Gepost door: Kaj Elhorst | februari 15, 2009

De belofte

Kalam hield zijn arm om de schouders van A’ akane geslagen en hij wist waar zij   naar keek. Net als de zijne waren haar ogen gericht op de opkomende zon die zijn eerste stralen over de heuvels in de verte zond.  Het licht van de stralen reikte tot ver over het strand, het water van de zee liet het licht flonkeren en nog verder schenen de stralen totdat zij zich verloren in de eindeloze duisternis die nu heerste in het huis van Gûl. Hoe kon het ook anders? Als Gûl niet thuis was, zou het donker zijn.

Onwillekeurig gingen de gedachten van Kalam uit naar de mannen en vrouwen die zovele jaren geleden al vertrokken waren in de richting van het huis van Gûl. Hij wist nu dat ze duisternis hadden gevonden en geen licht want Gûl gaat in zijn huis rusten en het licht wordt er alleen maar minder. Pas als hij op reis gaat, schittert zijn licht weer, zo meende Kalam en hij merkte hoe A’akanes gedachten in zijn hoofd kropen en hem hetzelfde vertelden. Maar waarom waren de mannen en vrouwen met hun boot dan nooit teruggekomen? Hadden zij niet verlangd naar het immer weerkerende licht van Gamor?

Nu hij hier stond met zijn vrouw, miste hij de mannen van Foelar en Rannsjak en hun vrouwen. Moedig, ja moedig waren zij geweest en gedreven, zoekend naar het licht en de warmte die hem ook op zijn lange reis hadden begeleid. Zonder het geloof in licht en warmte had hij zijn volk niet naar deze plek van Gamor kunnen leiden.

Groot was de stad geworden. groter dan de rode stad die vlakbij lag en de zoon van Primus had zijn  zwaard zelfs in de handen van Kalam gelegd. De rode stad was een wijk geworden van Gamor, de stad temidden van een wereldrijk dat zich met weinig veldslagen en met veel handel en praten en huwelijken had uitgebreid over het hele gebied. Uiteindelijk had Amtros de wijk genomen uit de streek en waren de Vogelgrijpers vertrokken naar andere landen, ver achter de derde heuvelrug. Soms dwong een geheime gedachte Kalam tot een spottende glimlach. Was Amtros met zijn benden misschien naar Kana’an vertrokken? Ging het altijd maar door in cirkels en moest altijd iemand de mindere zijn. En was Kana’an nog wel een bevroren land of waren de sluipers erin geslaagd hun groene wereld naarboven te toveren? 

Eigenlijk hield het hem niet bezig. Zijn herinneringen waren veilig opgeborgen in de K’awal die hij dagelijks raadpleegde en die hem elke dag voorzag van aanwijzingen die hij dan weer in regels en voorschriften omzette. Soms klaagden de mensen in Gamor dat er alsmaar meer regels en voorschriften kwamen maar als zij dan weer zagen hoe gemakkelijk het voedsel naar de stad kwam en hoe luxe zich op lexe stapelde, dan zwegen zij.Dan begrepen zij dat regels en voorschriften de prijs waren die zij moesten betalen voor hun welvaart.

Hoewel, de laatste jaren was er een nieuwe stem door de stad gegaan: Kraj d’a Man, een grote, brede, machtige man, hij kon een loopvoeter optillen, zo zei men, verkondigde een nieuwe boodschap. Hij beweerde dat niet één uitverkorene maar alle stedelingen tesamen de toekomst van hun stad moesten gaan bepalen. Ja, hij had zelfs gedreigd met zij vrienden en kameraden de stad te verlaten en de anderen aan hun lot over te laten. Dat zou niet ebst egweest zijn want Kraj d’a Man en zijn kameraden bouwden schepen en metselden muren. Voor Gamor waren zij onmisbaar en daarom had Kalam hen gedeeltelijk hun zin gegeven. In het vervolg zou Kraj ook de sleutesl van de kist met staven van Gûl bezitten. Ook hij mocht over de waardevolle staven beschikken die zo belangrijk waren voor de handel.  

Niet dat het leven daardoor in de stad veel beter was geworden. Van tijd tot tijd gebruikte Kraj de staven om een feest te organiseren op het plein voor de tempel. Dan traden twee of drie mannen met zweaarden en grote vorken gewapend elkaar tegemoet en dan streden zij totdat er één overleefde. Erbarmelijk vond Kalam dat, vooral als hij zag hoeveel vrouwen en kinderen na afloop huilden maar zijn macht was niet groot genoeg meer om ertegen op te treden. 

Nee, zijn macht taande en hij voelde hoe ook zijn kracht verloren ging. Alleen als hij hier op het strand uitkeek, afwisselend over zee en de heuvels en als hij de stralen van Gûl voelde, dan keerde zijn kracht terug. A’akane wist het en zij vergezelde hem maar al te graag naar die momenten omdat zij aanvoelde hoe belangrijk ze voor hem waren. Om zo nu en dan opnieuw de kracht en de macht te voelen die hem ooit hadden doortrokken.

De hemel rond het huis van Gûl kleurde eerst paars en langzaamaan werd ze donkerblauw. Steeds verder konden ze nu over de zee uitzien. Heel in de verte, aan de horizon leek iets op te lichten, de stralen van Gûl te weerkaatsen. Kalam zag het en in stilte vroeg hij zich af of het mogelijk was dat het licht dat zijn mannen in het huis van Gûl zelf maakten, doordrong tot aan de voet van de muren van Gamor an Gamor.

“Nee geliefde man”, de woorden van A’akane klonken zacht maar zeker. “Dat wat jij ziet, kan niet een licht zijn van onze mannen in het huis van Gûl. Opnieuw had ze zijn gedachten opgevangen zoals dat al vanouds gebeurde. “het moet een ster zijn zoals ze ‘s nachts ook aan de hemel staan om tenminste enig licht te verspreiden. Kalam haalde zijn schouders op. “Ik begrijp het niet”, zei hij haast berustend. “Waarom heb ik dat licht dan nooit eerder waargenomen?” Nog voordat A’akane daarop antwoord kon geven, werden zij plotseling omgeven door hun drie kinderen. De oudste droeg al de wapens zoals jonge mannen  in Gamor dat gewend waren. Een wereldheerschappij zonder wapens was nog nooit mogelijk gebleken ook al breidde het rijk zich uit zonder strijd. Wapens waren het symbool en het symptoom van macht.

“We gaan jagen en sporten”, zeiden de jongens en ook de meisjes sloten zich daarbij aan. “Jagende meisje?” lachte Kalam en nu kwam A’akane tussen beiden. “Je bent zxeker vergeten wie hun moeder is. Moet je eens zien hoe goed zij hun kruisboog kunnen spannen en hoe zij op loopvoeters kunnen rijden!” Kalam zuchtte. Inderdaad, hij leek soms vergeten te zijn wie de moeder van hun kinderen was. De oudste dochter, die geboren was toen ze hier aps waren aangekomen, kleedde zich vaak opvallend met veren en pluimen en weinig kleren aan haar lijf. Ze reed loopvoeter als een krijger en schoot veel van haar manlijke concurrenten voorbij. Haar rijd- en schietkunst maakte haar tot een fel begeerde jonge vrouw maar zij wees de ene na de andere man af. De enige jongen waarnaar zij wel eens heimelijk keek, leek niet op haar te letten. Kalam vroeg zich verwonderd af hoelang het kijken “” heimelijk” zou blijven. Vroeger had hij zich daarover bezorgd getoond maar A’akane had hem tot de verwondering gebracht.

De schittering van het licht in de ricjhting van het huis van Gûl  was nu dichterbij gekomen. Dat zag ook A’akane en zij beet zich verbaasd op haar onderlip. Dit kon geen ster zijn, maar wat dan wel? Zij kneep haar ogen tot spleetjes om scherper te zien en zocht met haar gedachten contact met Kalams vader maar niets leek deze keer te helpen.  Haar ogen bleven nu gericht op het licht dat swteeds sneller dichterbij leek te komen. Van tijd tot tijd verdween het licht ook weer, als een wolk voorbijkwam of als een vlucht grote vogels passeerde maar dan, even later was het er weer, weer dichterbij. Zij had de woorden van haar kinderen deze keer nauwelijks gehoord en had geroepen “ja, goed doe maar”, zonder te beseffen wat ze precies van plan waren en ook Kalam had maar weinig antwoord gegeven. Zonder zich daarvan iets aan te trekken, begaven de kinderen zich op weg.

Kalams en A’anakes ogen bleven nu onbewegelijk op het licht op zee gericht en kennelijk hadden ook andere inwoners van de stad het nu opgemerkt. Een stroom van mensen trok naar hets trand. Veel stemmen klonken er niet, alleen hier en daar wat nauwelijks hoorbaar gemompel. Nee, de mensen waren te verbaasd en nieuwsgierig naar het licht dat bij tijd en wijle wel een ster begon te lijken met stralen naar alle kanten maar het niet was. “Een schip”.. riep plotseling een stem vanaf de muren van Gamor an Gamor. “Het is een schip!” Het woord ging door de menigte zonder dat de mensen zich bang voelden worden. Vroeger hadden ze nog angst gehad voor de zeemannen maar die waren nu tot rust gebracht. Een gevaar kon het niet zijn en trouwens, het ging maar om één schip. Nee, hier moest iets anders aan de hand zijn. De nieuwsgierigheid gaf de inwoners van Gamor an gamor een opgwekt gevoel al schreeuwden ze het niet uit en begonnen ze niet te danen en te springen. Nee, er was een gevoel van bevrijding, een vrolijkheid die sterker is dan blijdschap. Sommigen guingen op hun tenen staan om het beter te zien hoewel ze geen moeite hoefden te doen om over hun voorganger heen te kijken. Zachtjes, heel zachtjes ging een bericht door de menigte. “Gûl zend ons een boodschap. Gûl zoekt ons als heersers van de aarde op.” Kalam kon niet anders doen dan daarover glimlachen. Hij wist maar al te geod dat Gûl nooit naar beneden zou komen om mensen op te zoeken maar het bleef de vraag wie dan wel?

Nauwelijks opgemerkt had Tugor een plekje naast zijn vriend gevonden maar ook uit zijn mond kwam alleen adem, geen woorden. Een boodschap van Gûl? Hij grijnsde. De mensen lieten zich maar al te rgaag beetnemen door vastgeroeste ideeén. Alsof Gûl zich verplicht zou voelen Gamor op te zoeken, hij die de macht had om met één straal de stad plat te branden en weer op te bouwen! Gespannen keek hij naar Kalams gezicht maar daaruit was niets op te maken en hij durfde zijn vriend in diens gedachten niet te storen. En dus bleef ook hij instilte kijken naar het wonedrbaarlijke licht dat de top van een snel naderend schip sierde. Het schip was nu duidelijk te zien. Het was mooier en ranker dan de schepen die de mannen van gamor bouwden. In het midden boven alles uit wapperde een groot doek waarin de wind gevangen leek te worden en weeen onzichtbare hand leek het schip voort te duwen. Was het de wind? Tugor keek verder en hij zag dat er wel roeispanen buiten boord hingen maar ze bewogen niet. Een schip dat voer door de wind!

Nu waren de mannen aan boord van het schip al zichtbaar. Ze waren allemaal naar één kant van het schip gelopen zodat het scheef lag en zo nu en dan dreigde de zee de booren van het schip te overspoelen. Dat gebeurde elke keer net niet. Eén man stond helemaal vooraan op de voorsteven en keek met zijn hand boven zijn ogen naar het strand. Hetw aren de stralen van Gûl die hem hinderden in zijn  ontdekkingstocht naar de mensen aan land. Zijn stem liet hij gaan over het water en zachtjes bereikte zij de oren van Kalam en zijn volk. Hij sprak de taal van de Anth’! Kalam glimlachte, dit was het schip van Foelar en de zijnen, een nieuw schip.

De man leek een vreemde. Zijn kleren, de kleur van zijn huid die donker was geworden door de duisternis in het huis van Gûl, zo meende Kalam. De omhoog gestoken vuist als groet, het leek hem allemaal vreemd. Maar er waren ook de ogen en die konden niet verberge met wie Kalam te maken had en dan….dan was er het enorme zwaard dat aan de gordel van de man hing. Kalam herkende het meteen, het zwaard van Kraj. Dit moest Foelar zijn en ook A’akane en Tugor meenden het met Foelar te maken te hebben al was de ontevreden trek op zijn  gezicht verdwenen. ”Foelar”, riep Kalam uit en hij sloeg zijn armen om de bezoeker. De man leek even terug te deinzen maar bleef toch staan. Toen Kalam hem weer had losgelaten sprak hij duidelijk en onvermurwbaar: “Adaq!” Adaq? Kalams blik ging van A’akane naar Tugor en weer terug. “Adaq?” herhaalde hij onzeker. De man met de korte zwarte baard boog. “Ik ben Adaq, de zoon van Foelar”, lachte hij. “En u bent de uitverkorene.” “Adaq”, herhaalde Kalam en hij keek A’akane aan. “Maar de zoon van Foelar heette toch heel anders?” Voordat A’akane kon antwoorden, gaf de man tegenover hem antwoord. “Mijn naam is veranderd om aan te geven dat ik in het licht van Goal, die bij u Gûl heet, heb gestaan”, zei hij. “ik ben Foelars oudste zoon en ik kom naar u toe met een bericht.”

Die avond zaten alle bewoners van Gamor an Gamor en de mannen van Adaq op het plein voor de tempel en Kalam raadpleegde de K’awal,  er werd gegeten en gedronken en het duurde niet lang of de vermoeidheid kwam over iedereen. Tevredenheid heerste in Gamor omdat het Foelar en de zijnen goed ging in het huis van Gûl. Zelden had de slaap zo vredig over de stad gelegen. De volgende ochtend toen iedereen weer wakker was, ving het eten opnieuw aan totdat Adaq opstond en zich tot Kalam richtte. “Wij zij  van ver gekomen uit ons verre land, het huis van Gûl, het huis dat ook mijn huis is geworden. Wij zijn gekomen met een opdracht”, zei hij en hij haalde het zwaard van Kraj uit zijn gordel. Het zwaard van Kraj dat ons volk rond de wereld heeft geholpen, zie hier, het behoort u toe”, zei hij eindelijk en hij legde het zwaard in de handen van Kalam. ”Het zwaard is weer thuis”, juichte hij en de mensen juichten met hem mee. Kalam voelde hoe glimlach en tranen met elkaar worstelden maar hij overwon de neiging om aan één van tweeën toe te geven door op te staan. “Het zwaard is thuis”, zei hij nu ook. : “Het was nooit begonnen en nooit kon er aan begonnen worden en toch was het er. Gamor spreekt mij toe. Niets is zoals het begonnen is en alles blijft zoals het eindigen zal”. Gamor an Gamor.” Zelden had een grote menigte woorden zo zachtjes uitgesproken.

Http://mythologie.wordpress.com

Hiermee zijn de annalen van Gamor beschreven maar zij vinden hun voortzetteing in het nieuwe verhaal “Aldemund”,  een nieuwe wereld, dat hier in de komende weken zal beginnen.

Service

www.reikiservices.com

www.debelofteurk.nl

www.scholieren.com/boekverslagen/20075

www.staldebelofte.nl

www.yacht.nl/content/opdrachtgevers/vakgebieden/ict/debelofte.xml

www.weblog.prosperitas.net

www.weblog.natural-body-balance.nl/2008/12/belofte-aan-een-overledene

www.nathalielubbebakker.com

 

 

 

Gepost door: Kaj Elhorst | februari 8, 2009

De verleiding

Wat stonden de torens en de muren er prachtig bij en hoe kleurig stak het groene dak van de tempel net iets boven de muren van de stad uit! Gamor was een prachtstad en voor het eerst sindstijden keek Foelar er met bewonderende ogen naar. Zou hij ooit weer iets zo moois te zien krijgen? Hij kneep met extra kracht hard in het gevest van het zwaard van Kraj en zijn gevoel zei hem dat hij op de juiste weg was. En toch…nauelijks kon hij zich nog voorstellen zo verblind en woedend te zijn geweest over de slanke figuur die nu zo klein en zo weerloos leek in zijn witte gewaad op het strand, Kalam. Hij wist nu zeker dat de uitverkorene nooit zijn vijand was geweest maar hooguit de hand die hem vast had gehouden. Zeker, dat was gebeurd tegen zijn wil in maar ook om hem te beschermen, zoals nog maar zo kort geleden. Nee, Kalam was niet zijn vijand. Foelar draaide zich om naar zijn vriend Rannsjak die achter hem stond. Het leek of de avonturier nu toch echt een traan in zijn ogen had maar gelukkig scheen Gûl  niet op zijn gezicht zodat een traan niet kon parelen in het zonlicht.

