Gelukkig dood ervaring

Het onderstaande verhaal  heb ik in 1999 opgetekend uit de mond van Peter Hollinger die woonde nabij Rosenheim, Beieren, in een boshuis. Hij was toen 34. Pas nu kan ik het publiceren, aan het eind van het verhaal zal blijken waarom.

 

Is het ochtend? Het schemert…of juist niet. Het kan ook avond zijn. Mijn herinneringen laten me in de steek, of liever, ik weet niet meer dat herinneringen bestaan, dat ze ooit hebben bestaan.

De kamer om mij heen is schemerig, hoe langer ik hier ben, weet ik zeker dat het schemerig is. Ergens vandaan komt daglicht maar ik kan het niet zien want een half-duister scherm verbergt het licht voor het grootste deel voor mij. Is het daglicht? Wat ik doe, lijkt op peinzen maar na een tijdje weet ik dat het kijken en reageren is. De vrouw naast mij ken ik niet. Ze ligt met half geloken ogen en een flauwe glimlach naar me te taren en zo nu en dan glijden haar handen over me heen. Vreemd, want het is niet de vrouw waarvan ik houd. Deze vrouw zegt me niets en ik zou eigenlijk willen dat ze ophield met het strelen. Niet omdat het vervelend is maar omdat ik het niet wil. Ik wil niet dat ze me aanraakt. Ik schreeuw en de glimlach op het gezicht van de donkerharige vrouw wordt groter. Is ze hier om mij te kwellen? Opnieuw schreeuw ik en deze keer komt ook een man de kamer binnen. Een donkere man met een donker gezicht en vreemde, fel gekleurde kleding. Het zijn meer lappen in allerlei kleuren. Mijn vader is het zeker niet en ik herken er ook geen vriend of familie in. 

Plotseling wordt mijn blik getrokken door een beweging aan de andere kant. Het duistere scherm dat het licht uit de kamer weghield, is verdwenen. Er beweegt een vrouw, een andere vrouw met rood haar. Haar gezicht wordt steeds scherper en duidelijker. Haar heb ik eerder gezien. Ik kan niet anders dan lachen bij het zien van haar mooie gezicht, haar dikke, volle rode krullen, haar sensuele lippen en haar fel groene ogen. Wat is ze mooi!

Ze was altijd al mooi. Ik weet het nu, haar heb ik eerder gezien. Toen, ergens hield ik van haar. Maar zij niet van mij of juist wel? Bij die gedachte voelik een zwart gat in mijn hoofd. Een bonk en een zwart gat. Ik strek mijn hand uit naar de roodharige vrouw maar het lijkt alsof zij steeds verder van mij wegdrijft, naar mate ik mijn hand uitstrek, drijft ze verder weg. Ik zie nu ook dat ze huilt. Waarom huilt deze mooie vrouw? 

“NIet huilen klinkt nu een zachte, vriendelijke stem aan de andere kant. Het is de donkerharige vrouw, nee de vrouw is helemaal donker, net als de man die net in de kamer was. Ze trekt zich tegen me aan. “Je moet ook naar mij kijken, hier is mama, niet daar.” Ze wijst in de richting waar de roodharige vrouw zich net nog liet zien. Nu niet meer. Nee, dat was mama niet, natuurlijk niet. Maar waar is mijn moeder dan wel? Mijn moeder? Mijn moeder is aan kanker overleden, flitst het door mijn hoofd. Overleden toen ik die roodharige vrouw nog maar net kende. Ja, ik weet het weer, er bestaan herinneringen.  

(dag 1)

 

Het was een prachtige dag, een stralend blauwe hemel maar niet warm. Een dag om te vliegen. Ik had mijn vliegbrevet  en ging er geregeld een dag op uiit, met of zonder vrienden. Vliegen was voor mij het ultieme alternatief voor het leven op aarde. Alles ziet er anders uit als je het van boven bekijkt en de afstand heb je meteen al geschapen. Je bent onbereikbaar, behalve voor de mannen en vrouwen die je via de radio proberen te bereiken.

Ik weet het nog goed. Van boven keek ik de op de prachtige bergweiden van de Alpen en soms zag ik in de verte de besneeuwde toppen, zoals de Kitzsteinhorn. Daartussendoor zag ik hoe het leven zich afspeelde met auto’s, treinen en zelfs wandelaars op hooggelegen bergpaden kon ik bekijken zonder dat ze het door hadden.

Plotseling was er het beel van Anita, de vrouw met het rode haar. Die schoonheid die ik nog nergens, niet in winkels, fabrieken of natuur had ontdekt. Die grenzenloze herkenning van alles wat mooi was, dat was wat mij trok. Terwijl zich voor mij de hellingen van een berg begonnen af te tekenen, nam de berg de vormen aan van Anita, de enige plaats waar ik liever wilde zijn dan in mijn vliegtuig.

