde jonge vrouw maar zij wees de ene na de andere man af. De enige jongen waarnaar zij wel eens heimelijk keek, leek niet op haar te letten. Kalam vroeg zich verwonderd af hoelang het kijken “” heimelijk” zou blijven. Vroeger had hij zich daarover bezorgd getoond maar A’akane had hem tot de verwondering gebracht.
De schittering van het licht in de ricjhting van het huis van Gûl was nu dichterbij gekomen. Dat zag ook A’akane en zij beet zich verbaasd op haar onderlip. Dit kon geen ster zijn, maar wat dan wel? Zij kneep haar ogen tot spleetjes om scherper te zien en zocht met haar gedachten contact met Kalams vader maar niets leek deze keer te helpen. Haar ogen bleven nu gericht op het licht dat swteeds sneller dichterbij leek te komen. Van tijd tot tijd verdween het licht ook weer, als een wolk voorbijkwam of als een vlucht grote vogels passeerde maar dan, even later was het er weer, weer dichterbij. Zij had de woorden van haar kinderen deze keer nauwelijks gehoord en had geroepen “ja, goed doe maar”, zonder te beseffen wat ze precies van plan waren en ook Kalam had maar weinig antwoord gegeven. Zonder zich daarvan iets aan te trekken, begaven de kinderen zich op weg.
Kalams en A’anakes ogen bleven nu onbewegelijk op het licht op zee gericht en kennelijk hadden ook andere inwoners van de stad het nu opgemerkt. Een stroom van mensen trok naar hets trand. Veel stemmen klonken er niet, alleen hier en daar wat nauwelijks hoorbaar gemompel. Nee, de mensen waren te verbaasd en nieuwsgierig naar het licht dat bij tijd en wijle wel een ster begon te lijken met stralen naar alle kanten maar het niet was. “Een schip”.. riep plotseling een stem vanaf de muren van Gamor an Gamor. “Het is een schip!” Het woord ging door de menigte zonder dat de mensen zich bang voelden worden. Vroeger hadden ze nog angst gehad voor de zeemannen maar die waren nu tot rust gebracht. Een gevaar kon het niet zijn en trouwens, het ging maar om één schip. Nee, hier moest iets anders aan de hand zijn. De nieuwsgierigheid gaf de inwoners van Gamor an gamor een opgwekt gevoel al schreeuwden ze het niet uit en begonnen ze niet te danen en te springen. Nee, er was een gevoel van bevrijding, een vrolijkheid die sterker is dan blijdschap. Sommigen guingen op hun tenen staan om het beter te zien hoewel ze geen moeite hoefden te doen om over hun voorganger heen te kijken. Zachtjes, heel zachtjes ging een bericht door de menigte. “Gûl zend ons een boodschap. Gûl zoekt ons als heersers van de aarde op.” Kalam kon niet anders doen dan daarover glimlachen. Hij wist maar al te geod dat Gûl nooit naar beneden zou komen om mensen op te zoeken maar het bleef de vraag wie dan wel?
Nauwelijks opgemerkt had Tugor een plekje naast zijn vriend gevonden maar ook uit zijn mond kwam alleen adem, geen woorden. Een boodschap van Gûl? Hij grijnsde. De mensen lieten zich maar al te rgaag beetnemen door vastgeroeste ideeén. Alsof Gûl zich verplicht zou voelen Gamor op te zoeken, hij die de macht had om met één straal de stad plat te branden en weer op te bouwen! Gespannen keek hij naar Kalams gezicht maar daaruit was niets op te maken en hij durfde zijn vriend in diens gedachten niet te storen. En dus bleef ook hij instilte kijken naar het wonedrbaarlijke licht dat de top van een snel naderend schip sierde. Het schip was nu duidelijk te zien. Het was mooier en ranker dan de schepen die de mannen van gamor bouwden. In het midden boven alles uit wapperde een groot doek waarin de wind gevangen leek te worden en weeen onzichtbare hand leek het schip voort te duwen. Was het de wind? Tugor keek verder en hij zag dat er wel roeispanen buiten boord hingen maar ze bewogen niet. Een schip dat voer door de wind!