Naast Kalam stond Tugor, uitstarend over zee met een gezicht vol vertrouwen alsof hij wist dat Foelar in de richting van Gûl een goede toekomst tegemoet zou gaan. En dan waren er nog alle anderen die hadden besloten om in de stad te blijven, waaronder ook A’akane, ja misschien zou hij haar nog wel het meeste missen. Diep in zijn hart kom hij het nog steeds niet verkroppen dat zij uiteindelijk toch voor Kalam had gekozen en niet voor hem. Had zij ooit getwijfeld? Hij wist het niet en zou het waarschijnlijk ook nooit weten. Soms klampte hij zich vast aan de gedachte dat hij héél dichtbij een toeneiging bij haar was geweest maar even later wist hij ook weer dat het allemaal maar alleen zijn fantasie was die hem dat influisterde. Even zo goed was fantasie eene belangrijke drijfveer in zijn leven want wat kon hem er anders toe brengen om Gamor te verlaten om op reis te gaan naar een onbestemde toekomst? “Waarom zouden ze allemaal zo graag willen blijven?” vroeg Foelar nu aan Rannsjak die samen met hem over de reling van de boot heen hing. Ja, de meest inwoners hadden toch voor een voortgezet verblijf in de stad gekozen. “Ze willen zekerheid”, mompelde Rannsjak met een spottende grimas op zijn gezicht. Foelar haalde zijn schouders op. “Onze zekerheid is dat we iets nieuws tegemoet gaan.” Hij liet zijn ogen gaan over de ruim twintig mannen en tien vrouwen die op de boot meegingen. “Het wordt tijd”, fluiterde hij en Rannsjak liet zijn stemgeluid horen. “We gaan!”

Zekerheid! Tugor keek zijn vriend van opzij onderzoekend aan. Welke zekerheid hadden de Anth’ en Kraj die achterbleven? De zeemannen konden terugkomen, Amtros jkon aanvallen, ze konden ruzie krijgen met de rode stad en de handel kon haperen. Nee, zekerheid was er niet, tenminste Tugor voelde het niet als een zekerheid in  Gamor. Hij had nog zoveel plannen. Hij had gehoord van een volk dat kleine plantjes zelf in de grond pootte en als zon en regen er dan een tijdlang overheen waren gegaan, dan werden de planten groot en was er genoeg te eten voor iedereen. Dat wilde hij wel eens gaan bekijken maar er was een flinke reis voor nodig. Zeker tien dagen te loopvoeter langs het strand en dan nog even lang landinwaarts. Een hele reis maar het was de moeite waard. Het zou toch prachtig zijn als de mensen in Gamor in de toekomst zelf konden bepalen of er genoeg te eten was of niet?

De vrouwen zwaaiden met hun armen en de mannen staken hun vuisten en handen omhoog toen de boot langzaamaan van het strand begon weg te drijven. Hoe trots voelden ze zich om te zien hoe het vaartuig met zijn voorkant in de richting van Gûl dreef met op de voorplecht het wapperende doek met een afbeelding van Gûl  Dat doek hadden de vrouwen aan de vertrekkenden meegegeven als afscheidsgeschenk. Het moest in het land van Gûl aan de bewoners duidelijk maken dat de reizigers als vrienden en niet als vijanden kwamen. “Dat we ze nooit meer zullen zien maakt me niet zo onrustig”, zei A’akane tegen haar vriendinnen. “Maar dat we nooit zullen weten wat er van hen geworden is, maakt een grote leegte in mijn hoofd, het geeft me een eenzaam gevoel terwijl ik toch bij jullie en bij Kalam blijf.” “je houdt van ze net zoals je van ons houdt”, meende n de vrouwen die al bijna moe begonnen te worden van het zwaaien naar de boot maar toch niet wilden opgeven. Ze wilden ermee doorgaan totdat er niets meer van de vertrekkenden te zien zou zijn. Hier aan het strand kon dat heel lang duren en…misschien was de zee wel helemaal niet zo groot en zouden ze de boot altijd blijven zien omdat de oevers van de overkant dichtbij waren.  Ze keken en volgden met hun ogen de boot en bleven steeds scherper kijken. Ze zagen nu ook dat de meeste opvarenden naar de achterkant van de boot waren gelopen en ook zwaaiden. Gemakkelijk werd het niet gemaakt om de boot te blijven volgen want de stralen van Gûl kwamen haast nog scherper dan anders in hun richting. Soms leek het of de boot door het licht werd opgetild en verdween maar dan even later verscheen er weer iets. De golven tilden de boot steeds hoger op en van tijd tot tijd verdwenen de reizigers ook achter een hoge golf. Voor de thuisblijvers was het duidelijk, met de zee viel niet te spotten.

Het leven in de stad begon zijn dagelijkse gang weer aan te nemen. De vrouwen bekommerden zich om de kinderen, maakten kleding of bereidden het eten en de mannen richtten zich weer op hun ambacht en handel. Bijna leek het of er die middag niets was gebeurd, of niet méér dan dertig inwoners van de stad voorgoed waren verdwenen. Er werd geen traan gelaten en niemand verzonk in gepeins want er was teveel te doen. Alleen A’akane liep rond met een heel nieuw idee en zij besloot ermee naar haar man te gaan.

“Luister”, zei ze, terwikl ze haar kinderen op een rijtje voor zich plaats liet nemen. “Kalam, luister naar me, ook al kost het je moeite. Ik weet dat het je niet gemakkelijk valt want je bent al wekenlang moeilijk te bereiken voor me.” Kalam keek op uit het gepeins waarin hij was verzonken en keek zijn vrouw onbegrijpend aan. “Moeilijk te bereiken”?’ vroeg hij langzaam. “Ik ben altijd bij je in de buurt!” maar A’akane schudde haar hoofd. ”Dat bedoel ik niet. “Je zit in de tempel en bij de K’awal alsof de herinneringen van de Anth’ nog de enigen zijn die je begrijpt maar ik ben geen herinnering, Kalam. “ik ben je alledaagse werkelijkheid en ik heb je aandacht nodig.” Kalam zuchtte ogeduldig en blies wat lucht voor zich uit. Een haast ouderwetse opwelling in hem deed hem geloven dat de vrouw in zijn omgeving weer eens iets nieuws had bedacht om over te zeuren. “Kr’aneh” noemde Kalam dat altijd, het vermogen van een vrouw om een probleem te bedenken op een moment dat er geen vuiltje aan de lucht schen te zijn. Alsof je alleen kon leven door problemen. 

“Vooruit dan maar weer”, zei hij ontevreden maar hij keek A’akane niet aan en bleef met zijn vingers kringen tekenen op de grond. “Luister je naar me, Kalam?” vroeg zij weer en deze keer liet Kalam een ongeduldig “ja”haa”, horen. Hij wist zelf ook niet goed waar dat ongeduld vandaan wkam. Misschien had hij wel mee moeten gaa op de boot, op reis naar Gûl. Als hij daarover al had willen nadenken dan kreeg hij er nu in elk geval niet veel kans toe want A’akane begon meteen te praten “Vind je niet dat je genoeg hebt gedaan?” vroeg zij. Weer zo o’n onbegrijpelijke vrouwenvraag. Deze keer keek Kalam A’akane aan met een verwonderd gezicht. “Genoeg? Wat bedoel je?” “Ik bedoel dat je genoeg hebt gedaan voor de Anth’ en de stad. Weet je zeker dat je nog heel veel mooie dingen kunt doen hier?”

Kalam haalde zijn wenkbrauwen nog verder op. “”Genoeg en hier? Ik snap er niets van”, zei hij langzaam. A’akane begon te glimlachen. “Misschien zou je je werk een moeten overdragen aan iemand anders, een jonger iemand met een heel frisse kijk op de zaken. Misschien moet je jezelf eens een beetje gaan sparen. Jarenlang heb je getrokken aan het hoofd van je volk en heb je ze geholpen een goede stad voor zichzelf te bouwen. Het zou toch niet gek zijn als je nu eens iets anders, iets heel anders ging doen? Misschien moet je je kinderen een sgaan opvoeden. ik denk dat ze over een tijdje heel graag met hun vader een eind de zee op willen of loopvoeter willen rijden. Dat kan alleen maar als ze weten wie hun vader is en wat hij voor een man is.” Kalam schudde zijn hoofd. Met de kinderen iets doen? Hij was toch geen vrouw? Ze zouden hem uitlachen als hij met zijn kinderen spelletjes ging lopen doen! Ze zouden denken dat hij zijn verstand kwijt was. Hij aarzelde, moet hij A’akane dat allemaal gaan vertellen? Ze wist toch wat ze van hem vroeg?

A’akane zag de aarzeling bij haar man en ze wist ook wat hem bezighield. “Je bent nu al zolang de leider van het volk maar erv alt nog zoveel meer te beleven. Een mooie jacht, een bezoek aan andere volkeren, een paar dagen vissen, spelen op de za’akane, noem maar op. Vannacht heb ik een bericht van je vader doorgekregen en hij w2il niet dat je doorgaat tot je nevelt. Dat levert alleen maar problemen op. Beter is het als je opvolger vast begint terwijl je zelf een oogje in het zeil houdt. Dan kun je altijd nog ingrijpen als het nodig is. Was het niet mooi geweest als je vader in Kana’an de afgang had kunnen tegenhouden?” Kalam schudde zijn hoofd. “Nee, dat was niet goed geweest want dan waren we nooit hier terechtgekomen en hier is het leven toch echt beter.”

A’akane haalde haar schouders op. “Is dat zo? De groep van Foelar is toch ook niet weggegaan omdat er hier niet meer te leven viel? Ze zijn weggegaan omdat hun dadendrang niet langer in te tomen was. Zo zijn er in de stad ook Anth’ die graag willen overgaan tot daden maar ze krijgen weinig kansen Kalam. Het zou mooi zijn als wij..” ze keek landinwaarts naar een hoge, rode heuvel die ver buiten de stad lag. “Als wij bovenop die heuvel een huis hadden zodat we de stad konden zien liggen. Wij zouden de stad heel goed kunnen zien maar de mensen in de stad zouden ons huis niet of nauwelijks zien. Dat zou goed zijn.” Kalam begreep dat deze stroom van woorden van zijn vrouw nooit zou ophouden en eindelijk besloot hij een beetje toe te geven. “Maar wie zou mijn werk dan kunnen overnemen?” vroeg hij zachtjes.

A’akane fluisterde hem nu iets in zijn oor en nadenkend keek hij naar buiten waar Tugor druk in de weer was om de markt van de volgende dag voor te bereiden. Dan zouden er weer kooplui uit de hele omgeving komen om te handelen en te kopen. Het zou een drukke dag worden, zoals aan het einde van elke zes dagen de gewoonte was. Tugor, ja aan hem zou hij de stad met een gerust hart kunnen overlaten. Hij voelde dat A’akane daarin gelijk had maar ze had er nog iets anders bij gezegd, Een jonge vrouw? A’akane knikte. “en jonge vrouwe die het kan overnemen van Tugor als hij oud is en dan zal zij zeer wween jongere man erbij kiezen en zo om en om.  Kalam had het gevoel dat hij langzaam weerd opgetild in de richting van Gûl.  Een vrouw aan het hoofd van het volk en de stad? Dat moest toch haast wel misgaan? Ze hadden bij de Vogelgrijpers gezien waar dat op uitdraaide! maar A’akane hield vol. Ook een vrouw zou op een goede dag de stad en het volk op een goede manier kunnen besturen. “Afwisseling”, zei ze zachtjes, “daarmee voorkom je de problemen zoals ze in Kana’an zijn geweest.” “Maar niet vandaag”, zuchtte Kalam. “Niet vandaag.” A’akane glimlacte opnieuw. “Natuurlijk niet, je moet erover nadenken en de K’awal erover raadplegen. Maar ze zei niet wat ze daarbij dacht. “En daarna moet je het doen”.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Het woord adamsappel is afgeleid van de Bijbelse figuur Aadam en verwijst naar de vrucht (hoewel het woord “appel” in Genesis helemaal niet voorkomt, wordt deze vrucht doorgaans omschreven als een appel, waarschijnlijk omdat de soortnaam van appel malus is en dit woord ook slecht betekent) waarvan Adam zou hebben gegeten, daartoe verleid door Eva. Volgens de overlevering bleef een stukje fruit in zijn keel steken. Het bleef vervolgens zichtbaar als een verdikking in de hals. In verschillende landen wordt dezelfde aanduiding gebruikt: Adam’s apple (Engels), pomme d’Adam (Frans) en Adamsapfel (Duits).

www.hexx.nl/Verleiding.htm

www.citaten.net/search.asp?quote=verleiding

www.defranseverleiding.nl

www.deverleidingroermond.nl

www.frankwatching.com/archive/2009/01/22/de-ultieme-verleiding-tips-voor-de-call-to-action

www.schrijvenvoorinternet.nl/2009/01/26/de-6-geheimen-van-verleiding

www.romantischcadeau.nl/Verleiding.html

www.dekleineverleiding.nl

www.uitgeverijpassage.nl/component/page,shop.product_details/flypage,shop.flypage/

 

Gepost door: Kaj Elhorst | februari 1, 2009

De goede weg

De zitting was in het midden van Gamor an Gamor, in de buitelucht recht voor de tempel met de K’awal. In het midden zat Foelar met geboden hoofd te luisteren naar de leraren, grootjagers en jagers die spraken over zijn gedrag. “ter dood!” hiel Grin’ha vol, een grootjager met een lange, grijze baard en een haast nog langere snor. Zijn haren reikten tot ver over zijn schouders en zijn gezicht was doorploegd van diepe groeven en vouwen. “Waar zullen we zijn als iedereen zo maar de tempel binnenloopt met een zwaard en de uitverkorene verwondt?”

Het was doodstuil toen hij de woorden uitsprak en het zwaard van Kraj in zijn handen nam. Het wapen lag hem zwaar en onhandig tussen de vingers maar hij hief het op alsof hij meteen het hoofd van Foelar zou afhakken. “Stop”, riep nu Tugor. “Dat gaat zo maar niet. Wij zullen ons moeten beraden. Nog nooit hebben wij één van ons ter dood gebracht vanwege een ondoordachte daad en nu…”"Maar de tempel en de K’awal zijn heilig”, bulderde Grin’ha terwijl het leek of zijn ogen zo maar uit de kassen zouden komen zetten. “Dat kan best zijn”, ging Tugor er met evenveel stemgeluid tegenin, “maar der laatste keer dat mannen zo maar werden vermoord, was in het Kana’an dat wij juist om die reden hebben verlaten. Nooit meer zouden wij gruweldaden tegen elkaar begaan omdat elke gruweldaad een litteken betekent op onze Gamor.” Het werd nog stiller. Alleen op de achterste rijen waar de wagarden zaten, bleef het onrustig. Des te ijziger klonk het gehuil van Foelar zelf die voortdurend zijn hoofd schudde en zich beklaagde. “Gevangen, gevangen, niets is erger dan gevangen te zijn”, klonk zijn gesmoorde stem. “Dood me, dan ben ik vrij.”

Tugor schudde zijn hoofd. “Ik wil geen jong leven doden”, zei hij nadenkend maar voor iedereen hoorbaar. “Geen jong leven dat zó vol van daadkracht en energie is. het zou een misdaad zijn tegen Gûl en het schijnsel van de zon doen verminderen. Is hij niet de enige bron van al het leven die wij kennen? Gûl zal wenen als wij een jong leven offeren om onszelf beter te kunnen voelen en hij zal ons wolken sturen, wolken met sneeuw en ijs…” Zijn woordenstroom leek nu niet meer te onderbreken en met grote stappen liep hij de kring rond om aan te geven hoe ooit het land van Kana’an onder sneeuw en ijs waren verdwenen. “En met sneeuw en ijs zullen de sluipers terugkomen, de verwarring en misschien wel het einde. Alleen een neiuwe uitverkorenen zal ons kunnen redden maar wie zal dat nog willen doen als wij ons zó ondankbaar hebben getoond?”

De uitverkorene zelf zat intussen in de tempel, in het donkerste van de donkeren waar de K’awal stond maar hij hoorde elke stem die zich voordeed in de kring buiten. Expres had hij zich teruggetrokken en de zaak overgelaten aan de andere mannen. “Ik ben er teveel bij betrokken  geweest”, vond hij. “Ik kan geen oordeel vellen.” Langzaamaan begon hij nu toch zijn mening te veranderen. De betogen van de mannen buiten hielpen hem erbij, ze gaven hem het gevoel dat hij helemaal niets te maken had gehad met de gebeurtenissen in de tempel van de vorige dag. WEas het waar wat Tugor zei? Hadden alleen de kwade krachten ervoor gezorgd dat mannenen ook vrouwen in het verleden ter dood waren gebracht? Was er geen sprake van een terechte straf? Waren de handelingen van de laatet tijd in Kana’an niet vooral het werk van een waanzinnige? Waren ze nu niet in  een heel ander punt van hun ebstaan geraakt, hier op deze plek?