Het was alsof alles asgrauw werd want de herinnering van mijn vliegtocht stond mij voor de geest in felle, opwindende kleuren maar plotseling was daar weer die vreemde vrouw met haar zwarte haar en grijze jurk. Ze maakte geluidjes naar mij zoals moeders die met hun baby proberen te communiceren. Onzeker keek ik naar mijn voeten, benen, buik en armen en ik zag toch echt het lichaam van een volwassene. Wat wilde toch die vrouw? Geen sekualiteit, geen erotiek. Tot mijn grote schrik begon ze lepeltjes babypap tussen mijn lippen te wurgen. Langzaamaan begon ik te twijfelen aan haar geestelijke vermogens en ik sproeide de pap door de kamer. Babypap, ik had honger, ja dat wel maar mijn maag vroeg meer om boeuf bourguignon dan om babypap. Weer kwam die lepel en deze keer haaldee ik uit. De lepel vloog in volle vaart tegen de muur recht tegenover mij. hetbehang, het schilderij en zelfs het plafond dropen van de pap. 

Ik keek naar links en weer zag ik achter een soort kamerscherm van gaas Anita! Zij huilde, dikke tranen vielen uit haar ogen op de krant die op haar schoot lag. Ik kon niet zien waarom zij huilde maar het deed me zo zeer en een onweerstaanbare huilbui kwam over me. Ik kon me niet herinneren zó gehuild te hebben sinds mijn heel jonge jaren.

De donkere vrouw kwam nu dichterbij, ze droogde mijn tranen en gaf me kusjes. Ze probeerde lief te zijn maar niet als een vrouw maar als een moeder. Het bracht me er bijna toe opnieuw te gaan huilen. Ik snikte maar besloot niet door te zetten. Misschien was het beter om naar Anita te kijken.

De duisternis omhulde me volkomen op één klein lichtje verweg na. De vreemde vrouw met haar zwarte haar was weg maar ook Anita zag ik niet meer. Het kamerscherm van gaas leek een ondoorzichtbaar zwart gat geworden te zijn.

(dag 2)

Recht voor me zag ik de bergwand en het was zelden dat een bergwand zo mooi, zo lieflijk, zo verlokkelijk was geweest. Geen steen, geen graniet, geen grijze vlakten en kaalheid maar de liefde zelf die zich vermegde met haar geur, de geur die ik zo goed van haar kende. Die ik duizend-en-één keer had geroken en die hoorde bij de ene na de andere teleurstelling, afwijzing na afwijzing. Deze keer was het anders. Ze wenkte me en nodigde me uit, nee dáágde me uit om dichterbij te komen. Ik wist dat het goed was, dat ze me bewonderde voor mijn vliegkunst. De twijfel was verdwenen en had plaatsgemaakt voor de zekerheid dat ze mij wilde. Wat kon er mooier zijn?

Nooit eerder had het gesnor van de motor me zo goed in de oren geklonken. Het geluid van haar woorden die stuk voor stuk en zo duidelijk van haar lippe kwamen en in mijn oor fluisterden. Ik voelde hoe jaloers anderen naar mij keken en zich afvroegen hoe een man als ik met zo’n mooie, begeerlijke vrouw intiem samen kon zijn. Ik zag ons samen verdwijnen uit het beeld van de anderen, met naijver nagekeken. En dan was er dat verpletterende gevoel van die kus, haar handen langs mijn hoofd, de kleine, ongezonde uitstulping op mijn achterhoofd die zij koesterde maar waarvan de dokter had gezegd dat ze mijn einde kon betekenen. Het was haar liefde die dat voorzuitzicht deed verdwijnen alsof de bult zelf langzaamaan ineen zonk. Haar liefde die mij met zich meevoerde langs en door een toekomst die mij altijd onbereikbaar had geschenen. Muziek, vermengd met scheldwoorden van de naijverigen klonken me nog na maar ik wist dat zij mij niet meer konden deren. Haar liefde had mij voor goed tot in het oneindige opgeslokt en ik sloot tevreden mijn ogen. Ik was gelukkiger dan ooit tevoren.

(dag 3)

Maar hoelang duurt geluk? Zolang je ogen gesloten zijn? Misschien wel. helaas kon ik ze niet beletten weer open te gaan en toen bevond ik mij in een hel verlichte ruimte. Naast mij lag een vrouw die mijn lief niet was maar die mij wel met een brede glimalch aankeek. “Zij maakte piep geluidskjes tegen me alsof ze niet spreken kon, blies wat bellen tussen haar lippen door en streelde met één hand over mijn hoofd. Onaangenaam was dat niet maar ik voelde niet de liefde die ik voor haar had gevoeld. Ik kon dan ook niets anders opbrengen dan een hartstochtelijk gekrijs, zo erg dat het zelfs mij pijn deed aan mijn oren. Erg vond ik dat niet want ik wilde pijn lijden, nu mijn geliefde er niet meer was.