Nu waren de mannen aan boord van het schip al zichtbaar. Ze waren allemaal naar één kant van het schip gelopen zodat het scheef lag en zo nu en dan dreigde de zee de booren van het schip te overspoelen. Dat gebeurde elke keer net niet. Eén man stond helemaal vooraan op de voorsteven en keek met zijn hand boven zijn ogen naar het strand. Hetw aren de stralen van Gûl die hem hinderden in zijn ontdekkingstocht naar de mensen aan land. Zijn stem liet hij gaan over het water en zachtjes bereikte zij de oren van Kalam en zijn volk. Hij sprak de taal van de Anth’! Kalam glimlachte, dit was het schip van Foelar en de zijnen, een nieuw schip.
De man leek een vreemde. Zijn kleren, de kleur van zijn huid die donker was geworden door de duisternis in het huis van Gûl, zo meende Kalam. De omhoog gestoken vuist als groet, het leek hem allemaal vreemd. Maar er waren ook de ogen en die konden niet verberge met wie Kalam te maken had en dan….dan was er het enorme zwaard dat aan de gordel van de man hing. Kalam herkende het meteen, het zwaard van Kraj. Dit moest Foelar zijn en ook A’akane en Tugor meenden het met Foelar te maken te hebben al was de ontevreden trek op zijn gezicht verdwenen. ”Foelar”, riep Kalam uit en hij sloeg zijn armen om de bezoeker. De man leek even terug te deinzen maar bleef toch staan. Toen Kalam hem weer had losgelaten sprak hij duidelijk en onvermurwbaar: “Adaq!” Adaq? Kalams blik ging van A’akane naar Tugor en weer terug. “Adaq?” herhaalde hij onzeker. De man met de korte zwarte baard boog. “Ik ben Adaq, de zoon van Foelar”, lachte hij. “En u bent de uitverkorene.” “Adaq”, herhaalde Kalam en hij keek A’akane aan. “Maar de zoon van Foelar heette toch heel anders?” Voordat A’akane kon antwoorden, gaf de man tegenover hem antwoord. “Mijn naam is veranderd om aan te geven dat ik in het licht van Goal, die bij u Gûl heet, heb gestaan”, zei hij. “ik ben Foelars oudste zoon en ik kom naar u toe met een bericht.”
Die avond zaten alle bewoners van Gamor an Gamor en de mannen van Adaq op het plein voor de tempel en Kalam raadpleegde de K’awal, er werd gegeten en gedronken en het duurde niet lang of de vermoeidheid kwam over iedereen. Tevredenheid heerste in Gamor omdat het Foelar en de zijnen goed ging in het huis van Gûl. Zelden had de slaap zo vredig over de stad gelegen. De volgende ochtend toen iedereen weer wakker was, ving het eten opnieuw aan totdat Adaq opstond en zich tot Kalam richtte. “Wij zij van ver gekomen uit ons verre land, het huis van Gûl, het huis dat ook mijn huis is geworden. Wij zijn gekomen met een opdracht”, zei hij en hij haalde het zwaard van Kraj uit zijn gordel. Het zwaard van Kraj dat ons volk rond de wereld heeft geholpen, zie hier, het behoort u toe”, zei hij eindelijk en hij legde het zwaard in de handen van Kalam. ”Het zwaard is weer thuis”, juichte hij en de mensen juichten met hem mee. Kalam voelde hoe glimlach en tranen met elkaar worstelden maar hij overwon de neiging om aan één van tweeën toe te geven door op te staan. “Het zwaard is thuis”, zei hij nu ook. : “Het was nooit begonnen en nooit kon er aan begonnen worden en toch was het er. Gamor spreekt mij toe. Niets is zoals het begonnen is en alles blijft zoals het eindigen zal”. Gamor an Gamor.” Zelden had een grote menigte woorden zo zachtjes uitgesproken.
Http://mythologie.wordpress.com
Hiermee zijn de annalen van Gamor beschreven maar zij vinden hun voortzetteing in het nieuwe verhaal “Aldemund”, een nieuwe wereld, dat hier in de komende weken zal beginnen.
Service
www.scholieren.com/boekverslagen/20075
www.yacht.nl/content/opdrachtgevers/vakgebieden/ict/debelofte.xml
www.weblog.natural-body-balance.nl/2008/12/belofte-aan-een-overledene









Recente reacties