Kalam overzag de gevolgen van zijn leiderschap. Zij volk was vermengdmet de Kraj hier bij de zee aangekomen in een land waar altijd de zon scheen en waar voedsel volop voorradig was. Kinderen werdeen de afgelopen dagen nog steeds geboren alsof de invloed van de zon alleen al hen naar buiten lokte. Waren de Anth’ door zijn toedoen niet veel beter af dan ze in vele jaren ooit waren geweest? En had hij dan zo’n gemene aanval op zijn huis en leden verdiend? Natuurlijk, hij had gesproken met A’akane en die was uitgesproken mild geweest over Foelar ook al had het Kalams leven kunnen  kosten. “Wij kunnen alleen de Gamor handhaven als we loslaten wat niet van ons is”, had zij gezegd. Maar wat bedoelde zij daar precies mee? Hoezo “dat wat niet van ons is”?  Allesd was toch van de Anth’ en alles paste toch binnen de Gamor?

Bij die laatste gedachte begon Kalam te twijfelen. Was er wel iets zijn of hun ebzit? Paste alles wel binnen de Gamor en kon het geoed zijn iets los te laten? In gedachten vormde hij zich een beeld van het zwaard van Kraj. Zo op het eerste egzicht was daaraan niets bijzonders te zien. Ook in zijn gedachten vormde het geen bijzonder voorwerp maar was het denkbaar dat het wapen de geest van Foelar had aangetast? Was de jongeman daardoor niet olanger zichzelf en mocht hij hem om die reden doden? O ja, het waren steeds weer de woorden van Tugor die hem aan het twijfelen brachten en de mildheid van A’akane die hem bijna voorkwam als een teken van onverschilligheid over zijn welzijn. Hij kon zich dat haast niet voorstellen maar waarom was zij dan zo mild? Had zij iets opgevangen, een boodschap van zijn vader misschien? Daarin was zij altijd heel erg sterk geweeest.

De discussies gingen verder, buiten, vooral Grin’ha en tugoer bestereden elkaar om het hardst en het leek erop dat Grin’ha het pleit ging winnen. Een groeiend aantal leraren en grootjagers voelde er wat voor om een afdoende voorbeeld te stellen en Foelar te onthoofden. Daarmee zou duidelijk moeten zijn dat iedereen die de Gamor verliet, een halsmisdaad beging. “Heeft Kalam ons niet méér dan ééns erop gewezen dat loslaten van de Gamor het einde van ons volk zou gaan betekenen?” riep Grin’ha uit. “Hebben wij niet alle moeite moeten doen om de Kraj ook tot de gamor te ebwegen  en zijn zij daarover uiteindelijk niet heel tevreden geweest? Kijk naar wat het hen heeft gebracht! Uitgerekend de Kraj, die voor die tijd steeds op de vlucht waren, hebben nu een huis en ze zien hun eigendommen toenemen door de handel die zij overal drijven. Niemand kan ontkennen dat Gamor hen geen welvaart heeft gebracht.”

Nu stond één van de Kraj op. Zijn gezicht toonde woest en de kwaadheid lag in zijn stem. “De Gamor heeft ons dat gebracht?” viel hij uit. “Het kan zijn dat we er voordeel aan hebben gehad, dat het ons nieuwe kracht heeft gegeven maar wij zijn altijd al een volk van handelaren geweest. Dat wij op de vlucht waren, had niets te maken met onze verkeerde opvattingen of bandeloosheid maar alles met de kracht van hen die jaloers op ons waren. En kijk eens naar alles wat het zwaard van Kraj ons heeft gebracht, vooral in de handen van Foelar. De éne overwinnnig  na de andere was er het gevolg van. Vergis je maar niet, zonder het zwaard waren we hier niet terechtgekomen.”

Grin’ha sprong nu uit de kring en liep met grote stappen op de Kraj af. “Het was al lang zeker dat we hier terecht zouden komen”, zijn stem begon nu gillerig te klinken. Al lang. Wij hadden onze uitverkorene en hetw as al bij voorbaat in de K’awal vastgelegd dat hij ons naar deze plek zou brengen. Wij hebben steeds de uitverkorene gevolgd en jullie hebben ook de vruchten daarvan geplukt. Niet het zwaard van Kraj maar de Gamor heeft ons hierheen geleid en de overwinningen bezorgd.”Het leek er nu op dat Grin’ha was vergeten waar de discussie ook weer over ging en hij wilde de Kraj te lijf gaan.  Het was Tugor die tussen beiden kwam. “Wij moerten een belangrijke zaak bespreken en we zijn niet bij elkaar om kleine ruzies te beslechten”, riep hij. De twee kemphanen lieten het bij een paar klappen maar de ruzie was daarmee niet ten einde. Met een ontevrden gezicht ging de Kraj die weerwoord had geleverd weer zitten. “Ze behadelen ons al tweederangs mensen”, mopperde hij. “En dan te bedenken  dat wij de beste handel in handen hebben.” 

De ruzie had het pleit voor Foelar geen goed gedaan. Styeeds meer stemmen gingen over naar het idee van Grin’ha dat Foelar ter dood gebracht zou moeten worden, en wel met zijn eigen zwaard. De kwaadaardige grootjager rekende er al op dat hij het zwaard daarna zelf toegedeeld zou krijgen en hij begon al triomfantelijk om zich heen te kijken. Het zou niet lang meer duren of het vonnis tegen Foelar zou in zijn voordeel uitvallen, zo wist hij. Tugor merkte dat hij geen argumenten meer had om het leven van zijn jonge vriend te redden maar hij hoopte toch dat er nog voldoende grootjagers en leraren zouden zijn om hem te steunen. het leek hem dat er beter eerder dan later een vonnis kon volgen. “Laten we een uitspraak doen”, zei hij eindelijk. Van alle stiltes die ochtend, brak nu de stilste stilte aan. Nog een paar te3llen en de handen zouden omhoog gaan. Dan zou het oordeel duidelijk zijn.

Ieders adem stokte toen Kalam in de opening van de tempel verscheen. Met zijn  armen steunde hij tegen de pilaren die aan weerszijden van de hoofdingang waren gebouwd. Tugor, Grin’ha en alle anderen zwegen nog meer dan zij daarvoor hadden gedaan.  “Er is geene keuze dan recht vooruit”, sprak hij eindelijk en met die onduidelijke woorden trok hij alle aandacht naar zich toe. 

“Ik heb uw gesprekken aangehoord”, ging Kalam verder, en ik heb gemerkt hoe ernstig u nu al verdeeld bent. Het lijkt erop dat de Gamor nu al is verzwakt…”"Dat komt door hem”, brulde Grin’ha, terwijl hij op Foelar wees maar de anderen riepen hem toe te gaan zitten en zijn mond te houden. ”Nee, dat komt niet door hem”, ging Kalam verder. “Als iemand iets te verwijten valt, dan ben ik het. Dan ben ik er niet in geslaagd u allen duidelijk te maken hoe belangrijk Gamor voor ons allemaal is. Dat heeft te maken met mijn tekortkomingen.” Weer wilde Grin’ha overwind springen maar deze keer drukten zijn kameraden hem terug naar de grond. “Luister naar de woorden van de uitverkorene”, commandeerden zij. Omdat ze de grootjager niet helemaal vertrouwden, bleven zij hem bij de schouders vasthouden.

“Foelar”, ging Kalam nu verder. “Je hebt mij bedreigd en de tempel besmeurd. Dat is op zich al erg genoeg en wie weet wat Gûl daarover ooit zal beslissen. Ik voel mij niet langer gekwetst door je optreden maar ik wil ook nooit meer gekwetst worden.”Bij die weoorden ging er een zucht van verlichting door Tugor en zijn aanhang. Zou Kalam het opnemen voor de jongeman? “Nog belangrijker dan mijzelf vind ik de inhoud van de K’awal en de ongereptheid van de Gamor. De vraag is of ik in de herinnering van de Anth’ nog een schanddaad moet toevoegen. O ja, jouw optreden heeft de K’awal zeker bezoedeld maar maak ik dat goed door er een misdaad aan toe te voegen, een moord?”Kalam schudde zijn hoofd.

“Geen kwetsuren meer voor mij en voor Gamor”, zei hij weer. “Zolang ik leef zal ik Gamor behoeden voor smetten en kwetsuren en het wordt tijd om haar voorgoed te sluiten, de bond die ons allen samenhoudt. Samensluiten zodat een ieder zich in die bond geborgen weet voor zichzelf en zijn of haar kinderen.  Wie geen vrede vindt in Gamor, moet haar ook niet langer bezwaren. Wie geen vrede vindt in Gamor heeft maar één keus, uit te vliegen ook al zal dat ons allemaal pijn doen. Ik ken de verlokkingen van Gûl méér dan anderen en ze hebben mij zo vaak bezocht dat ik besloot ze niet meer toe te laten maar ik weet ook dat de kracht van Gûl onweerstaanbaar kan zijn. Wie in Gamor geen tegenkracht ervaart, of in elk geval niet genoeg, kan Gamor beter verlaten.” “Zwakte, zwakte”, riep Grin’ha nu boos omdat hij het gevoel had dat zijn inzichten zo maar voor waardeloos werden verklaard. “Nee, niet zwakte maar kracht”, antwoordde Kalam. Gamor wordt krachtiger als ze ook los kan laten.” Even keek hij de kring mannen nadenkend en indringend aan. “Daarom is mijn besluit het volgende. Foelar en al degenen die binnen Gamor zich de verdrukten voelen, mogen ons verlaten. Binnen zeven dagen zullen zij met vlotten de zee opgaan om nooit weer terug te komen. Ik zend ze nu al mijn zegen en mijn goedkeuring mee in de hoop dat zij zullen vinden wat zij hopen.”

 Opnieuw lag er een stilte over de stad. Deze keer voelde iedereen het in zich, blijven of weggaan, er was maar één keuze mogelijk. Tugor stond als eerste op. “Mijn kezue is gemaakt”zei hij. “Ik blijf maar ik prijs de verspreiding van Gamor door degenen die gaan.” Meteen antwoordde Rannsjak. “Mijn keuze is ook gemaakt. Ik volg Foelar en ik ben de uitverkorene dankbaar. Waar ik ook ben, hij zal mijn uitverkorene blijven.”

www.mythologie.wordpress.com

Service

Moira is het van oorsprong Griekse begrip voor lotsbestemming en oorspronkelijk een drievoudige godin uit de Griekse mythologie waaraan ook de goden op de Olympus waren onderworpen. Deze drievoudige godin is later een belangrijke basis gaan vormen voor de Heilige Drieëenheid van het christendom.

 

www.theosofie.net/sunrise/sunrise2003/mrtapril2003/noodlot.html

www2.eur.nl/fw/hyper/Artikelen/noodlot.htm

www.hexx.nl/KrisseKras.htm

www.nl.wordpress.com/tag/noodlot

www.myownworld.skynetblogs.be/post/3760661/het-noodlot-ook-bij-ons

 

 

 

Gepost door: Kaj Elhorst | januari 25, 2009

De kring

Kalam keek over de mannen en vrouwen die voor hem zaten heen. Hier, in de beschutting van het nieuwe gebouw van steen en hout in het midden van de stad, was het goed om bij elkaar te komen. Vooraan zaten de leraren, grootjagers en jagers. Daarachter namen de mannen van de buitenste kring en de Kraj een plaats aan. Daarachter zaten de vrouwen en helemaal achterin zat ene grote groep wagarden. Het viel Kalam op dat Foelar zich juist bij deze laatste groep had aangesloten terwijl hij toch bij de grootjagers thuishoorde. Hij had al eerder gemerkt hoe moeilijk het was om Foelar nog te bereiken. Soms leek het of zijn jonge vriend helemaal niet maar naar hem luisterde en Kalam wist dat ook Tugor nog maar moeilijk contact met hem kon maken. Nog maar kortgeleden hadden de twee ruzie gehad over de plaats van de K’awal in de nieuwe tempel die nu voor het eerst werd gebruikt.

 

Het was een droeve bijeenkomst en een mooie tegelijkertijd want de tempel was in gebruik genomen maar ze waren ook bijeen voor een begrafenis. De vrouw van de man die Raham, een Kraj, werd genoemd, was dood. Voor het hele volk was dat een groot verlies want zij had de Kraj en Anth’ geleerd melk te tappen van dieren die zij grasmuil noemden. Het was een heerlijke drank waaraan allen zich tegoed deden en die hen het gevoel gaf weer sterker te worden. Een drank die de mensen de kracht gaf om de dag door te komen. Kalam had besloten haar een plaatsje te geven in de Gamor. Dankzij de melk waren een paar pasgeborenen op krachten gekomen en alleen daardoor al kende hij de vrouw bijzondere krachten toe.

 

Ze kwam op de eerste plaats, zo liet hij merken en hij maakte de mensen duidelijk dat in het vervolg niet alleen Gûl  en de voorvaderen maar ook Rahama een plek zou innemen in de gedachten en wensen van de Anth’.  Wie gezondheid en kracht nodig had, zou zijn of haar gedachten kunnen richten op Rahama. Zij was de wijze vrouw van de kracht en gezondheid, zo hield Kalam zijn gehoor voor. Voor het eerst werd een belangrijke vrouw opgenomen in de herinneringen van de K’awal. Er kwamen geen bezwaren. Niemand had de moed om het op te nemen tegen de eer van de vrouw die pasgeborenen had gered. “Zij zal onze Gamor versterken”, zo meende Kalam verder. “Nu  wij onze huizen hebben, een beschutting tegen het kwaad, nu kan niets onze Gamor nog aantasten.”” Zoals de muur rond de stad de buitenwereld zal afschermen en ons bij elkaar zal houden in lijf en leden, zo zal Gamor dat in onze gedachten doen”, ging hij verder. Er klonk alweer geen tegenstem of het moest de stem in Kalams eigen hoofd zijn die hem zei dat het met Foelar niet goed zat. Was hij wel “in de Gamor?  Kalam besloot van zijn twijfels niets te laten merken.

 

Het verhaal van de uitverkorene kwam bij zijn volk goed aan. De mannen en vrouwen konden met tevredenheid op de afgelopen periode terugkijken. Zij hadden de muur verder afgebouwd en huizen gemaakt. Dat was bij lange na niet gemakkelijk omdat voor elke woning een dikke vloer van blauwsteen moest worden aangelegd. Dat was nodig om sluipers geen kans te geven de woningen binnen te komen. De K’awal was van woning naar woning gedragen en Kalam had overal de verbinding tussen de herinneringen van de voorouders verbonden met de vloer. Dat deed hij door de K’awal met zout water te besprenkelen en de vloer in te smeren met het water dat van de kist afdroop. Nu waren ze klaar en voelden ze zich veilig. De muur tegen de vijanden en de vloeren tegen de sluipers. Vijanden vertoonden zich trouwens nauwelijks nog bij de stad die inmiddels de naam Gamor an Gamor had gekregen. “De band die ons versterkt”,  een betere naam had niemand kunnen bedenken. En het had geholpen. Met de inwoners van de rode stad hadden de Anth’ en Kraj een goede band opgebouwd. In plaats van te vechten waren ze aan het handelen geslagen met elkaar. De Anth’ en Kraj brachten vis, zout en melk naar de rode stad en de gouden mannen kwamen met gouden sieraden, een heerlijke drank waarvan je slaperig kon worden en olie. Het leek er niet op dat iets nog de vrede en harmonie kon verstoren of het moesten de legers van Amtros zijn die nog steeds in de omgeving huishielden. Meestal bleven die ver van de beide steden in de kuststreek omdat ze te sterk waren en een bondgenootschap van Gamor an Gamor met de gouden stad zou voor de Vogelgrijpers alleen nog maar dodelijk kunnen zijn.

 

De dagen en weken gingen voorbij zonder dat er wanklanken in de stad waren te horen. De pasgeborenen werden groter en leken steeds beter tegen het leven opgewassen. Kalam zag hoe A’anake zielsgelukkig was met haar kinderen en er dag in dag uit mee bezig was. Hoe zij ze leiding gaf en woordje voor woordje bekendmaakte met de Gamor. Hij stond er vaak glimlachend naar te kijken als hij zag hoe ze hen de eerste woordjes en zinnen leerde en hoe zijn kinderen die dan onbevangen en vlug overnamen. In stilte stelde hij zich voor hoe hij met ze door de velden rond de stad zou trekken en ze kennis zou laten maken met planten, dieren en de zee.