De vreemde vrouw deed alles om een einde aan mijn schreeuwen en huilen te maken maar ze was daarin niet bijzonder succesvol. Integendeel, met iedere aanraking begon ik harder te schreeuwen.  Ik wendde mijn gezicht zelfs af.

Toen zag ik haar. het leek alsof zij zich bewoog achter een dun laken. Niet alleen haar schaduwen en contouren waren goed zichtbaar maar ook de fijne trekken vqan haar gezicht, haar slanke lichaam en haar rode haarbos, zo mooi en zo dik dat ik erin zou willen rusten.

Mijn huilen was spontaan over. Ik voelde me opgewonden worden, een stroom van hevige en eindeloze moed drong in mij binnen, de wens om aan de andere kant van het doek te zijjn overmande mij. het kon niet, erw as geen doorgang, de scheiding bleef en ik zag hoe zij huilde. Ik wist niet waarom want ik kon haar zachtjes gemompelde woorden niet horen. Ergens, heel diep van binnen hoopte ik dat ze om mij huilde. Misschien was het maar goed dat ik die woorden niet verstond. Misschien hadden ze mij een nieuwe teleurstelling bezorgd.

Dag 4

Ik moest huiilen, heel veel huilen. De vrouw die naast me lag, scheen zich daarover zorgen te maken maar dat kon me niet zoveel schelen. Ik keek steeds maar weer naar de andere kant. Soms was er die half doorzichtige wand waarachter mijn lief zich bevond en ja, ik voelde en zag hoe zij aan mij dacht. Ik zag hoe haar lippen mijn naam mompelden, hoe zij naar mijn foto’s keek en hoe ze ze streelde. . Had zij dan toch van mij gehouden? En waarom had ze daarvan dan bij mijn leven nooit iets laten merken? Was ik wel dood?

Eigenlijk was het moeilijk voorstelbaar. Ik kon niet dood zijn. Die vreemde vrouw die mij Chamid noemde, behandelde mij  als een baby. Ze wurmde me zacht, warme flesjes tussen de lippen met een drank die ik vies vond. En dan moest ik weer huilen. Soms ook ruimde ze mijn poep en pies op en dat vond ik dan wel weer prettig hoewel de warmte ervan tussen mijn benen ook wel lekker aanvoelde. Maar het gaf me een beschaamd gevoel tegenover de vrouw achter het scherm.

Die vreemde vrouw die mij Chamnid noemde en me aansprak in een taal die ik niet herkende. ze merkte dat ik me tegen haar verzette en ze maakte zich er zxorgen om maar begreep niet waar het aan leg.  Nee, ik kreeg geen slaag en dat was maar goed ook. Ik had wel het lichaam en de kracht van een volwassen man maar ik kon tegen haar toch niet op. 

Soms wilde ik de strijd opgeven, dan stikte ik haast. Niet in een gebrek aan lucht of liefde maar door de eenzaamheid die ik in mijn hele lichaam voelde.

Dag 5.

Het onderstaande verhaal  heb ik in 1999 opgetekend uit de mond van Peter Hollinger die woonde nabij Rosenheim, Beieren, in een boshuis. Hij was toen 34. Pas nu kan ik het publiceren, aan het eind van het verhaal zal blijken waarom.

 

Is het ochtend? Het schemert…of juist niet. Het kan ook avond zijn. Mijn herinneringen laten me in de steek, of liever, ik weet niet meer dat herinneringen bestaan, dat ze ooit hebben bestaan.

De kamer om mij heen is schemerig, hoe langer ik hier ben, weet ik zeker dat het schemerig is. Ergens vandaan komt daglicht maar ik kan het niet zien want een half-duister scherm verbergt het licht voor het grootste deel voor mij. Is het daglicht? Wat ik doe, lijkt op peinzen maar na een tijdje weet ik dat het kijken en reageren is. De vrouw naast mij ken ik niet. Ze ligt met half geloken ogen en een flauwe glimlach naar me te taren en zo nu en dan glijden haar handen over me heen. Vreemd, want het is niet de vrouw waarvan ik houd. Deze vrouw zegt me niets en ik zou eigenlijk willen dat ze ophield met het strelen. Niet omdat het vervelend is maar omdat ik het niet wil. Ik wil niet dat ze me aanraakt. Ik schreeuw en de glimlach op het gezicht van de donkerharige vrouw wordt groter. Is ze hier om mij te kwellen? Opnieuw schreeuw ik en deze keer komt ook een man de kamer binnen. Een donkere man met een donker gezicht en vreemde, fel gekleurde kleding. Het zijn meer lappen in allerlei kleuren. Mijn vader is het zeker niet en ik herken er ook geen vriend of familie in. 