 

De zee, het was een plek waar de Kraj en Anth’,  die zichzelf ook wel Gamoran noemden,  verbleven. Een grote groep mannen uit de buitenste kring had vlotten gebouwd van de planten in de omgeving en daarmee gi8ngen ze een eind het water op. Dan vingen ze vis, veel vis en probeerden ze stiekem een blik te werpen over de ver weg gelegen horizon. Veel ontdekten ze daar niet, zelfs geen vlotten met zeemeermannen ook geen “Huis van Gûl” zoals ze eigenlijk hoopten. In de tijd dat ze niets zaten te doen, werkten ze aan de vlotten. Die werden steeds groter en steviger en er konden ook steeds meer mannen mee. De vlotten kregen opstaande randen om de mannen aan boord te beschermen tegen het water. In het begin stuurden de mannen met stokken waarmee zij de bodem van de zee konden bereiken maar dat zinde hen al gauw niet meer. Op een goede dag kwamen twee mannen naar Kalam toe om te vragen of zij de vlotten mochten voorzien van zwemmers. Zij wilden aan de stokken een soort hand bevestigen zodat een vlot voortbewogen kon worden alsof het in het water zwom, net als mensen met hun handen deden. Kalam besloot de raad van de K’awal in te roepen en die had er geen bezwaren tegen. Het leven werd beter. Of…

 

Dat deed Kalam steeds vaker. Hij overlegde voor een beslissing veel minder met zijn vrienden een vroeg steeds meer raad bij de K’awal. De herinneringen van de voorouders leken zijn belangrijkste raadgevers te zijn geworden. Dat ging gemakkelijker en zelfs ook sneller dan overleg met Tugor, Foelar en Rannsjak. Tugor had er niet veel moeite mee. Hij leefde gelukkig met zijn vrouw in  het huisje naast de plaats waar hij lessen gaf aan jonge mannen. Hij leerde hen de tekens van de Gamor kennen en gaf voorbeelden van het belang van Gamor, de band die hen de kracht gaf om te blijven bestaan. Heel vaak raadpleegde ook Tugor trouwens de K’awal om nieuwe inzichten te krijgen voor zijn lessen. Een andere keer name hij zijn leerlingen weer mee op loopvoeter om te reizen langs de zee en in de bossen die veel verderop haast de zee raakten. Daarbij putte hij uit zijn eigen ervaringen en maar al te graag vertelde hij over de dag dat hij voor het eerst van zijn leven een boom had gezien. Hoe ze hadden gereageerd, hoe ze het ding van alle kanten hadden onderzocht en hoe verbaasd ze waren geweest over alle planten en dieren die ze daarna hadden ontdekt. Tugor beschouwde zijn leven als één opeéénvolging van prachtige dagen al miste hij zijn vriend Kalam wel eens. Ja zeker. Hij merkte wel hoe zijn vriend steeds meer binnen de stadsmuren bleef en zich soms terug leek te trekken in zijn huis. Zelfs als A’akane met de kinderen een bezoek wilde brengen aan het strand, dan bleef Kalam toch vaak liever thuis. De dagen van de spannende gesprekken en gezamenlijk avonturen waren voorbij en soms vroeg Tugor zich af of Kalam niet moe en heel eenzaam was. Als hij zijn vriend dan weer een keer zag, dan wist hij bijna zeker dat het niet zo was. Kalam had nog steeds dezelfde kracht en macht in zijn woorden en gebaren als vroeger. In stilte hoopte Tugor dat het allemaal zo zou blijven, een hechte vriendenkring in een mooie stad, een stad die steeds mooier en rijker werd van de handel met de rode stad en ook met voorbijtrekkende handelaren

 

Koud was het nooit. Als Kalam aan de ijskou van Kana’an terugdacht dan voelde hij hoe in Gamor an Gamor elke dag de warmte hem aanraakte. Ook ’s nachts voelde de lucht steeds behaaglijk aan. Overdag was de lucht meestal blauw maar een enkele keer trokken er dikke witte en grijze wolken over en dan raadpleegde Kalam de K’awal opnieuw. Of de tijd was aangebroken dat sneeuw en ijs ook Gamor an Gamor zou gaan bedekken. En of de sluipers de stad zouden gaan innemen. Elke keer weer was het antwoord dat hij daarvoor niet bang hoefde te zijn. Gamor an Gamor kende geen dreiging, Tevreden keek hij dan uit over zijn stad, de vlotten die ze “ba’arg” noemden en de mannen vrouwen die melk, buit en handelswaar door de poort naar binnen brachten.

 

Vandaag was het anders. Nadat alle mensen uit de tempel waren vertrokken was A’akane met de kinderen zonder Kalam naar het strand gegaan om te zien hoe de ba’arg uitvoeren. Het was prachtig weer, een mooiere dag om naar zee te gaan viel nauwelijks te bedenken maar Kalam voelde een zware hoofdpijn opkomen en hij was niet in de stemming op er een leuke dag van te maken. Hij was vastbesloten om de K’awal te raadplegen want iets in hem zei hem dat het leven niet altijd zo zou kunnen blijven. In zijn onrustige hoofd was op de lange duur geen plaats voor een leven van regelmaat, rust en gelukzaligheid. Bijna vanuit zijn botten voelde hij dat er grootse dingen op til waren maar welke vorm die zouden aannemen, was hem verre van duidelijk. Toen A’akane met de kinderen was vertrokken, begaf hij zich meteen naar de tempelkamer waar de K’awal was geplaatst en terwijl hij voelde hoe zijn hoofdpijn verder toenam. Vleidde hij zich tegen de kist aan. Het was meteen alsof scheuten en steken dwarsdoor zijn hoofd heen vlogen, alsof hij geen hoofd meer had bijna. In zijn omgeving leken zich de zonnedieren te verzamelen totdat er één heel grote zonnevlam ontstond en vertwijfeld vroeg hij zich af wanneer hij voor het laatst zijn Gamor an Gamorspreuk had vergeten. Hij kon het zich niet herinneren. Nee, het kon geen wraakneming van Gûl zijn, zoals lang geleden middenin de ijswoestijn. Maar wat dan wel?

 

Vanuit een halfverdoofde toestand zag hij hoe Foelar in de hoofdtoegang van de tempel verscheen. Onmiddellijk besefte Kalam dat het onheil dichterbij was dan ooit. Misschien was het ook het feit dat Foelar het zwaard van Kraj had omgegord terwijl hij zich bij de opening vertoonde. Het was heel ongebruikelijk om wapens mee te nemen naar de tempel. Wie een bezoek bracht aan het heilige huis, legde zijn wapens af op de grond voor het gebouw maar dat had Foelar niet gedaan. Integendeel, hij kwam de tempel zwaaiend alsof hij onder invloed van een drank was binnen. Hij schreeuwde ook “Kalam, Kalam, kom te voorschijn:”, riep hij alsmaar maar. De stem klonk hol en weergalmde sterk door het gebouw. Opnieuw schreeuwde Foelar de naam van de uitverkorene uit en deze keer trok hij het zwaard uit zijn gordel. Met een harde klap sloeg hij het ding tegen de muren van het gebouw. “Kalam, kom tevoorschijn”, riep hij weer. Zijn gedrag en geschreeuw maakten Kalam woedend en hij kom zich niet langer beheersen. Plotseling stond hij voor zijn jonge vriend en versperde hij hem de weg. “Je zoekt mij en roept mijn naam. Waarvoor heb je me zo ernstig nodig dat je met je zwaard deze tempel binnen bent gekomen?” vroeg hij. Zijn stem klonk zachter en zwakker dan hij zelf had gedacht. Foelars ogen weerspiegelden Gûl.

 

“Jij valse uitverkorene!:” brulde Foelar nu. Nooit eerder was hij zo fel tegen zijn vriend en meester ingegaan. “Jij houdt ons hier door je voortdurende gezwam met die kist. Ze weerhouden ons van onze taak en laten ons niet vrij om te doen waarvoor wij zijn geschapen.” Met een woedende beweging haalde hij met het zwaard uit naar Kalam die verschrikt een sprong achteruit deed. “Ik begrijp je niet”, stamelde hij verbaasd. “Wie houdt je tegen waarvan?” Er kwam niet meteen antwoord van Foelar maar deze nam zijn zwaard nog steviger vast in zijn hand. “Je wilt ons niet laten gaan, over de zee. De wagarden en ik zitten al zolang te verlangen naar een tocht op een ba’arg naar het Huis van Gûl maar jij houdt ons tegen met je toverkist.” Opnieuw deed hij een sprong naar voren en deze keer raakte hij Kalam aan zijn borst. Een felrode streep liep van zijn rechterschouder naar zijn borstbeen. “Geef die kist opdracht om ons te laten gaan!”

Kalam voelde de pijn in zijn lichaam bijna niet en hij zag hoe slecht Foelar eraan toe was. “Die kist houdt niemand tegen”, zei hij nu bedaard. En ik doe dat nog veel minder. Jullie zitten jezelf in de weg doordat je gelooft in Gamor  en dat is goed. Alleen Gamor schenkt je een goed leven. Ga niet op reis omdat je op reis wilt gaan, ga alleen op reis om iets groters te bereiken.”

 

Het leek of Foelar in de war was gebracht door Kalams woorden. Iets groters bereiken? De andere woorden van Kalam klonken alsof ze op grote afstand weerden gezegd. “Iets groters voor het volk, niet voor jezelf. Als je dat doet, zul je de steun van Gamor hebben maar als je gaat om er zelf groter van te worden, dan val je in het vuur van Gûl.” Foelar merkte hoe zijn knieën het begaven en tot zijn  grote schaamte begonnen zelfs de tranen over zijn wangen te lopen. Hij zakte naar de grond en liet het zwaard van Kraj kletterde op de blauwsteen van de vloer. Kalam merkte hoe de hoofdpijn in zijn hoofd ondragelijk werd en hoe hij de wond op zijn borst nauwelijks voelde. Was de Gamor aan het verslappen? Hij keerde zich om en slofte naar de K’awal want daar moest het antwoord te vinden zijn. Hij merkte nauwelijks hoe twee grootjagers het verslapte lichaam van Foelar uit de tempel sleepten.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Siegfried is de hoofdpersoon uit een gelijknamige Oud-germaanse sage die stamt uit de tijd van de Grote Volksverhuizing

De jonge held Siegfried, afkomstig uit Xanten beschikt over bovennatuurlijke krachten en weet zich te onderscheiden als drakendoder en op het slagveld, waar hij met de krijgers van Günther, koning der Bourgondiërs, de Saksen verslaat. Uiteindelijk wordt Siegfried, als uitvloeisel van liefdesintriges, op last van Günther, door diens vazal Hagen vermoord.

www.schrijversnet.nl/mulisch.htm

www.wetenschap-eindtijd.com/

www.spiritualiteit.nl

www.fantasy.com

Gepost door: Kaj Elhorst | januari 18, 2009

De vloed

Foelar merkte niet eens dat hij helemaal alleen aan de oever van de zee zat, starend in de verte, naar de plek waar nog niet zolang geleden de zon was onder gegaan. De anderen hadden hun plek opgezocht om te slapen maar een groeiende onrust maakte zich van het hoofd van Foelar meester, een onrust die hem niet eens in staat stelde om een slaapplaats te zoeken. Zelfs als hij het gevest van het zwaard van Kraj niet vastpakte, voelde hij de stroom van macht en overwicht door zijn hele lichaam trekken. Ze leek op te borrelen en hem naar boven te trekken zodat hij het gevoel had haast boven de wereld te zweven. het was alsof hij deze plaats al verlaten had nog voordat hij daadwerkelijk zee had gekozen. Hij voelde hoe zijn ogen verder keken dan de horizon en hij zag hoe Gûl ginds niet lag te slapen maar hoe hij nog alsmaar zijn licht verspreidde alsof er geen eind aan de energie was. Gûl, die was de moeite van het geloof waard! 

“Ik weet waaraan je denkt”, een bekende stem stoorde hem in zijn overpeinzingen. Het was Tugor die hem ongemerkt van achteren was genaderd. “Ook ik heb moeite de slaap te vatten en ik zag je onafgebroken over de zee uitkijken. Voor jou moet het water een begin vormen van ongekende nieuwe mogelijkheden. Zeker is niets maar ik denk dat Kalam dagen heeft gekend dat ij ook zo peinsde over de geheimen die zich ver van hem bevonden. Als je het bloed teveel voelt stromen, moet je gaan want wij kunnenje dan niet vasthouden op deze plek.”Hij zweeg even en kkeek ook over de zee uit. “Zelfs de hele kracht van Gamor zou je niet hier kunnen houden.” Weer was het even stil maar Foelar durfde zij oudere vriend niet in de rede te vallen. “Het is dat ik te oud ben om die nieuwe tocht aan te gaan, ik kan het niet meer opbrengen en verlang naar een rustplaats maar jij…als er één is die het kan, dan ben jij het.”

“Er trekt iets aan mij”, zei Foelar eindelijk. “Dat is waar maar er vecht ook iets in me. Waarom zou ik het verre en onbekende tegemoet gaan als ik hier een mooi leven met aanzien kan leiden? Wat zal die vreemde omgeving mij brengen? Laat ze mij nevelen voordat ik daaraan toe ben?” Tugor schudde zijn hoofd: “Niemand nevelt voordat hij eraan toe is. Het nevelen komt altijd op het juiste moment maar wij beseffen meestal niet waarom het het juiste moment is. Soms zien we dat later als we iemand missen die ons veel te vroeg heeft verlaten. Bedenk wel dat voor elke neveling een nieuw leven of soms zelfs meer dan dat, ontwaakt.” Foelar zuchtte maar liet niet merken of hij met de woorden van Tugor instemde. Ze lagen hem als slib op de maag. Soms gaf hem dat het gevoel dat hij een dode had ingeslikt en zo liet hij dat aan Tugor weten. Deze schudde zijn hoofd en probeerde de inzichten van zijn vriend te verschuiven. “Het gevoel dat je hebt, is geen dode. Het is een overmaat aan leven maar daar moet je wel iets mee doen. Als je het ongebruikt laat liggen, zal het blijven aanvoelen als een wegrottende dode totdat je belandt in een wereld van verdriet en mislukking. Er zijn twee kanten aan alles. De dood is het begin van iets nieuws en de dode die jij voelt, is in werkelijkheid je levende zelf.”

Voor Foelar was dat een verhaal dat hem onbegrijpelijk voorkwam. Misschien was het zijn jeugd die hem ervan weerhield dood en leven in elkaars verlengde te zien. Voor zijn gevoel hoorde de dood bij een leven dat over en klaar was en hoe kon hij dat dan voelen? “Je voelt de dood op je maag doordat onvervulde wensen en behoeften voor het merendeel zijn gestorven. Zij hebben zich opgeofferd om je éne, grote doel mogelijk te maken. Ze vormen het voedsel voor de weg die je wilt volgen en die je misschien wel eens met lege   handen laat staan. Dan heb je die voorraad voedsel hard nodig.”

Het was waar. Tugor had hem doorzien, hij had gezien op wat voor een splitsing van wegen Foelar zich bevond en hoe hij moeite had te kiezen voor alle vergezichten die zich aanboden. .  ”Maar ik heb zoveel verlangens die ver weg liggen, waarom zou ik dit ene pad volgen en niet één van de andere?” Tugor zweeg alsof hij het antwoord wel wist maar niet wilde zeggen en Foelar knikte. “Ik snap het al, ik ga voelen en weten welke weg ik moet volgen.”Deze keer kon Tugor niet anders doen dan knikken. “Zo is het maar dan moet je eerst weggaan van de oever, bouwen aan de stad, denken aan je vrouw die een kind moet krijgen en misschien wel twee. Zoeken naar voedsel en jagen en op een goede dag weet je het. Lang zal dat niet duren want het antwoord zal bij je binnen komen drijven op het moment dat je niets verwacht.”

Een harde gil, een schreeuw en een hardnekkig gehuil volgde op zijn woorden alsof de boosheid van de wereld zelf zich ertegen keerde maar Tugor verblikte of verbleekte niet. Hij herkende het omdat hij het één keer eerder had gehoord, uit heel veel kelen tegelijk. “het is zover”, zijn stem klonk opgewonden an haastig tegelijk, alsof hij plotseling heel nodig een nieuwe taak voor zichzelf zag. Hij draaide zich razendsnel om en liep met grote passen naar het kamp terwijl hij Foelar met een paar woorden opdroeg hetzelfde te gaan doen. De jonge jager voelde dat zijn vriend die opdracht niet voor niets had gegeven en hij sprong overeind om te volgen. Het geschreeuw en gehuil zwol aan en overal in het kamp was beweging. De mannen leken radeloos door elkaar te rennen terwijkl de vrouwen dan weer ineengekrompen pijnlijke kreten uitstootten en dan weer zichzelf uitstrekten alsof ze zich overgaven aan een onzichtbare macht. Sommigen waren op hun hurken gaan zitten, anderen leunden met hun rug tegen de stenen muur die de mannen hadden gebouwd en allemaal hielden ze hun bene gespreid. Een enkeling was in het zilte water van de zee gesprongen om daar verkoeling en verlichting van pijn te vinden.

“Het is begonnen”, zei Kalam met een ernstige en zware stem tegen Tugor. De mannen zochten hun vrouw op en sloegen eeen arm om de schouders of gaven steun door de armen vast te houden en het evenwicht in stand te houden. Ook Foelar zocht nu zijn eigen vrouw op al kon hij niet nalaten een verstolen blik te werpen op A ‘akane. Hoeveel liever zou hij haar in zijn armen hebben gehouden! Toch kweet hij zich goed van zin taak toen hij zijn eigen vrouw steun kon  geven.

Het was opvallend hoe de mannen van de buitenste kring en de wagarden geen idee hadden hoe ze steun moesten gevan aan hun vrouwen. Het was ze zelfs niet eens duidelijk aan welke vrouw ze hun hulp moesten aanbieden. De mannen hadden tot nog toe altijd gezamenlijk het beheer van de groep vrouwen uitgevoerd. Nu keken ze naar elkaar alsof ze vonden zelf nergens verantwoordelijk voor te zijn. De vrouwen van deze groep hadden dan ook weinig andere keuzs dan zelf hun problemen op te lossen. Soms hielpen ze elkaar, hoe moeikijk ze het ook met zichzelf hadden. De paar vrouwen die niet zwanger waren renden van de éne naar de andere kant van het kamp om zoveel mogelijk hulp te bieden. Ondertussen diende zich het gekrijs van de eerste baby”s al aan.

Rannsjak had zich niet gerealiseerd in welke staat het grootste deel van de vrouwen zich bevond. Hij had sinds zijn terugkomst ook nauwelijks op de vrouwen gelet omdat de verwerving van een goede p[ositie in de groep zijn eerste zorg was. Het was hem wel opgevallen dat een anatal vrouwen zwanger was, het was ze ook duidelijk aan te zien geweest. Dat het zo grootscheeps zou zijn, dat had hij niet geweten. Temidden van de opwinding kon hij dan ook het hoofd koel houden. Hij gaf de wachtposten opdracht op hun plek te blijven tenzij hun vrouw zwanger was. In hun plaats liet hij jongere jongens opdracen die nog geen vrouw hadden gehad. Op die manier evrzekerede hij de stad van de Anth’ en Kraj van de nodige veiligheid. Juist nu was een overval wel het allerlaatste dat ze konden gebruiken.

De eerste zonnestralen vielen al weer over het kamp toen de laatste baby geboren was. Het waren er bij elkaar tientallen waaronder de drie baby’s van A’akane. Ja zeker, zij had een uitzonderlijk groot anatal kinderen ter wereld gebracht. Kleiner dan de andere maar drie in getal. Twee jongens en een meisje verdrongen zich voortdurend om te drinken bij hun moeder. Kalam wiste zich het zweet van zijn voorhoofd terwijl hij met zijn andere arm probeerde het gewriemel van de baby’s zoveel mogelijk in goede banan te leiden. Voor drie kinderen tegelijkw as er nu eenmaal bij moeder geen plaats. Kalam voelde zich voor het eerst van zijn leven gelukkig en helemaal rustig. Er waren geen spanningen in zijn hoofd, geen woeste gedachten en ook geen drang om overeind te springen en aan hetw erk te gaan. Nee,z elden had hij de wereld zo helder en zuiver gezien. Hier was de plek voor de Anth’ en hier zou hun toekomst liggen. Het was hem duidelijker dan ooit tevoren.

Vreemd genoeg had Foelar dezelfde gevoelens. Zijn vrouw had één dochter het leven geschonken. Ze was nu al flink uit de kluiten gewassen maar even zo goed vertoonde ze voldoende hulpeloosheid en onbeholpenheid om ook  in Foelars hart vertedering op te kunnen wekken. Toch liet een heel zacht stemmetje zich horen dat vroeg aan wie nu het zwaard van Kraj overgedragen zou moeten water, later in de tijden die zouden komen.  Aan een vrouw? Het scheen Foelar een onmogelijkheid toe.

A’akane sliep en ze sliep diep en haar drie kinderen, Kane, Ake en Med’a ook. Volgezogen met de melk die moeder die dag had kunnen bieden, lagen ze nu alle drie met gezichten die haast tevreden leken naast hun moeder.  Ondertussen liet Kalam zijn blikken gaan over de mannen, vrowuen en kinderen die nu allemaal zo dicht mogelijk bij elkaar waren gekropen. Een intense rust heerste terwijl op de nog onvoltooide muren de wachters de omgeving afspeurden. Ook daar was de rust teruggekeerd. De vreemde mengeling van strijdende partijen voor de muren van de rode stad was verdwenen. Het viel niet eens te zeggen waar al die legers naartoe waren gegaan. Kalam voelde zich tevreden en gelukkig en in stilte hoopte hij dat de wereld zo zou blijven als vandaag. Iets minder stil kondigde zich de boodschap aan dat daarvan geen sprake kon zijn. De onrust zou weerkeren en dat zou niet eens zolang gaan duren. Kalam herkende in die boodschap de stem van zijn vader. Die had hem teruggevonden op de dag dat de nieuwe generatie Anth’ geboren was. De aantrekkende kracht was daarvoor vandaag sterk genoeg geweest.

Nu de vrouwen sliepen, zocht Foelar het egzelschap van zijn vriend Tugor op. “Een dochter,z al zij mij kunnen opvolgen?” vroeg hij vertwijfeld. Tugor haalde zijn schouders op. “Een zoon, zal hij mij kunnen opvolgen. Ik ben daar niet zo zeker van. Bedenk wel dat vrouwen niet voor niets een baarmoeder hebben gekregen. Daarin dragen zij meer van de wereld in zich mee dan een man ooit zal kunnen. Als er iemand is die de wereld begrijpt, ja al bezit, dan is het wel de vrouw. Zij hoeft er alleen nog maar voor te zorgen terwijl wij als maar op zoek blijven en ons laten verlokken en verleiden door het onbekende. Wat voor ons onbekend is, heeft de vrouw al achter zich gelaten. De vrouw kent de wereld al en daarom is zij geschikt om een kind te baren.”

Opnieuw leken de woorden van Tugor voor Foelar onbegrijpelijk. Zoveel verbindingen, zoveel onzienbare zekerheden bij elkaar, waar moest hij de moed uitputten om te geloven in de zin van een dochter? Hoe moest hij nu over vrouwen en het ut daarvan gaan denken? Tot op de dag van vandaag was de vrouw voor hem toch vooral een wezen geweest om onvrede op uit te leven en rust te vinden. Door man te zijn, ja zeker. Maar nu…en toch, een dochter! Het voelde haast als verraad van Gûl! Hij zweeg omdat hij wist dat de woorden van Tugor altijd een belangrijke boodschap met zich meedroegen maar het zou lang duren voordat hij die ging doorzien. Ondertussen verspreidde Gûl opnieuw zijn stralen over het landschap en met elke straal keerde de onrust in Foelars hoofd terug.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Vrouwen en meisjes in de mythologie

Vrouwen en meisjes spelen in de mythologie haast altijd een extreme rol. Aan de ene kant zijn ze weerloos, zuiver en onbevangen, aan de andere kant zijn ze verraderlijk en gemeen. De uitersten zijn veel groter dan bij de mannen. Zo kent het nieuwe testament de Heilige Maagd Maria waaraan niet één enkel foutje kleeft (immaculata). Aan de andere kant is er de aardse vrouw Maria Magdalena die wordt afegschilderd als hoer die de messias wil verleiden.

www.theatercentraal.nl/weblog/entry/2172/Ode_aan_vergeten_vrouw_uit_de

www.kunst-en-cultuur.infonu.nl/mythologie/2943-mythische-wezens-uit-de-griekse-mythologie.html

www.allesopeenrij.nl/lijsten/taal/uitdrukkingen_eigennamen.html

www.nissaba.nl/godinnen

Gepost door: Kaj Elhorst | januari 11, 2009

Het zwaard van Kraj

De tegenstanders weken. Hoe meer Foelar met het zwaard van Kraj hoog boven zijn hoofd door de lucht slingerde, des te meer trokken de tegenstanders zich terug. het leek alsof het zwaard een wervelwind op gang bracht waarin niemand terecht wilde komen. Foelar merkte hoe hij haast zelf werd opgetild en hoe de loopvoeter onder hem op een kussen van lucht leek te galopperen. Ze braken door de hele opstelling van de tegenstanders heen en gingen weer terug en zelfs het geluid van het slagveld drong niet meer tot Foelars oren door. Er was alleen nog die éne, zwevende beweging die hem naar de overwinning voerde. Links en rechts barstten de schilden en vielen de mannen.

Niets merkte hij van de stadspoorten die opengingen en waaruit een stroom van gouden mannen op loopvoeters naar buiten kwam. Ze gingen niet in zijn richting maar stuurden aan op de blauwe mannen van Amtros die nu ineens de hele legermacht van de tegenpartij over zich heen leken te krijgen. Aan alle kanten brak nu de strijd uit maar steeds vóór de poorten van de stad. Niemand deed nog een poging de stad binnen te komen. Het leek of de glans van de gouden mannen terug was gekeerd en of de vijanden in volle verwarring verkeerden. Ze renden en galoppeerden van de ene naar de andere kant van het strijdtoneel maar sloegen soms nog meer onderling er op los dan zich tegen de gouden mannen te keren. Ondertussen probeerden steeds meer mannen onder het vervaarlijke zwaaien van het zwaard van Kraj vandaqan te komen. Uit het staal van het zwaard leken van tijd tot tijd bliksemschichten, vliegende zonnedieren, tevoorschijn te komen en ook die joegen de tegenstanders angst aan. De vonken die aanvingen bij het zwaard dansten tussen de vreemde gelederen door en verblindden hen het gezicht. Voor de loopfvoeters van de vijand was dat een afschrikwekkend verschijnsel waarom ze zich op hun achternbenen omkeerden en in de andere richting galoppeerden. 

Plots was het stil rondom Foelar. Even meende hij dat het kwam doordat hij geraakt was door een vijandelijk zwaard. Misschien was hij wel dood maar die gedachte hield hem niet lang gevangen. Zijn kameraden schreeuwden naar hem dat het over was en dat de vijand was vertrokken. Ze zagen er besmeurd met bloed en modder uit en hun kleuren vertoonden scheuren.  Twee van zijn makkers lagen op de grond en bewogen niet meer, met het gezicht naar beneden. “Ons verlies”, klonk een stem in de holle nacht die zich aan het ontrollen was. Het was Rannsjak die in draf naar hem toe kwam. “De vijanden hebben het veld geruimd”, lachte hij terwijl hij van zijn loopvoeter sprong en de twee gevallen mannen omdraaide. De één was een jager die Foelar goed kende. De man had een glimlach vol bewondering op zijn gezicht en Foelar vroeg zich af waar die uitdrukking betrekking op had. De ander was een man van de buitenste kring. Hij had zijn zweaard nog in de hand alsof hij er elk moment weer mee kon gaan hakken. Over zijn gezicht liep een dikke, rode streep, de wond die hem tot vallen  had gebracht.  “We nemen ze mee en brengen ze ondeer in een rommer van blauwsteen”, besliste Foelar. Hij was er de man niet naar om gevallen kameraden zo maar ergens in eene vreemd land achter te laten.

“We zijn verraden”, meende Rannsjak. “Verraden om de rode stad te redden maar die stad was helemaal niet in gevaar”, voegde hij eraan toe. “De legers rond de stad belegerden de rode stad niet maar waren uit op een veldslag met elkaar. Ze hebben niet eens een poging gedaan om de stad binnen te komen.” “Maar er stonden wel ladders tegen de muren”, merkte Foelar op. “Wat was daar dan de bedoeling van?” Rannsjak grijnsde. “Leer mij de gouden mannen van Primus kennen”, zei hij. “Ze hebben die ladders neergezet om ons iets voor te spiegelen, een belegering die er niet was.”Foelar haalde zijn schouders op. “Maar waarom komen dan al die legers vlak voor de rode stad bij elkaar om met elkaar te knokken?” Nu was het Rannsjaks beurt om zijn schouders op te halen. “Ik weet het niet, ik heb geen idee. Zeker is dat de gouden mannen hoopten dat wij en de legers van Amtros verpletterd zouden worden. Dan waren ze in één klap van twee concurrenten af.” Foelar keek hem ongelovig aan. “Ik snap er niets van.” Weer grijnsde Rannsjak. “Eén ding is zeker, niemand had gerekend op de kracht van het zwaard van Kraj in jouw handen. Je bent samen onoverwinnelijk.”

Foelar zweeg. Onoverwinnelijk? Kon het zijn dat hij begiftigd was met het vermogen om het zwaard van een vreemde beter te voeren dan wie dan ook? Kon hij ook een uitverkorene zijn, net als Kalam maar dan met het zwaard? :Langzaamaan voelde hij hoe er een warmte ontstond in zijn hoofd en hoe het leek alsof zijn hersenpan zou overkoken, of de bubbels over de rand zouden lopen. Hij voelde iets kriebelen op zijn schouders en langs zijn nek. Met één hand raakte hij de plekken aan die hem nu zo hinderden maar er was niets. Alles wat er gebeurde en wat bewoog, bevond zich in hem, niet buiten hem. Aan zijn uiterlijk was niets veranderd. Of toch wel?

Hij voelde hoe hij nu rechter op zijn loopvoeter zat dan ooit tevoren. Hoe hij scherper over zijn omgeving uitkeek en hoe hij de mannen om hem heen beter in de ogen durfde te kijken. Alsof ze aan hem waren onderworpen, alsof hij wist dat ze hem zouden volgen, door dik en dun. Het koken in zijn hoofd vermengde zich met een gespannen gevoel in zijn darmen. Hij had willen opstijgen en vliegen want hij voelde hoe de kracht daartoe in zijn lichaam vloeide.

“De mannen zijn moe”, de stem van Rannsjak kwam als een vlijmscherp zwaard dwasrdoor zijn eigen overpeinzingen heen. Moe? Foelar voelde geen moeheid. Zijn hand omklemde stevig het gevest van het zwaard van Kraj en hij merkte hoe daaruit alleen maar meer energie in zijn lichaam doordrong. “Laat ze rusten”, zijn stem klonk helderder en krachtiger dan ooit. “Laat ze rusten zolang ze nodig hebben”, zei hij weer. “Ze hebben het verdiend.”

Foelar gaf zijn mannen de kans om te rusten ook al was het kamp van de Anth’en de Kraj op steenworp afstand. Hij voelde er niets voor om nu al in het eigen kamp terug te keren, misschien wel bewonderd, misschien ook niet, dat kon hem niet schelen. Hij voelde een sterke behoefte om nu alleen te zijn met de kameraden waarmee hij de strijd had gewonnen, of in elk geval de strijd goed had overleefd. Want wat had hij eigenlijk gewonnen? Hij kwam niet rijk beladen met schatten of beloften terug. Het enige wat hij kon bieden was de behouden terugkomst van bijna alle mannen. Hij was er zelfs niet in geslaagd het verraad van de gouden mannen te bestraffen. Nee, hij had zich losgemaakt uit de strijd zo gauw hij de kans daartoe zag.  Iets anders dreef hem, niet de overwinning op de gouden mannen. Zijn gedachten trokken hem naar de zee waarvandaan de zeemannen waren gekomen. De manenn met hun staarten waaraan hij trouwens behoorlijk begon te twijfelen. In de hele strijd had hij geen mannen met staarten meer gezien. Waren het wel staarten? Waren het wel een soort vismannen? Starend keek hij uit over de zee die nu in de duisternis en een zwak maanlicht hier en daar een golftip liet zien en rustig geklots liet horen. “Daar, daar ver achter de zee, daar ligt een nieuw land, steviger gevat in de handen van Gûl”, meende hij.

“Ik zal je volgen”, de stem van Rannsjak klonk zachtjes maar beslist. Foelar keerde zich lachend om. “Mij volgen”, hij liet de woorden langzaam en heel nadrukkelijk klinken. “Volgen, waar naartoe en hoe?” Rannsjak wreef met een hand langs zijn neus. “Daarover moeten we eens even heel goed nadenken”, zei hij langzaam. “Die zeemannen komen toch ook over zee? Waarom zouden wij het dan niet kunnen?” “Omdat ze misschien wel op zee leven”, meende Foelar. “Misschien hebben ze wel zo’n heel groot ding gebouwd dat op het water kan drijven en het kan best zijn dat ze daarop dagelijks hun leven doorbrengen. Misschien proberen ze hier wel een plekje aan land te krijgen.” Rannsjak lachte spottend. “Misschien wel maar geloof je die onzin ook?” Foelar voelde een trilling van verontwaardiging door zijn lichaam trekken. Rannsjak noemde zijn opmerkingen “onzin”.  Moest hij dat goedkeuren? Zijn hand klemde zich opnieuw stevig rond het gevest. Het leek of het zwaard een stroom van gevoel naar zijn hoofd stuurde. Ja, hij moest zich nu niet tegen Rannsjak keren. Hij had de man nodig. Misschien zou later een afrekening volgen maar hier en nu aan het strand, nee dat was geen goede idee.