Plotseling wordt mijn blik getrokken door een beweging aan de andere kant. Het duistere scherm dat het licht uit de kamer weghield, is verdwenen. Er beweegt een vrouw, een andere vrouw met rood haar. Haar gezicht wordt steeds scherper en duidelijker. Haar heb ik eerder gezien. Ik kan niet anders dan lachen bij het zien van haar mooie gezicht, haar dikke, volle rode krullen, haar sensuele lippen en haar fel groene ogen. Wat is ze mooi!

Ze was altijd al mooi. Ik weet het nu, haar heb ik eerder gezien. Toen, ergens hield ik van haar. Maar zij niet van mij of juist wel? Bij die gedachte voelik een zwart gat in mijn hoofd. Een bonk en een zwart gat. Ik strek mijn hand uit naar de roodharige vrouw maar het lijkt alsof zij steeds verder van mij wegdrijft, naar mate ik mijn hand uitstrek, drijft ze verder weg. Ik zie nu ook dat ze huilt. Waarom huilt deze mooie vrouw? 

“NIet huilen klinkt nu een zachte, vriendelijke stem aan de andere kant. Het is de donkerharige vrouw, nee de vrouw is helemaal donker, net als de man die net in de kamer was. Ze trekt zich tegen me aan. “Je moet ook naar mij kijken, hier is mama, niet daar.” Ze wijst in de richting waar de roodharige vrouw zich net nog liet zien. Nu niet meer. Nee, dat was mama niet, natuurlijk niet. Maar waar is mijn moeder dan wel? Mijn moeder? Mijn moeder is aan kanker overleden, flitst het door mijn hoofd. Overleden toen ik die roodharige vrouw nog maar net kende. Ja, ik weet het weer, er bestaan herinneringen.  

(dag 1)

 

Het was een prachtige dag, een stralend blauwe hemel maar niet warm. Een dag om te vliegen. Ik had mijn vliegbrevet  en ging er geregeld een dag op uiit, met of zonder vrienden. Vliegen was voor mij het ultieme alternatief voor het leven op aarde. Alles ziet er anders uit als je het van boven bekijkt en de afstand heb je meteen al geschapen. Je bent onbereikbaar, behalve voor de mannen en vrouwen die je via de radio proberen te bereiken.

Ik weet het nog goed. Van boven keek ik de op de prachtige bergweiden van de Alpen en soms zag ik in de verte de besneeuwde toppen, zoals de Kitzsteinhorn. Daartussendoor zag ik hoe het leven zich afspeelde met auto’s, treinen en zelfs wandelaars op hooggelegen bergpaden kon ik bekijken zonder dat ze het door hadden.

Plotseling was er het beel van Anita, de vrouw met het rode haar. Die schoonheid die ik nog nergens, niet in winkels, fabrieken of natuur had ontdekt. Die grenzenloze herkenning van alles wat mooi was, dat was wat mij trok. Terwijl zich voor mij de hellingen van een berg begonnen af te tekenen, nam de berg de vormen aan van Anita, de enige plaats waar ik liever wilde zijn dan in mijn vliegtuig.

Het was alsof alles asgrauw werd want de herinnering van mijn vliegtocht stond mij voor de geest in felle, opwindende kleuren maar plotseling was daar weer die vreemde vrouw met haar zwarte haar en grijze jurk. Ze maakte geluidjes naar mij zoals moeders die met hun baby proberen te communiceren. Onzeker keek ik naar mijn voeten, benen, buik en armen en ik zag toch echt het lichaam van een volwassene. Wat wilde toch die vrouw? Geen sekualiteit, geen erotiek. Tot mijn grote schrik begon ze lepeltjes babypap tussen mijn lippen te wurgen. Langzaamaan begon ik te twijfelen aan haar geestelijke vermogens en ik sproeide de pap door de kamer. Babypap, ik had honger, ja dat wel maar mijn maag vroeg meer om boeuf bourguignon dan om babypap. Weer kwam die lepel en deze keer haaldee ik uit. De lepel vloog in volle vaart tegen de muur recht tegenover mij. hetbehang, het schilderij en zelfs het plafond dropen van de pap. 

Ik keek naar links en weer zag ik achter een soort kamerscherm van gaas Anita! Zij huilde, dikke tranen vielen uit haar ogen op de krant die op haar schoot lag. Ik kon niet zien waarom zij huilde maar het deed me zo zeer en een onweerstaanbare huilbui kwam over me. Ik kon me niet herinneren zó gehuild te hebben sinds mijn heel jonge jaren.