De mannen rustten nog toen Foelar en Rannsjak aan de rand van hetw ater naast elkaar gingen zitten.  De twee spraken over de mogelijkheden om een drijvend gevaarte te bouwen zoals zij die bij de zeemannen hadden gezien. En dan weg…op een goede morgen gewoon dat hele kamp van Anth’ en Kraj laten voor wat het was, Gûl tegemoet. Een mooie droom leek het al steunde ze op onderling wantrouwen want tijdens het gesprek hielden beide mannen voortdurend het gevest van hun zwaard vast. Het gaf hen het gevoel onafhankelijk te zijn van elkaar, het idee dat het was toegestaan om afspraken niet na te komen. Varen op eigen kracht, dat was de boodschap die zij vanuit hun zwaard ontvingen. 

“Meestal”, zo bracht Foelar naar voren, “meestal ondernemen de Anth’ zoiets alleen maar nadat zij de K’awal  hebben “gehoord”. Ik vraag me af hoe we dat kunnen doen zonderdat het onze tegenstandeers in het kamp opvalt.” Rannsjak keek glazig voor zich uit. “Ik hebhet gevoel dat we het helemaal niet moeten doen. Niks K’awal, niks herinneringen van voorouders. Wij hebben onze eigen krachten waarin we geloven. Gûl als vader van de zon maar misschien is er ook wel een vader van de zee die we kunnen aanpreken, en één van de bergen en één van de bossen en rivieren. Zij zullen ons leiden.” Foelar glimlachte. Het antwoord beviel hem wel. Voor het eerst in de loop van het gesprek had hij het gevoel dat ze echt met dezelfde ideeën rondliepen. Even verslapte zijn greep op het gevest.

Gûl kwam mooier op dan ooit tevoren. Zijn stralen strekten zich uit over een blauwgekleurde zee en de roodachtige aarde van het strand was vervuld van een gouden glans. De stralen voelden warm en zelfs brandend  aan. Foelar merkte hoe zijn voeten die nacht gedeeltelijk door de zee waren overspoeld. Er hadden zich steentjes en diertjes uit zee tussen zijn tenen genesteld. Was dat een teken dat de zee hem tot vriend wilde maken? Was het een geschenk van de “vader van de zee” zoals hij deie de avond tevoren had gezien? Het kon in elk geval geen slechte boodschap zijn en Foelar voelde  op een ongewoon plezierige manier opwinding daarover. Er lag een mooie toekomst in het verschiet.

Intussen begonnen de andere mannen nu ook wakker te worden en na de vermoeidheid weas nu de honger bij hen begonnen te knagen. Voor voedsel zouden ze voorlopig toch nog echt naar het eigen kamp bij Kalam en Tugor terug moeten keren. Daar was eten in overvloed. De mannen zochten hun wapens en andere eigendommen bij elkaar en de jagers riepen hun loopvoeters. Sneller dan Foelar had verwacht zette de stoet zich weer in beweging. Daarbij keek hij nog één keer achterom De rode stad lag erbij zoals altijd. De legers voor haar poorten waren verdwenen. Het zag ernaar uit dat de zeemannen volledig in het niets waren verdwenen en Amtros met zijn mannen waren ook al nergens meer te bekennen. Of bedekten zij de aarde voor de stadspoorten? Foelar vroeg het zich nauwelijks nog af. Hij keek naar Rannsjak die met méér belangstelling dan voor die tijd zijn ogen op de zee gericht hield. Van tijd tot tijd leek het of hij op zee iets opmerkte maar zijn kaken bleven stevig op elkaar.

Kalam en Tugor waren opgetogen dat de strijd zo’n goede wending had genomen. Natuurlijk betreurden zij het verlies van twee goede mannen maar er was toch ook winst. “Ik denk”, zei Tugor bijna lachend, “dat de gouden mannen zich hier niet zo gauw meer zullen laten zien. Zij hebben een duidelijke boodschap gekregen. In hun ogen zullen wij moeilijk verslaanbaar lijken te zijn. Foelar knikte zwijgend terwijl zijn hand zich opnieuw om het gevest van het zwaard van Kraj klemde. Hij kende het geheim van de onoverwinnelijkheid maar al te goed, zo gonsde het in zijn hoofd,

Http://mythologie.wordpress.com

Service

De Odyssee is een episch dichtwerk van de Griekse dichter Homeros. Het is een vervolg op diens Ilias die de Trojaanse Oorlog beschrijft. Het werk is waarschijnlijk rond 800 v.Chr. opgeschreven. De ca. 12.000 versregels zijn ingedeeld in 24 boeken, genummerd met Griekse kleine letters α (alpha) t/m ω (omega). Het gaat over de zwerftocht van de held Odysseus die tien jaren duurde. Het is gedicht in dactylisxhwe hexameters.

www.reisavonturen.net/avonturiers.shtml

www.avonturiers.waarbenjij.nu/

www.mediatheek.thinkquest.nl/~ll069/dutch/index.php3?subject=explorers/timeline

www.kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/8664-beroemde-reizen-ontdekkingsreizigers.html

www.woord-en-daad.nl/ontdekkingsreizen

www.fantasy.nl

Gepost door: Kaj Elhorst | januari 5, 2009

De val

Even leek het erop dat Sektus en zijn volgelingen op zouden staan om weg te gaan. Zij leken te begrijpen dat er bij de Anth’ weinig belangstelling bestond voor hun plannen. Er heerste doodse stilte rond het kampvuur en de bezoekers keken elkaar vragend aan. Zij smoesden onder elkaar terwijl Kalam, Tugor en Rannsjak afwachtend naar hun keken. Ondertussen zag Kalam dat de muur rond de stad dankzij Foelar en zijn mannen steeds sneller vorderde. Naarmate de muur verder klaar zou zijn, zou de behoefte aan de mannen van Gûl als bondgenoot ook minder worden. Kalam besloot die gedachte met Tugor te delen maar deze was daarvan weinig onder de indruk. “We zullen nog heel veel moeten werken voordat onze stadsmuur een leger kan tegenhouden”, meende hij. Op dat moment waren de gasten ook bijna uitgepraat en op het gezicht van Sektus verscheen een vriendelijke en opgeluchte glimlach. “Luister”, zei hij.

“Ik denk niet dat we onze meningsverschillen over het belang van koningen en uitverkorenen breed hoeven uit te meten. Misschien komt er ooit een dag dat ook wij Kalam als uitverkorene zullen zien. Sterker nog, mogelijk zullen zijn zonen ooit op de troon van onze stad zitten. Tussen bondgenoten is alles mogelijk.” Kalam voelde zich in verwarring gebracht door de plotselinge draai die Sektus maakte. Tugor liet zich minder snel overhalen en vroeg zich af wat precies de bedoeling was van Sektus’ opmerkingen. “Dat klinkt mooi”, zei hij, “maar wat heeft u ons precies te bieden?”

Sektus leunde achterover. Hij had gehoopt dat de Anth’ hem zonder problemen de helpende hand zouden toesteken, zoals zij de vorige keer heel onverwacht hadden gedaan. Deze keer bleken zij toch wat minder spontaan te willen handelen. “Goed, goed”, zei hij na een tijdje. “Jullie zijn hier bezig die stadsmuur op te bouwen. Stel je nu eens voor dat een heel volk jullie komt helpen bij de bouw ervan. ” Hij boog zich nu weer naarvoren en lette goed op de gezichtsuitdrukking van de Anth’. Zo op het eerste gezicht leek die nog al teleurstellend. Tugor en Rannsjak gaven niet meteen te kennen dat zij opgetogen waren, alleen in Kalams ogen kwamen lichtjes. “Het kan mij niet snel genoeg klaar zijn”, merkte hij op. “Maar we hebben niet alleen behoefte aan bouwers maar ook aan producenten van steen.”Sektus grijnsde. “Dat kan geen probleem zijn meende hij. Bij onze stad is een permanente productie van stenen aan de gang. “Dat kan best zijn”, meende Tugor. “Maar op het ogenblik zal er tocvh niet veel steen gemaakt worden. Bovendien maken wij andere steen dan julliwie, betere zelfs”, liet hij erop volgen. Sektus beet op zijn onderlip. Het leek erop dat hij voor de tweede keer was verslagen. “Maar”, begon Rannsjak nu. “Er zit wel een egoede gedachte in. Wij helpen de gouden mannen in hun strijd en zij helpen ons bij de onze.” “Dat lijkt mij ook”, stende Kalam in. ”Laten we eens kijken wie we zouden kunnen missen. We kunnen natuurlijk niet iedereen naar de strijd sturen.”

Sektus keek nu de kring rond en hij merkte dat alleen Tugor aarzelde. “Ik denk dat onze mannen heel goed kunnen leren dezelfde steensoort te maken”, zei hij gauw. Aan de andere kant denk ik ook dat jullie een grote groep extra werkers best kunnen gebruiken.” Tugor keek zijn beide vrienden aan en zag nu dat zij het met elkaar eens waren. “Zullen we Foelar vragen?” zei hij. Eigenlijk vond hij het al vreemd dat Foelar helemaal niet aan de bijeenkomst meedeed. Dat moest Kalam ook toegeven. “We hebben hem er niet bij gehaald omdat hij zo hard met de mannen aan hetw erk was”, zei hij maar eigenlijk vond hij dat zijn jongevriend zich wat vreemd gedroeg sinds hij uit de rode stad terug was. “ja, hij hoort erw el bij”, gaf hij langzaam toe. Misschien kwam het wel door zijn eigen gevoel. De laatste dagen was hij erg moe en vaak ook afwezig. Het leek alsof hij zijn oude drijfveren had verloren. Met steeds meer en intenser plezier kon hij naar A’akane kijken maar de bouw van de stadsmuur  en al het andere liet hij graag aan Foelar en Tugor over.

Foelar twijfelde. “We zijn eene goed eind op weg en we weten niet hoelang de strijd voor de rode stad gaat duren. Zekerheid over de hulp van de mannen van die stad hebbenw e ook niet. Straks gaan ze vooral bouwen aan hun eigen stad. Hoe snel kunnen we klaar zijn met onze muur als ze ons komen helpen?” vroeg hij ten slotte.

Het gesprek vlotte niet erg en Kalam trommelde zo nu en dan ongeduldig met zijn vingers op de grond. “Goed, best we doen het”, zei hij plotseling. “We moeten een beslissing nemen. Na de strijd komen jullie ons helpen met de muur en we krijgen zo’n ding waarmee we het water op kunnen.” Sektus fronste bij die laatste woorden zijn wenkbrauwen en boog zich opnieuw naar de andere mannen toe. Ondertussen keken Tugor, Foelar en Rannsjak wat verloren voor zich uit. Het leek wel of Kalam zich helemaal niets aantrok van hun bezwaren. Was hij overgehaald door de belofte dat hij in de gouden stad misschien ook de uitverkorene zou kunnen zijn? Tugor keek hem opnderzoekend aan maar Kalam reageerde niet.

De termijn die Sektus noemde, beviel ook Foelar wel. Als het allemaal echt binnen dietijd geregeld kon zijn! Het was nu alleen nog maar de vraag wie de strijdmacht van de Anth’ en Kraj zouden vormen. De jagers, grootjagers en jagers van de Kraj konden een aardige macht vormen. Dan zou in de stad van de Anth’ verder alles neerkomen op de mannen van de buitenste kring, leraren en wagarden. En wie zou in de stad achterblijven? “Ik niet”, zei Kalam al vast. Hij zag tegen een zware veldtocht op.

Foelar reed voorop zijn loopvoeter terwijl hij zijn zwaard van Kraj al van het begin af aan door de lucht liet zoeven. Rannsjak beelf net zover van hem af rijden dat het zwaard hem niet kon raken. De vier mannen van de rode stad volgden en daar achter kwam de strijdmacht  De jagers en grootjagers bereden een loopvoeter, de rest kwam te voet er achteraan. In het begin ging dat in eene behoorlijk tempo maar de hitte die van de vlammen rond de stad afstraalde temperde de snelheid van de opmars behoorlijk. Zelfs bij het inademen kwam er warme lucht naarbinnen vanwege de vuren rond de stad.

Plotseling hield Foelar zijn loopvoeter in. Tegen de hel verlichte achtergrond in, meende hij iets te zien dat hem onverklaarbaar voorkwam. Het leek wel of de vuren uitsluitend rond de stad lagen maar de muren van de stad schenen er nauwelijks door te zijn aangetast. “Kijk eens”, klonk nu de stem van Rannsjak. “Die muren zijn helemaal niet meere rood maar ze kleuren blauw, dezelfde blauwe glans die over de stenen ligt in onze eigen muur.” Op Foelars gezicht kwam een ontevreden uitdrukking. Hij kreeg het gevoel dat hij in een v al was gelokt. Was hier wel een belegering aan de gang? Nou ja, het leek er wel op want iets verderop stonden lange ladders tegen de muren. Belegeraars hadden geprobeerd de stad in te nemen, zo leek het. Toch wass vreemds. De belegeraars moesten de nieuwe krijgsbende nu toch in het oog hebben gekregen? Toch vormde zich nergens eene legermacht.

Foelar besloot nu dichter langs de zee te rijden zodat hij met zijn mannen gemakkelijker zou kunnen uitwijken om terug te keren naar het eigen kamp. Dat was overigens niet naar het zin van de vier gouden mannen. Zij wilden juist met het hele leger meer landinwaarts trekken maar dat zou hen ook dichterbij de stad brengen. “Het is niet de bedoeling dat ik op grote afstand al word waargenomen”, meende Foelar en zijn gasten legden zich bij die beslissing neer. Zij behielden zich echter het recht voor om zelf wel verder landinwaarts te gaan rijden. Foelar kon dat wel een beetje begrijpen. De gouden mannen liepen meteen gevaar want de stad werd immers omgeven door vijanden.

Dat gevoel begon hem trouwens steeds meer te verlaten. Tot zijn grote verbazing zag hij in de verte twee groepen ruiters tegen elkaar vechten maar het was helemaal niet duidelijk of er mannen uit de stad bij waren. Een eind verderop gingen voetsoldaten elkaar te lijf. Net wilde hij opdracht geven om de hele legermacht te laten stilstaan toen hij ontdekte hoe  zijn gasten hem in alle stilte waren gesmeerd. De vier goduen mannen waren in geen velden of wegen meer te bekennen. Wat er wel naderde, was een grote stoet ruiters. De mannen leken regelrecht op Foelar en zijn gevolg af te rijden. Hij greep Rannsjak bij de schouder. “Wat denk jij ervan?” “Ik denk”, zei deze laatste langzaam, dat we in de val worden gelokt.  Het is de bedoeling dat wij tegen eene groep belegeraars vechten zodat de gouden mannen minder te doen hebben. Aan de andere kant, vormen die belegeraars ook niet allemaal één grote macht. Ze vechten nog al wat onder elkaar uit. Ik snap er niet veel van maar ik begrijp wel dat onze gasten weg zijn. Dat is toch vreemd.”

Veel tijd om erover na te denken was er niet. De vreemde ruiters kwamen in hoog tempo dichterbij en van de landkant leek nu ook een macht voetsoldaten op de Anth’ af te komen. Foelar en Rannsjak keken elkaar kort aan en zeiden maar één woord “rommer”. Rommer was niet alleen het Anth’ woord voor een ijshut maar het was ook de benaming voor een slagopstelling geworden. Voetsoldaten met lange speren vooraan en daar vlak achter een kring van ruiters. Helemaal aan de achterkant stond dan nogeene kleine macht van voetsoldaten. De Anth’ stonden in de kortste keren in een halve kring opgesteld met de zee in hun rug. Die dekking hadden ze nodig want de vijand was talrijk en ze konden niet aan alle kanten een rommeropstelling maken.