De donkere vrouw kwam nu dichterbij, ze droogde mijn tranen en gaf me kusjes. Ze probeerde lief te zijn maar niet als een vrouw maar als een moeder. Het bracht me er bijna toe opnieuw te gaan huilen. Ik snikte maar besloot niet door te zetten. Misschien was het beter om naar Anita te kijken.

De duisternis omhulde me volkomen op één klein lichtje verweg na. De vreemde vrouw met haar zwarte haar was weg maar ook Anita zag ik niet meer. Het kamerscherm van gaas leek een ondoorzichtbaar zwart gat geworden te zijn.

(dag 2)

Recht voor me zag ik de bergwand en het was zelden dat een bergwand zo mooi, zo lieflijk, zo verlokkelijk was geweest. Geen steen, geen graniet, geen grijze vlakten en kaalheid maar de liefde zelf die zich vermegde met haar geur, de geur die ik zo goed van haar kende. Die ik duizend-en-één keer had geroken en die hoorde bij de ene na de andere teleurstelling, afwijzing na afwijzing. Deze keer was het anders. Ze wenkte me en nodigde me uit, nee dáágde me uit om dichterbij te komen. Ik wist dat het goed was, dat ze me bewonderde voor mijn vliegkunst. De twijfel was verdwenen en had plaatsgemaakt voor de zekerheid dat ze mij wilde. Wat kon er mooier zijn?

Nooit eerder had het gesnor van de motor me zo goed in de oren geklonken. Het geluid van haar woorden die stuk voor stuk en zo duidelijk van haar lippe kwamen en in mijn oor fluisterden. Ik voelde hoe jaloers anderen naar mij keken en zich afvroegen hoe een man als ik met zo’n mooie, begeerlijke vrouw intiem samen kon zijn. Ik zag ons samen verdwijnen uit het beeld van de anderen, met naijver nagekeken. En dan was er dat verpletterende gevoel van die kus, haar handen langs mijn hoofd, de kleine, ongezonde uitstulping op mijn achterhoofd die zij koesterde maar waarvan de dokter had gezegd dat ze mijn einde kon betekenen. Het was haar liefde die dat voorzuitzicht deed verdwijnen alsof de bult zelf langzaamaan ineen zonk. Haar liefde die mij met zich meevoerde langs en door een toekomst die mij altijd onbereikbaar had geschenen. Muziek, vermengd met scheldwoorden van de naijverigen klonken me nog na maar ik wist dat zij mij niet meer konden deren. Haar liefde had mij voor goed tot in het oneindige opgeslokt en ik sloot tevreden mijn ogen. Ik was gelukkiger dan ooit tevoren.

(dag 3)

Maar hoelang duurt geluk? Zolang je ogen gesloten zijn? Misschien wel. helaas kon ik ze niet beletten weer open te gaan en toen bevond ik mij in een hel verlichte ruimte. Naast mij lag een vrouw die mijn lief niet was maar die mij wel met een brede glimalch aankeek. “Zij maakte piep geluidskjes tegen me alsof ze niet spreken kon, blies wat bellen tussen haar lippen door en streelde met één hand over mijn hoofd. Onaangenaam was dat niet maar ik voelde niet de liefde die ik voor haar had gevoeld. Ik kon dan ook niets anders opbrengen dan een hartstochtelijk gekrijs, zo erg dat het zelfs mij pijn deed aan mijn oren. Erg vond ik dat niet want ik wilde pijn lijden, nu mijn geliefde er niet meer was.

De vreemde vrouw deed alles om een einde aan mijn schreeuwen en huilen te maken maar ze was daarin niet bijzonder succesvol. Integendeel, met iedere aanraking begon ik harder te schreeuwen.  Ik wendde mijn gezicht zelfs af.

Toen zag ik haar. het leek alsof zij zich bewoog achter een dun laken. Niet alleen haar schaduwen en contouren waren goed zichtbaar maar ook de fijne trekken vqan haar gezicht, haar slanke lichaam en haar rode haarbos, zo mooi en zo dik dat ik erin zou willen rusten.

Mijn huilen was spontaan over. Ik voelde me opgewonden worden, een stroom van hevige en eindeloze moed drong in mij binnen, de wens om aan de andere kant van het doek te zijjn overmande mij. het kon niet, erw as geen doorgang, de scheiding bleef en ik zag hoe zij huilde. Ik wist niet waarom want ik kon haar zachtjes gemompelde woorden niet horen. Ergens, heel diep van binnen hoopte ik dat ze om mij huilde. Misschien was het maar goed dat ik die woorden niet verstond. Misschien hadden ze mij een nieuwe teleurstelling bezorgd.

Dag 4

Ik moest huiilen, heel veel huilen. De vrouw die naast me lag, scheen zich daarover zorgen te maken maar dat kon me niet zoveel schelen. Ik keek steeds maar weer naar de andere kant. Soms was er die half doorzichtige wand waarachter mijn lief zich bevond en ja, ik voelde en zag hoe zij aan mij dacht. Ik zag hoe haar lippen mijn naam mompelden, hoe zij naar mijn foto’s keek en hoe ze ze streelde. . Had zij dan toch van mij gehouden? En waarom had ze daarvan dan bij mijn leven nooit iets laten merken? Was ik wel dood?

Eigenlijk was het moeilijk voorstelbaar. Ik kon niet dood zijn. Die vreemde vrouw die mij Chamid noemde, behandelde mij  als een baby. Ze wurmde me zacht, warme flesjes tussen de lippen met een drank die ik vies vond. En dan moest ik weer huilen. Soms ook ruimde ze mijn poep en pies op en dat vond ik dan wel weer prettig hoewel de warmte ervan tussen mijn benen ook wel lekker aanvoelde. Maar het gaf me een beschaamd gevoel tegenover de vrouw achter het scherm.

Die vreemde vrouw die mij Chamnid noemde en me aansprak in een taal die ik niet herkende. ze merkte dat ik me tegen haar verzette en ze maakte zich er zxorgen om maar begreep niet waar het aan leg.  Nee, ik kreeg geen slaag en dat was maar goed ook. Ik had wel het lichaam en de kracht van een volwassen man maar ik kon tegen haar toch niet op. 

Soms wilde ik de strijd opgeven, dan stikte ik haast. Niet in een gebrek aan lucht of liefde maar door de eenzaamheid die ik in mijn hele lichaam voelde.

Dag 5.

Het onderstaande verhaal  heb ik in 1999 opgetekend uit de mond van Peter Hollinger die woonde nabij Rosenheim, Beieren, in een boshuis. Hij was toen 34. Pas nu kan ik het publiceren, aan het eind van het verhaal zal blijken waarom.

 

Is het ochtend? Het schemert…of juist niet. Het kan ook avond zijn. Mijn herinneringen laten me in de steek, of liever, ik weet niet meer dat herinneringen bestaan, dat ze ooit hebben bestaan.

De kamer om mij heen is schemerig, hoe langer ik hier ben, weet ik zeker dat het schemerig is. Ergens vandaan komt daglicht maar ik kan het niet zien want een half-duister scherm verbergt het licht voor het grootste deel voor mij. Is het daglicht? Wat ik doe, lijkt op peinzen maar na een tijdje weet ik dat het kijken en reageren is. De vrouw naast mij ken ik niet. Ze ligt met half geloken ogen en een flauwe glimlach naar me te taren en zo nu en dan glijden haar handen over me heen. Vreemd, want het is niet de vrouw waarvan ik houd. Deze vrouw zegt me niets en ik zou eigenlijk willen dat ze ophield met het strelen. Niet omdat het vervelend is maar omdat ik het niet wil. Ik wil niet dat ze me aanraakt. Ik schreeuw en de glimlach op het gezicht van de donkerharige vrouw wordt groter. Is ze hier om mij te kwellen? Opnieuw schreeuw ik en deze keer komt ook een man de kamer binnen. Een donkere man met een donker gezicht en vreemde, fel gekleurde kleding. Het zijn meer lappen in allerlei kleuren. Mijn vader is het zeker niet en ik herken er ook geen vriend of familie in. 

Plotseling wordt mijn blik getrokken door een beweging aan de andere kant. Het duistere scherm dat het licht uit de kamer weghield, is verdwenen. Er beweegt een vrouw, een andere vrouw met rood haar. Haar gezicht wordt steeds scherper en duidelijker. Haar heb ik eerder gezien. Ik kan niet anders dan lachen bij het zien van haar mooie gezicht, haar dikke, volle rode krullen, haar sensuele lippen en haar fel groene ogen. Wat is ze mooi!

Ze was altijd al mooi. Ik weet het nu, haar heb ik eerder gezien. Toen, ergens hield ik van haar. Maar zij niet van mij of juist wel? Bij die gedachte voelik een zwart gat in mijn hoofd. Een bonk en een zwart gat. Ik strek mijn hand uit naar de roodharige vrouw maar het lijkt alsof zij steeds verder van mij wegdrijft, naar mate ik mijn hand uitstrek, drijft ze verder weg. Ik zie nu ook dat ze huilt. Waarom huilt deze mooie vrouw? 

“NIet huilen klinkt nu een zachte, vriendelijke stem aan de andere kant. Het is de donkerharige vrouw, nee de vrouw is helemaal donker, net als de man die net in de kamer was. Ze trekt zich tegen me aan. “Je moet ook naar mij kijken, hier is mama, niet daar.” Ze wijst in de richting waar de roodharige vrouw zich net nog liet zien. Nu niet meer. Nee, dat was mama niet, natuurlijk niet. Maar waar is mijn moeder dan wel? Mijn moeder? Mijn moeder is aan kanker overleden, flitst het door mijn hoofd. Overleden toen ik die roodharige vrouw nog maar net kende. Ja, ik weet het weer, er bestaan herinneringen.  