De loopvoeters van de aanvallers zetten zich plotseling schrap. Vermoedelijk waren de lange speren die nu in hun richting wezen daarvoor voldoende reden. De dieren hadden helemaal geen zin om in de lange scherpe, stokken te rennen en zich te verwonden. Zij voelden instinktmatig aan dat de hoge punten een gevaar voor hen betekenden. Hoe de ruiters van de vijand ook probeerden,, de dieren deden geen stap meer vooruit. De eerste aanval van de ruiters was afgeslagen maar de voetsoldaten drongen steeds verder op. “Zucht”, riep Foelar nu, daarmee doelend op de opening in een ijshut maar ook in de opstelling. De voorste mannen met hun lange speren kropen nu dichter bij elkaar zodat de ruiterijl van de Anth’ er door kon. Zonder één onderbreking stormden de Anth’ ruiters nu op het voetvolk af. Dat gebeurde met zoveel geweld dat de voetsoldaten van de vijand het gelid verlieten en probeerden een goed heenkomen te zoeken. Intussen bleven de speerdragers van de Anth’ een scherm vormen tussen de ruiterij van de vijanden en het eigen loopvoetersvolk. De ruiterij van de vijand kon daardoor nog steeds de aanval niet inzetten.

Er was een witte flits boven het slagveld. Loopvoeters en voetsoldaten schrokken maar de Anth’ schrokken erger dan hun tegenstanders. Zij keken  angstig en verbaasd naar de witte, heldere bol die langzaam langs de hemel leek te kruipen. Even verderop ging ze geluidloos uit en verdween ze in het donker van de avond. Die onderbreking van het gevecht  maakte niet veel uit want de slagorde van de Anth’ bleef  ongebrioken. Toch verbaasden de Anth’zich over het fel witte schijnsel dat boven het slagveld bleef hangen. Het leek haast dag en dat werd nog erger toen er voor de tweede keer een harde knal klonk die door fel wit licht werd gevolgd. Wie had het nieuwe wapen gebruikt? Foelar zag het licht met verbazing aan maar toen hij merkte dat er verder niets veranderde, zette hij opnieuw zijn loopvoeter aan tot de aanval. Hij hoorde niet meer, zag niet meer maar was verdoofd door wapengekletter en geschreeuw om bloed. Hij voelde hoe ook zijn kaken op en neer gingen maar verstond zijn eigen woorden niet. De strijd duurde voort.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Hinderlaag onder goden

In den beginne bestond alleen de Chaos, eene onmetelijke, duistere en ledige ruimte. Uit den schoot van den Chaos kwam het eerst Gaia (de Aarde) te voorschijn met hare breede borsten. Deze bracht Uranos (den Hemel) voort. Met hem verbond zij zich en uit hunne verbintenis sproot eene gansche reeks van goddelijke wezens, de Titanen, die het eerste godengeslacht uitmaakten, en behalve deze de drie Kyklopen en Arges en de drie Hekatoncheiren. Zoowel de Kyklopen als de Hekatoncheiren werden echter door Uranos in den Tartaros geworpen, daar hij vreesde, dat zij hem zijne heerschappij over de wereld zouden ontrukken. Gaia, hierover vertoornd, stookte hare oudere zonen, de Titanen, op tegen hunnen vader. Niemand hunner was bereid iets gewelddadigs tegen hem te ondernemen behalve de jongste en listigste onder hen, Kronos. Deze wachtte, in eene hinderlaag verscholen zijnen vader op. Met eenen sikkel gewapend, overviel hij Uranos, toen deze niets kwaads vermoedde, verminkte hem op eene gruwelijke wijze en beroofde hem van de heerschappij. Uranos sprak zijnen vloek tegen zijnen misdadigen zoon uit, en die vloek kwam weldra in vervulling. (Zie Kronos en Titanen.) De lichaamsdeelen, waarvan Kronos met zijne sikkel zijnen vader beroofde, vielen in zee en verwekten daar het schuim, waaruit later Aphrodite ontstond. Uit de bloeddroppels, welke uit zijn lichaam op de aarde vielen, ontstonden de Erinnyën, de Giganten en de melische Nymphen

www.marktplaza.be/Lego-Duplo-4862-Hinderlaag-6892819.php

www.woxikon.com/dut/vanuit%20een%20hinderlaag%20neerschieten.php

www.paulbogaert.be/?page_id=335

Gepost door: Kaj Elhorst | december 31, 2008

De slang

De gloed strekte zich uit tot ver in de omgeving. De rode en gele schijnsels van de zonnedieren rond de rode stad tekenden zich nu ook af in het kamp van de Anth’. Kalam hield de hoog oprijzende vlammen nauwgelet in de gaten maar hij zag ook dat de stad nog niet was gevallen. Het vuur mocht zich dan al meester hebben gemaakt van de omgeving van de stad, de belegeraars waren nog nergens in de stad binnengedrongen. Dat bevreemdde Kalam wel. De overmacht van de belegeraars leek hem overduidelijk en het vuur moest de wachters op de muren toch verjaagd hebben? Hij probeerde opnieuw de afstand met zijn ogen te overbruggen maar zelfs zijn scherpe blik kreeg geen duidelijkheid over wat zich rond de stad afspeelde.

Door zijn aandacht voor de rode stad, lette hij minder op zijn eigen directe omgeving. Dat wist hij maar hij vertrouwde erop dat Tugor en Foelar alles scherp in het oog hielden. Hoewel, over Foelar had hij zijn twijfels. De jongen deed koel en afstandelijk tegen hem en trok zich steeds meer terug bij zijn vertrouwde vrienden onder de wagarden. Met één oog keek hij naar de mannen die opnieuw begonnen waren met de bouw van de blauwe muur. Het hele stuk land aan de kant van de rode stad was nu omrings met een muur alw was die nog lang niet overal hoog genoeg. Tugor en Foelar moedigden de mannen inderdaad aan zich in te zetten en ook Rannsjak  stak de mannen een hart onder de riem. De muur groeide nu heel snel en dat was maar goed ook. Kalam was bang betrokken te worden in de strijd rond de rode stad. Dan konden ze maar beter op alles zijn voorbereid.

Met tevredenheid keek hij ook naar A’akane. Zij gaf de vrouwen raad over de op handen zijnde geboorte van hun kind en de omstandigheden waarin zij zich bevonden. Onder haar leiding begaven de vrouwen zich elke ochtend naar de zee om zich te wassen in het zoute water. Het voelde heerlijk aan en nam soms wat spanning weg van de druk op hun buik. Sommige vrouwen zagen moeiteloos kans op het water te blijvend rijven en met wat bewegingen van armen en benen zelfs vooruit te komen. Die kunst was bij de Anth’ nog niemand machtig geweest. Het ijskoude water rond Kana’an had de vrouwen nooit erg uitgenodigd maar het water gaf de vrouwen hier een heerlijk, zwevend en ontspannend gevoel. A’akane was zelf één van de eersten die de nieuwe kunst onder de knie had en zij hield niet op Kalam te vertellen hoe heerlijk het was.

“Misschien”, Tugors stem klonk nu enigszins opgewonden. “Misschien kunnen we die kunst ook gebruiken om te vissen.”Je ziet met hoeveel gemak de vrouwen zich door het water bewegen.” Kalam kijkt zijn boezemvriend verrast aan. Hij is het zolangzamerhand wel gewend dat zijn vriend met heel nieuwe ideeën aan komt zetten maar dit….mannen die de manieren van vrouwen overnemen.? “Dat zal niet gemakkelijk worden”, zegt hij langzaam. “De jagers gaan de vrouwen niet accepteren als leermeesters. Zij zullen niet  bereid zijn om de kunstjes over te nemen die de vrouwen er op na houden. Ik vind het prachtig om te zien maar ik zou niet weten hoe ik de jagers zover krijg.” Tugor kijkt peinzend voor zich uit. Hij voelt dat Kalam gelijk heeft en toch ziet hij veel voordelen in het gedrag van de vrouwen. “Misschien moeten we ons eens met een groep mannen in zee storten en kijken hoe we ons daaruit redden, zonder dat de vrouwen toekijken natuurlijk.” Kalam knikt. “Als je denkt dat het ons voordeel kan opleveren, dan moeten we de kans niet voorbij laten gaan”, geeft hij toe.  De twee mannen slaan opnieuw vol bewondering de toeren van de vrouwen in zee gade. “Het is mooi”, besluit Tugor glimlachend. “Een pracht gezicht.”

De zonnedieren rond de rode stad zijn er niet minder op geworden. Kalam kijkt opnieuw bezorgd naar het helse vuur dat zich alsmaar rond de stad lijkt op te hopen. Tegen de achtergrond van de op en neer dansende vlammen ziet hij twee, drie, vier donkere silhouetten afsteken. Vier mensen te voet bewegen zich over het kale zand van het strand. Het is niet goed duidelijk of de mannen zich van de stad af of zich juist er naartoe begeven. Kalam tikt Tugor op zijn schouder en wijst op de figuren. “Wat denk jij?”  Tugor richt zijn blikken ingespannen op de figuren in de verte maar ook hij komt er maar niet achter welke kant ze opgaan. “We moeten met alles rekening houden. Misschien komen ze wel naar ons toe en dan moeten we ze kunnen ontvangen.”

Die ontvangst zou ongetwijfeld het beste kunnen plaatshebben bij de poort die een aantal mannen nu in de muur maakten. Foelar liet hen kleine delen van de muren hoog opbouwen  totdat de bovenste stenen hoger lagen dan een man te loopvoeter. “Er moet een afsluiting komen”, meende hij maar géén van de stenen was lang genoeg om de hele opening te overbruggen. “Misschien moeten we een boom gebruiken”, meende Rannsjak. “We moeten een boom optillen en over de opening heen leggen.” Foelar keek zuinig. Een boom, dat was geen steen en trouwens, waar waren bomen? De dichtstbijzijnde bomen behoorden bij de inwoners van de rode stad en ze zouden over grote afstanden aangesleept moeten worden. “Ik ben ervoor om te kijken of we een grote dwarssteen kunnen maken”, zei Foelar. “Ik weet dat in de rode stad wel bomen zijn gebruikt maar volgens mij is steen steviger.” Tugor had het gesprek vanaf een afstandje gehoord en viel Foelar bij. “We kunnen kijken of het lukt. Misschien moeten we een paar mannen speciaal daarmee belasten. Dan kan  de rest gewoon met de muur verder gaam.” Rannsjak knikte. het voorstel van Tugor beviel hem weel. Hij keek naar Kalam maar die leek met zijn gedachten al weer heel ergens anders. 

Kalam keek opnieuw uit over het strand en nu zag hij dat de figuren op het strand veel dichterbij waren gekomen. Hij kon nu zelfs kleding en gezichten een beetje herkennen en de mannen leken afkomstig te zijn uit de rode stad. Ze kwamen nu met rasse schredem dichterbij en Kalam besloot dichterbij de poort in de muur te gaan staan zodat hij de vreemdelingen daar kon opvangen. Hij wenkte Tugor en fluisterde hem toe wat zijn vermoedens waren.  De beide mannen stelden zich nu op alsof ze elk moment gastheer moesten spelen. Plotseling schoot Tugor een gedachte door het hoofd. “MIsschien is het goed Rasnnsjak hier bij te hebben. Hij spreekt de taal van de mannen uit de rode  stad. Kalam knikte. “Maar zullen ze elkaar vertrouwen?” “Dat merken we snel genoeg”, meende Tugor..

De mannen waren grijs, hadden lange baarden en sloften vermoeid door het zand maar ze droegen mooie kleren. Hetw as duidelijk dat zij afkomstig waren van het hof van Primus. Zodra zij Kalam, Tugor en Rannsjak bij de poort opmerkten stonden ze stil. Even leken ze te aarzelen. Misschien vroegen ze zich af of ze het door hen gestelde doel zouden kunnen bereiken bij de drie mannen die er voor hen toch als een soort barbaren uit moesten zien. De aarzeling duurde niet lang. De voorste man waarvan het gezicht bijna helemaal verborgen ging achter een lange, grijze baard en snor nam duidelijk het initiatief om verder te lopen, zonder te wachten op zijn drie metgezellen. Hij begroette Kalam en zijn vrienden met de woorden die de Anth’ daarvoor hadden en dat wekte bij Kalam een tevreden glimlach op. De mannen waren echt uit op contact! De drie volgelingen van de bebaarde man volgden nu en kwamen ook dichterbij.

Kalam maakte een uitnodigend gebaar waarmee hij de mannen aangaf dat zij door de poort mochten lopen. “Wij ontvangen u hier graag als gast”, zei hij. “We hebben dit land aan u te danken en dat zullen we nooit vergeten.” Tugor hield zijn hart vast. Ging Kalam nu ineens allerlei beloften doen aan de vreemdelingen? Wie weet wat ze van hen zouden vragen.! De bebaarde man was hem voor. “Dat is mooi want we komen u om hulp vragen”, zei hij en meteen daarna legde hij uit dat hij de taal van de Anth’ had geleerd van Rannsjak. Deze knikte en vertelde Kalam dat de bebaarde man Sektus heette en een vertrouweling van Primus was. “Hij was één van de mannen die altijd voor mij heeft gepleit en gezorgd heeft dat ik een goede positie aan het hof kon krijgen, al kon ik niet weg.”  “Dus we kunnen hem vertrouwen?” vroeg Kalam maar deze keer kwam Tugor snel tussen beide. “Dat zou ik niet zo maar doen. We weten helemaal niet wat hij van plan is.” Kalam wreef met één hand over zijn kin en moest toen toegeven dat de voorzichtigheid van Tugor wel eens op zijn plaats zou kunnen zijn.

De mannen liepen nu naar het midden van de cirkel die de muur rond het kamp van de Anth’ begon te vormen. “Ik zie dat u een aardige stad aan het opbouwen bent”, begon Sektus. “Dat is mooi want wij kunnen hopelijk goede buren worden.” Tugor grijnnsde. Buren? Zoals het er nu uitzag zouden de mannen in de rode stad niet zolang meer hun buren zijn! Wat wilde deze boodschapper van Primus? Zijn gedachten kregen vorm in de woorden van Kalam. “Als we straks nog buren zijn.”Sektus keek geschrokken  maar ook verontwaardigd naar zijn gastheer. “Onze stad is voor zover onze ouderenraad zich kan herinneren maar één keer gevallen voor een vijand”, zei hij. “Dat heeft niet lang geduurd omdat de aanvallers slechts een bende barbaren waren die het hier maar kort konden uithouden. Zij zijn verder getrokken en nooit meer weergekeerd.” Kalam antwoordde niet en ook zijn gezicht verraadde niets van zijn gedachten. “En nu?” vroeg hij eindelijk. “Hoe ziet het er nu uit?” Sektus fronste zijn wenkbrauwen.

De mannen gingen nu in het midden van de cirkel rond een vuur zitten. “Laat me eerst iets aan u vragen”, begon Sektus. “Zou ook u niet alles doen om uw stad te redden?” Kalam keek zijn gast aan en staarde in de verte. Zijn stad redden? Daarover had hij nog niet veel nagedacht. Eigenlijk herinnert hij zich geen stad. Er staat hem alleen Kana’an voor ogen en datw as zo verrot geworden en vol verkeerde elementen dat hij niets beters wist dan het zo gauw mogelijk te verlaten. Daarna heeft hij rondgetrokken, is hij met zijn volk gevangen geweest en hebben ze weer verder getrokken. Zijn stad? Hij haalde zijn schouders op. “Ik weet het niet, wij hebben lange tijd geen stad gehad, geen huis om in te wonen. Ik zou wel alles doen om mijn volk te redden, ja dat wel. Gamor vormt een onzichtbare muur rondom mijn mensen waartoe nu ook de Kraj behoren”, zei hij. Zijn woorden kwamen er langzaam en nadrukkelijk uit omdat hij zich nu ook ineens zelf realiseerde hoe het met zijn volk gaat. Sektus glimlacht en wrijft door zijn baard. “Bij ons zijn stad en volk hetzelfde”, meent hij. “Wie het volk beschermt, beschermt de stad en ja…bij ons zijn zoveel gasten komen inwonen dat de stad haast belangrijker is geworden dan het volk. De stad is voor al nze inwoners van belang, waar ze ook vandaan komen. Ze biedt bescherming en zorg voor iedereen”

Kalam keek tevreden. De zienswijze van Sektus was hem duidelijk geworden en misschien zou het allemaal ooit ook voor de Anth’ en de Kraj gaan gelden maar voorlopig niet. Voorlopig was er alleen het volk. “Wat brengt u dan zo ver buiten de stad?” vroeg hij terwijl hij zijn gast doordringend en onderzoekend tegelijkertijd aankeek. “In bijzondere tijden is het nodig om je buiten de stad te begeven ten behoeve van de stad”, begon Sektus langzaam. “Van bijzondere dagen kun je nu wel spreken. We worden aangevallen door twaalf volkeren tegelijk. Tot nu toe hebben onze muren het gehouden maar het is de vraag hoelang dat zo zal zijn.” Even pauzeerde hij maar niet lang genoeg om Kalam de kans te geven iets te zeggen. ”Ik moet toegeven dat wij bang zijn onze stad te verliezen maar, zoals gezegd, we zullen alles doen om het niet zover te laten komen.” Kalam knikte om aan te geven dat hij de eerste woorden van Sektus goed in zich had opgenomen. “We komen u vragen om aan onze kant mee te vechten. Dat zou voor ons allemaal goed zijn want we zouden de toekomst als twee goede broedersteden tegemoet kunnen zien.”

Kalam slikte. Hij moest denken aan de tijd die hij in de rode stad had doorgebracht. Dat was nou niet bepaald de manier waarop hij door een bevriende “broedersstad” behamndeld wilde worden. Hij dacht ook aan Rannsjak die toch tegen zijn wil in de stad was vastgehouden, ookal had hij een hoge positie gehad. Hij besloot al die bezwaren maar eens naarvoren te brengen.

Tugor en Rannsjak mompelden instemmend terwijl Kalam zijn bezwaren opnoemde. “En niet alleen mijn positie maar ook die van mijn vrienden”, bracht Rannsjak nog in herinnering. “Het is toch allemaal niet gegaan zoals goede vrienden met elkaar omgaan.” Sektus leek verontwaardigd en verward tegelijk. “Maar de taak van onze Primus is toch niet te vergelijken met welke andere leider of vorst dan ook!” riep hij uit. “”Primus is de grote koning. Daarvoor kunnen jullie toch niet….” “Stil”, zei Tugor met stemverheffing. “Voor ons is Kalam de uitverkorene. Is Primus ook een uitverkorene? Ik weet zeker dat wij Kalam hoger achten dan uw koning.” Het werd stil rond het vuur terwijl de avond begon te vallen en in de verte de vlammenzee rond de rode stad nog volop heerste.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Slang

Bij de Vikingen vinden wij de Draak op de scheepsboog van hun booten. Deze noemen wij Drakaars maar de autochtone bevolking noemt hen “Snek” wat Slang betekend! Het zal mij niet verbazen dat het deze afbeeldingen de zo gevreesde zeeslangen zijn die de matrozen uit turen dag en nacht tot dat men ze zelfs virtueel ziet in de mist banken bij het vallen van de avond.

De Basken hebben ook een hemelslang die zij noemen Sougar. Het feit dat deze bevolking ook de Godin Maya vereerd vinden wij weer het koppel Maïa Thyphon van de Grieken, een volk waar mee zij kontact hadden sinds de Pheniciers.

In het noorden van deze bevolking van de Pyreneeën vinden wij de Gaulois of Kelten. Ook zij hebben een celeste hemel slang met de naam N’vouivre die in de watervlakten en moerassen leeft zoals de zee slang.

www.nomdundieu.com/Nederlands/7.1.1%20%20Draken%20en%20Slangen.htm

www.geocities.com/secondbible/de_christelijke_mythologie.htm

www.fantasy-life.nl/fantasy-blog/mythologie/noorse-mythologie-apocalyps.html

www.spiritualiteit.blog.nl/beurzenevenementen/2007/10/29/workshop-tantra-en-mythologie

 

Http://mythologie.wordpress,com

Gepost door: Kaj Elhorst | december 14, 2008

Bij het vallen van de nacht

Zelden had Foelar zo’n harmonie gevoeld. Terwijl de schemering intrad, naderden de twee vertrouwd ogende figuren op loopvoeters en vorderde de eerste muur. De mannen hadden de hele dag door gewerkt en nu stapelden ze het ene blok blauwsteen op het andere. Als die twee ruiters in de verte Kalam en Tugor waren, konden ze tevreden zijn over zijn werk.  De eerste muur die naar de rode stad toe lag gekeerd was inmiddels gegroeid tot schouderhoogte bij Foelar. Hoewel ze dus al enigszins beschutting begon te bieden, was hij toch blij dat de zeemannen en de ruiters uit het binnenland zich niet tegen de Anth’ en Kraj hadden gekeerd. De muur was verre van voltooid en de mannen waren doodmoe. Ze zouden nu geen gevecht aankunnen. Bijna tevreden zag hij hoe de fakkels van de vreemde legers stilhielden voor de rode stad en daar rond bleven draaien. Het zou daar zeker op een belegering uitdraaien. “Des te beter”, dacht Foelar bij zichzelf. “Zolang jullie ondeer elkaar aan het vechten zijn, kun je ons niet lastig vallen.”

De twee ruiters kwamen nu echt binnen het gezichtsveld en Foelar herkende inderdaad Kalam en Tugor maar achter hen ontdekte hij nu een derde figuur die hem minder bekend voorkwam. Een boodschapper uit de rode stad?  Een vluchteling?  Hij keek scherper en langzaamaan begon hem iets te dagen maar wie de derde man precies was, kon hij zich toch niet goed herinneren. Ondertussen keek hij opnieuw uit één ooghoek naaruur die nog steeds groeide en groeide.  Was het geen tijd om het werk te staken?

De komst van de drie mannen betekende voor alle Anth’ en Kraj in elk geval een onderbreking van het werk aan de muur en Foelar gaf opdracht om pas de volgende dag verder te gaan. “Welkom”, zei hij met een wat ingehouden stem. “Welkom en ik zie dat jullie iemand hebben meegebracht?” Kalam steeg van zijn loopvoeter af en knikte. “Ja zeker, je kent hem wel, het is Rannsjak. Hij heeft ooit met een paar vrienden als eerste de grot bij de Vogelgrijpers verlaten maar nu is hij hier en blij weer terug te zijn.”De mannen omarmden elkaar en zo ging het ook bij Tugor. Toch voelde Foelar vooral de begroeting met Tugor deze keer anders dan andere keren. Het was net of  hij een halve vreemdeling omhelsde. De oude gevoelens van vriendschap leken niet terug te keren. Dat gaf hem niet eens een treurig gevoel, hij voelde er helemaal niets bij.

“Ik zie dat jullie goed aan het werk zijn geweest”, Tugor bekeek de blauwstenen met aandacht en liet zijn hand over het harde, gladde materiaal glijden. “Waar halen jullie die stenen vandaan?” Nu toonde ook Kalam aandacht voor de nieuwe vinding en Foelar legde uitgebreid uit hoe ze tot deze oplossing waren gekomen. “Dus we hadden helemaal niet naar de rode stad hoeven te gaan!” lachte Kalam maar Foelar was het daar niet mee eens. “Ik wil maar al te graag jullie verhaal horen.”

Die avond luisterden de Anth’ met open mond naar de ervaringen van Kalam, Tugor en Rannsjak. De laatste had inmiddels weer een paar van zijn oude vrienden ontdekt maar hij voelde zich nu toch wat beter thuis bij de grootjagers en leraren dan bij de mannen van de buitenste kring. Hij zocht de oorzaak daarvan in zijn ervaringen in de rode stad. Uitvoerig vertelde hij ook over de zeemannen die in de rode stad bekend stonden als “Zeemeermannen”en dat vonden de anderen zo’n mooi woord dat ze het maar gauw overnamen.

“Zeeemeermannen zij merkwaardige wezens”, vertelde Rannsjak. “Niemand weet precies of het nu mensen zijn of zeedieren en het is ook niet bekend waar ze vandaan komen. Er zijn vreemde verhalen over een land dat nog ver voorbij de horizon ligt. Wij mogen denken dat Gûl daar woont maar de inwoners van de rode stad hebben een heel ander verhaal. Er zou een land liggen van zand, stenen en bergen en met dieren die bulten op hun rug dragen en waarop je netzo goed kunt rijden als op onze loopvoeters.” De Anth’en de Kraj begonnen hard te lachen. Zoiets kon toch niemand geloven, hoewel, in zo’n land konden misschien ook wel mannen met een vissenstaart leven.  Ma’aba  schudde zijn hoofd. “Ik denk dat ze in zee leven, misschien wel op de bodem van de zee. Waarom hebben ze anders een vissenstaart nodig?” Ook daarop wist Rannsjak een antwoord. “Het land van zand, bergen en stenen zou vroeger helemaal onder water gestaan hebben. Daar leefden toen de zeemeermannen met hun vrouwen maar op een goede dag trok het water zich terug en regeerde Gûl er volop. Toch worden de zeemeermannen nog steeds met een staart geboren maar ze hebben geleerd op het land te leven. Daarom vallen ze nu de rode stad aan.” Ma’aba bleek skeptisch. “Ik geloof niet dat je zo dicht bij Gûl zou kunnen leven. Zo dicht bij zijn huis is het veel te warm.” De meeeste Anth’ wilden hem graag gelijk geven. Wonen in het land van Gûl! Wat een onzin! 

Die nacht sliepen de Anth’ en Kraj beter dan ze in tijden hadden gedaan en alleen de wachters zagen hoe de belegeraars van de rode stad nog tot heel laat in de weer bleven. Van tijd tot tijd galoppeerde een loopvoeter in de verte voorbij terwijl zijn silhouet zich aftekende tegen het weerschijnsel van de vuren rond de stad en een enkele keer drong het geschreeuw van de vreemde mannen door. De wachters huiverden. Was dit het land waarop zij zich zo hadden verheugd?

Behalve de wachters was het Foelar die de slaap niet goed kon vatten. In zijn  hoofd bleef de gedachte aan een land achter de golven van de zee maar spoken. Zou daarginds nog een hele wereld te winnen zijn? En waarom waren Ma’aba, Kalam en Tugor zo skeptisch over zo’n land? Waren ze bang dat sommigen de neiging zouden vertonen om verder te trekken? Foelar voelde steeds weer een gevoel in zich opkomen, een verlangen zelfs om die nieuwe gebieden te gaan ontdekken. Het reizen, het zwerven was hem lief geworden in de afgelopen tijd. De meeste Anth’ mochten dan behoefte hebben aan een veilige woonplaats, voor Foelar waren het nog steeds de vergezichten van onbekende streken die hem lokten. In  gedachten tekende hij een vierpotig dier met bulten op de rug in  het zand.  Rustiger werd hij daar niet van. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes alsof hij dwarsdoor de afastand en de duisternis heen wilde kijken om te zien hoe daarginds een onbekend land lag. En hij zag het. Hij zag de spitse bergtoppen, kaal en roodachtig in het licht van Gûl. Hij zag de dieren met bulten op hun rug en hij zag de mannen die er op reden: omhuld met veelkleurige lappen waaruit alleen een zwartgekleurd gezicht tevoorschijn kwam en gewoon met benen, gewone benen, geen staart.

De hele volgende dag werkten de mannen aan de muuren tegen het middaguur was ze al méér dan manshoog. Foelar gaf de mannen nu opdracht om ook aan de verlenging te werken. De muur moest niets alleen hoog zijn maar ook het hele toegewezen stuk  land omgeven. Het ging hem er nu vooral om dat de vrouwen een veilige plaats zouden hebben om te bevallen. Dat was hard nodig want de gevaren loerden aan alle kanten. In de verte, bij de rode stad, was het geschreeuw en gegil van de strijd te horen en van tijd tot tijd kwamen uit het binnenland nieuwe groepen ruiters die zich naar de rode stad begaven. Niemand had oog voor de Anth’ en de Kraj. Intussen viel het hem wel op dat Kalam al een paar uur vlak naast de K’awal zat. Eerst was hij bij A’akane gaan kijken maar die zag er gezonder uit dan ooit te voren, mooier ook zodat Foelar het nauwelijks nog kon opbrengen om naar haar te kijken. De jaloezie had hem in zijn greep en dus wendde hij de blik af totdat hij Kalam zag die tegen de K’awal aangeleund zat. Wat probeerde hij te ontdekken? 

Omdat Kalam toch niet op of om keek, besloot Foelar een plekje te zoeken bij A’akane in de buurt. “Ik wil je beschermen en verdedigen”, fluisterde hij. Er zijn veel gevaren om ons heen en jij hebt een kostbare vracht.”  Hijz ag A’akanes dromerige ogen en een glimlach en legde dat uit als verliefdheid. “Het is goed Foelar”, zei ze zachtjes. Ik heb geen bijzondere verlangens. Kalam is een goede man voor me. Kijk jij vooral maar naar je eigen vrouw want zij heeft het moeilijker dan je denkt.” Foelar beet op zijn onderlip. “Maar Kalam doet helemaal niets voor je”, zei hij verontwaardigd. “Hij let niet op je en zit alleen maar met de K’awal te praten.” Nu kwamen er lichtjes in A’akanes ogen. “Zeg dat niet, Foelar. Je bent een goede man maar Kalam is dat ook en jij moet vooral voor je eigen vrouw zorgen.”

Het deed Foelar zeer dat A’akane hem op zijn verplichtingen wees maar hij wilde geen onrust in het vrouwenkamp veroorzaken. Dat zou hem door géén van de andere mannen in dank worden afgenomen. Hij schoof daarom zo onopvallend mogelijk weg van A’akane en kroop op handen en voeten naar zijn eigen vrouw. Zij keek hem glimlachend en dankbaar aan. “Ik ben blij dat je er eindelijk bent”, fluisterde zij. In dat woordje “eindelijk” beluisterde Foelar een stil verwijt en dat ergerde hem maar opnieuw hield hij zich in. Hij bracht zich ertoe haar over haar haren te strelen en haar schouder en borsten en haar zacht te kussen maar in gedachten zag hij daarbij het gezicht van A’akane voor zich. Zou zij net zo zoet en zacht zijn als zijn vrouw of nog veel zoeter? Het moest haast wel het laatste zijn. Steels dwaalden zijn  ogen af naar A’akane, een vrouw die mooier was dan alle vrouwen waarvan hij ooit had gedroomd maar die niet de zijne was. Hij voelde de ondragelijkheid ervan. Verontwaardiging maakte zich ook van hem meester. Voor hem, de uitvinder van de blauwsteen, had A’akane niet méér over dan een glimlach en een paar wijze woorden. Hij had toch echt wel meer verdiend en Foelar besloot dat A’akane gewoon door Kalams geest gevangen werd gehouden. Eenmaal bevrijd, zou ze zich natuurlijk voor hem uitspreken. Dat het niet eens de mensen waren maar Kalams uitverkorenheid die Kalam en A’akane bij elkaar had gebracht, drong niet tot hem door.

Nadat hij zo had liggen mijmeren in de armen van zijn eigen vrouw, stond hij plotseling en haastig op. Zonder een woord te zeggen liep hij naar de wagarden en daar vomnd hij een plekje temidden van hen. De wagarden waren altijd zijn vrienden geweest en hij had het altijd het beste met hen kunnen vinden. Nu mengde hij zich in hun gesprek en langzaamaan veranderde het onderwerp. De gedachte aan een ver en onbekend land sprak de wagarden wel aan.  Waarom ze daar niet naartoe zouden gaan?  Ook de wagarden hadden er het antwoord niet op. Het zwerven zet hen in het bloed. “Kalam denkt dat onze bestemming echt deze plek is maar ik heb een andere boodschap ontvangen”, zei Foelar. “Onze bestemming is de zwerftocht, van land naar land. Onze bestemming is geen stad maar immer voortgaande beweging. De wagarden kropen wat dichter bij hem. Zij hoorden woorden over uitverkorenheid die niet eeuwig kon zijn en over gewenning en gebrek aan durf. In hun wazige brein begon zich een nieuw beeld te vormen van de uitverkorene, het beeld van een oude, uitgebluste eenling  die probeerde zijn eigen zin door te zetten.

De volgende dag werkten de mannen van de buitenste kring en de wagarden harder dan anders en de muur vorderde sneller maar de mannen hadden een norse uitdrukking in hun gezicht. Vooral de wagarden mopperden veel en mompelden onderling haast onverstaanbare woorden. Voor iedere oplettende leider zou het duidelijk zijn geweest dat er iets broeide maar Kalam had er geen oog voor en Tugor lette uitsluitend op de bewegingen van soldaten rond de rode stad. Het was vooral Foelar die de mannen aanzette tot snel en lang werken. “Hoe eerder die muur klaar is, des te eerder kunnen we onze plannen uitvoeren”, hield hij hen voor en de mannen bouwden want zij hadden het gevoel al veel te lang stilgezeten te hebben, steeds op dezelfde plek.

http://mythologie.wordpress.com

Service

www.nietsiswathetlijkt.web-log.nl/nietsiswathetlijkt/2006/07/verraad.html

www.wordpress.com/tag/uitverkorenheid

www.alt-f4.org/134.html

www.bestemming-onbekend.nl

Pandora (haar naam kan zowel draagster van alle gaven als schenkster van alle gaven of albegaafde betekenen), is in de Griekse muythologie de naam van de eerste vrouw, die door Hephaistos, god van het vuur, werd gevormd uit water en aarde. Zij werd door Zeus aan de stervelingen als straf gezonden om onheil over hen te brengen, nadat Prometheus vuur uit de hemel gestolen had, met het doel om de mensen uit hun ongelukkige toestand te verlossen

 

 

« Nieuwere berichten - Oudere Berichten »

Categorieën

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.