(dag 1)

 

Het was een prachtige dag, een stralend blauwe hemel maar niet warm. Een dag om te vliegen. Ik had mijn vliegbrevet  en ging er geregeld een dag op uiit, met of zonder vrienden. Vliegen was voor mij het ultieme alternatief voor het leven op aarde. Alles ziet er anders uit als je het van boven bekijkt en de afstand heb je meteen al geschapen. Je bent onbereikbaar, behalve voor de mannen en vrouwen die je via de radio proberen te bereiken.

Ik weet het nog goed. Van boven keek ik de op de prachtige bergweiden van de Alpen en soms zag ik in de verte de besneeuwde toppen, zoals de Kitzsteinhorn. Daartussendoor zag ik hoe het leven zich afspeelde met auto’s, treinen en zelfs wandelaars op hooggelegen bergpaden kon ik bekijken zonder dat ze het door hadden.

Plotseling was er het beel van Anita, de vrouw met het rode haar. Die schoonheid die ik nog nergens, niet in winkels, fabrieken of natuur had ontdekt. Die grenzenloze herkenning van alles wat mooi was, dat was wat mij trok. Terwijl zich voor mij de hellingen van een berg begonnen af te tekenen, nam de berg de vormen aan van Anita, de enige plaats waar ik liever wilde zijn dan in mijn vliegtuig.

Het was alsof alles asgrauw werd want de herinnering van mijn vliegtocht stond mij voor de geest in felle, opwindende kleuren maar plotseling was daar weer die vreemde vrouw met haar zwarte haar en grijze jurk. Ze maakte geluidjes naar mij zoals moeders die met hun baby proberen te communiceren. Onzeker keek ik naar mijn voeten, benen, buik en armen en ik zag toch echt het lichaam van een volwassene. Wat wilde toch die vrouw? Geen sekualiteit, geen erotiek. Tot mijn grote schrik begon ze lepeltjes babypap tussen mijn lippen te wurgen. Langzaamaan begon ik te twijfelen aan haar geestelijke vermogens en ik sproeide de pap door de kamer. Babypap, ik had honger, ja dat wel maar mijn maag vroeg meer om boeuf bourguignon dan om babypap. Weer kwam die lepel en deze keer haaldee ik uit. De lepel vloog in volle vaart tegen de muur recht tegenover mij. hetbehang, het schilderij en zelfs het plafond dropen van de pap. 

Ik keek naar links en weer zag ik achter een soort kamerscherm van gaas Anita! Zij huilde, dikke tranen vielen uit haar ogen op de krant die op haar schoot lag. Ik kon niet zien waarom zij huilde maar het deed me zo zeer en een onweerstaanbare huilbui kwam over me. Ik kon me niet herinneren zó gehuild te hebben sinds mijn heel jonge jaren.

De donkere vrouw kwam nu dichterbij, ze droogde mijn tranen en gaf me kusjes. Ze probeerde lief te zijn maar niet als een vrouw maar als een moeder. Het bracht me er bijna toe opnieuw te gaan huilen. Ik snikte maar besloot niet door te zetten. Misschien was het beter om naar Anita te kijken.

De duisternis omhulde me volkomen op één klein lichtje verweg na. De vreemde vrouw met haar zwarte haar was weg maar ook Anita zag ik niet meer. Het kamerscherm van gaas leek een ondoorzichtbaar zwart gat geworden te zijn.

(dag 2)

Recht voor me zag ik de bergwand en het was zelden dat een bergwand zo mooi, zo lieflijk, zo verlokkelijk was geweest. Geen steen, geen graniet, geen grijze vlakten en kaalheid maar de liefde zelf die zich vermegde met haar geur, de geur die ik zo goed van haar kende. Die ik duizend-en-één keer had geroken en die hoorde bij de ene na de andere teleurstelling, afwijzing na afwijzing. Deze keer was het anders. Ze wenkte me en nodigde me uit, nee dáágde me uit om dichterbij te komen. Ik wist dat het goed was, dat ze me bewonderde voor mijn vliegkunst. De twijfel was verdwenen en had plaatsgemaakt voor de zekerheid dat ze mij wilde. Wat kon er mooier zijn?

Nooit eerder had het gesnor van de motor me zo goed in de oren geklonken. Het geluid van haar woorden die stuk voor stuk en zo duidelijk van haar lippe kwamen en in mijn oor fluisterden. Ik voelde hoe jaloers anderen naar mij keken en zich afvroegen hoe een man als ik met zo’n mooie, begeerlijke vrouw intiem samen kon zijn. Ik zag ons samen verdwijnen uit het beeld van de anderen, met naijver nagekeken. En dan was er dat verpletterende gevoel van die kus, haar handen langs mijn hoofd, de kleine, ongezonde uitstulping op mijn achterhoofd die zij koesterde maar waarvan de dokter had gezegd dat ze mijn einde kon betekenen. Het was haar liefde die dat voorzuitzicht deed verdwijnen alsof de bult zelf langzaamaan ineen zonk. Haar liefde die mij met zich meevoerde langs en door een toekomst die mij altijd onbereikbaar had geschenen. Muziek, vermengd met scheldwoorden van de naijverigen klonken me nog na maar ik wist dat zij mij niet meer konden deren. Haar liefde had mij voor goed tot in het oneindige opgeslokt en ik sloot tevreden mijn ogen. Ik was gelukkiger dan ooit tevoren.

(dag 3)

Maar hoelang duurt geluk? Zolang je ogen gesloten zijn? Misschien wel. helaas kon ik ze niet beletten weer open te gaan en toen bevond ik mij in een hel verlichte ruimte. Naast mij lag een vrouw die mijn lief niet was maar die mij wel met een brede glimalch aankeek. “Zij maakte piep geluidskjes tegen me alsof ze niet spreken kon, blies wat bellen tussen haar lippen door en streelde met één hand over mijn hoofd. Onaangenaam was dat niet maar ik voelde niet de liefde die ik voor haar had gevoeld. Ik kon dan ook niets anders opbrengen dan een hartstochtelijk gekrijs, zo erg dat het zelfs mij pijn deed aan mijn oren. Erg vond ik dat niet want ik wilde pijn lijden, nu mijn geliefde er niet meer was.

De vreemde vrouw deed alles om een einde aan mijn schreeuwen en huilen te maken maar ze was daarin niet bijzonder succesvol. Integendeel, met iedere aanraking begon ik harder te schreeuwen.  Ik wendde mijn gezicht zelfs af.

Toen zag ik haar. het leek alsof zij zich bewoog achter een dun laken. Niet alleen haar schaduwen en contouren waren goed zichtbaar maar ook de fijne trekken vqan haar gezicht, haar slanke lichaam en haar rode haarbos, zo mooi en zo dik dat ik erin zou willen rusten.

Mijn huilen was spontaan over. Ik voelde me opgewonden worden, een stroom van hevige en eindeloze moed drong in mij binnen, de wens om aan de andere kant van het doek te zijjn overmande mij. het kon niet, erw as geen doorgang, de scheiding bleef en ik zag hoe zij huilde. Ik wist niet waarom want ik kon haar zachtjes gemompelde woorden niet horen. Ergens, heel diep van binnen hoopte ik dat ze om mij huilde. Misschien was het maar goed dat ik die woorden niet verstond. Misschien hadden ze mij een nieuwe teleurstelling bezorgd.

Dag 4

Ik moest huiilen, heel veel huilen. De vrouw die naast me lag, scheen zich daarover zorgen te maken maar dat kon me niet zoveel schelen. Ik keek steeds maar weer naar de andere kant. Soms was er die half doorzichtige wand waarachter mijn lief zich bevond en ja, ik voelde en zag hoe zij aan mij dacht. Ik zag hoe haar lippen mijn naam mompelden, hoe zij naar mijn foto’s keek en hoe ze ze streelde. . Had zij dan toch van mij gehouden? En waarom had ze daarvan dan bij mijn leven nooit iets laten merken? Was ik wel dood?

Eigenlijk was het moeilijk voorstelbaar. Ik kon niet dood zijn. Die vreemde vrouw die mij Chamid noemde, behandelde mij  als een baby. Ze wurmde me zacht, warme flesjes tussen de lippen met een drank die ik vies vond. En dan moest ik weer huilen. Soms ook ruimde ze mijn poep en pies op en dat vond ik dan wel weer prettig hoewel de warmte ervan tussen mijn benen ook wel lekker aanvoelde. Maar het gaf me een beschaamd gevoel tegenover de vrouw achter het scherm.

Die vreemde vrouw die mij Chamnid noemde en me aansprak in een taal die ik niet herkende. ze merkte dat ik me tegen haar verzette en ze maakte zich er zxorgen om maar begreep niet waar het aan leg.  Nee, ik kreeg geen slaag en dat was maar goed ook. Ik had wel het lichaam en de kracht van een volwassen man maar ik kon tegen haar toch niet op. 

Soms wilde ik de strijd opgeven, dan stikte ik haast. Niet in een gebrek aan lucht of liefde maar door de eenzaamheid die ik in mijn hele lichaam voelde.

Dag 5.

Laat een reactie achter

Jouw reactie: