<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	xmlns:georss="http://www.georss.org/georss" xmlns:geo="http://www.w3.org/2003/01/geo/wgs84_pos#" xmlns:media="http://search.yahoo.com/mrss/"
	>

<channel>
	<title>annalen van gamor &#38; Mende, de nieuwe wereld</title>
	<atom:link href="http://mythologie.wordpress.com/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://mythologie.wordpress.com</link>
	<description>De mens ontwaakt en ziet in verwondering om zich heen</description>
	<lastBuildDate>Wed, 03 Aug 2011 14:56:44 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.com/</generator>
<cloud domain='mythologie.wordpress.com' port='80' path='/?rsscloud=notify' registerProcedure='' protocol='http-post' />
<image>
		<url>http://s2.wp.com/i/buttonw-com.png</url>
		<title>annalen van gamor &#38; Mende, de nieuwe wereld</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com</link>
	</image>
	<atom:link rel="search" type="application/opensearchdescription+xml" href="http://mythologie.wordpress.com/osd.xml" title="annalen van gamor &#38; Mende, de nieuwe wereld" />
	<atom:link rel='hub' href='http://mythologie.wordpress.com/?pushpress=hub'/>
		<item>
		<title>Weerklank</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/18/weerklank/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/18/weerklank/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 18 Oct 2009 09:18:01 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Fantasy]]></category>
		<category><![CDATA[Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Lekker lezen]]></category>
		<category><![CDATA[Literatuur]]></category>
		<category><![CDATA[Mythologie]]></category>
		<category><![CDATA[Een mooie kolonie op een vreemde planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Een planeet die tien lichtjaren weg staat]]></category>
		<category><![CDATA[http://sites.google.com/site/sftop100/Home/sfextended-p1]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonisatie van planeten]]></category>
		<category><![CDATA[users.telenet.be/vzw.../Toestand%20Milieu.doc -]]></category>
		<category><![CDATA[Weerklank]]></category>
		<category><![CDATA[www.elsevier.nl/.../Mensheid-moet-andere-planeten-koloniseren.htm]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=333</guid>
		<description><![CDATA[   Berg had voor zichzelf vastgesteld dat de plek goed moest worden onderzocht. Dit eerste teken van leven dat op mensen leek, was voor hem heel belangrijk. Er moesten platen en afbeeldingen, tekeningen en berekeningen komen. De krypt zou hem nog onschatbare diensten gaan bewijzen, meende hij. Hij plaatste het apparaat weer tegen zijn achterhoofdsknobbel [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=333&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p style="text-align:center;"> </p>
<p style="text-align:center;"><img class="aligncenter" src="http://www.meteodelfzijl.nl/images/Katrina.jpg" alt="" width="465" height="600" /></p>
<p style="text-align:center;"> Berg had voor zichzelf vastgesteld dat de plek goed moest worden onderzocht. Dit eerste teken van leven dat op mensen leek, was voor hem heel belangrijk. Er moesten platen en afbeeldingen, tekeningen en berekeningen komen. De krypt zou hem nog onschatbare diensten gaan bewijzen, meende hij. Hij plaatste het apparaat weer tegen zijn achterhoofdsknobbel en nodigde iederen uit om zich rond hem te verzamelen. Het was altijd weer een schitterend gezicht om te zien hoe er zonder worden berichten waren over te seinen. De expeditieleden kwamen vrijwel zonder haperen naar hem toe. “Luister mensen”, zei hij met een krachtige stem. Berg was als leider volledig in zijn element. “Het lijkt mij dat we hier een tijdje zullen verblijven om onderzoek te plegen. Deze plek is wel heel bijzonder en ik zou haast zeggen, laten we elke vierkante centimeter in kaart brengen. Geen diepte onderzoek maar wel heel breed”, was zijn voostel. Daarmee was Weemer het niet eens. “Het lijkt mij dat hier wel eens heel veel raadselen van de Mendlingen verboirgen liggen. Een diepte-onderzoek vind ik eigenlijk wel op zijn plaats.” Zijn stem woog zwaar bij de andere expeditieleden want Weemer had de verantwoordelijkheid voor het verloop van het onderzoek. Toch roerde zich een stem. Het was Syfa Morgenthal. Met haar snerpende stem was ze overal duidelijk te horen. “Het lijkt mij een onmogelijke klus. Diepte-onderzoek was de opdracht van onze expeditie niet. We moesten verkennen en waarnemen, daarvoor hebben we ook de materialen meegenomen. Voor een diepte-onderzoek hebben we niet genoeg hulpmidelen.” “Nou”, was het bitse antwoord van Weemer. “Dat heb je me dan weer lekker geflikt, Morgenthal. Slechte voorbereiding”.’Het was Weemer die lik op stuk gaf. Ramold stond achteraan in de groep mar hij kon het gekissebis goed horen. Eigenlijk kon het hem niets schelen wat voor onderzoek er hier gedaan zou worden. Hij was blij en enthousiast dat hij mee had mogen gaan. Weemer was hem sympathieker dan Syfa. De laatste was een uitgespoken vijand van hem, vanwege de dood van de twee jongens in Aldemundt. De ruzie-achtige toon van Weemer beviel hem ook helemaal niet en hij begreep het gedrag van de onderzoeker ook niet zo goed. Weemer zou nu toch heel blij moeten zijn met zo’n onderzoeksgebied? “Ik ben het met Syfa eens”, riep nu Belber Esdig, een van de onderzoekers. “Het voorstel van Berg heeft mijn voorkeur.” Nu gingen er meer stemmen op en al gauw en om een eind te maken aan de discussie stak Berg zijn hand hoog in de lucht. Hij nam het woord weer. “Bij deze eerste plek en gezien de stemming in de groep wil ik mijn eerste voorstel handhaven. Zelfs bij een breedte-onderzoek zullen we hier al gauw een dag of zeven verblijven. We onfderzoeken dus niet ieder lijntje en elke kras op materiaal, vorm en samnstelling maar wel op aanwezigheid, repetitie en … onderlinge relatie.” “Maar”, Weemers stem klonk nu kwaad en zwaar over de hele groep heen. “Stel nu dat de stof waarop we staan gevaarlijk is of heel waardevol, dan missen we die kennis straks als we weggaan.” “Daar heb je gelijk in, Weemer”, meende Berg. “Maar met een goed breedte-onderzoek in de hand, kun je in de toekomst al gauw hulpmiddelen krijgen voor een goed diepte-onderzoek.” Er ging een instemmend gemompel door de groep en Weemer legde zich mokkend bij de wensen van de meerderheid neer. Maar niet van ganser harte en hij bleef wrokkig naar Berg staren. Die man doorkruiste zijn plannen.</p>
<p style="text-align:center;">“We vormen onderzoeksgroepen”, bepaalde Berg nu. “Elke groep wordt geleid door een van onze onderzoekers. Dus dat betekent dat we zes groepen van vier mensen hebben. Een groep is steeds stand-by bij onze wagens. Bij die groep is steeds Vernant Silmak of Randa Vees aanwezig vanwege de veiligheid. De andere vijf groepen gaan daadwerkelijk aan het onderzoek werken.”Met Weemer fluisterde hij kort een tweegesprek en daarop klonk zijn stem weer duidelijk hoorbaar. “We delen de groepen in naar figuren, teksten, voorwerpen, materialen en licht en geluid. Weemer zal de groepen indelen en een opdracht meegeven.”” Ramold kwam in de groep met Berg terecht maar ook met zijn goede vriend Belber Gondaan en Bonara Fap. De opdracht was te zoeken naar opvallende afbeeldingen en figuren op de vloer, hun vorm. onderlinge verschillen, mogelijke samenhang ertussen en overeenkomst met aardse vormen en figuren uit welke periode dan ook. De leden van elke groep voorzagen zich nu van de benodigde hulpmiddelen en in het gedrang raakte Ramold afgescheiden van de drie anderen. “Zo, op zoek naar een wapen”, fluisterde ploseling een stem achter hem. “Kijk je wel uit dat het allemaal niet opvalt, oude moordenaar?” Ramold voelde zijn nek verstijven bij die woorden en hij probeerde te ontdekken wie achter hem die woorden had gesproken maar dat lukte door het gedrang niet al te goed. Hij voelde zich vernederd en voor schut gezet maar vooral ook bedreigd. De stem had hatelijk geklonken, alsof iemand hem verachtte uit het diepst van zijn hart. Nog een keer keek hij om naar de mensen die achter hem liepen. Weemer van Hornhaaf stond het dichtst bij hem maar daar vlak achter grijnsden Paup en Eben Morgenthal hem aan. Een van hen moest het geweest zijn. Weemer van Hornhaaf had hem steeds geholpen en had zich zijn vriend betoond. Nee, het moest wel een van de Morgenthals zijn. Hij zou ze … “Kom op, jong”, het was de stem van Degbert Dokke. “Wat voor materialen heb je nodig?” Berg had het hem keurig uitgelegd maar Ramold kon het zich niet meer herinneren. “Ik kom zo terug”, riep hij en hij rende naar de achterkant van de groep. Lang kon hij niet wachten want de andere leden van zijn onderzoeksgroep waren al op de terugweg naar de plaats van het onderzoek. Straks zouden ze hem niet kunne missen en dan moest hij klaar staan om te assisteren. Gelukkig was hij al weer snel aan de beurt en deze keer belaagde niemand hem. “Wat was dat nou?”vroeg Degbert Dokke, een aardige man die in Aldemundt aan het andere eind van het dorp woonde en met wie hij vroeger wel naar de Baalder had gezwommen. “Hoofdpijn”, loog Ramold maar dat was niet zijn sterkste kant. “Je hoeft het me niet te vertellen hoor”, zei de jongen. “Maar ik hoor niet tot degenen die geloven dat je schuldig bent.”Hij glimlachte en gaf Ramold de apparaten waar hij om vroeg. “Succes, ik blijf even hier”, grijnsde Degbert. “Succes.”</p>
<p style="text-align:center;">De ploegen togen aan het werk en de groep van Ramold boog zich om te beginnen over het pentagram. Ramolsd kreeg de eer om als eerste met een vergrootglas het pentagram af te zoeken naar bijkomende figuren maar er was niets te zien. “Het is een rode lijn die ononderbroken lijkt te zijn maar er staan geen andere figuren bij”, zei hij na een kwartier ingespanen kijken. Berg tuitte zijn lippen en maakte een smakkend geluid. Hij nam het vergrotglas dat in het oog paste nu van Ramold over. “Ik wil het zelf ook eens even bekijken”, zei hij maar lang duurde zijn onderzoek niet. “Vreemd”, zijn stem kreeg een opgewonden ondertoon. “Het lijtk wel of het een hologram is, een driedimensionale afbeelding op basis van gekleurde energielijnen. Dat betekent dat het figuur niet in een ondergrond is gekerfd maar op een heel andere plaats wordt veroorzaakt. Het kan ver weg zijn, maar ook dichtbij.” Hij keek zoekend om zich heen alsof hij meende elk moment een geheime bron van het hologram te kunnen ontdekken. “Het kan ook van uit de diepte worden opgebracht. In elk geval betekent het dat we wel eens met een heel ontwikkelde beschaving te maken zouden kunnen hebben.” “en hologram”? Ramolds stem klinkt aarzelend. Berg glimlacht. “Ja, tegenwoordig lossen we dat anders op maar vor de Grote Holokos was het niet gemakkelijk om een driedimensionale afbeelding te maken in een plat vlak. De mensen gingen er in beginsel nog van uit dat zoiets onmogelijk was. Dat kwam doordat zij de trihaan nog niet hadden ontdekt. Zij wisten niet dat het principe van de dingen niet bepaald wordt door henzelf maar door degeen die ernaar kijkt. Voor een mens zal ieder object daarom altijd waarneembaar zijn binnen breedte, lengte en diepte. Dat zijn de maten van de mens zelf. Er was al wel veel eerder de gedachte dat de mens de maat van alle dingen was maar die leer werd veel te ruim uitgelegd. Ze werd universeel verklaard zodat zelfs op universiteiten men uitsluitend nog leerde te meten maar de vaardigheid om waar te nemen verdween daarmee. Zij ontkenden op die manier alles wat zij dachten niet waar te kunnen nemen. Sommige van die dingen noemden zij gezichtsbedrog of pseudowetenschap. Met hun weinig wetenschappelijke kijk op de wereld hebben zij het wel heel ver geschopt maar niet ver genoeg. Daarin lag de oorzaak van de Grote Holokos, zo denken we nu. Zij dachten ook dat bedrijven moesten groeien om te overleven en dat leidde juist tot de ondergang, mogelijk ook een oorzaak van dezelfde ramp. Hoe dan ook, zij keken slechts naar de drie maten en letten nooit op het geheel van voorwerpen en gedachten. Daardoor zagen zij niet dat ieder voorwerp zich al voordoet als een hologram, zij het met een dominante verschijningsvorm of samenstel van maten. Om een driedimensionaal beeld in een plat vlak op te roepen, moesten ze dus technische kunstjes verzinnen: een ingewikkeld samenspel van lichtbron en spiegels. Nu zou het kunnen zijn dat op Mende ook een volk leeft dat zo’n techniek gebruikt. Maar … dat wil niet zeggen dat de kennis van dat volk niet al veel verder is. Misschien gebruiken zij het hologram als “grapje” maar het kan ook zijn dat zij gestoord zijn in hun pogingen en tenslotte…”. Opnieuw keek hij omzich heen om te zien of zich ergens een bron van het beeld voordeed toen maar een oplossing vond hij nergens in de omgeving. “Tenslotte…”, vroeg Ramold maar Berg kwam niet meer aan een uitleg toe. Weemer van Hornhaaf kwam met grote passen op hem af kwam lopen. “Berg, er is hier iets raars aan de hand”, zei hij op een vertrouwelijke, zachte toon. “Het lijkt wel of er hier langzaam aan en net om je heen gesponnen wordt, een net van ongrijpbare materie.” Hij tilde zijn arm hoog op en het was nu heel duidelijk te zien. Vanuit zijn vingers leken rode draden naar beneden te leiden en de grond te raken. Zij andere arm was op dezelfde manier “bevestigd” aan de grond. Onmiddellijk probeerde Ramold die bewegingen na te doen. Niets aan de hand. De mensen om hem heen keken Weemer met onzekere ogen aan. Er begon een onrust te ontstaan onder de expeditieleden. “Wat gaat hier gebeuren met ons?”vroegen een paar nauwelijks hoorbaar aan elkaar. Wat is dit voor plek?” “Waar heb je gestaan?”vroeg Berg nu. Weemer wees naar het midden van de kobaltblauwe vloer. “Daar waar een vreemdsoortige tekst staat in een taal die ik vroeger wel eens heb gelezen maar dat was op aarde. Ik kan het niet vertalen”, zei hij weer op zachte toon. “Een tekst”? Berg duwde nu Weemer een eindje opzij. “Laat me zien”, hij was nu opgewondener dan ooit. Weemer liep naast hem mee naar de plek waar zijn groep nog aan het speuren was. “Waar is de tekst?” Bergs stem trilde lichtjes en dat was het teken dat hij niet helemaal zeker was van zijn zaak. Het was Garmen Efterheem die hem op de tekst wees. Ze was alleen goed zichtbaar met een vergrootglas maar Berg bedacht zich geen twee keer en boog zich over de plek. “Het laat niets te raden over”, zei hij na een paar seconden terwijl hij vlot overeind sprong. “Er staat “Nuits de colère” en dat is niet echt een bemoedigende tekst. “Wat betekent het, ik weet het niet meer”, gaf Weemer toe. De anderen drongen nu om Berg heen en probeerden zijn verklaring te horen. “Ik weet niet hoe ik het moet duiden maar een echt welkom is het niet. Het betekent “Nachten van woede in de taal van de Gaulen. Zij vormden een machtig maar niet het machtigste volk vlak voor de Grote Holokos Toch sta ik voor een raadsel”.</p>
<p style="text-align:center;">“Het werd doodstil in de groep om hem heen. Berg zag de onzekerheid onder zijn mensen groeien. Weemer leek met vreemde draden aan de grond gebonden te zijn, een inscriptie in een aardse taal van voor de Grote Holokosh. Het was tijd voor duidelijke maatregelen. “Zijn er nog meer die het verschijnsel hebben”?” vroeg Berg. De leden van Weemers ploeg begonnen nu allemala hun armen te spreiden en inderdaad: de “draden” waren er. “We moeten ons onderzoek staken, onmiddellijk”, besliste Berg. “Dit wordt me te gevaarlijk. We moeten eerst een plan bedenken om de risico’s aan te gaan. Misschien willen we dat wel helemaal niet. We verlaten nu allemaal deze plek, niemand uitgezonderd.”Zijn stem klonk nu als die van een generaal die geen tegenspraak duldt. De expeditieleden begonnen terug te lopen naar hun kampement. Ondertussen controleerde iedereen of hij door de draden, falden werden ze al gauw genoemd, was “bezeten”. Dat was nog niet het geval en de falden werkten ook niet als echte ketens want Weemer en zijn ploeg kon het plateau gewoon verlaten. “We moeten nu eerst weten wat hier aan de hand is”, herhaalde Berg weer. Het lijkt wel of we het gevaar lopen onderdeel te worden van een hologram. Ik hoop dat de verschijnselen weer gauw wegtrekken.” “En nu”, Ramolds stem klonk opgewonden en wat bangelijk tegelijk. “Wat gaan we nu doen, Berg?” “We blijven hier totdat we weten wat dit voor een plek is. Die Mendlingen moeten toch een reden hebben gehad om dit hier allemaal te maken, te ontwikkelen en om de taal van de aardse Gaulen te gebruiken. Het is onvoorstelbaar hoe zij zich daarvan hebben bediend of het moet toeval zijn.” Die laatste worden zei hij heel langzaam en Ramold had het gevoel dat Berg toeval niet voor mogelijk hield. Er drong zich wel een andere gedachte aan hem op, iets dat hij ooit in de geschiedenisles op school had opgepikt maar verder nooit had onderzocht. Zijn hersens wroetten naar de een duidelijk beeld van die herinnering maar hij klreeg er nauwelijks de tijd voor. “Je hebt mij nooit verteld dat je de taal van de Gaulen kent”, Syfa, Bergs vrouw, vlijdde haar hoofd tegen zijn stevige arm aan en keek verbaasd naar haar man. “De taal van de Gaulen, ik kan haar niet goed spreken maar ik ken wel wat woorden. Ik hoop dan ook dat ik het helemaal goed heb vertaald. Veel goeds houdt de boodschap in elk geval niet in, dat weet ik zeker. Misschien kan ik er straks iets over vinden in de magon voor oude talen.” “Iets anders”, begint Ramold plotseling. “Ik moest ergens aan denken. Alleen de groep die met Weemer werkte, had last van die falden. Dat kan toch betekenen dat juist het gebied dat zij onderzochten een bijzondere betekenis of functie heeft.” “Goed denken, Ramold”, roept Berg uit. “Het heeft me ook al even beziggehouden. Je zou denken dat daar de sleutel tot het geheim zit maar ik kan voorlopig geen risico’s meer nemen. We moeten eerst zien of het verschijnsel bij Weemer en de anderen weer wegtrekt. Bovendien … “even aarzelt Berg. Hij plaatst de crypt weer tegen zijn achterhoofdsknobbel en zonder mankeren komen alle expeditieleden naar hem toe lopen. “Je wilde ons spreken?”Het was de stem van Paup Morgenthal die een beetje spottend klonk. “Als expeditieleider ga je ons nu vertellen wat we allemaal moeten doen?”Berg schudde zijn hoofd. “Nee, je mag zelf weten of je vertrekt maar laat de voertuigen hier”, mompelde hij met een vriendelijke glimlach. Paup zweeg haastig.</p>
<p style="text-align:center;">“Mensen”, Bergs stem klonk opgewekt en vrolijk. “We hebben te maken met het eerste geheim dat onze expeditie ontdekt en ik hoop dat we de nadelige gevolgen ervan zo snel mogelijk kwijt kunnen raken. Het is verre van tijd om met de expeditie te stoppen bij de eerste de beste tegenslag want we hebben mensen genoeg bij de hand die in staat zijn om de problemen de baas te kunnen. Als wij het niet kunnen, dan zijn ze er in Aldemundt al helemaal niet toe in staat, laat staan in andere kolonies zoals Bixhoorn. Ik stel voor er vanavond een gezellige avond van te maken, iets te drinken, muziek te maken en te dansen rond een vuur. We moeten ons hier thuis gaan voelen want ik wil hier drie of vier benen blijven. Voorlopig komen we niet op het blauwe plateau en zoeken we naar andere zaken die het onderzoeken waard zijn. Bovendien letten we allemaal bijzonder goed op, op alles wat ons vreemd voorkomt.” “Wat bedoel je daarmee”? vroeg Syfa Morgenthal. “Heb je iets bijzonders in de gedachten?”Berg schudde zijn hoofd. “Nee, helemaal niet. Ik vind alleen dat we heel goed moeten opletten op zaken die vreemd zijn of niet kloppen. We moeten waakzaam zijn.” “Ramold en Belder willen jullie een vuur aanmaken? Het lijkt me een uitgelzen nacht om eens in de openlucht door te brengen. Dat hebben we tot nog toe alleen maar in de veilige omgeving van Aldemundt gedaan. Wie weet hoe ontspannend het hier is.”Ramold begreep heel goed dat het Berg niet alleen om de ontspanning te doen was maar een open vuur zag hij altijd wel zitten. Nieuwsgierig keek hij om zich heen naar de anderen. Misschien dachten zij hetzelfde maar daarvan lieten zij niets merken behalve dat zij een nacht in de open lucht bij een vuur helemaal zagen zitten.” “Je wilt aandacht trekken van Mendlingen”, fluisterde Ramold de expeditieleider in het oor. Berg glimlachte. “Kom op, aan de slag”, zei hij alleen maar. Ramold en zijn vriend keken om zich heen of er brandbaar materiaal te vinden was. Achter de muur van pantserwagens was bos genoeg maar niet alle Mendese bomen leenden zich als voedsel voor een vuur. De grote bladeren waren vaak snel weggebrand. Het was meestal een behoorlijke zoektocht om bruikbare takken en stammetjes te vinden. “We zoeken nog wat vrijwilligers”, riep Ramold . Een paar mannen draaiden zich spontaan om en lieten blijken dat ze niets met hem te maken wilden hebben maar Weemer Tapelhorn en Gamer Esdig kwamen snel naar hen toe. “We zullen er eens een spannende speurtocht van maken”, Garmen wreef zich in zijn handen. “Vergis je niet, dit sort kampeken heb ik vroeger op aarde ook meer dan eens meegemaakt. Zo heb ik Belbers moeder leren kennen. Het was altijd leuk en gezellig al had je er ook altijd een paar bij die de boel verziekten. Wat mij betreft, die laatste groep heb ik hier al ontdekt. Volgens mij …”, hij zweeg plotseling en keek een beetje onbenullig voor zich uit (hij had willen zeggen dat de hele expedsitie werd gesplitsts dor voor- en tegenstanders van Ramold). “Volgens mij wordt het de komende dagen hier hartstikke leuk.” “Dacht je dat je niets te doen zou hebben, pa?””Niets doen is zelden leuk”, reageert Garmen meteen. De vier mannen lopen rond het kamp en rapen brokken hout in een karetje. Langzaamaan begint het donkerder te worden. Osme zakt weg aan de westelijke horizon. Bonara Fap en Fiana Ettelbruuc halen uit hun pantserwagen allebei een liodin tevoorschijn en het duurt niet lang of de eerste gillerige tonen klinken dor het landschap, ver over het kamp. Ondertussen brengen de mannen de eerste volgeladen wagen met hout binnen in de cirkel. Ramold zoekt Berg maar die ziet hij niet. Verdwenen als sneeuw voor de zon, denkt hij maar zorgen maakt hij zich niet. “Doen we nog een kar””, vraagt hij andere twee terwijl hij met voorzichtige danspassen de wagen achter zich aan sleept. “Oke”, stemt Belder meteen aan en hij volgt het vorbeeld van zij vriend. Zij maken de opassen van een overbekende Heleense dans , een dans die elk jaar op Deemerbeen wordt gedanst. Hun vrolijkheid werkt aanstekelijk en zelfs de familie Morgenthal neemt de danspassen nu over.</p>
<p style="text-align:center;">Berg laat zijn vrije magon langs de armen en benen van Weemer gaan maar er komt geen reactie. “Ik had gedacht dat de magon op z’n minst een soort materiaal of verschijnsel zou herkennen, al was het maar licht”, zegt hij. “Heb je pijn, of een ander gevoel, ben je misselijk of duizelig?” Weemer schudt zijn hoofd. “Ik zou het toch moeten weten als er iets ergs aan de hand was”. Die opmerking lijkt vooral bedoeld te zijn om zichzelf gerust te stellen. “Ik ga er niet zo gemakkelijk mee om”, zegt Berg. “Ik stuur zo meteen Quia wel even “langs.””Die is er al”, klinkt een stem achter hem. “Wat dacht je nou, dat ik niet uit me zelf naar mijn man toe zou komen”?”ze trekt een verbaasd gezicht. “Ikz al hem eens even goed onderzoeken”, zegt ze met een glimlach maar Berg hoort aan haar stem dat ze zich wel zorgen maakt. “Goed, ik laat jullie even alleen’, besluit hij. Hij hijst zich weer dor het mangat naarbuiten en kijkt over het kamp heen. De eerste vlammen flakkeren op in het kampvuur dat midden in de kring van wagens is gemaakt. De liodins gillen tegen elkaar op en er beginnen evrscheidene mensen te zingen en in de handen te klappen. Het is een herkenbaar geluid in de donkere nacht. “Nuits de colere”, fluistert Berg . “Het is te precies voor een toeval. Ik moet de magon raadplegen. “Te laat bedenkt hij zich dat hij de Hornhaafs alleen zou laten en hij stort zich bijna boven op het echtpaar dat innig tegen elkaar gedrukt bij de onderzoekstafel ligt. “O sorry, even mijn magon halen”, met een snelle greep heeft Berg het instrument te pakken. Hij slingert zich weer omhoog en hijst zich uit het mangat. De lucht kleurt nu donkerblauw en de eerste sterren en planeten vertonen zich. De tonen van de liodins en het gezang maken het tot een toneelstuk waaraan het hele publiek meedoet. Trimmen Vees en Agbert van Inhorn delen bekers gajem uit. Alleen de wacht onder leiding van Randa Vees neemt geen alcohol aan. Mannen en vrouwen dansen kriskras door elkaar steeds wilder. Ramold en Belder maken bij hun dans hoge sprongen en vliegen meer dan eens hoog over de vlammen van het kampvuur. Ramold voelt zich nog sterker nu hij twee glazen gajem achetrover heeft geslagen. “We gaan door”, fluistert hij. “Ik wil vanavond het hoogste springen van allemaal.”Hij slaat zijn klinker arm steviger om Belders schouders en Belder steunt hem in de rug met zijn arm. Hoger springen ze. Vuur en muziek zwepen Ramold steeds verder op. “je mag wel uitkijken dat hij Belder niet doodslaagt”, krijst plotseling een vrouwenstem. Niemand weet het zeker maar het lijkt het meeste op de stem van Aquia van Hornhaaf. “Waarom?”het is Bergs stem die minstens zo hard door het kamp klinkt. “Waarom zou hij dat doen?”Ramold is toch niet gek? Hij gaat toch niet in dit kleine gezelschap warvan hij afhankelijk is problemen maken? Wie kent Ramold als problemenmaker?” Ineens is de feestelijke stemming voorbij. Ramold landt bij zijn laatste sprong op de grond en ineens beseft hij dat hij het middelpunt van gesprek is. Hij staat als verstijfd en ondanks het kampvuur voelt hij de kou door zijn botten trekken. De liodins zijn stil. “Ja, waarom zei je dat lieverd? vraagt nu ook Weemer aan zijn vrouw”. “Ach kom, laten we onszelf niet voor de gek houden”, Syfa Morgenthal mengt zich nu in het gesprek. “We weten toch allemaal dat we een moordenaar onder ons hebben?” Het wordt nu echt doodstil in het kamp en alleen het vuur zorgt nog voor beweging. “Je moet wel blind en doof zijn om dat niet te doorzien. Kijk hem eens kruiperig doen bij Berg. Altijd zoekt hij de bescherming van Wamerhorn. Je moet uitkijken, Berg, met zo iemand om je heen”, vindt Eben Morgenthal, Syfa’s jongste broer. Met zijn pikzwarte haar, brede, postuur en helblauwe ogen maakt hij meestal veel indruk op anderen. “Zo is het, broertje”, roept Paup nu instemmend terwijl hij zijn arm losjes op Ebens schouder laat rusten. “Daar ben ik nog helemaal niet zo zeker van”, Garmen Esdigs stem klinkt altijd wat pieperig en werkt meestal op de lachspieren van de mensen. Zijn kromme benen en zijn veel te grote hoofds met een lange puntbaard werken daraan mee. “Ik heb nog geen enkel bewijs gezien van Ramolds schuld”, zegt hij zo zelfverzekerd als hij na jaren van geplaag nog kan zijn. Belder schiet zijn vader meteen te hulp. “Ik ken Ramold al heel wat jaren en ik durf alles eronder te verwedden dat Ramold onschuldig is.””Hoor eens goed”, begint Eben weer. “De katelingen sluiten de rijen.” Hij loopt naar het midden van de kring die door de expeditieleden is gevormd en steekt zijn linkerhand hoog in de lucht. Dat is het teken dat hij nog veel meer wil gaan zeggen maar Berg stelt zich nu naast hem op.”Ik vind dat we onze mening mogen zeggen, dat wij onze indrukken mogen laten horen. Dat is een aloude Heleense traditie maar laten we ons houden aan de regels van de sjebbe. Dit is geen sjebbe want daartoe hebbenwe niet het recht gekregen van de Moden of Modaal maar we houden ons wel aan de regels ervan. Wie we ook zijn en wat we ok denken, we vormen een eenheid met een belangrijke doelstelling: de verbetering van de positie van Aldemundt en alle andere menselijke dorpen op Mende.””Nou ja”, begint Eben maar Berg is resoluut. “Anders moet ik je het woord ontnemen. Ik zal dan niet aarzelen om de veiligheidsmensen in te schakelen. We zijn hier niet om verloren te gaan in een onbekend land. In het verleden zijn veel ontdekkingsreizigers ten onder gegaan door onderlinge geschillen. Ik zal alles doen wat ik kan om dat te voorkomen.” Berg hoort veel instemmed gemompel in de kring. “”Jij ook, Eben”, vervolgt hij. “OK”, geeft deze eindelijk toe. “Ik houd me aan de regels van de sjebbe.” Meteen daarop haalde hij diep adem. “Waarom zijn wij op expeditie gegaan”? vroeg hij zich af. “Om de positie van Aldemundt te versterken maar ondertussen keuren we het goed dat de uitholling van binnenuit plaatsvindt. Wij laten een moordenaar meereizen op deze expeditie en hij geniet alle rechten van de andere leden. In werkelijkheid hebben we gewoon een verachtelijke kateling in ons hart gesloten, iets wat nooit had mogen gebeuren. Katelingen hebben geen verleden en dus ook geen besef van goed en kwaad. Zij doen maar wat en als ze over de schreef gaan, hebben ze alle voordelen van onze cultuur. Dat past hen echter niet.” “En ik zeg”, riep nu Belder terwijl hij vliegensvlug overeind kwam, “Ik zeg dat je geen enkel bewijs hebt tegen Ramold. Je kunt niet aantonen dat hij schuldig is aan de dood van die twee jongens. Niemand heeft precies gezien wat er gebeurd is en een vergissing is snel gemaakt. En op je opmerkingen over katelingen ga ik niet in. Volgens mij horen die thuis in de tijd van voor de Grote Holokos.’ “Hoor hem”, schampert Eben nu. “De kateling spreekt van de Grote Holokos alsof hij er zelf bij is geweest. Uitgerekend een jongen zonder verleden verwijst naar de tijd daarvoor. Het wordt hier steeds gekker!” “Nou”, mengt Berg zich in het gesprek. “Zo gek is het nou ook weer niet. Volgens mij heeft niemand van ons de Grote Holokos meegemaakt en laten we daar maar blij om zijn. We doen nu osn best het niet weer zo ver te laten komen en al helemaal niet op Mende. Je kunt je afvragen of we niet allemaal naar Mende zijn gekomen om een betere en nieuwe samenleving op te bouwen.””Hij niet!”krijst plotseling Syfa Morgenthal door het kamp. Haar stem klinkt als de kreet van een kraai. Ze wijst naar Ramold. “Hij is helemaal niet met een bedoeling gekomen. Hij is hier gewoon neergekwakt door zijn ouders, een mens uit blik!” “Ja, ja”, schreeuwt nu Paup Morgenthal die altijd vooral zijn zuster gelijk geeft. “Hij heeft geen verleden, hij is verdacht.” Belber Gondaan heeft zich de hele tijd half verscholen achter Ramold maar nu komt hij vlak voor het kampvuur staan. “Wat een leuke mensen om Mende tot een nieuwe wereld te maken”, zegt hij droogjes. “De een buldert en de ander krijst maar ik heb nog niemand een bewijs horen noemen. Hoe zit dat ook weer met onze Hornich? Blijven we erop letten dat we ons eigen pad volgen of proberen we gewoon de ruimte tot voortgaan van anderen belemmeren en hoe zit het met het schouwend vermogen van die mensen die zo schreeuwen? Hebben zij iets gezien dat voor ons verborgen blijft?”</p>
<p style="text-align:center;">Er valt een stilte over de kring. Geen stilte van schaamte maar een stilte van nadenken. “Het lijkt mij”, Berg loopt nu opnieuw naar het midden van de kring. “Dat Belber Gondaan vor de discussie van vanavond een mooie afsluiting heeft gegeven. We hebben iets over na te denken. In de komende tijd zal het onderwerp nog vaak aan de orde komen en zo naderen we de waarheid steeds meer. Die waarheid zal zijn op de plaats waar onze vierentwintigs Hornichs elkaar kruisen.” Hij kijkt de kring rond en kijkt de mensen om hem heemn daarbij stuk voor stuk doordringend aan. Hij heeft een eind gemaakt aan de discussie om de escalatie te voorkomen. Eerst denken, dan weer praten, dat is een les van de Hornich. Het is ook een regel van de sjebbe. Bonara Fap laat al weer zachtjes de droeve tonen uit haar liodin klinken en haar vriendin zet er een tweede stem tegenaan. Echte Heleense muziek die een zaamheid en wijdsheid weergeven. Ondertussen brengen Trimmen Vees en Weemer Tapelhorn schalen met versnaoperingen naar de kring. “We hebben nog niets gegeten en het leek me een goed moment om een goede maaltijd aan te laten rukken”, glimlacht Berg tegen Ramold. Dan trekt hij een ernstiger gezicht. “We zullen dit soort discussie vaker hebben, Je moet eraan wenen en je er vooral niet mee bemoeien. Je vrienden doen goed werk voor je.” “Ik weet niet of ik me elke keer zo goed kan inhouden”, geeft Ramold toe maar Berg legt een vinger op zijn mond. “Ik wil dat je je inhoudt, altijd en onder alle omstandigheden. Maar, alleen in deze zaak.” Hij draait zich op zijn hakken om en zoekt een plek naast Eben Morgenthal. “Beste Eben”, zegt hij zachtjes, “ik waardeer je bijdragen aan de discussies erg. Misschien kun je helpen om ervoor te zorgen dat er meer mensen mee gaan praten.” Eben kijkt hem verbaasd aan. “Ik dacht dat je een vriend van Ramold Barg was”, merkt hij op. “Verkijk je nooit”, glimlacht Berg weer. “Schouwen helpt soms.”Eben haalt zijn schouders op. “Het is o zo gemakkelijk om het schouwen tegen te werken door te skreten. “Expres de schouw vertroebelen? Dat kan lang niet iedereen!” Eben haalt opnieuw zijn schoufders op. “Ik heb er slechte ervaringen mee, ik doe er niet meer aan.” “Ik zou je toch willen vragen om het opnieuw te gaan oefenen en er meer gebruik van te maken. Je zult dan overtuigender kunnen zijn. En dat wil je toch, overtuigen?” “Als ik de mensen op die manier de waarheid kan laten zien, ja zeker”, geeft Eben toe. “Ik raad het je aan.”Berg geeft Eben een vriendschappelijke tik op zijn schouder . “Hoe smaakt het geroosterde larmsvlees?” ”Een fantastische saus”, Eben glimlacht nu ook en likt zijn vingers af. Berg staat weer op. “Geniet ervan en denk aan wat ik je heb gezgegd.” “Zal ik doen”, lacht Eben terwijl Berg zich tussen de andere expeditieleden begeeft. De muziek zwelt weer aan en de vlammen van het kampvuur laaien hoog op. Hun licht versmelt met het licht van de drie manen, gajem, gome en pommeran vullen de bekers en zelfs wachters mengen zich bij tijd en wijle in het feest. Berg grijnst en raakt even de schouder van Agbert van Inhorn aan. “Als we hiermee de aandacht van de Mendlingen niet trekken, dan weet ik het niet meer. Morgenochtend moet er een heldere ploeg op wacht zijn, ik denk dat ik zelf een ronde meedraai.” “Ik vind het knap”, antwoordt Agbert op gedempte toon. “Zoals je die discussie laat gaan en ook weer de teugels terugneemt.”Berg trekt zijn wenkbrauwen op. “Ik denk dat we nog voor hete vuren komen te staan, Agbert.”[Hij gaat ervan uit dat de expeditieleden stuk voor stuk een succes van de expeditie willen maken en dat dat hun eerste zaak is]</p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/333/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/333/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=333&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/18/weerklank/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://www.meteodelfzijl.nl/images/Katrina.jpg" medium="image" />
	</item>
		<item>
		<title>Echo</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/11/echo/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/11/echo/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 11 Oct 2009 11:43:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Afgunst]]></category>
		<category><![CDATA[Alleen met een boek]]></category>
		<category><![CDATA[Annalen]]></category>
		<category><![CDATA[Fantasy]]></category>
		<category><![CDATA[Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Lekker lezen]]></category>
		<category><![CDATA[Literatuur]]></category>
		<category><![CDATA[Mythologie]]></category>
		<category><![CDATA[Romans]]></category>
		<category><![CDATA[geheugenverlies remt ontwikkeling]]></category>
		<category><![CDATA[Herinneringen helpen bij sociaal bewustzijn]]></category>
		<category><![CDATA[Herinneringen onmisbaar voor vooruitgang]]></category>
		<category><![CDATA[Herinneringen zijn onmisbaar]]></category>
		<category><![CDATA[Koloniseren  van een planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Verleden is de moeder van de toekomst]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=327</guid>
		<description><![CDATA[Sinds zijn ontmoeting met de amprose was Trimmen inmiddels al weer vier uur onderweg. De tocht was moeiteloos verlopen want het landschap veranderde nauwelijks. Hier en daar graasden grote kudden larmen. De dieren schoten elke keer een flink eind opzij als zijn wagen voorbijzoefde. Zelfs aan het zachte geluid van de elektromotor waren ze niet [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=327&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p style="text-align:center;"><img class="aligncenter" src="http://www.erli-esselink.com/pastel/herinnering%202.jpg" alt="" width="528" height="394" /></p>
<p style="text-align:center;">Sinds zijn ontmoeting met de amprose was Trimmen inmiddels al weer vier uur onderweg. De tocht was moeiteloos verlopen want het landschap veranderde nauwelijks. Hier en daar graasden grote kudden larmen. De dieren schoten elke keer een flink eind opzij als zijn wagen voorbijzoefde. Zelfs aan het zachte geluid van de elektromotor waren ze niet gewend. Het bos werd weer dichter en de rode steen van de omgeving van Aldemundt veranderde in een wittige steensoort waarop het Osmelicht fel weerkaatste. Iets minder fel maar onmiskenbaar drong zich nog een ander licht op. Een scherp en gelijkmatig licht, alsof het van een zoeklicht kwam. Trimmen probeerde zich te herinneren welke sterin die richting aan de hemel stond en te zien was nog vordat Osme onder was gegaan. Hij kon het niet thuisbrengen maar het licht werd steeds sterker en kwam snel dichterbij. Trimmen vond het vreemd. Hij had zoiets nooit eerder gezien, niet op aarde en ook niet op Mende, niet vanuit Aldemundt en niet in Bixhoorn. Hij voelde hoe het bloed in zijn aderen begon te prikken, zijn verlangen om een nieuwe ontdekking te doen, groeide en groeide. Hij wist het zeker, het moment kwam naderbij. Misschien moest hij wat gas bijgeven. Op de vlakke ondergrond van dor gras en stenen zou dat best kunnen. De pantserwagen nam een sprong vooruit en in hoog tempo vlog Trimmen nu dor het landschap. Het licht straalde nu helder en leek hemn en zijn wagen bijna aan te wijzen, te volgen. Het had echt de kenmerken van een zoeklicht maar wie gebruikt er nu een zoeklicht als de zon nog op is. En trouwens, wie zou dat hier moeten doen? Hij zag nu hoe het licht ok een lichte streep over het landschap trok. Het stralende licht was nu echt niet meer te ontkennen en de spaning begon bij Trimmen een beetje toe te slaan. Als het echt geen natuurlijk licht was, wat was het dan? Het licht van een doling? Eigenlijk kende Trimmen er maar een en het leek hem onwaarschijnlijk dat deze een groot zoeklicht zou gebruiken. Achter het licht was nu een donker silhouet te zien. Het licht bevond zich ver boven de grond en daarvoor en eronder tekende zich een donkere figuur af in de vorm van een grillige rots op de hellingen van de bergrug. De onderzoeker begon te begrijpen dat de kans op een ontmoeting met Mendlingen mogelijk was. Tot nog toe had hij zich daarover nog noit druk gemaakt. Zelfs op zijn lange tocht van Bixhoorn naar Aldemundt had hjij geen enkel bewijs van het bestaan van Mendlingen gevonden. Maar nu? Hoe zou hij moeten reageren als het licht uit een stad of een burcht of wat voor nederzetting dan ook kwam? Langzaamaan liet hij de snelheid van zijn wagen teruglopen. Het was tijd voor een goed gesprek met zichzelf. Trimmen was daarin een meester. Zijn scherpe geest stelde hem in staat situaties te overzien die voor sommige grote groepen mensen onbegrijpelijk bleven. Het was een van de redenen van zijn solistische levensstijl. Hij had zijn waarnemingen nooit goed voor zich kunnen houden en dat had hem vaak in conflict gebracht met anderen. Samenleven met een vrouw was voor hem vrijwel onmogelijk omdat hij altijd alles beter wist. En het was waar, Trimmen wist altijd alles beter. Hij doorzag mensen, dieren, planten en ook het weer. Wie kan er met zo’n man leven? Trimmen lachte stilletjes. Veel kwam nu op zijn in- en doorzicht aan. De wagen kwam nu helemaal tot stilsyand en Obdoekil hees zich van zijn plekje omhog. Het dier verwachtte een wandeling dor de omgeving. “Waarom ook niet”, dacht Trimmen. Benen en hersens bewegen vaak tegelijk. Hij kroop, gevolgd door zijn trouwe makker, uit het mangat en sprong op de harde bodem die alleen wat stof losliet. “Kom, we lopen een rondje”, beloofde hij Obdoekil en het dier sjokte op zijn gemak achter zijn baas aan.Ondertussen bleef Trimmen naar het licht kijken. De duistere figuur bij het licht leek heel gelijkmatige vormen te hebben, alsof ze was gebeeldhouwd. Het licht scheen nog steeds even schel al leek het steeds sterker te worden tegen de achtergrond van de donker wordende lucht. Een vogel, dat kon het zijn maar zouden er hier vogels zijn met meer omvang dan de raak. Zou zo’n beest in een hap zijn hele pantserwagen optillen en hem en Obdoekil beschouwen als vlees in blik? Even keek hij onderzoekend om zich heen. De tamer zat bij een groene boom uitgebreid zijn behoefte te doen en leek bijna gebiologeerd door het licht. Het dier keek er voortdurend naar en liet zich door niets afleidenen dat was Trimmen niet van hem gewend. Hij slaakte een zucht van verlichting toen het dier klaar was met zijn boodschap en even laterw weer nieuwsgierig liep te snuffelen tussen bomen en struiken en toch … zodra het dier het licht weer in het oog kreeg leek het zich over te geven, weerlos als een prooi.</p>
<p style="text-align:center;">Trimmen beslot nu zelf tien tellen achter elkaar in het licht te kijken en hij kreeg langzaaman het gevoel dat het licht niet in de verte scheen maar in zijn hoofd bevond. Met moeite rukte zhij zij ogen los van het licht. Hij voelde zich duizelig en even wist hij zelfs niet waar zijn wagen zich bevond … voor …achter. Het was een beweging van Obdoekil die hem uit de droom hielp. Het dier was bezig uit zichzelf naar binnen te klimmen, iets wat vrijwel nooit voorkwam. Trimmen beslot het voorbeeld van zijn maatje te volgen. Daarvoor was inmiddels een extra goede reden ontstaan. Osme was vrijwel helemaal achter de bergtoppen verdwenen. Er trok een vreemde huivering dor Trimmen heen toen hij het luik van het mangat achter zich dichttrok. Zijn gewone zelfverzekerdheid was minder geworden en voor zijn natuurlijke bravour was op dit moment ook weinig ruimte. Vanaf het bedieningspaneel naast zijn bestuurdersstoel pakte hij de magon die hij die avond al eerder had bestudeerd. Stond er op het ding ook maar iets over een licht aan de noordelijke kusten? Hij werkte die avond de hele magon door maar een antwoord op zijn vragen kreeg hij niet. Het licht kon ontsnapt zijn aan de opmerkzaamheid van de eerste verkenners in hun ruimtetaxi’s en voor hem had nog niemand dit gebied bezocht. Dat wist hij zeker, dat was een van de belangrijkste redenen om hier te gaan kijken. Maar hij had niet gerekend op een ontdekking die hem zo’n verschrikkelijk gevoel zou geven, alsof er alleen kou en leegte om hem heen was. Het was een gevoel dat Trimmen nooit eerder had ervaren en hij kon er ook geen naam aan geven. Hij had blijkbaar niet eens de moeite genomen om in zijn bed te gaan liggen. Bijna verstijfd en een verwrongen houding zat hij in zijn stoel en het kleine lichtje boven zijn bestuurdersstoel was nog aan. Het leek hem beter om nu maar gewoon zijn slaapplaats op te zoeken. Slaperig tuurde hij door het voorvenster van zijn wagen. Het was overal nog donker al scheen het vreemde licht nog sterker dan eerder op de avond. Trimmen controleerde nu het mangat en schoof het pantserluik voor het venster dicht. Het licht zou hen anders wel eens uit de slaap kunnen houden en bovendien … het leek wel of het de energie en zijn wil om te onderzoeken uit hem wegnam. Hij voelde zich vermoeider dan ooit maar het leek wel een moeheid die niet met slapen weg zou gaan. Toch meende hij dat het goed zou zijn om eerst eens lekker te slapen. De kans was groot dat het ochtendlicht een oplossing zou brengen. Er was een diepe draaikolk en bij iedere beweging die hij maakte zakte hij er dieper in weg. Wezens met vreemde gezichten passeerden maar ze leken hem niet te zien, ze trokken zich tenminste niets van zijn aanwezigheid aan. Misselijk en benauwd werd hij weer wakker. Deze keer nam hij niet de moeite om naar buiten te kijken. Hij wist zeker dat het nog geen dag kon zijn en hij had geen zin om opnieuw in het mysterieuze licht te staren. Hij draaide zich op zijn linker- en op zijn rechterkant en bleef vervolgens een tijdje op zijn rug liggen. Jaloers keek hij naar Obdoekil die zich klaarblijkelijk van niets bewust was en met een rustige ademhaling doormafte. Misschien was het dier ook wel gewend aan het onbegrijpelijke licht. Hij had hier immers al vele jaren op Mende rondgelopen voordat hij Trimmen ontmoette…. Gespannen schoot Trimmen overeind. Deze keer voelde hij het, het was al lang en breed dag, licht en warm en hij verprutste hier kostbare uren. Met een zwaai zette hij zijn benen buiten bed. Hij stak zijn armen uit naar het luik voor het voorvenster maar voelde wol en natiigheid. Het was Obdoekill die recht overeind op zijn bestuurdersstoel stond en met zijn snoet tegen het luik van het mangat aan duwde. “Je hebt gelijk”, mopperde Trimmen. “Je moet naar buiten.” Met een ruk deed hij het luik open en het dier sprong naar buiten en bijan was Trimmen hem achterna gegaan. Dat kon gemakkelijk want er was hier niemand die hem in zijn pyama zou zien rondstappen maar iets hield hem deze keer tegen. Was het wel zeker dat niemand hem in de gaten hield? Hij wreef zijn ogen uit en keek over de rand van zijn wagen. Bij het linker voorwiel was Obdoekil bezig een stevig pakket neer te leggen. Trimmen keek nu ook weer in de richting waar het licht vandaan was gekomen. Het was er nog al stak het magertjes af tegen de felle achtergrond van het schijnsel van Osme. “Obdoekil wacht”riep hij snel en hij sprong weer op de bodem van zijn wagen. Binnen de kortste keren had hij kleren aangetrokken. Wassen moest wachten totdat ze een nieuwe beek zouden naderen, zo zat dat hier. Met een paar behendige bewegingen kroop hij deze keer weer door het mangat. Obdoekil had niet gewacht maar zwierf door het hoge gras en snufelde aan de bomen. Trimmen was nu gauw uit de wagen en rende naar het dier toe. De tamer liet zich verleiden tot een worstelpartij waarbij hij meer dan eens boven lag. Dan kreeg Trimmen een dikke, natte tong door zijn gezicht maar ineens gaf het dier er de brui aan. Hij liep in sneltreinvaart naar de wagen, kroop door het mangat en verdween naar binnen. Trimmen keek hem verbaasd na. Daarna tuurde hij weer in de richting van het licht totdat hij zich een beetje duizelig begon te voelen. Misschien was het beter om de tocht in die richting niet voort te zetten. Het licht had een slechte uitwerking op hem maar aan de andere kant … een wetenschapper die zich laat weerhouden is ook niet veel waard. Trimmen werkte zich weer snel naar binnen en nam plats op zijn bestuurdersstoel. Meteen werd hem duidelijk waarom Obdoekil het spel had opgegeven. Hij likte smakelijk zijn voerbak uit. Eten gaat voor alles. Maar niet bij Trimmen. Hij schoof het pantserluik voor het voorvenster weg en startte de motor zonder een hap gegeten te hebben. “Op naar het licht”, zong hij luidkeels. Het was een oud lied dat soms in de tempels van Helen nogg wel eens was gezongen en aan bord van de Arketan had het heel vaak geklonken maar de oorsprong lag ver voor de Holokosen.</p>
<p style="text-align:center;">Deze keer moest hij erbij lachen omdat het zo toepasselijk was. Wat zou het licht nabij de noordkust van Mende hem te bieden hebben? Liefde, geluk, warmte, snelheid, de dood? Dat gevoel herkende Trimmen, het hoorde bij hem. Welke mogelijkheid er ook zou zijn, het zou goed zijn. Zijn lot als onderzokeer was hem lief en op een dag zou er toch een einde aan komen. Dat hoefde niet per se vandaag, liever niet zelfs, maar als het zover zou komen, dan zou het uiteindelijk toch ook niets uitmaken. Hij liet de wagen ronken. De motor liep bijna op zijn top. De bergrug kwam weer dichterbij en het vreemde licht was nu ondanks de felle zonneschijn goed zichtbaar. Het leek uit een grote lamp te komen die op een soort beeldhouwwerk was bevestigd. “Een uitgeslepen rots”, was het eerste dat bij hem opkwam maar meteen volgde de twijfel. Een ster op een rots, dat zou toch wel heel vreemd zijn. En trouwens, de vormen van de rots leken steeds meer uniek te zijn. De wagen reed nu de schaduw binen die door de bergrug over het land werd uitgelegd en de “rots” begon zich in zal zijn glorie te vertonen. Trimmen sloeg een hand voor zijn mond want wat hij nu zag wond hem op en makte hem koud tegelijkertijd. Op de helling van de berg stond een meer dan levensgroot beeldhouwwerk van hout. Tientallen meters hoog verhief het beeld zich boven de omgeving en boven in het beeld waren twee grote, licht uitstralende bollen bevestigd. Het beeldhouwwerk deed hem denken aan een figuur waarvan hij vroeger op school wel eens een afbeelding had gezien. Misschien had de magon oude geschiedenis er een antwoord op. Zijn nieuwsgierigheid trok hem toch in de eerste plaats naar het beeldhouwwerk zelf. Hoe dichter hij bij kwam, des te meer spanning voelde hij en het leek wel of hij ook steeds lichter in zijn hoofd werd. De schaduw van het grote beeld viel nu half over de pantserwagen heen en trimmen trapte op de rem. Zijn ogen keken omhoog naar het beeldhouwwerk en volgde daarvandaan de weg naar zijn eigen wagen. Vanaf het gebeeldhouwde wezen liep een pad naar beneden dat niet ver van zijn wagen in het dorre gras eindigde. Boven leek het of het pad rondom het beedhouwwerk liep maar helemaal zeker daarvan kon Trimmen niet zijn. Hij keek nu ook van uit het mangat in de omgeving rond. Osme stond hoog aan de hemel en het was erg heet, misschien wel te heet om de klim naar het kunstwerk te wagen. Trimmen gaf er de voorkeur aan om te wachten. Het zou ook best kunnen zijn dat zich hier over enige tijd Mendlingen verzamelden want van een ding was hij wel zeker: dit was geen werk van wind en regen. Hij draaide zijn bestuurdersstoel een kwartslag en zocht in het bureau dat naast hem stond tot hij de historische magon vond. Hij richtte het apparaat op het beeld en verbond de krypt fie hij in zijn bureau had liggen ermee en plaatste deze op de knobbel aan zijn achterhoofd. Meteen schoot er een felle pijnscheut door zijn hoofd maar de hoofdpijn bleef niet hangen. Dit had Trimmen nog noit meegemaakt. Krypten waren in het gebruik absoluut ongevaarlijk, had hij altijd geweten maar toen bedacht hij zich ineens dat dit de eerste keer was dat hij het apparaat op Mende gebruikte. Hij had het apparaat wel op aarde gebruikt men maar een keer in de hele tien jaar aan boord van de Arketan. Hij hield de krypt tegen zij hoofd en in het venster van de magon verscheen een verklaring. “Draak”. Daarbij werd meteen vermeld wat het word precies betekende en wat de functie van draken was.</p>
<p style="text-align:center;">“Mythologisch wezen” waren de eerste woorden van de verklaring. Maar wat deed de afbeelding ervan dan op Mende? Was de draak vor alle mensachtigen in het heelal een mythologisch wezen? De verklaring bevredigde Trimmen niet erg en ze maakte in geen geval duidelijk wat de draak met Mende te maken had. Daarin moest verandering komen en hij typte dan ook meteen in “Op Mende is in elk geval de afbeelding van een draak te vinden ……… roden ten Noordoosten van Aldemundt. De afbeelding bestaat uit een gebeeldhouwd kunstwerk dat Trimmen Hoferwenck van Bixhoorn heeft onderzocht.” Deze keer richtte hij zijn magon op het beeld en liet een haarscherp beeld overkomen. Iets in hem zei hem dat hij de magon beneden aan het pad moest laten staan. Hij draaide zich een keer om en keek naar zijn wagen. “Wacht op mij”, het leek alsof hij elk letter stuk voor stuk uitsprak en in gedachten stelde hij zich Obdoekil voor die binnen in de wagen rustig zat te wachten, zonder baasje. Het dier was waarschijnlijk rustig op zijn plekje in de wagen gaan liggen in een soort berusting. De baas zou zeker terugkomen, hij kwam altijd terug en liet hem nooit in de steek. Dat was waar Trimmen had zijn tamer in de afgelopen zeven jaar steeds voorop gesteld en vaak belangrijker gemaakt dan zichzelf. Hij zette nu zijn voeten vor het eerst op een pad dat vermoedelijk was aangelegd door een mensachtig wezen dat hier was geweest vordat de aardlingen de planeet hadden bezocht en in elk geval lang voordat Trimmen hier was aangekomen. Hij zag geen voetstappen. Het was een vreemde gewaarwording om over de eerste Mendse weg te lopen. Dit was historisch vor een aardse mens en aardling was Trimmen zich altijd blijven voelen. Een aardling op Mende, geen Mendling met herinneringen an de aarde. Het waren de gerineringen uit zijn jeugd en studententijd die hem nooit meer zouden loslaten. Niet dat hij terugverlangde naar de aarde met z’n ellenlange overlegsituaties, zijn overmaat aan regels en gecontroleer maar de herinneringen zouden nooit meer verdwijnen. Trimmen was zo in gedachten dat hij nauwelijks merkte hoe stil het hier was. Vogels en dieren leken niet in de omgeving van het kunstwerk te willen verblijven. Een zachte wind woei om zijn hoofd maar ook die voelde hij nauwelijks omdat het nog steeds erg warm was. Ook de wind voelde heet aan. Trimmen was dat gewend van de afgelopen negen jaar op Mende. De Mendese wind week niet zoveel af van de aardse. Ze was veelal wat zwoeler maar dat kwam doordat ijskou op Mende onbekend was. Zelfs de harde stormen van de Zametijd waren vrij warm. Hij stond nu vlak voor de enorme draak. Het werk moest wel dertig aardse meters hoog zijn en helemaal boven uit de top bleef een onophoudelijke straal de omgeving verlichten. Zijn nek deed pijn door het omhoog kijken en langzaam liet hij nu zijn ogen dwalen langs het kunstwerk. Dat voelde beter aan want het licht uit de top van de troen bezorgde hem een lichte hoofdpijn en gaf hem een gevoel van duizeligheid. Het materiaal van het bouwwerk bracht hem in verwaring. Was het hout, was het steen, was het kunststof? Hadden Mendlingen al een soort kunststof gefabriceerd? Trimmen begon ervan overtuigd te raken dat er zoiets bestond als Mendlingen, menselijke wezens die de natuurlijke bewoners van Mende waren. Opnieuw keek hij achter zich. Beneden stond nu zijn pantserwagen en daarachter lag een haast eindeloze vlakte. Waar waren dan toch die Mendlingen? “Mendsen”, mompelde hij grijnzend. Klonk dat niet bijna als “mensen”? Hij liet zijn hand glijden over de buitenkant van het kunstwerk. Het was glad als plastic maar het leek ook afkomstig te zijn van een levend materiaal. Vezels waren zichtbaar vlak achter de buitenste laag van het werk. Hij rook eraan en inderdaad was er een zacht kruidige geur te ontwaren of liever…een geur zoals turf. Een licht rokerige lucht vulde zijn neusgaten. Opnieuw gleed zijn hand langs de buitenkant van het werk maar er was geen oneffenheid voelbaar. Hij volgde nu het pad verder terwijl zijn vingers voortdurend langs het gladde oppervlak gleden. Nergens een beschadiging, alleen maar een voortdurende gladheid. Verder liep hij weer met grote, langzame passen, oplettend omdat hij elk moment een Mendling om de hoek verwachtte. Het bouwwerk was in een ronding gemaakt, zoals de stam van een boom maar veel dikker. Het pad dat Trimmen volgde liep nauwkeurig onmiddellijk langs de buitenkant en week er geen moment vanaf. Het bleef ook overal even breed, er was precies genoeg ruimte voor drie mensen naast elkaar. Aan zijn rechter hand maakte het pad zich los van de omgeving en zo ontstond een afgrond. Geen hek of reling scheidde het pad van de toenemende diepte aan zijn rechterkant. Trimmen had net willen besluiten dat het bouwwerk helemaal gesloten was toen zijn vingers gleden over een richel alsof er een deur in de wand was aangrbacht.</p>
<p style="text-align:center;">Dat was een juiste waarneming. Er bevond zich een anderhalve meter hoge deur in de wand en daarmee was voorgoed bevestigd dat het inderdaad niet om een naturverschijnsel ging. Trimmen vond het wat te brutaal om zomaar naar binnen te lopen en daarom besloot hij aan te kloppen met de knokkels van zijn hand, zoals dat in Bixhoorn gewoon was. Er kwam geen reactie en Trimmen herhaalde zijn oproep om de deur te openen maar er geburde weer niets. Deze keer pakte hij de klink die de vorm had van een oorlogskrul zoals die vroeger op marine-uniformen voorkwam stevig vast. Tot zijn grote verbazing ging de deur met veel gemak naar buiten toe open. Er piepte en kraakte niets en dat gaf Trimmen het gevoel dat er nog niet zolang geleden iemand was geweest. Voor hem lag een aarde-donkere ruimte waarvan hij niet zo gauw de grootte kon schatten. Voorzichtig als hij was, raapte hij een steen op van de grond en deze legde hij voor de deur zodat ze niet dicht kom klappen. Hij was zich bewust van het bijzondere moment toen hij een voet over de drempel zette en hij was zich van nog meer bewust. Van hoog boven scheen onmiddellijk een licht in de hal naar binnen. Deze bleek nu hoog en groot te zijn en gevuld met kleur. De wanden waren in een kobalt-blauwe kleur geschilderd en middenin de ruimte begonnen kleuren dor elkaar te krinkelen alsof ze een eigen leven leidden. In de verte klonken geluiden die van een viool of een liodin afkomstig leken te zijn maar de tonen hadden geen verband. Ze pasten bij elkaar zonder op elkaar aan te sluiten. Het leek alsof een regen van tonen van bovenaf naar beneden kwam rommelen. Trimmen deed nu een ttweede stap naar binnen en liet de deur achter zich los. Deze duwde een beetje tegen de steen aan maar klapte niet helemaal dicht. De dansende kleuren in het midden van de ruimte werden feller en ze leken de vorm aan te nemen van wezens die op twee benen liepen. Trimmen kon het niet met zekerheid zeggen maar het leek erop. Hij waagde een volgende stap en weer werden de kleuren duidelijker. De tonen klonken ok harder en schreeuwender, als of iemand, nee alsof een groep mensen zich in vele tonarden beklaagde. Het waren geen woorden maar uitsluitend klanken van beklag. Weer deed Trimmen een stap en nu leek het of de kleuren zich om hem heen formeerden en hij herkende nu heel duidelijk gezichten erin. Er waren monden die open en dicht gingen en ze klaagden nu niet meer maar gilden in zijn oren. Hij had nu ook het gevoel of de wezens handen naar hem uitstaken en probeerden hem vast te pakken. Trimmen deed zijn best om zich los te rukken maar de kleurwezenhs waren vasthoudend. Ze begonnen hem in het rond te draaien en labngzaam voelde hij hoe hij omhoog werd gezogen. Het leke wel of hij in de richting van het schelle licht bovenin de toren gleed, niet vloog maar gleed. Het beviel Trimmen niet en hij keek naar zijn voeten. Hij was nu daadwerkelijk op een meter hoogte en het ging maar door. Plotseling flitste het gezicht van zijn ouders voorbij terwijl hij zich meteen afvroeg wie dat ook al weer waren. Even later zag hij zijn geboortedorp voor zich maar even layter herkende hij de huize en het pleintje niet meer en toen begon hij zich iets te realiseren. Het kon best wel eens zijn dat zijn herinneringen uit hem werden getrokken! Leegzuigen! Het deed hem denken aan de amprosen. Was die zuigkracht het grote gevaar van deze planeet. Sneller ging de ronddraaiende beweging en het kostte hem steeds meer moeite om na te denken. Hoger en hoger kwam hij. Eigenlijk zou het hem niet kunnen schelen als hier zijn einde was, als hij maar begreep wat er met hem gebeurde maar het viel hem steeds moeilijker om logische gedachten in een goede volgorde te krijgen. Plotseling schot hem iets te binnen. Gevoelens! Dat was het. Wie zichzelf bij elkaar wil houden, moet zijn jongste en mooiste gevoelens oproepen. Zijn vader had het hem voorgehouden op de dag van zijn vertrek naar Mende en nu zag hij ineens het gezicht van zijn vader voor zich en zijn moeder. Ze zaten aan het strand dat vlak achter het huis lag en zijn moeder vertelde een verhaal dat hij al zovaak had gehoord en toch steeds weer prachtig vond: het verhaal van de eeuwige zoektocht naar de beker van de wijsheid. Ridders van lang ver voor de Grote Holokosen passeerden, ja Trimmens vader werd nu een ridder en zijn moeder stond ernaast als een jonkvrouw en hij zag zichzelf met een steen in zijn handen. Een steen die eerst een grauwe kleur had maar langzaamaan in goud veranderde. “Jij kan dat”, lachte zijn vader. De gouden steen scheen met een kracht, weerkaatste al het licht in de omgeving, zo hevig als hij nog nooit had gezien en het verblindde zijn ogen. Een stekende pijn schoot door zijn voet en zijn heup voelde beurs aan. Verbaasd keek Trimmen om zich heen. Hij lag op de grond. De kleuren en de muziektonen waren verdwenen. De deur van het bouwwerk stond nog steeds op een kier. Het zonlicht buiten nodigde hem uit om naar buiten te komen en die uitnodiging liet hij zich niet ontgaan. Hij stond op en wankelde naar de deur. Bijna struikelde hij over de drempel. Met een voet schopte hij de sten bij de deur weg en de deur klapte achter hem dicht met een keiharde dreun. Trimmen voelde zich gelukkig. Hij was vrij en buiten gevaar, tenminste hij voelde zich duizelig en hij had moeite om het pad te volgen. De afgrond naast het pad leek ineens peilloos diep. Zijn vingers klauwden zich bijna in de wand van het drakenbouwwerk en het klamme zweet brak hem uit. Zijn ogen leken te tollen in zijn hoofd en even er klopte iets in zijn keel, misschien was het zelfs zijn hart. Hij wist het niet zeker. De lucht had een bangstigend donkere kleur gekregen maar of dat door het tijdstip van de dag kwam of dor zijn verblijf in de toren was hem niet duidelijk. Moeizaam probeerde hij zijn ogen te richten en te zoeken naar zijn pantserwagen.</p>
<p style="text-align:center;">Ergens in de diepte was een roze waas zichtbaar. Moest dat de wagen zijn of was er iets anders aan de hand. Er begon zich een onrust van hem meester te maken. Obdoekil zat opgesloten in de wagen en kon zichzelf nuiet redden. Het dier zou zijn hulp nodig hebben. Hij moest er naartoe. Misschien was het dier wl wanhopig en snuffelde het aan het luik boven het mangat, angstig kreunend zoals hij vaker deed als hij zich verlaten voelde. Het dier zou hem missen. Missen? Voor zijn ogen dook een gezicht op dat hij niet meteen thuis kon brengen. Het werd weer kleiner en trok zich terug om even later nog groter en waziger terug te komen. Er klonk een stem bij. Trimmen voelde zich niet zeker op het smalle pad en ging zitten terwijl hij opzij leunde tegen het gebouw aan. Hij voelde hoe een koelere luchtstrom zijn wang aanraakte. Het leek of de avond begon in te vallen hoewel de wind in deze tijd van het jaar zelden koeler werd in de avonduren. De lucht was nu nog donkerder en even leek het of hij helemaal niets meer zag. Langzaamaan begonnen de hoofdpijn en de duizeligheid weg te trekken maar in plats daarvan kwamen de flitsen met het gezicht weer terug en ook de stem was er nu bij alsof iemand tegen hem sprak op een afstand met een echo. Randa! Dat was de stem. Trimmen probeerde zijn ogen onzeker verder te openen. Het ging moeizaam maar er veranderde weinig. De lucht beelf donker. Dat betekende dat het nu echt avond was. Had hij hier echt zo lang gezeten? Nu de duizeligheid weer weg was kon hij wel lopen. Met zijn rechterhand tastte hij nog steeds de wand van de toren af zodat hij het pad kon volgen. Hij voelde zich moe, verschrikkelijk moe maar het leek er nu op dat hij weer goed kon zien. Weer doemde het gezicht van Randa op maar deze keer kon hij het beter zien en hij zag ok weer de donkere omgeving en de lichtstraal die onafgebroken uit de top van de toren kwam. Deze keer was hij er dankbaar voor want het licht wees hem de weg. Tegelijkertijd besloot hij niet regelrecht in het licht te kijken want het had een betoverende of een bedwelmende uitwerking, zo had hij begrepen. In het licht van de manen en de toren zag hij de glans van zijn wagen. “Bedankt”, mompelde hij uit al wist hij niet precies wie hij moest bedanken. Hij hoopte dat hij nu ook weer de energie had om tegen de wagen op te klimnmen en naar binnen te gaan. De laatste meters van het pad liep hij sneller. Het gevaar om in de afgrond te vallen was nu voorbij. Alleen een rij lage struiken begeleidde de rand van het pad nu. Hij voelde zich uitgeput toen hij beneden aankwam maar het kwam er nu op aan om door te gaan want hij verlangde naar de rust en het comfort van zijn wagen en … water. Er begon zich een tergende dorst aan hem op te dringen, een dorst die brandde in zijn keel alsof hij een slok jodium had genomen. Water! De beklimming van de wagen ging opmerkelijk gemakkelijk, misschien wel gemakkelijker dan ooit tevoren en hoe hij weer in de wagen was gekomen, zou hij later niet terug kunnen vertellen. Tot zijn grote blijdschap lag Obdoekil rustig snurkend op de grond. Het dier tilde even zijn kop toen Trimmen zich naar beneden liet zakken. Daarna legde het zijn kop weer tussen zijn voor- en middenpoten op de grond. Bijna alles leek bij het oude. Met grote stappen ging Trimmen op zijn watervoorraad af. Hij liet het water rijkelijk door zijn keel stromen en over zijn voorhoofd. Daarna viel hij achterover op zijn bed en bijna zakten zijn ogen dicht maar nog net op tijd bedacht hij zich dat het mangat nog open stond en dat Obdoekil een korte wandeling buiten had verdiend. “Hij hees zichzelf overeind en keek zijn kameraad aan. “Kom, wandelen”, lachte hij. “Ik kijk wel toe.”</p>
<p style="text-align:center;">De nacht lag er vredig bij en een zwoele bries raakte Trimmen aan terwijl hij tevreden keek hoe Obdoekil de bomen in de buurt afsnuffelde. Even leek het dier het pad naar de toreen te wilen volgen maar een korte kreet van Trimmen was genoeg om hem te weerhouden. De tamer herkende de verbodsstem van zijn baas. Het duurde niet lang of hij kwam weer tegen de wagen opgekropen. Tevreden gapend kroop het dier dor het mangat naar binnen. Hij banm een paar tevige happen uit zijn voerbak terwijl Trimmen het luik van het mangat aan de binnekant afsloot. Het dier keek zijn baas bijna aan met een uitdrukking “Kom je nog slapen”. Trimmen knikte. “Ik kom””, grinjnsde hij en die grijns ging bijna over in de droom die hem overviel. Randa trippelde vrolijk door een veld op Mende met bloemen en vlinders, prachtige vlinders……. “Er hangt iets vreemds in de lucht”, zei Syfa …….. terwijl ze langzaam haar ogen opendeed. De Moden draaide zich ongeduldig om en hield zijn ogen stijf dicht. “Ik sliep nog”, mopperde hij maar hij wachtte nieuwsgierig op et volgende dat zijn vrouw zou gaan zeggen. “Het was raar, gisteren”, ging Syfa verder. “Die jongens van …. zijn de berghelling aan de oostkant afgerend en Vernant heeft daarbij zijn enkel zwaar verzwikt. Een uur later klaagde Belder Kamhorn over kinderen die bij hem voortdurend door de tuin renden en zijn planten vertrapten en gistermiddag kwam …….. met me praten om eens een tocht naar Bixhoorn te maken.” De Moden lachte. “Nou het lijken mij geen van allen ernstige zaken. Kinderen zijn altijd al ondernememd geweest en soms haalden ze in het verleden ook al vervelende streken uit. En die reis naar Bixhoorn, waarom niet?” Zij vrouw wachtte even voordat zij verder sprak maar toen had ze ook weer meteen haar mening klaar. “Ik weet het niet. Het lijkt wel of iederen onrustig is sinds de expeditie het dorp heeft verlaten. Soms denk ik dat iedereen vor zichzelf een beetje op expeditie aan het gaan is. Nieuwe grenzen ontdekken, nieuwe mogelijkheden zoeken.” “Als dat het ergste probleem is, lieverd, dan denk ik dat het allemaal nog wel meevalt.” De Moden had van huis uit ene optimistisch karakter maar zijn vrouw gaf zo maar niet op. “Misschien heb je gelijk maar ik ben bang dat het voortekenen zijn.” “Voortekenen?”vroeg de Moden deze keer ernstig. “Voortekenen van wat.” “Van een uiteenvallende samenleving.”, zegt zijn vrouw meteen. “De eerste jaren waren we hier zo tevreden en rustig. We hadden te eten, onderdak en gezelligheid. Er waren feesten en we wisten wat we aan elkaar hadden. “”En dat gaat allemaal verloren door de expeditie?”vraagt de Moden. “Het daagt de mensen uit om de fantasie ruim baan te laten en dat leidt lang niet altijd tot geluk.” De Moden stond op en trok het gordijn van de slaapkamer open. “Kijk eens, wat een prachtige wereld we hebben om in te leven. Was dat niet het idee dat we hadden toen we uit Helen vertrokken, een wereld voor onszelf? Een wereld “die we nog vorm konden geven.” “Of een wereld die vorm zou krijgen van uit zichzelf”, vult zijn vrouw aan. “Een maagd die helemaal onbelemmerd uitgroeit tot bevruchte vrouw. Dat was de wereld die ik voor me zag.” De Moden lacht nu zachtjes want hij wil zijn vrouw niet het gevoel geven dat ze iets raars heeft gezegd. “Het spijt me, schat, maar een maagd heeft een vrijer nodig om bevrucht te worden. Van uit zichzelf gebeurt er niets. Lang geleden, ver voor de Grote Holokosen zou dat een keer gebeurd zijn maar ook al ruim voordat die ramp de wereld trof gelofden velen daar niet meer in. Dat blijkt uit talloze geschriften.” “Je praat wel erg gemakkelijk over de Grote Holokosen alsof het een eenmalige gebeurtenis is die nooit meer zou kunnen plaatshebben.” De stem van de vrouw van de Moden klinkt bijna angstig. “In vergelijking met de Grote Holokosen waren de kleine Holokosen kinderspel maar zelfs zoiets zou ik nooit willen meemaken.” “” Wie wel?”begint de Moden nu. “We weten van de Kleine Holokosen dat er veel mensen bij zijn dood gegaan en dat de mensen zich dat honderden jaren zijn blijven herinneren maar heeft het iets opgeleverd? De Grote Holokosen zijn toch gekomen en daarna is in tweeduizend jaar een heel nieuwe wereld ontstaan met nieuwe landen zoals Helen. We kunnen onmogelijk voorzien dat een paar ondeugende jongetjes de aankondiging zijn van de Holokosen, groot of klein.” Langzaam trok hij zijn kleren aan. “Kom, we gaan eruit. Het is nog veel te mooi weer om op de velden te werken dus het lijkt me wel wat om een bezoekje aan het strand te brengen.” “Heb je geen Modaal vandaag?” Syfa’s stem klonk al weer wat fleuriger en ze liet zich nu ontspannen uit haar bed rollen. “Vanavond laat hebben we een Modaal over het onderhoud van huizen en tempel, niets bijzonders. Volgende week hebben we een Modaal over het onderwijs in ons dorp en over samenwerking met Bixhoorn daarbij. Dat zal me nog wat worden!”, antwoordde de Moden luchtig. “Maar het onderhoud van gebouwen gaat voor. Nu we een aantal mannen en vrouwen missen omdat ze met de expeditie mee zijn, moeten we eerder aan de slag. Het werk moet beslist klaar zijn voordat de akkers weer lokken. We maken er een heel rustig dagje van, vandaag.” Hij liet zijn hand door het haar van zijn vrouw glijden en draaide zich om. “Ik maak het ontbijt klaar.”</p>
<p style="text-align:center;">Op de gang kwam hij Randa tegen. “Zo en wat ga jij vandaag doen”? “Een beetje wandelen”, zei zij een beetje vlakjes. “Wandelen”? De Moden keek even verrast voor zich uit. “Twintig keer het dorpsplein rond?” “Haha”, Randa trok een ontevreden gezicht. “Nee, gewoon nar beneden, nar de velden en dan een stuk het wilde land in.”De Moden schudde zijn hoofd. Had zijn vrouw toch gelijk? “Wat denk je daar te vinden?”vroeg hij opgewekt. “Ik weet wel dat jullie dat eng vinden maar ik wil wel eens wat meer zien dan het dorp. Gewoon een stuk van deze planeet. Voor mij is het de wereld waar ik de rest van mijn leven zal doorbrengen. Jullie hebben herinneringen van Helen maar ik heb dat land nooit echt gezien. Daarvoor was ik te klein.”Ze hild haar rechterhand omhoog en bracht haar duim en wijsvinger heel dicht naar elkaar toe. “Het verschil tussen de herinneringen van Ramold en mij is zo groot.” De Moden grijnst. “Juist, dat bedoel je. Heb ik ooit iets lelijks gezegd over katelingen?” “Nee, jij niet maar even zo goed … ik wil mijn eigen wereld verkennen.” De Moden knikte. “Ik snap dat best maar ga alsjeblieft niet alleen. Neem in elk geval een paar vriendinnen mee.” Randa mompelde iets dat op “okee” leek en darmee stelde de Moden zich tevreden. “Je moeder en ik gaan vandaag in elk geval naar het strand en misschien naar de Baalder.” Er kwam een spottende glimlach op Randa’s gezicht. “Nou, dat is in elk geval veilig.” De Moden knikte en keek zijn dochter vriendeklijk aan. “Het lijkt veilig en wij zullen er genieten van oinze omgeving. De herinneringen an de aarde komen daarbij nauwelijks te pas.” Randa keek hem verwijtend aan. “Jullie hoeven je daar niet mee bezig te houden. Jullie hebben die herinneringen en dat maakt je tot mens, het geeft je kracht. Ik heb alleen maar herinneringen aan de Arketan en die waren op den duur niet echt spannend.” “Verwijt je ons dat we je hebben meegenomen”, vraagt de Moden nu onzeker. “Nee, dat niet”, lacht Randa verlegen. “Maar ik moet wel mijn eigen binnenste wereld opbouwen. Daarvoor moeten jullie me de kans geven. Ik denk wel eens dat het grootste probleem vsan zo’n klein dorp is, dat iedereen alsmaar op de anderen let. Voor zelfontplooiing is weinig ruimte” “Is je kamer te klein?”, het was Randa’s moeder die nu de kamer binnenkwam en zich liet horen. “O, een heel verhaal”, zegt de Moden snel. “Ik zal het je zo vertellen, als we aan het strand zijn.” “Jullie hebben weer een geheimpje”, lacht Syfa. “Dan zal ik maar niets vragen verder.” “Goed idee”, Randa kan er niets aan doen dat haar stem een beetje pesterig klinkt. “Voor mij geen eten, ik heb alles bij me.” De Moden glimlacht zonder dat zijn dochter het ziet. Hij herkent iets van de ombedwingbare lust naar avontuur die ook in hemzelf leeft. Hij had op aarde klunnen blijven als prins van vorstelijken bloede, net als zijn neef. Misschien had hij goed kunen doen aan mensen in zijn land, een nobel bedrijf. Maar was het spannend geworden? Had hij gevoeld dat hij leefde? Had hij zijn capaciteiten als bestuurder en toezichtouder kunnen inzetten? In grote lijnen was hij tovch een schaduw achter de rug van zijn neef gebleven en daarmee had hij zich nooit kunnen verzoenen. O zeker, hier op Mende zou niet alles koek en ei zijn maar daar had hij zijn leven ook niet op ingericht. Nee, de slimme en creatieve aanpak van problemen, dat was wat hem boeide. Het idee een heel nieuwe wereld te kunnen stichten, een wereld die misschien nog wel beter zou zijn dan die in Helen en … nog iets. Zijn vrouw had hem wel eens stilletjes gezged. “Eigenlijk wil je een rijk opbouwen dat in later jaren door je familieleden wordt bezocht en waarvan zij zullen zeggen: “Dat heeft neef Paup gedaan. “” Eerst had hij het ontkend maar in de loop van de twaalf jaren op Mende had hij haar geklijk moeten geven. IJdelheid was hem niet vreemd. Maar het was niet zijn enige eigenschap, een karaktertrek waarvan hij Weemer van Hornhaaf verdacht. Het leek er wel eens op of die man alleen maar ontdekkingen wilde doen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. “Je zit te piekeren”, de stem van zijn vrouw klonk als een bevrijding. Hij was ver in gedachten weg geweest maar nu was hij weer helemaal bij de tijd. “Is Randa al de deur uit?”vroeg hij. Zij vrouw lachte. “Ja zeker, ze heeft Sikke meegenomen en een flinke voorraad eten. Ik denk dat ze het er eens goed van gaat nemen, vandaag”en met een glimlach hurkte ze naast zijn stoel neer. “Waar was je met je gedachten?” De Moden lacht. Voor zijn vrouw kan hij niets verbergen. “Op aarde, ik daght aan mijn neef en hoe het leven zou zijn als ik nog steeds aan het hof zou verkeren.” “En beviel het je?” De Moden haalt met een los gebaar zijn ene schouder op. “Soms mis ik ze. Ik ben zoveel jaren met ze opgetrokken, we hebben zoveel gemeenschappelijke herinneringen maar ze lijken soms wel te verbleken in de jaren dat we hier zijn. Dan kost het me moeite om ze opnieuw te beleven en daar heb ik toch wel eens behoefte aan. Zelfs al ik naar de afbeeldingen in de familie-magon kijk, dan heb ik vaak het idee dat het een verslag inhoudt van het leven van iemand anders. Ik zie mezelf en ik denk “Wie is die jongen? Ik ben wel eens bang dat al die herineringen me straks niets meer zeggen. Dat zou ik erg vinden.” Zijn vrouw laat haar hand dor zijn haar glijden. “Je hebt gelijk, ik heb ook het gevoel dat mijn herinneringen in een soort waas verdwijnen, er zit weinig gevoel meer bij, geen beleving. Ik denk dat het bij ons leven op Mende hoort.” “Dan ben ik daar niet blij mee”, besluit de Moden “Maar zou je dan over een jaar of tien terug naar aarde willen?”De vraag van zijn vrouw klinkt als een koud stuk staal op zijn borst. “Terug naar aarde, over tien jaar? Dan ben ik bijna zeventig en op mijn tachtigste terug op aarde om er begraven te worden. Dan zal ik weten dat ik nooit meer terug kan naar Mende en dat mijn kinderen hun leven hier slijten? Nee, ik wil hier begraven worden. Dit is mijn land geworden , niet mijn bezit maar mijn hart ligt hier wel.” “Laten we dan nu het voorbeeld van Randa volgen en op stap gaan”, vindt zijnvrouw. “Laten we genieten van het land dat we stukje bij beetje opbouwen en bij tijden ook gewoon over ons heen laten komen. Ik heb vandaag wel zin om met een bootje naar de Baalder te varen en daar te lunchen, met iets lekkers.”</p>
<p style="text-align:center;">Buiten voelt de zomerlucht warm en geurend aan. Zee en planten gaan samen in de lucht die de Moden opsnuift. Families lopen vrolijk kletsend voorbij, ook zij zijn op weg naar het strand. Ze wuiven eerbiedig naar de Moden. “Een rechte dag”, klinkt het meer dan eens en de Moden beantwordt alle groeten. “Gaan die allemaal naar het strand?”vraagt hij aan zijn vrouw en deze knikt. “Misschien moeten we het advies van Randa maar eens volgen en een andere plek opzoeken”, vindt hij dan. “Paup, word je avontuurlijk?” “Ja, ik wil nu wel eens in mijn leven een ongebruikelijke stap doen”, glimlacht hij. Hij neemt zijn vrouw stevig bij de arm en ditigeert haar in een andere richting, het Hanebrood in. “We worden romantisch!”De ogen van Syfa beginnen te stralen. “Ik voel me jong, vandaag”, lacht de Moden maar hij zet het nog net niet op een lopen. “Misschien komen we Randa nog wel tegen, die wilde toch een heel andere kant op?” De Moden kijkt weer zorgelijk voor zich uit. : Ik hoop niet dat we met Randa dezelfde problemen krijgen als met Hemmen. Ik heb geen fklauw idee hoe het hier is om een doling te worden in dit vreemde, onbekende land.” “Soms denk ik wel eens dat je graag had mee gewild met Berg’s expeditie”, lacht zij. Ze laat haar gezicht nu tegen zijn arm hangen. “Als ik hier geen verantwoordelijkheden gehad gehad, zou ik er geen been in hebben gezien”, beknt de Moden. Hij trekt zijn vrouw nu plotseling mee naar rechts. Ze moeten nu weer stevig klimmen want meteen naast het Hanebrood ligt een steile helling. Op de ondergrond liggen keiharde steentjes en de Moden moet zijn vrouw vaak ondersteunen om haar tegen vallen te beschermen. Struiken en een paar boomtakken geven hem daarbij houvast maar dan staat hij plotseling stil. “Kijk hier eens”, zegt hij zwaar hijgend. Hij wijst op de grond en ook zijn vrouw ziet het nu heel duidelijk. Tussen de struiken begint een opening die het meeste lijkt op een pad en in elk geval is het zo gebruiikt want er zijn sporen te zien die de vorm van een sandaal hebben. “Van onze mensen”, fluistert zijn vrouw nu. Zr is onder de indruk van de vondst maar de Moden schudt nee, “Het lijken sandalen maar ze hebben wel een heel vreemde vorm.” Langzaam zoekend loopt hij verder en steeds weer vindt hij de wonderlijke voetafdrukken in de vorm van een 8. “Het kan toch van een onbekend dier zijn?” merkt zijn vrouw op maar de Moden schudt zijn hoofd. “Dieren lopen meestal blootvoets en dan moet je ook tenen of klauwen kunnen zien.””Ja, dat is op aarde zo maar misschien zijn hier wel dieren zonder tenen.”De Moden kijkt zijn vrouw peinzend aan. “Dat kan zijn, ja, dat kan zijn maar iets zegt mij dat we met …”Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen en struiken hoort hij geritsel en dan het gezoef van een paar grote vleugels en tot zijn verbazing stijgt een groot wezen op in een haast doorschijnend oranje gewaad, alsof een mense helemaal ins ingepakt in een groot vlies. Zijn vrouw staat aan de grond gnageld maar ook zij volgt de vreemde verschijning met open mond. “Wat, wat is dat?”Haar vraag komt al bijna te laat want het vliegende wezen verdwijnt aan de andere kant van de bergkam. Zo snel kunnen de Moden en zijn vrouw niet door het wilde landschap lopen. “Zo dicht bij ons dorp!”zegt hij. “Als ze hier altijd al hebben gezeten, moeten ze ons hebben gezien maar ze zijn nooit gekomen om met ons te spreken.””Misschien kunnen ze helemaal niet spreken”, zegt zijn vrouw. “Misschien zijn het dieren.”De Moden knikt. “Maar dan wel dieren die gewend zijn op twee poten te lopen, kijk maar naar de sporen.” “Nou, dat kan toch?” De Moden kijkt zijn vrouw verbaasd aan. Meestal zit zij zo vast in eenmaal aangenomen ideeen maar vandaag lijkt bij haar alles mogelijk te zijn.” “Jij zegt altijd dat je geen enkele mogelijkheid moet uitsluiten”, zegt zij vastberaden. “Dat is waar maar ik ben dit niet van je gewend”, lacht hij. “Kom, we gaan verder, wie weet wat we nog meer tegenkomen.”</p>
<p style="text-align:center;"> Trimmen werd weer middenin de nacht wakker want de prachtige beelden van zijn eerste slaap waren nu vervangen door angstbeelden. Hij zag walgelijke gedrochten met grote onderkaken en slagtanden voorbijmarcheren, hij hoorde gegiechel van achterbaks kijkende wezens met grote neuzen in de kleuren paars, roze, geel en gifgroen, een gebochelde met een groene rug en rode wratten en daar tussendoor kwamen beelden van zijn dorp, waar hij geboren was en de hoofdstad van Helen, Haertenbrogh. Het leek wel of de jongens van zijn dorp hem wegjoegen naar de grote stad. Dat was raar want Trimmen was in zijn dorp altijd heel populair geweest en hij had veel vrienden gehad. Ook nu hij wakker was, gingen de beelden en geluiden maar door. Het klamme zweet brak hem uit en het leek wel of de misselijkheid en duizligheid zich opnieuw opdrongen. Onrustig keek hij naar Obdoekil die heerlijk op zijn plek lag te slapen. Voorzichtig kroop de onderzoeker uit zijn bed en zocht hij naar een fles water die op het aanrechtje moest staan. De fles was er nog. Het koele water voelde heerlijk aan als zalf in zijn mond en langzaam aan voelde hij zich ook weer rustiger worden, de duizeligheid verdween. Tevreden nam Trimmen weer een slok en nog een. Het leek of de ontspanning in zijn lichaam binnendrong. De vlinders keerden weer terug en aan de horizon verscheen een … roze pantserwagen. “Mijn wagen”, fluisterde hij stomvewonderd terwijl hij weer in zijn bed kroop maar zijn verbazing werd nog groter. Uit het mangat van de roze pantserwagen kroop Randa tevoorschijn. “Er klopt iets niet, misschien klopt er wel iets niet met Randa, ik heb haar vannacht al vijf keer gezien en de Moden en Berg en … Wat willen ze van mij? Of wat wil ik van hun?” Hij ging nu weer achterover liggen en zette de fles bij zijn hoofdeinde. Water deed hem goed, dat was gebleken. Hij vouwde zijnarmen onder zijn hoofd maar na een tijdje lag dat toch te krampachtig. Eindelijk draaide hij zich op zijn rechterzij en de slaap kwam opnieuw. Alleen het beeld van Randa in een roze pantserwagen kon hij niet kwijtraken maar het weerhield hem niet om te gaan slapen. Van de ene op de andere Mendedag ging het zo. Trimmen was misselijk en kwam zijn bed nauwelijks uit. Als hij opstaond was hij duizelig en steeds was er de geur van de verbrande kalk en caramel in zijn neus, Een smerige combinatie waar hij zo min mogelijk op probeerde te letten omdat hij dan opnieuw misselijk dreigde te worden. In zijn maag was er steeds honger maar als hij aan eten dacht, drong de misselijkheid zich nog heviger op dan anders. Alleen water kon hij verdragen. Voor Obdoekil had hij het mangat overdag open staan zodat het dier naar buiten kon als het heel dringend werd maar meestal was hij dan ook weer gauw terug. Zonder baas viel er buiten geen lol te beleven en Trimmen dacht er niet aan om naar buiten te gaan. Hij bleef woelen in bed, soms sliep hij, somns lag hij er als een uitgeknepen dweil bij. Zijn slaap werd meer dan eens onderbroken door verschrikkelijke dromen en dan voelde zowel zijn hoofd als zijn voeten heel heet aan (herinnering komt terug). Op de ochtend van de vierde Mendedag sinds zijn bezoek aan de toren werd hij helder en opgewekt wakker. Het misselijke gevoel was helemaal uit zijn maag verdwenen, de hoofdpijn en duizeligheid waren weg en zelfds het hongerige gevoel was minder. Dat was eigenlijk vreemd want hij had drie dagen niets gegeten. Verbaasd keek hij om zich heen en langzaamaan begon hij zich zelfds een beetje gelukkig te voelen. Hetmangat stond nog open. Kenelijk had hij het de vorige avond open laten staan. Obvdoekil was ook niet in de wagen. Voorzichtig stond Trimmen op. Hij wilde het wankele evenwicht van zijn ingewanden niet in gevaar brengen door al te overmoedig gedrag. Hij voelde zich fit en kon de hele wereld aan. Spontaan begon hij te fluiten en hij kroop zijn wagen uit alsof er de afgelopen dagen niets aan de hand was geweest. De lucht buiten rook fris alsof de warme wind van de laatste dagen wat an het minderen was. Trimmen kon zich dat wel voorstellen. De echte hete periode aan de westklant van het continent duurde altijd maar twee weken en daraan begon nu een einde te komen. Toch striemden de Osme stralen het landschap al weer hevig en de lucht was opnieuw effen blauw. Trimmen ging klanguit boven op zijn wagen staan en keek naar het oosten waar de onafzienbare velden zich voortzetten. In de verte zag hij talloze witte stippen die waarschijnlijk uitstrekte kudden larmen aanduidden. Daar ergens, ver achter de horizon lag zijndorp Bixhoorn aan de delta van de Fluus. Langgerekt, als een vriend die de wandelaar tijdens zijntocht lange tijd begeleidde. De onderxzoeker besefte dat de Bixhoorners wachtte opzijn terugkeer. Hijw as verreweg de meest vooraanstaande onderzoeker van het dorp en toch … de vlakte en eenvormigheid lokte hem niet. Met een schokbeweging draaide hij zich om. Daar, in het westen, lagen de bergen waarin Aldemundt verborgen ging. Daar, in het zuidwesten, daar zou Randa nu ergens aan het lopen zijn. Misschien ruimde ze het kaf dat nog op de akker lag, misschien nam ze het er nog even van en maakte ze een wandeling langs de zee. Trimmen kon haar niet uit zijngedachten zetten. Nog verder naar het zuiden gingen zijn ogen. Daar, nog veel verder weg dan Aldemundt, slingerde de expeditie van Berg Wamerhorn zich door het onbekende landschap. Trimmen voelde weer een onbestemd gevoel in zijn buik opkomen maar deze keer was het geen misselijkheid. Het was een ander gevoel. Vlinders in zijn buik! Trimmen dacht aan de mannen en vrouwen van Aldemundt die nu het avontuur beleefden en samen gevaren tegemoet traden. Vreemd, dat gevoel ghad hij nog niet eerder gehad. Integendeel, hij wilde altijd alleen op pad omdat hij meende dat anderen zich met hem zoudebn bemoeien en hem in de weg zouden zitten. Nu verlangde hij ineens naar een groot gezelschap om zich heen. Feestvieren en praten over de resultaten van onderzoek, dat kon je doen met vrienden en vriendinnen. Dat was iets om naar te streven.</p>
<p style="text-align:center;"> Bonk!&#8230; Een hoge figuur daverde nietsontziend tegen hem op. Bijna viel Trimmen van zijn wagen af. “Obdoekil”, schaterde hij. “Je bent wel erg enthousiast.”Hij kriebelde het dier onder zijn keel en keek opnieuw naar het zuiden. “Ik weet het nu, Obdoekil”, we gaan nar het zuiden.” Het dier keek hem aan alsof hij gek geworden was en eigenlijkwas dat ook zo. Trimmen horde bij Bixhoorn. Er gold een onverbrekelijke loyaliteit tussen bewoners en dorpsgemeenschap maar die loyaliteit ging Trimmen nu aan zijn laars lappen. Hij voelde plotseling geen honger en dorst meer en zocht zijn plek op zijn bestuurdersplaats op. Obdoekil volgde hem nar binnen en zocht zijn voerbak op. Trimmen glimlachte toen hij zag hoe tevreden het dier zich op zijn eten stortte. Het was weer even wennen maar lang duurde het toch niet voordat hij de motor van zijn wagen had gestart en langzaam keerde het voertuig en richtte het zich op de zuidelijke horizon. “We zullen ze daarginds eens even gaan verrassen”, lachte hij.</p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/327/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/327/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=327&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/11/echo/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://www.erli-esselink.com/pastel/herinnering%202.jpg" medium="image" />
	</item>
		<item>
		<title>Het begin</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/04/het-begin/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/04/het-begin/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 04 Oct 2009 09:21:23 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Fantasy]]></category>
		<category><![CDATA[Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Lekker lezen]]></category>
		<category><![CDATA[Literatuur]]></category>
		<category><![CDATA[Mythologie]]></category>
		<category><![CDATA[Aliens op hun eigen planeet]]></category>
		<category><![CDATA[De fantasie van Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Een kolonie op een planeet op ontdekkingstocht]]></category>
		<category><![CDATA[Fantasy in Nederland]]></category>
		<category><![CDATA[Geschiedenis van een andere planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonisatie van planeten]]></category>
		<category><![CDATA[Vreemde wezens in de ruimte]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=324</guid>
		<description><![CDATA[Randa voelde zich misselijk worden van de zenuwen. Op het dorpsplein en het Hanebrood stonden tien pantserwagens, een kleine verkenningswagen en een jeep in een rij achter elkaar. Bij elke wagen stonden mannen en vrouwen in groepjes te praten. Bij een van de wagens stond Ramold die probeerde zo ontspanen mogelijk eruit te zien. Vlak [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=324&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p style="text-align:center;"><img class="aligncenter" title="Vaag" src="http://www.nashira.be/foto/foto800/FOTO_NASHIRA_2_6569484352.jpg" alt="" width="800" height="958" /></p>
<p style="text-align:center;">Randa voelde zich misselijk worden van de zenuwen. Op het dorpsplein en het Hanebrood stonden tien pantserwagens, een kleine verkenningswagen en een jeep in een rij achter elkaar. Bij elke wagen stonden mannen en vrouwen in groepjes te praten. Bij een van de wagens stond Ramold die probeerde zo ontspanen mogelijk eruit te zien. Vlak naast hem hield Berg Wamerhorn een oogje in het zeil. Hij was druk in gesprek met Randa’s vader. “Het is als een ontdekkingsreis vroeger op aarde, ver voor de Grote Bandeloosheid”, vond de Moden maar Berg haalde zijn schouders op. “Als het echt te erg wordt, wix ik om hulp te krijgen”, hij stelde er vooral zichzelf mee gerust. Evenmin als vroegere ontdekkingsreizigers had hij enig idee wat hem te wachten stond. Natuurlijk hadden ze de planeet ooit bekeken vanuit hun ruimtetaxi’s maar daarmee was niets duidelijk geworden van het werkelijke leven op Mende. “Ik hoop dat er iets te ontdekken valt”, liet hij zich ontvallen. “Stel je voor dat er op deze hele planeet echt helemaal niets te beleven is.” De Moden glimlachte. “We hebben het daar geloof ik wel eens eerder over gehad”, zei hij langzaam. “We hoeven darvoor niet bang te zijn. Volgens mij is dat het enige waarover Weemer en jij het eens zijn.”Berg knikte. “Je hebt gelijk en ik zal hem in de gaten houden”, zei hij op gedempte toon aan. “Kijk eens, vulde de Moden aan. “Als je het over de raak hebt, …”Weemer kwam met grote passen naar het tweetal toe. “Is het nu absoluut zeker dat er voldoende medicijnen en hulpmiddelen aan boord zijn?”vroeg hij. Weemer voelde zich als adjunct-expeditieleider verantwoordelijk voor onderzoeksapparatuur en wetenschappelijke magons. “We hebben toch gisteren nog de onderzoekswagen geïnspecteerd, Weemer”, vroeg Berg. “Je hebt toen kunnen zien wat er voorradig was? Volgens mij was je toen helemaal tevreden.” “Ja, ja, ja”, geeft Weemer toe. “Maar volgens Paup …… heb jij juist die wagen gisteravond nog helemaal leeg laten halen om de technische staat van de bepantsering in het middenstuk te onderzoeken.” Berg lachte. “Geen denken aan, Weemer, als de zaak eenmaal zit, zit ze. Dan ga ik de boel niet opnieuw in de war schoppen.”</p>
<p style="text-align:center;">Weemer luisterde nauwelijks naar de laatste woorden en beende haastig terug naar zijn wagen. “Ik denk”, zei de Moden ernstig, “dat je vooral Weemer en Ramold in de gaten moet houden. Over de anderen maak ik me weinig zorgen.” Berg knikte weer. Hij gaf de Moden een stevige hand en omhelsde hem. “Hou je haaks, blijf stevig op je plek. Uiterlijk over twaalf oeren ben ik terug.” “Dat is lang”, mompelde de Moden. “Maar ik vertrouw volledig op je.” Berg riep naar de chauffeur van de jeep die helemaal vooraan stond. “Oprukken”, schreeuwde hij luidkeels en hij maakte met zijn rechterhand een ronddraaiende beweging boven zijn hoofd. De chauffeur stak zijn duim op, sprong in de jeep en startte de motor. Manen en vrouwen in het hele dorp omhelsden elkaar. Randa stapte vastbesloten op Ramold af en gaf hem een zoen. “Ik wacht op je”. “Ik kom terug bij je”, beloofde hij terwijl hij voelde dat ze iets in zijn broekzak stopte. Hij vroeg niet wat het was omdat hij merkte dat ze haar best deed om het stiekem te doen. Hij maakte zich los en klom snel bovenop de pantserwagen. Terwijl hij met een hand zwaaide liet hij zich door het mangat zakken en even later klonk het gezoem van de elektromotor. Berg zat nu op de rand van het mangat van zijn eigen wagen en opnieuw maakte hij een ronddraaiende beweging met zijn hand in de lucht. De jeep reed als eerste hobbelend weg over het Hanebrood. De kleine bewakingswagen volgde en daarna reed de pantserwagen van Berg weg. Langzaam aan kwam de stoet in beweging. Er werd nog gewuifd, geroepen, kushandjes uitgestrooid en geschreeuwd maar een ding was zeker, de expeditie was op weg. Een paar kleine jongens renden achter de wagens aan, sommigen liepen zelfs voor de jeep uit maar dat duurde niet lang. De wagens verdwenen stuk voor stuk om de grote bocht in de weg. Het zou twaalf oeren lang een stuk stiller zijn in Aldemundt. Randa was nog een heel eind meegelopen en ze stond bijna onderaan het Hanebrood toen ze gewoon niet meer kon. Ze voelde haar knieen knikken en ze duizelde. Aarzelend keek ze achterom naar de weg die omhoog liep naar het dorp en dan liet ze har ogen weer over de velden glijden waar de larmen en de koeien stonden te vreten. Ze zag alleen de wachtpost die vanuit zijn bewakingswagen de omgeving in de gaten hield en erop lette dat de dieren niet te ver van het dorp wegliepen. Terug naar het dorp, dat was haar weg op het ogenblik in geen geval, ze zou de muffe geur opsnuiven van een groep dorpsbewoners die al tweeentwintig jaar als onbewegelijke mafkoppen op elkaar gepakt zaten. Opeens gingen haar gedachten weer uit naar Trimmen die bijna dagelijks pogingen ondernam om zich aan zijn dorp te onttrekken. Ze besloot het voorbeeld te volgen en stapte op haar onhandige schoenen verder naar beneden. Voorzichtig liep ze langs de rand van het grasland waar het langzaamaan naarboven liep tegen de berg op, waar een onbekende top op haar neerkeek. Ze kon zich niet herinneren in de afgelopen twaalf jaar ooit boven op die top gestaan te hebben. Misschien was er wel niet eens plaats om te staan. Misschien ook zou ze vanaf die plats de expeditie nog in de verte zien rijden. Ze keek nar de zuidelijke horizon waar inderdaad nog heel duidelijk een stofwolk te zien was. Ze repte zich naar boven en ook waar de begroeiing hoger was dan gras, stapte ze stevig door. De grond was ongelijk en er zaten veel gaten en kuilen in de helling. Ze moest erg opletten om haar enkels niet te verzwikken. Ze zag plantjes die ze in en om het dorp nog nooit had gezien. Hoge stelen met hyacintachtige lange stelen en bloemen met rode en groene bladeren. Ze zag ook een tor, het dier leek zo van de aarde te komen al kon Randa het aantal spichtige pootjes niet goed tellen. En een salamander met zes poten en zonder staart. Het leek wel of er op deze bergrug al een heel nieuwe planeet begon. Eindelijk bereikte ze de top en die bracht haar een grote teleurstelling. Aan alle kanten stonden hoge planten en bomen en van de omgeving was niets te zien. Daarom liep ze zonder aarzelen tussen de bomen door en eindelijk bereikte ze de rand van de berg. De lucht was helder en het kostte haar geen moeite om de lange slang van pantserwagens te herkennen. Als een groene sliert kroop ze door het landschap. Een steeds groter deel van de wagens verdween achter stofwolken maar een stukje van de tweede pantserwagen kon ze nog zien. Daar zat Ramold aan het stuur. Ze bleef kijken totdat de wagen helemaal verstopt raakte achter het stof.</p>
<p style="text-align:center;">Langzaam aan begon ze aan de weg terug. Hier aan de zuidhelling waren de bergen nog stijler dan verder naar het dorp toe. Toch viel het haar mee dat ze geen enkele keer last had van hoogtevrees. Het leek wel of er aan de afdaling geen einde kwam maar plotseling hoorde ze stemmen. Verrast keek ze om zich heen. Daar beneden stond een groep mannen en vrouwen met in het midden haar vader. De mensen riepen haar naam. Misschien misten ze haar en waren ze bang dat ze de weg kwijt was. Ze zwaaide met haar armen en schreeuwde zo hard ze kon. “Papa!” Hij scheen haar niet te horen want hij keek nog steeds naar de andere kant en opnieuw schreeuwde ze uit alle macht. Deze keer wees een van de mensen uit de groep naar haar. De mensen begonnen te juichen en sommigen maakten een dansje. Anderen wenkten dat ze snel moest komen. Waarom eigenlijk? Ze hadden haar toch nog nooit echt gemist? Meteen beet ze op haar lip en wist ze dat die gedachte wel erg oneerlijk was. Haar vader zou haar zeker missen als ze nooit meer thuiskwam. Ze deed nu wat meer haar best om snel naar beneden te komen maar erg vlot ging het nog steeds niet. Ondertussen begon ze zich losjes en trots te voelen. Zij was de eerste die het had aangedurfd de berg aan deze kant van het Hanebrood te beklimmen, zeker de eerste vrouw en van puur plezier begon ze opnieuw te zwaaien met haar armen. “Het is hier mooi”, riep ze luidkeels maar het was helemaal niet zeker of de mensen beneden haar konden horen. Eigenlijk deed het er ook niet toe. Zij voelde zich goed en dat wilde ze uiten. Iedereen mocht het weten. Ramold had weinig tijd om achterom te kijken maar van tijd tot tijd deed hij het toch even. Een korte blik boven het mangat uit vertelde hem dat de bergen van Aldemundt snel verdwenen. “He, jongeman”, klonk het van beneden. “Wil je even voor je kijken, straks zitten we tegen de achterkant van onze voorganger aan. Dan kunnen we meteen aan de sjouw. Niet leuk dus.” Het was de stem van Berg die hem terechtwees.</p>
<p style="text-align:center;">Berg zat op een stoel twee stappen achter de chauffeursplaats. Hij bestudeerde een magon met foto’s die ze twaalf jaar geleden hadden gemaakt vanuit de ruimtetaxi. Zo nu en dan krop hij even tot zijn middel dor het mangat om te kijken of het landschap overeenkwam met zijn gegevens. “Vanavond zien we de bergen van Aldemundt niet meer”, hij legde zijn hand op Ramolds schouder. “Dan zijn we echt op onszelf aangewezen. Beschouw dit maar als een spannende ervaring, je kunt er veel van opsteken en van leren.” “Maar ik zit met wat anders”, wurgt Ramold zijn mond uit. De woorden klinken alsof ze niet echt naar buiten willen. “Ik wil gewoon weer een vrij mens zijn, ik ben geen moordenaar, echt niet.” “Ik vrees dat er een ernstiger waarheid is waarmee we allemaal rekening moeten gaan houden”, antwoordde Berg. “Iets waaraan jij in je eentje niets kunt doen, misschien komen we er met z’n allen achter tijdens de expeditie. Trimmen en Weemer hebben een tipje van de sluier opgelicht. Als zij gelijk hebben, en die kans is groot, dan is het wel heel gemakkelijk om te bewijzen dat je niet schuldig bent. Het gekke is dat sommige mensen in Aldemundt je al jaren kenen en heel gauw bereid zijn om te geloven dat je een misdaad op je geweten hebt. Het zal ze meer moeite kosten om in te zien dat het niet zo is, bereid je daar maar op voor.” “Maar wat denkt u er zelf van?” Ramold keek de expedtieleider bijna hulpeloos aan. “Ik geloof dat het met jou heel goed gaat komen maar dan moet je beginnen met het stuur recht te houden.” De laatste woorden zij hij wat haastig en daarvor had hij een goede reden. Tijdens het achteromkijken was de wagen van Ramold, Berg en Weemer helemaal uit koers geraakt en hij reed nu snel op een inzinking in het vlakke land aan. Ramold trok uit alle macht de wagen weer naar links en de voorwielen rolden rakelings langs de rand van de diepte. Heel diep was het niet. Het hobbelige grondoppervlak vormde hier een grens met een gladde vlakte die hooguit een halve meter lager lag. De aarde was er nog steeds zo rood als bij Aldemundt maar kaler dan onderaan de bergen. Hier en daar groeiden struiken met lange en hoogopgaande wit-groene bladeren, verder naar het oosten doemden de contouren van een bos op. De grond was droog en hier en daar lagen grote brokken aarde. De chauffeurs moesten goed uitkijken want een botsing met zo’n brok aarde kon stevig aankomen en nog erger waren de gaten in de grond. Het leek wel of iemand brokken aarde uit de grond had gehakt om ze weer ergens anders neer te gooien. “Die kleine stukken raken verpulverd onder de wielen maar de grote omzeil ik liever”, zei Ramold. “Uitstekend”, antwoordde Berg. Hij stak zijn hoofd opnieuw uit het mangat en sprak door tegen zijn polstelefoon. “Ik wil vanmiddag zover mogelijk zien te komen. Het lijkt me een goed idee om de lunch over te slaan, als je honger krijgt kun je wisselen of eten en drinken achter het stuur. Er zijn gelukkig weinig tegenliggers. Als je toch van plan bent een keer te gaan stoppen, zet dan eerst vijf seconden het oranje knipperlicht aan. En denk erom, als je iets vreemds opvalt, rijd er dan niet overheen.”</p>
<p style="text-align:center;">“OK”, was het antwoord uit de jeep. “We hebben hier op het ogenblik een prachtige vlinder zitten. Het dier zit op de motorkap en lijkt wel gemaakt te zijn van een soort doorzichtig, oranje plastic.” “Hoe groot schat je het dier”? vroeg Berg nieuwsgierig. “Ik denk dat hij wel zo groot is als mijn hand. Het leuke is dat het dier zich helemaal niet schuw gedraagt. Het lijkt wel of hij het heerlijk vindt, zo op de motorkap.”. “Zo grot als je hand, dat is inderdaad een flink formaat”, meende Berg. “Ik zal het in elk geval melden aan Weemer. Kun je het dier nog meer beschrijven?” “Het is effen oranje maar ook een beetje doorzichtig. De bovenkant van de vleugels glimt en weerkaatst zelfs het licht van Osme. O, wacht even, hij stijgt eindelijk op. Hij gaat naar , hij gaat …. Het beest zit nu boven op mijn hofd”, klinkt de stem door de telefoon. “Niet toestaan”, is Bergs reactie. Jullie moeten van hem af, je weet niet wat hij gaat doen.” “Dat valt nog niet mee”, roept de chauffeur. “Het lijkt wel of het dier zich met een soort klauwen in Garmens haar vastklampt. Ik zet het licht op oranje.” Op de jeep begint een knipperlicht oranje te branden en even later staat de wagen stil. De hele stoet volgt het voorbeeld en mannen en vrouwen komen naar buiten om te zien hoe de chauffeur probeert de vlinder uit het haar van Garmen los te maken. De twee mannen in de bewakingswagen die vlak achter de jeep rijdt, komen te hulp. “Dat beest heeft ook al zes poten en aan elke poot zit een stevige klauw”, roept een van de mannen. “Maar wees voorzichtig, het dier is breekbaar.” Het is het werk voor fijne, soepele vingers. “Blijf stilzitten”, lacht Fiana Ettelbruuc die samen met Bonara Fap probeert het werk tot een goed einde te brengen. Met een verbeten gezicht houden ze de vlinder in de gaten. “Nog even en ik ga scheel kijken”, mompelt Fiana. Die woorden heeft ze nog niet gezegd of de vlinder stijgt op en fladdert weg. “En kijk eens”, roept Garmen. Hij wijst naar de lucht waar nu een hele zwerm oranje, blauwe groene en witte vlinders rondjes draait. De vlinder die zich van zijn hoofd heeft losgemaakt, vliegt naar het midden van de zwerm. De expeditieleden proberen het gewriemel van de honderden vlinders te volgen. De dieren snuffelen nu allemaal even aan de “vluchteling” en dan … als verjaagd door de wind zwermt de hele groep vlinders weer uit. Binnen een paar ogenblikken is er geeneen meer te zien. “Maar ik heb ze op magon”, grijnst Weemer van Hornhaaf. “We kunnen er zovaak naar kijken als we willen.” “Goede actie”, vindt Berg die nu met een verrekijker de horizon in alle richtingen afspeurt. Vergeefse moeite. De vlinders zijn weg en ze blijven weg. “Laten we gaan. We rijden nog een paar uur door en dan slaan we ons kamp op”, hij loopt terug naar zijn commandowagen en klopt Weemer een paar keer op de schouder. “Ik ben heel benieuwd naar die beelden.” Met grote stappen klimt hij op de wagen en even later laat hij zich door het mangat naar beneden zakken. Weemer komt haastig achter hem aan. “Het zou mooi zijn als we meteen een vergelijking met aardse vlinders kunnen maken”, vindt hij. Binnen in de commandowagen kruipt hij meteen achter zijn bureau. Eindelijk werk. Hij merkt niet eens hoe de stoet zich in beweging zet maar dat duurt niet lang. “Wat is dat voor herrie”, schreeuwt hij opgewonden. “Ik moet bijna mijn apparatuur vasthouden.” Berg wurmt zich vanaf zijn stoel naast Ramold naar binnen. “Het is verschrikkelijk”. Geeft hij toe. “Het lijkt wel of de grond hier uit allemaal bevroren golfjes bestaat. Het is een grot geribbeld plateau en de wagens rammelen bijna allemaal uit elkaar. Ik denk dat we hier niet verder komen dan zo’n 15 roden en het ziet er niet naar uit dat het beter wordt. We moeten er maar het beste …” Op dat moment bonkt de wagen verschrikkelijk en Berg stoot zijn hoofd tegen de gepantserde bovenkant. “Wat is dat nou weer”, roept hij maar zijn stem gaat verloren in een luid geloei dat nu van buiten komt. “De alarmtoeter van de jeep”, mompelt hij bezorgd. Hij legt zijn hand op Ramolds schouder. “Kun je zien wat er aan de hand is?” “Hmmm, een beetje”, antwoordt de jongen, zijn stem klinkt aarzelend. “De jeep staat stil, we moeten echt kijken wat er precies is gebeurd. IK geloof dat mevrouw Morgenthal deze kant op komt.”</p>
<p style="text-align:center;">Berg wringt zich achter het bureau van Weemer vandaan en hijst zich door het mangat. “Syfa”, roept hij. “Problemen?” “Nou en of”, de worden zijn alarmerender dan de klank van haar gebronste vrouwenstem. “Het hele landschap begint hier te hellen, we kunnen onmogelijk verder rijden. Garmen moet de wagen in de achteruit zetten maar dan moeten we allemaal ruimte maken want hij kan nu geen kant op en dat betekent op den duur dat hij naar beneden glijdt.” “Hoe erg is dat?” wil Berg weten. “We kunnen het niet zien. Het lijkt er op dat we plotseling aan de rand staan van een diepe afgrond. Dat was niet te voorzien.””Ik wil het zelf zien”, beslist Berg. “Maar laat iedereen inmiddels ruimte maken voor de jeep.” Hij kruipt door het mangat. “Alleen rijden als je plaats moet maken voor een ander”, beveelt hij Ramold. De jongen knikt. Hij bewondert de rust die nu van Berg uitstraalt. Het is duidelijk waarom hij leider van de expeditie is. Niets of niemand lijkt hem uit zijn evenwicht te kunnen brengen. Ramold laat de motor draaien en volgt met zijn ogen de beide expeditieleiders. Hij heeft geluk dat Berg en niet Syfa expeditieleider is. De hele familie Morgenthal was goed bevriend met de twee overleden jongens. Ze geven hem vast de schuld van de dood en beschouwen hem misschien wel als moordenaar. Het begint allemaal door zijn hoofd te spoken nu hij niets te doen heeft maar hij wil o zo graag van die gedachten af. Langzaam draait hij zich om naar Weemer. “Heeft u al iets moois kunnen ontdekken”, vraagt hij. De onderzoeker staart bijna bewegingsloos naar het beeld op zijn magon. “Misschien, misschien”, brengt hij er moeizaam uit. “Er kan nog van alles …. “Hij buigt zich dieper over de magon en laat de beelden een voor een voorbijflitsen. Met een hand wenkt hij. “Kom eens hier, kijk eens … “ Ramold voelt in zijn binnenste een gevecht opkomen. Voor zich ziet hij niets dan heen en weer rijdende en draaiende wagens terwijl achter hem Weemer misschien wel grootste ontdekkingen doet. Aan de andere kant kan hij zijn plaats nu niet verlaten. Elk moment kan het nodig zijn dat zijn wagen ook gaat rijden. “Ik kan ze nu niet in de steek laten”, zegt hij zachtjes maar Weemer haalt zijn schouders op. “Het is maar wat je belangrijk vindt.” Het klinkt kribbig. Even aarzelt Ramold maar een sterk gevoel om solidair te zijn met Berg Wamerhorn krijgt al gauw de overhand en dat blijkt maar goed ook. De pantserwagen vlak voor hem spuit plotseling snel naar achteren en maakt tegelijkertijd een grote bocht. Onmiddellijk laat Ramold zijn wagen in een schuine lijn naar links opzij rijden. Daar loopt het landschap iets omhoog zodat hij extra gas moet bijgeven maar op die manier kan hij een botsing voorkomen. Geschrokken zet hij zijn wagen aan de kant en zodra deze stilstaat hijst hij zich omhoog door het mangat. Met grote passen loopt hij naar de pantserwagen die de onverwachte manoeuvre uithaalde. Met een sprong staat hij op het spatbord en van daar schreeuwt hij door het mangat. “Waarom waarschuw je niet even voor je gaat rijden?” Uit het mangat verschijnt het gezicht van Paup Horn. “He, katelingetje”, roept hij. “Ik dacht dat een moordenaar niet zo gauw zou schrikken.”</p>
<p style="text-align:center;">Ramold voelt weer dezelfde woede in zich opkomen die hem ook overmeesterde op Demeravond maar vanuit een ooghoek ziet hij Berg die terugkomt van de voorhoede van de expeditie. Hij slikt zijn kwaadheid in en springt van de pantserwagen af. Berg zal hem niet dankbaar zijn als hij tijdens de expeditie ruzie gaat maken maar hij voelt hoe het bloed in zijn aderen kookt. Als het komende halfjaar steeds zo gaat verlopen, dan kan het nog leuk worden. Hoe moeten ze elkaar door de problemen helpen die vast nog wel gaan komen? “Goede actie van je”, klinkt de stem van Berg achter hem. “Je was er goed, alert bij. De wagens staan nu weer goed, we kunnen verder.” “Geen opnamen vanaf deze plek?” Ramolds stem klinkt verbaasd. Hij kijkt naar het landschap voor de stoet, de helling die plotseling weg lijkt te zakken in de aarde. “Onze opdracht is het in de eerste plaats om te kijken of er ook “mensen” op Mende leven”, zegt Berg. “We moeten onze magons niet te snel volladen en dan straks geen ruimte meer hebben voor bijzonderder gegevens.” Hij duwt Ramold lachend voor zich uit. “Kom op, we gaan rijden.” Ramold vindt het niet prettig dat Berg hem zo voortduwt maar hij zwijgt opnieuw, denkend aan een uitspraak van zijn moeder “zwijgen baart kunst”. Met een paar snelle sprongen is hij weer in zijn wagen. Hij kan het niet nalaten om even naar Weemer te kijken die nog steeds over zijn magon gebogen zit alsof er in de omgeving niets te zien is geweest. Er komt een grijns op zijn gezicht en fluitend Gaat hij achter zijn stuur zitten. Hij mag dan een kateling zijn maar een sobber zal hij nooit worden. Achter zich hoort hij Berg in de wagen springen en even kijkt hij de expeditieleider aan die hem nu heel begrijpen lijkt aan te kijken. “En route!” brult Berg. Ramold begrijpt de oude, vreemde taal niet direct maar het gebaar van Berg wijst erop dat hij wil rijden. Voor hem zet de stoet zich ok wbeweging. De wagens rijden nu langs de rand van licht- tot donkerblauw gesteente waarachter zich een mysterieuze afgrond lijkt te bevinden. Het meest bijzondere zijn de wolken die uit de afgrond boven komen drijven. “Ik denk dat we met een geiser te maken hebben”, Berg klopt Weemer op zijn schouder maar deze kijkt nauwelijks op of om. “Ja, dat kan”, zegt hij onverschillig. Berg haalt zijn schouders op. “Ik heb het gevoel dat we in een bijzonder gebied komen”, mompelt hij maar er komt weer geen reactie van Weemer. Ramold buigt zich inmiddels een beetje voorover want hij wil dor de wolken heen de bodem van de afgrond kunnen zien. Dat lukt niet al te best, het lijkt meer een bodemloos vat en daarin komt weinig verandering ook al buigt de rand nu naar rechts en bereiken ze een glooiende helling naar beneden. De grond blijft nog steeds ribbelig en hard zodat ze niet veel snelheid kunnen maken maar de wagens rollen nu duidelijk naar beneden. Deze keer gaat het niet meer om een scherpe rand die lodrecht naar beneden gaat, integendeel. Het lijkt wel of hier een wreg heeft gelegen als is het gladde oppervlak verdwenen. In een voortgaande flauwe bocht naar rechts dalen ze verder en langzaam aan trekken de wolken weg. Daarvoor in de plaats begint een heldere lucht te verschijnen waarachter zich reusachtige wanden van kobaltblauwe steen verheffen en niet alleen de wanden van het bodemloze vat zijn kobaltblauw. In de diepte ziet Ramold nu ook een vlakte in dezelfde kleur, of meer een platform. “Wat is dit mooi”, verzucht hij en even kijkt hij naast zich. Daar heeft Berg zijn plaats weer ingenomen. “Het is prachtig, ik denk dat ik helemaal naar beneden wil”, vervolgt hij. “Daar moeten we een stop maken. Ik weet niet of er “mensen” zijn maar het zou best een mensenwerk kunnen zijn.” Hij pakt uit de borstzak van zijn jas een klein rond apparaatje dat hij vervolgens tegen de onderste knobbel in zijn achterhoofd houdt, vlak boven de plaats waar hersens en ruggengraat met elkaar zijn verbonden.</p>
<p style="text-align:center;">“Een kypte”, lacht hij tegen Ramold die zo’n instrument nog nooit heeft gezien. “Het stimuleert mijn telepathische vaardigheden. Met zo’n kypte kan ik binnendringen in het denken van anderen zodat ik geen woord hoef te zeggen om mijn plannen om aan hen duidelijk te maken.” Ramold trekt een zuinig gezicht en tuit zijn lippen zodat hij een ongelovige uitdrukking in zijn gezicht krijgt. Telepathie, hij heeft er nog noit een bewijs van kunnen vinden en hij voelt nu ok de gedachten van Berg niet in zijn hoofd opduiken. “Ik merk er niets van”, zegt hij zachtjes. “Maar ik wel”, klinkt een stem achter hem. Verrast draait hij zich om waar in de priemende ogen van Weemer kijkt. “Vergis je nooit in de telepathische gaven van Berg”, waarschuwt Weemer. “Jij merkt niets omdat je de boodschap al kende, er kwam geen nieuwe informatie bij je naar binnen en dus beschouwden je hersenen het als overbodig. Of liever, je tweede lichaam wilde het niet opvangen.” Berg knikt. “Lang niet iedereen gelooft erin maar je zult zien dat de wagen voor je over enkele momenten gaat stoppen. We zijn namelijk bijna beneden.” Het kobaltblauwe plateau komt nu heel dichtbij.” Ramold had nu een enthousiast gezicht verwacht bij Berg maar het lijkt wel of diens gezicht even helemaal vertrekt van de pijn. Pas daarna komt er een brede glimlach op Bergs gezicht. “Hiervoor zijn we gegaan, mannen”, roept hij. De vor ste wagens komen nu allemaal tot stilstand ze zoeken een plekje naast elkaar op het plateau. Berg kruipt achter Ramold langs naar het mangat. Even blijft zijn hand op de schouder van de jongeman rusten. “Jij blijft bij mij in de buurt, voordat er problemen van komen.” Dan hijst hij zich dor het mangat naar buiten terwijl hij Ramold wenkt hem meteen te volgen. De jongen komt razendsnel in zijn spoor achter hem aan en daarachter volgt zuchtend en puffend Weemer. Ramold voelt een rilling door hem heen gaan. Meteen kijkt hij naar Berg en Weemer en ook zij lijken het te voelen. De hoge, blauwe wal voor hen straalt een vochtige kou uit terwijl aan de bovenste rand zich steeds weer nieuwe stoomwolken vormen. Minstens zo koud is de blauwe, bijna spiegelgladde vloer van het plateau. De vloer is opvallend glad in vergelijkign met de ruwte van de blauwe muur voor hen. “Het lijkt net alsof hier een grote bom is omgevallen die het hele wortelstelsel heeft meegetrokken.” De woorden van Berg klinken wel heel mysterieus. Het moet dan wel een heel grote boom zijn geweest want de blauwe wand zet zich zeker kilometers verder naar het westen en het zuiden voort. De expeditieleden staan daar, haast als vastgevroren aan de gladde grond. Het is bijna of alle nieuwsgierigheid uit hun lichaam is weggevroren. Berg is de eerste die een stap naar voren doet. &#8220;Ongelofelijk”, herhaalt hij. “Die ruige wand en die spiegelgladde vloer. Het is goed dat we goede laarzen dragen, anders zouden we nog onderuit gaan.” Zijn ogen speuren inmiddels de vloer van het plateau af. “Iets op deze plek moet het verleden van de planeet verraden”, meent hij.</p>
<p style="text-align:center;">Ramold begint nu ok verwoed over het oppervlak van de vloer te zoeken. Zou daar het geheim liggen en misschien is hij dan wel de eerste die een geheim ontdekt! Hi draait zich om, buigt zijn hoofd links en rechts en kijkt onder de meest vreemde hoeken. Plotselign klinkt een stem achter hem die hij goed kent. “Samen zoeken, dan vinden we misschien meer”, het is Belber Gondaan, zijn beste vriend. “He Belber, toen ik hier net stond, trok er een vreemde kou door me heen. Ik weet niet wat het was. “Dat hadden we allemaal, denk ik”, antwoordt Belber. “Het hoort bij deze plek. Ik kan me niet meer voorstellen dat op deze planeet geen mensen wonen, behalve wij en de mensen van Bixhoorn.” “Maar we hebben nog niets gezien”, Ramolds stem klinkt haast teleurgesteld maar ook een beetje wezenloos. Ieets anders heeft zijn aandacht getrokken. De vloer van het plateau is spiegelglad, maar misschien is het ook wel een soort spiegel. Hij laat zich op zijn knieën zakken. “Belver”, fluistetrt hij, “kijk hier eens.” Hij wijst naar een klein wit streepje op de vloer “Dit is, dit lijkt, waar heb ik dat toch eerder gezien?” Ramolsd kijkt zijn vriend vol verbazing aan want vlak onder het ovenste oppervlak staart hem een oog aan. Tenminste, het lijkt een oog. “Zulke tekeningen maakte het volk van de Pharaonen”, Belbers stem begint te trillen. Hij heeft het gevoel een grootste ontdekking gedaan te hebben. “De Pharaonen, ja”, knikt Ramold. “Ver voor de Holokosen, zo’n achtduizend aardejaren voor Arketan.” Hij heeft het gevoel dat hij Berg moet waarschuwen maar tegelijkertijd is hij bang dat het niets is, misschien lacht Berg wel om de vondst. “Zullen we het melden”? vraagt hij terwijl hij Belber vragend aankijkt maar deze krijgt geen tijd om te antworden. Een eind verderop stoot Syfa Morgenthal een gil uit. “Dit kan niet, dit is het, we zijn niet alleen”! roept ze bijna ontsteld uit. De andere expeditieleden komen nu naar haar toe rennen. “Dit kan geen toeval zijn.” Berg hurkt naast haar neer terwijl haar vinger over de blauwe vloer glijdt en een vorm maakt die duidelijk onder de bovenlaag te zien is. “Een pentagram”, Berg staat weer op en wenkt Weemer om dichterbij te komen. “Dit is voor jou”, lacht hij. Ramold heeft nu de pest in dat hij niet eerder heeft geroepen en zijn vondst als eerste heeft aangemeld. Nu gaat alle aandacht uit naar Syfa Morgenthal maar toch … hij zal het straks tegen de expeditieleider zeggen. “Straks, waarom nu niet?”vindt Belber. “Of zal ik het doen. Die Morgenthal kan me gestolen worden”, moppert hij. “Dat mens zit altijd iedereen dwars.” “Alleen ons maar, hoor, ons katelingen”, lacht Ramold. “En wij zijn een minderwaardige soort, we hebben geen geschiedenis.” Belber wordt rood in zijn gezicht. “Geloof jij in die onzin? Kom we gaan naar Berg, hij moet het weten. Straks loopt iemand anders er nog mee weg.” Ramold bijt zich op zijn onderlip. Aan die mogelijkheid had hij nog niet gedacht, het zou best kunnen dat een ander probeert hun vondst te stelen, iemand van de Morgenthals bijvoorbeeld. De familie is hier drie man sterk. “We doen het want deze vondst bewijst dat we wel een geschiedenis hebben en heel wat meer hebben gezien dan sommige mensen denken”, stemt Ramold in.</p>
<p style="text-align:center;">Zo onverschillig mogelijk slenteren de twee jongens naar Berg toe die nog steeds op zijn knieen bij het pentagram ligt en druk in gesprek is met Weemer. De jongens buigen zich nu ook over de afbeelding. Net als bij het oog lijken de witte strepen zich vlak onder het plateau te bevinden. “Dat is ook niet zo gek”, zegt Berg. “Ik weet bijna zeker dat dit geen steen is maar ijs. Het voelt koud aan en kijk eens …”Rondom zijn voeten en knieen beginnen zich plasjes te vormen. Belber laat zijn vinger door het vocht gaan en wil het drinken maar Berg houdt zijn hand tegen. “Pas op, niet drinken. We weten nog helemaal niet wat voor stoffen zich in dit water bevinden”, zegt hij. Belber laat zijn hand weer zakken en dan vertelt hij zijn verhaal aan de expeditieleider. Zijn stem klinkt zacht en gedempt alsof de andere expeditieleden niets mogen horen. “Waar”? wil Berg weten. Ramold wijst de plek aan waar ze het oog hebben gezien zegt hij zacht. Berg staat op en loopt vlug naar de aangewezen plek. De jongens vinden het feilloos terug. Deze keer komt er een volledig ongelovige uitdrukking op het gezicht van Berg. “Dit is te mooi om waar te zijn”, zegt hij. “Deze tekening is inderdaad volgens de stijl van de Pharaonen getekend. “Weemer”, roept hij weer. “Er is hier meer voor ons. Deze jongens hebben hier een schitterende afbeelding ontdekt. Dit kan geen toeval zijn. Er zijn hier dan misschien geen “mensen” maar in het verleden zijn ze hier wel geweest. Het is een plek om te onderzoeken. We slaan een kamp op.”</p>
<p style="text-align:center;">“Nou zeker”, deze keer is het Belbers stem die opgewonden over de omgeving klinkt. “Dat we dat niet eerder hebben gezien”, roept hij. Hij wijst naar de grote, blauwe wal. Met een hand houdt hij nu Bergs schouder vast. “Dit moet je zien.” De expeditieleider draait zich om en Belber zegt hem zijn vinger te volgen. Op de blauwe wand is een wonderlijk figuur afgebeeld. Een slangenkop kijkt Berg recht aan met twee lichtgevende ogen. Tot nog toe waren die verborgen gebleven achter de stoomwolken boven aan de blauwe wand. Daaronder is een slangenhals te zien met een mager lijf waaraan aan beide zijden een grote vleugel uitgespreid is afgebeeld. Onderaan het lijf is een staart als van een kangoeroe afgebeeld. De bek en de neusgaten van het wezen staan ver opengesperd en het lijkt alsof er uit de neusgaten een stof tevorschijn komt. Berg staat als aan de grond genageld. Hij weet zeker dat hier een belangrijke ontdekking te doen is. Het meer dan mansgrote wezen roept herinneringen bij hem op maar hij kan niet met zekerheid zeggen wat het is. “Weemer”, roept hij. “Kom kijken.” De onderzoeker spoedt zich nu naar de expeditieleider toe en volgt de van spaning trillende vinger van Berg. “Dat wezen, het zegt me iets. Hoe werd zoiets op aarde toch ook genoemd?” Weemers stem begint nu ook te trillen van spaning en verwondering. “Lang vor de Holokosen zijn er boeken geschreven”, zegt hij. “Daarin werd gesproken van vuurspuwende monsters die verslagen moesten worden. Draak werden ze genoemd. Maar het is een echt wezen van aarde, iets waarin mensen geloofden. De mensen moestebn de draak in zichzelf verslaan, hun angsten en twijfels. Dat was de eigenlijke bedoeling ervan. Het is een heel oud teken.” “Maar, in ’s hemelsnaam Weemer, hoe komt het dan hier op tien lichtjaren van de aarde?” Weemer verbergt zijn gezicht in zijn handen. “Het werk van Randa’s broer”? fluistert hij tegen zichzelf. “Maar waarom zou hij zijn tijd verdoen met het tekenen van een wezen dat hij waarschijnlijk nog nooit heeft gezien?” “Onwaarschijnlijk”, knikt Berg. Hij legt zijn hand op Weemers schouder. “Licht jij Syfa in. Ik ga de mensen bij elkaar roepen want we slaan hier ons kamp op. Wie weet wat we hier kunnen leren van de Mendlingen. Een ding is nu wel zeker, Weemer, ze bestaan.”</p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/324/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/324/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=324&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/10/04/het-begin/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://www.nashira.be/foto/foto800/FOTO_NASHIRA_2_6569484352.jpg" medium="image">
			<media:title type="html">Vaag</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Open ogen</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/09/27/open-ogen/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/09/27/open-ogen/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 27 Sep 2009 11:17:00 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Annalen]]></category>
		<category><![CDATA[Fantasy]]></category>
		<category><![CDATA[Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Lekker lezen]]></category>
		<category><![CDATA[Literatuur]]></category>
		<category><![CDATA[Mythologie]]></category>
		<category><![CDATA[Avontuurlijke vrouwen]]></category>
		<category><![CDATA[De angst van een moeder voor haar dochter werd zo groot]]></category>
		<category><![CDATA[Glazen plafond door de eeuwen heen]]></category>
		<category><![CDATA[Literaire ogen]]></category>
		<category><![CDATA[Onvrede van vrouwen]]></category>
		<category><![CDATA[Vrouwen met lef]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=319</guid>
		<description><![CDATA[ Die avond klonken de stemmen van de mensen nog laat op het plein. Het was al lang donker maar de warmte hing nog als een stoofgordijn boven het dorp. Twee jongens hadden hun liodin tevoorschijn gehaald en speelden het ene lied na het andere. Sommige kon Randa meezingen, andere kende ze minder. Ze zat met [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=319&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p style="text-align:center;"><img class="aligncenter" src="http://margo2704.punt.nl/upload/ogen03.jpg" alt="" width="400" height="369" /> Die avond klonken de stemmen van de mensen nog laat op het plein. Het was al lang donker maar de warmte hing nog als een stoofgordijn boven het dorp. Twee jongens hadden hun liodin tevoorschijn gehaald en speelden het ene lied na het andere. Sommige kon Randa meezingen, andere kende ze minder. Ze zat met haar rug tegen haar vaders schouder aan, op de grond. Zo nu en dan keek ze door het venster aan de voorkant van het huis naar binnen Daar vertoonde Ramold zich zo nu en dan eventjes. Hij wilde zijn vriendin niet bij zich binnen in huis houden/ “Ga maar, ik vermaak me hier binnen wel”, had hij gezegd. “Geloof me, er komt een tijd dat we weer samen buiten wandelen en zitten “Het komt goed met hem he, pap”, fluisterde ze tegen haar vader. De Moden knikte. “Met Ramold komt het goed”, zijn woorden klonken bijna als een belofte maar Randa wist dat hij die niet kon doen. Toch voelde ze zich gesterkt. Er waren zoveel vrienden en mensen die het goed met hen voor hadden. “Ik maak me meer zorgen om jou”, ging haar vader verder. “Wat bedoel je”, vroeg zij onzeker. Waarom maakte haar vader zich zorgen over haar? “Ik vraag me af wat je zelf verder van plan bent met je leven. Je hebt al een paar jaar geleden je school afgemaakt maar wat wil je nu? Ga je studeren of … “He bah, nee”, Randa trok een vies gezicht. “Pap, ben je naar Mende gegaan om je dochter te laten studeren?” “Nou daaraan is niets gek hoor”, viel haar moeder haar in de rede. Ik heb ook gestudeerd en ik heb er nog steeds plezier van.” Randa keek naar haar moeder die een eindje van haar vader met haar rug tegen de voorgevel van het huis zat. Ze breide. “Ja maar dat was op aarde, mam”, vindt Randa. “Daar was het leven al saai geworden en wisten mensen niets beters te doen dan te studeren. Maar hier, er is hier nog zoveel nieuws te ontdekken. Eigenlijk zou ik met Berg Wamerhorn mee willen, het onbekende tegemoet.”</p>
<p style="text-align:center;">Haar vader lachte. “Ik heb Berg moeten beloven dat je thuis zou blijven omdat Ramold meegaat. Hij wil geen moeilijk gedoe, geen extra strijd. Hij begrijpt dat je het moeilijk vindt maar hij kan de expeditie niet in de waagschaal stellen.” Randa kijkt haar vader diep in zijn ogen. “Zie je hoe alles wat mijn Hornich had moeten zijn, mij wordt onthouden? De man van wie ik houd mag niet bij mij zijn en ik ben gedoemd voor de rest van de tijd in dit dorp opgesloten te blijven.” Ze sloeg haar armen om zijn nek en legde haar hoofd op zijn schouder. “O papa, ik houd van je maar ik wil meer dan dit dorp. Er moet meer zijn.” Haar moeder trok een zuur gezicht. “Dit is waarvoor wij een groot deel van ons leven hebben opgeofferd en het is niet goed genoeg voor jou?” De Moden hief zijn hand op. “Ho, ho, ik begrijp Randa heel goed. Zij heeft haast niets van de aarde meegemaakt. Wij wisten hoe het daar was en wij wisten waarom we weg wilden maar Randa heeft eigenlijk nooit iets anders gezien dan het ruimteschip en dit dorp. We hebben haar horizon heel klein gehouden.” “Maar dat beschermt haar juist tegen verkeerde invloeden”, vindt haar moeder. “Mam, ik ben geen klein kind meer!”roept Randa nu uit. “Ik heb mijn eigen idealen en wensen. Misschien waren er goede redenen om niet op aarde te blijven maar ik heb genoeg van dit dorp, het is een gevangenis voor me. Ik wil merken dat ik leef en daarvoor is meer nodig dan alleen mijn directe, vertrouwde omgeving.” Haar moeder fronst haar wenkbrauwen. “” Ik heb altijd geleerd dat je eerst geestelijk volwassen moet zijn voordat je aan nieuwe dingen begint”, ze mompelt nu een beetje en kijkt met een oog naar haar man. “Het is niet goed om als maar van het ene naar het andere te renen zonder te beseffen wat je hebt.” De Moden knikt. “Dat is waar, maar ik denk dat Randa zolangzamerhand wel toe is aan iets nieuws. Het probleem is dat ik haar niet met Bergs expeditie mee kan laten gaan.” “Probleem!”de stem van zijn vrouw klinkt nu verontwaardigd. “Wil ji je dochter blootstellen aan allerlei onbekende gevaren?” Zij kijkt haar man ongelovig aan. “Nee, dat wil ik niet en het kan ook niet. We zullen iets anders voor haar moeten bedenken.” “O ja, pa,”Randa daagt haar moeder nu uit met haar stem. “Weet je iets spannends, iets nieuws, iets vol van gevaren?”</p>
<p style="text-align:center;">De Moden lacht niet. “Je moeder heeft niet helemaal ongelijk. Een eenzame tocht over deze onbekende tocht houdt veel gevaren in. We weten nog niet eens welke, denk maar eens aan wat er de afgelopen fdagen gebeurfd is. Daar begrijpen we nog niets van” “Maar Trimmen Hoferwenck, die mag het wel he? Die is niet jullie zoontje dus hij mag best gevaar lopen.” Meteen slaat ze haar hand voor haar mond. Hun zoon, daarover kan ze beter niet praten. Welten, haar broer, is drie jaar geleden kwaad het huis uitgelopen en nooit meer teruggekomen. Niemand weet waar hij is. Haar vader doet net of hij de plagerige opmerking niet heeft gehoord. “Trimmen. Dat is een meer dan volwassen man en bovendien een ontembare. Hij is nieuwsgierig zonder grenzen en kan zelfs nog lachen als hij sterft omdat hij nieuwsgierig is naar het leven na de dood. Trimmen heeft ooit eens tegen mij gezegd dat hij jaloers was op een vriend die overleed. “Hij leert nu een wereld kennen waarvan ik geen weet heb”, zei hij toen. Kan jij dat ook? Heb jij ook zoveel nieuwsgierigheid in je?” Randa slikte. Het was haar een beetje te machtig aan het worden. “Ik ga naar binnen”, zei ze eindelijk. “Ramold zit de hele tijd alleen.” “Dat is goed”, knikte de Moden en hij knipoogde naar zijn vrouw. “Ze gaat een nieuw inzicht opdoen”, fluisterde hij.</p>
<p style="text-align:center;">Trimmen was nu precies drie uur onderweg. Het landschap werd hier glooiender en er waren meer kleine beekjes die zijn wagen overigens zonder problemen “nam”. Sinds zijn vertrek uit Aldemundt had hij onafgebroken gereden maar nu begonnen zijn armen, nek en benen zeer te doen. Hij gaf een zwaai aan zijn stuur en liet de wagen stoppen naast een groep wit-grauwe bomen en struiken met een schubachtig soort stam. Trimmen had ontdekt dat deze bomen en struiken vooral in de buurt van Aldemundt voorkwamen. Het dorp lag hoogstens honderdzestig roden verder naar het zuidwesten. Bij Bixhoorn waren bomen en struiken meer groengrijs en ze hadden naalden zoals een den of een spar. “Kom op Obdoelkil”, zei hij zachtjes. “We gaan een eindje wandelen en een hapje eten.” Hij draaide zich om met kwam met zijn gezicht meteen terecht in de onontwarbare wolbaal die de kop van de tamer bedekte. Het dier likte hem als een hond in zijn gezicht. Met een forse klap stootte Trimmen het luik van de wagen open en hij hees zichzelf door het mangat. Obdoekil kwam meteen achter hem aan. Het dier legde zijn voorpoten op de bovenkant van de wagen liet toen zijn middenpoten volgen en gaf zich zelf met zijn achterpoten een duwtje omhoog. Het zag eruit als de bewegingen van een marionet: stijf en harkerig. Obdoekil stond nu naast zijn vriend bovenop de wagen. Trimmen was in twee grote sprongen beneden op de grond maar de tamer liet zich meer als een soort rups naar beneden glijden. Dat ging trouwens behoorlijk snel en Trimmen verbaasde zich erover dat ze bijna tegelijkertijd beneden stonden. Hij rekte zich eens goed uit en te zien aan de bewegingen, deed Obdoekil zijn baas na. Tevreden keek Trimmen om zich heen. Hij was gestopt op een stille plaats waar struiken en grassen groeiden en allerlei diertjes heen en weer vlogen. Trimmen nam aan dat ze net als op aarde op zoek waren naar stuifmeel. Het was benauwd en Trimmen trol zijn dikke overjas uit. De zon had een tijdlang recht op het platteland om hem heen geschenen maar nu begon ze toch weer naar de horizon in het oosten te zakken. De schaduwen werd wat langer maar het licht was hier wel heel fel en bleek. Een tijd lang liep hij rondjes, niet te ver weg van zijn wagen. Hij wilde het ding in het zicht houden, dat was een van zijn stelregels. Lange tijd keek hij alleen naar de strakblauwe lucht totdat een raak het beeld vertroebelde. De vogel vloog over en was duidelijk op zoek naar voedsel. “”Kom, Obdoekil, we gaan terug”, zei hij snel. Hij wilde liever geen prooi worden van een grote roofvogel. Samen met zijn trouwe kameraad besloot hij een lui plekje te zoeken dat half onder de wagen was. Zo zou het dier hem niet als prooi zien maar als onderdeel van de wagen. De raak cirkelde nog even boven hem en kwam een paar keer verder naar beneden maar gaf de jacht. Trimmen keek weer iets opgewekter om zich heen en plotseling schoot hem iets in het oog. Het gras was hier veel grauwer en bruiner dan in de omgeving en er bewoog iets, iets dat groter was dan een insect. Ja zeker, er bewogen Weemers. De aapjes waren hier met een grote groep neergestreken en vraten het hele grastapijt kaal. Niet de hitte maar hun geknaag had het gras aangetast. Trimmen bleef een tijd met zijn hoofd op de grond liggen zodat hij de beestjes kon volgen tijdens hun sloopwerk tussen de grasstengels. Het viel hem nu op dat de diertjes inderdaad handjes hadden zoals mensen en ook voeten. DE schedeltjes leken ook meer op een menselijk hoofd dan op een apenhoofd. Het voorhoofdje was naar verhouding erg hoog. De diertjes hadden opvallend lelijk dikke buikjes. Misschien was dat het gevolg van hun vraatzucht maar dat weerhield ze er niet van drukdoenerig verder te kauwen en ondertussen rare grimassen naar elkaar te trekken. ‘Beestjes om van te houden”, dacht hij maar de liefde duurde niet erg lang. Hij voelde ineens een stekende pijn in zijn rechter duim. Een van de mannetjes zag het waarschijnlijk voor een grasspriet aan. Hij probeerde naar het mannetje te slaan mar dat had niet het gewenste effect. Integendeel. Er klonk een hevig gesis in het gras dat Obdoekil snel deed opspringen en Trimmen zag al gauw waarom. Een grote groep Weemers stond rondom zijn gezicht en kwam dreigend dichterbij. Hij besloot het voorbeeld van zijn tamer te volgen want hij herinnerde zich plotseling hoeveel moordlust een groep mieren kon tentoonspreiden. Misschien was dat met weemers ok wel het geval. Hij stond overeind en de aapjes probeerden langs zijn broekspijpen omhoog te klimmen. Met zijn handen klopte hij de pijpen uit. Hij kreeg het gevoel dat snelheid geboden was. “Kom Obdoekil”, riep hij terwijl hij zo snel mogelijk op zijn wagen klom maar dat was niet meer nodig. “Ervaring he”, lachte Trimmen. De tamer zat al lang bovenop de wagen en was dor het mangat naar binnen gekropen. Trimmen volgde dat voorbeeld. Hij schroefde het luik op het mangat stevig dicht en schoof het venstertje voor zijn uitkijk ook dicht. De aapjes kropen nu al over de motorkap heen en weer maar Trimmen voelde zich niet meer bedreigd. Hij startte de motor en dat was de meeste wezentjes teveel. Ook al was het alleen maar het geruis van een elektromotor, voor de Weemers was het teveel lawaai. De wezentjes sprongen in groepen tegelijk van de wagen af. “Kom Ob”, zei Trimmen joviaal terwijl hij zijn arm om de nek van zijn tamer legde. “We zoeken een betere plaats.”</p>
<p style="text-align:center;">Door de vooruit van zijn wagen keek hij om zich heen. Osme stond nog boven de horizon en haar licht zou de omgeving nog lang overspoelen. Ze konden nog uren rijden. Trimmen haalde uit het kleine koelkastje een fles gome en hij pakte een glas dat al dagenlang in de houder bij zijn stuur stond. Hij blies in het glas en een stofwolkje dok eruit op. Hij liet een klein beetje gome in het glas stromen en kieperde daarna de inhoud over de vloer van zijn wagen uit. Veel andere mogelijkheden had hij nu niet. Het mangat openen was weemertjes lokken! Deze keer schonk hij het glas vol met gome en hij liet het koele vocht dor zijn keel stromen. Ondertussen keek hij voor zich uit. “Recht vooruit”, zei hij tegen zichzelf. Nog even keek hij om naar Obdoekil maar die had zich al weer in alle rust op de bodem van de wagen neergevlijd. Trimmen startte de motor en liet de wagen langzaam naar voren rijden. Met een bocht werkte hij zich een weg vanuit het struikgewas nar het kalere deel van de omgeving. Hij had zich voorgenomen helemaal door te rijden naar de noordkust. Voor alle zekerheid hield hij de bergen waar Aldemundt lag aan zijn linkerhand. Ze waren hier spitser ren kaler dan bij Aldemundt. Op die manier moest hij uitkomen bij het strand aan de noordkust van het continent. Juist dat strand interesseerde hem. Bijna niemand wist iets af van de kust en de zee. De laatste slok gome gutste uit zijn glas toen hij dwars over de bedding van het zoveelste beekje reed. Trimmen lette er niet op. Als hij eenmaal weer thuis was, zoude wagen aan een grondige schoonmaakbeurt toe zijn, dat was zeker. Terwijl de wagen met een kalm gangetje verder zoemde, veranderde het landschap opnieuw. Het werd vlakker en steniger. Nog steeds beheerste de rode steen van Aldemundt het landschap maar het leek net of de wagen nu over een soort grote parkeerplaats reed. Trimmen gaf extra gas en de wagen schoot een stuk vooruit. Hij kon hier aanmerkelijk harder rijden dan in het eerste stuk. Het was niet alleen vlakker mar ook kaler. Struiken stonden er nog wel maar de bomen waren zo goed als helemaal verdwenen. Ondanks de schrale grond scharrelde een grote kudde larmen. De dieren trokken de spaarzame slierten gras venijnig uit de grond. Ze gingen er vandoor in een golvende beweging toen Trimmen met zijn wagen voorbij kwam. De dieren waren heel duidelijk niet gewend aan verkeer ook al zoemde de motor maar zo’n beetje. Het waren er veel. Geen honderd of driehonderd maar waarschijnlijk meer dan duizend. Hun snerpende geluid vulde de lucht. De dieren waren doodsbenauwd voor het vreemde wezen dat hun passeerde. Een gevaar voor Trimmen betekende dat niet want ook de mannetjes-larmen gingen er in hoog tempo van door. De onderzoeker gaf nog meer gas en weer trok de wagen op. In de verte leek een nog grotere kudde larmen te grazen. Trimmen begon zich gelukkig en thuis te voelen. Hij was nooit opgewekter en vrolijker dan op het platteland. De natuur had altijd al zijn grote belangstelling gehad. Zo nu en dan passeerden ze opnieuw een beekje. Hij had geen reden om er te stoppen want zijn voorraad water was nog onaangetast maar de schaduwen groeiden en Trimmen wist dat het geen zin had om in de duisternis verder te rijden. De lampen aan de voorkant van de wagen waren weliswaar sterk maar licht- en donkerwerking kon op den duur heel verraderlijk werken en de ogen vermoeien. Liever zou hij het boek raadplegen in zijn …………… om een na te kijken wat er precies bekend was over het strand van de planeet. Hij besloot zijn gewoonte van de heenweg te volgen en een plek te zoeken die de wagen enigszins aan het oog van dieren en, wie weet, mensen onttrok.</p>
<p style="text-align:center;">Op een kwart rode afstand ontdekte hij twee rijen naaldbomen waartussen zich een opening bevond. Er was waarschijnlijk net voldoende ruimte voor de wagen, een ideale plek dus. Langzaam koerste hij op de uitgekozen bestemming af. Ondertussen merkte hij op hoe steeds meer vogels zich in de lucht verzamelden, alle soorten door elkaar. Er waren erbij waarvan hij nog niets wist zoals de knalrode vogels met gele kruisbek en de blauwgroene. Even nam zijn nieuwsgierigheid bezit van hem en drong zich de behoefte op de vogels met een verrekijker te bespieden maar hij bedacht zich dat het heel gauw donker zou zijn. Het zou niet veel opleveren. De wagen hobbelde nu naar zijn plaats tussen de bomenrijen en Trimmen drukte voorzichtig op het rempedaal. Een al te abrupte stop kon soms voor oncontroleerbare slippartijen en wendingen voeren op deze ondergrond. De planten die de grond bedekten vormden dan een appelstroopachtige substantie die alleen nog maar glibberig was. Hij duwde nu het luik van het mangat open en stak zijn hoofd naar buiten. Een zwoelige lucht met een frisse avondbries vermengde zich, Op aarde zou het een goede avond zijn geweest om in de tuin buiten te zitten. Even dacht Trimmen aan die onvergetelijke avonden die hij vroeger met zijn ouders en vrienden of vriendinnen had doorgebracht. Veel tijd kreeg hij daar niet voor want Obdoekil wrong zich stukje bij beetje door het mangat. Trimmen maakte nu plats voor hem en zijn trouwe kameraad mangat gleed soepel nar buiten en naar beneden totdat hij de grond had bereikt. “Je zult wel wat kwijt willen”, lachte hij. Hij voelde zelf ook de behoefte opkomen om even rond te lopen. Het was nu zaak om niet te ver van de wagen weg te dwalen. Voor alle zekerheid liet hij een klein lampje op de voormalige geschutskoepel branden. Het bleek een baken te zijn in de pikdonkere nacht. Vol bewondering keek hij naar de sterrenzee die op aarde zo zelden te zien was geweest. Andere sterren maar het waren er veel. Even gleed zijn blik af naar onzienbare verten in de richting waarvan hij wist dat de aarde er moest staan. De blauwe planeet was niet te herkennen. “Obdoekil”, riep hij. Niet hard want de stilte en de nacht hadden indruk op hem gemaakt. Het vertrouwde sleperige geluid van zijn vriend bleef uit. “Obdoekil”, herhaalde hij iets luider maar het leek of zijn stem op een mat pak van bladeren en mos viel. Hij trok een grote looplantaarn van de buitenkant van de wagen en liet het licht aanflitsen. Het verblindde hem eerst maar al gauw hadden zijn ogen zich gewend. Het dier was niet te zien. Hij deed nu een paar stappen tussen een van de bomenrijen door, verder weg van zijn wagen dan hij eigenlijk van plan was geweest. Misschien moest hij ook de etensbak van zijn maatje halen om mee te rammelen. Hij liet het licht van zijn lantaarn nu helemaal rond gaan en even meende hij een onbekende gedaante tussen de bomen te zien. Zijn lantaarn draaide terug maar de figuur was verdwenen. “Obdoekil”, herhaalde hij. Meteen hield hij zijn adem in om elk geluid uit de omgeving te kunnen opvangen. Er klonk een jankerig geluid als van een huilende zeehond. Op het gezicht van Trimmen kwam een glimlach, het dier leek meer op een hond dan hij had kunnen denken. Hij deed nu een paar passen in de richting van het geluid en riep opnieuw “Obdoekil”. Deze keer zag hij opnieuw een figuur in de straal van zijn lantaarn en meteen scheen hij op dezelfde plek. Het was Obdoekil die op zijn achterpoten stond. Met zijn midden- en voorpoten leunde hij tegen een bom en zijn ogen keken verlangend omhoog. Trimmen liet nu de lichtbundel omhoog gaan. Net buiten het bereik van de voorpoten van de tamer hing reen grote, zwarte bol in de bomen. Het leek sterk op een bijenkorf zoals die vroeger op aarde in gebruik waren geweest. Obdoekil had er klaarblijkelijk zijn zinnen op gezet. Trimmen liet het licht van zijn lantaarn rond de grote bol gaan maar hij hield er meteen mee op toen hij een steeds duidelijker gezoem uit het gevaarte hoorde komen. “Nu niet, Obdoekil, ik ga geen onderzoek plegen in de pikdonkere nacht.” Hij pakte het dier bij zijn hoofdvacht en trok hem met zich mee. “Kom, we gaan naarbinnen”. Hij wees naar boven waar het luik van het mangat nog steeds open stond. Onwillig en langzaam kroop de tamer tegen de wagen omhoog. Even aarzelde hij om meteen naar binnen te gaan. Misschien was het mogelijk om aan de andere kant weer van de wagen te springen maar de stem van Trimmen deed hem anders besluiten. Gehoorzaam klom hij naar binnen. Trimmen volgde hem en sloot het luik onmiddellijk goed. Gelijktijdig deed hij het binnenlicht aan en de buitenverlichting uit.</p>
<p style="text-align:center;">Hij voelde zich thuis en zag met plezier hoe zijn tamer zich oprolde vlaknaast zijn hoofdkussen. Veel ruimte was er niet. De slaapzak raakte bijna de hoofer******* Het was bepaald geen plaats om lange tijd met Randa te verblijven, een vrouw. Hij begreep zelf niet goed waarom Randa in hem opdook, Het jonge meisje had wel wat anders aan haar hoofd dan om te gaan met een veel oudere “wilde”man. Ze had Ramold, de onschuldige, jonge en smoorverliefde kateling. En toch … hij had het gevoel dat Randa en hij iets gemeenschappelijks hadden. Met een glimlach op zijn gezicht zette hij een bakje met larmsvlees, loderij en merkels in de regnator en daarna zocht hij onder zijn bed naar de etensbak van Obdoekil. Een lekkere larmsbot zou het dier zich niet laten ontgaan. Even later zaten de beide wagenbewoners ieder heerlijk te smikkelen en te drinken en liet Trimmen zijn ogen gaan over de informatie in zijn magon over de noordstranden van Mende. Veel was het niet en de slaap kwam gauw.</p>
<p style="text-align:center;">Randa woelde in haar bed. Ze lag te piekeren over de woorden van haar vader en over die van Ramold. Zou zij net zo nieuwsgierig kunnen zijn als Trimmen? Uit een behoefte aan weten en kennen geen angst voor de dood voelen? Ramold had daarop voor zichzelf wel een antwoord. Hij was te jong, zo zei hij, om veel over de dood te denken en er misschien zelfs een beetje van te houden. Natuurlijk, hij wilde alles weten over Mende maar dan vooral om op de onbekende planeet te leven. Het liefst wilde hij leven met Randa, dat had hij haar ook gezegd. Ze voelde zich daar wel een beetje huiverig voor want leven met een ander, dat zou zeker veel verantwoordelijkheid geven en veel gebondenheid. Ze rolde weer om in haar bed. Maar doodgaan, nee, eerst wilde ze weten hoe het leven in een echte wereld was. Tenslotte kende zij ook alleen nog maar een eng en bekrompen dorp en het ruimteschip. Van de aarde had zij geen herinneringen. Langzaamaan had ze het gevoel dat haar hele lichaam begon te kriebelen. Het was warm en benauwd in de slaapkamer en ze zou nu het liefste de geur van Ramold om zich heen hebben. Hem aan kunnen raken en tegen hem aan liggen. Weten dat er nog een toekomst was maar haar moeder wilde dat voorlopig nog niet toestaan. “Niet onder mijn dak”, zei ze steeds hoewel ze wist dat ze bij haar volwassen dochter niet veel te willen had. Toch gaf Randa toe aan de wens van haar moeder, ze voelde zich onzeker over haar eigen toekomst. Soms vroeg ze zich af of een leven met een ander samen voor haar wel mogelijk was, of het wel zo leuk zou zijn als het leek. Er was zoveel meer. Ze stond op en liep eerst een keer door haar kamer heen en weer. Daarna opende ze de deur van haar kamer en op haar tenen ging ze de trap af. Bijna viel ze in de hal over Sikke. Het dier begon enthousiast aan haar blote benen te likken. Randa glimlachte. Nu naar buiten? Misschien was het nog niet eens zo’n gek idee, het gaf haar een vrolijk gevoel en bijna huppelend ging ze de trap weer op. Een broek en een hemd, het was genoeg want zelfs de nacht was zwoel en heet. Twee tellen later liep ze weer naar beneden, riep ze Sikke en met haar kleine metgezel liep ze de voordeur uit. Dat ging gemakkelijk want deursloten waren in Aldemundt onbekend. Wie zou er inbreker willen zijn? Het leek of de lucht in het dorp bijna stil stond, alleen een zacht briesje doorbrak de zware hitte. Sterren en de vier manen beschenen de omgeving”Randa wees ze van links naar rechts aan: “Munke, Razebol, Endeman en Grik”, of was het Grik en Endeman”? Ze kom het nooit helemaal goed onthouden ook al had haar vader het tientallen keren verteld en had Ramold dat nog eens dunnetjes overgedaan. De namen waren afgeleid van de vier grote godenbeelden die een van de belangrijkste toegangswegen van Merkelborg, de hoofdstad van Helen, markeerden.</p>
<p style="text-align:center;">In de herinnering van de Helenen hadden deze beelden een legendarische betekenis en de legende van de vier goden was opgenomen in de Halden fan Gerinhaan. Randa had het verhaal honderden keren gehoord en ze voelde zich er goed bij. “Let goed op mij”fluisterde ze terwijl ze naar de manen keek. Haar voetstappen verbraken de nachtelijke stilte. De mensen hadden het dorpsplein verlaten na middernacht zodat zij morgenochtend het feest weer konden oppakken. Randa vond haar nachtelijke wandeling een feest. Zo alleen, zo stil, ze kon nu doen wat ze wilde. Niet ver van het huis van Weemer van Hornhaaf dwaalde ze van het pad af. Ze passeerde de buitenste straat van het dorp en naderde de oostelijke berghelling. Ze had nog nooit gehoord van vriendinnen die deze route hadden gekozen. Waarom eigenlijk niet? Goed, aan de westkant van de bergen lokte de zee maar aan de oostkant lokte haar nu een bos. Een bos dat ze al twaalf jaar kende en nog nooit had betreden. Het maanlicht speelde met de donkere boomstammen. Het was een wonderlijk spel doordat schaduwen en lichtstroken elkaar kriskras kruisten en verstoorden. Die wilde verstrengeling van licht en schaduw werkte betoverend, merkte ze nu. Het leidde af van details. Vlak voor haar voeten sprong een diertje weg. Juist door de betovering van licht en donker schrok ze ervan en bijna verzwikte ze haar enkel in een wilde poging om om te draaien. “Lafaard”, hield ze zichzelf voor. “Je wilt op ontdekkingsreis, ga dan!” Ze volgde nu de grote, bolle ogen van het diertje dat een spitse staart had en een lange staart met stekels. Het diertje was van haar niet erg geschrokken, het bleef in elk geval aandachtig naar haar kijken. Plotseling verdween het met een sprong in een boomstam waar het razendsnel omhoog kroop. “Een nachtboomstekel” lachte ze tegen zichzelf. Een ingewikkelde naam, het moest iets anders worden. Verder liep ze nu. Ze was drie rijen bomen gepasseerd en ze merkte hoe de grond onder haar voeten begon te hellen. Zou het hier snel bergafwaarts gaan? De duisternis voor haar bewees dat er een flinke schaduw lag en dat kon op een steile helling wijzen. Het begon hier nu echt riskant te worden want ze kon niets zien. Plotseling schuurde er iets langs haar wang. Het voelde zacht en toch stevig aan en het zwaaide vervaarlijk heen en weer. Dat kon ze horen aan het geritsel in de takken. Weer raakte iets haar gezicht. Met een hand voelde ze nu aan de linkerkant naast zich. Ze tastte met haar vingers. Het zwaaiende voorwerp leek op een grote boodschappentas, een ruwe bolster waarbinnen zich een zachte inhoud bevond die bewoog. Langzaamaan konden haar ogen het gevaarte onderscheiden. Het had de vorm van een bijenkorf en was donker van kleur. Een aanzwellend gezoem leek het zwaaien te begeleiden. Randa huiverde. Een ontmoeting met een volslagen onbekende, middenin de nacht. Wat zou haar vader doen, Ramold of Trimmen? Van de laatste wist ze het niet zeker maar de twee eersten zouden rechtsomkeert maken en dat deed zij nu ook. Steeds sneller begon ze te lopen en toen ze de aangestampte aarde van de buitenste straat weer onder haar voeten voelde, holde ze bijna. Ze passeerde het huis van Weemer van Hoirnhaf en keek achterom maar achter haar was nu niets meer te zien dan bomen en een paar huizen. Ze begon weer een beetje rustiger te lopen en langzaam aan begon ze zich weer op jhaar gemak te voelen. Waarschijnlijk was het niets bijzonders geweest! Teruggaan? Ze aarzelde maar dat duurde niet lang. In de deuropening van het huis van haar ouders stond iemand naar haar te kijken. Het was Ramold. “Randa, wat ben je aan het doen?” riep hij verbaasd. “Ach, ik kon niet slapen”, lachte het meisje en ze liet zich in zijn armen vallen. “Ik moest alsmaar denken aan al die nieuwe dingen die je straks gaat ontdekken.” “Je wilde mee’, lachte Ramold. “We gaan zeker een keer een tocht maken, met z’n tweeën”, beloofde hij. “Zo gauw mogelijk als ik terug ben.”Als je terug bent”, op Randa’s gezicht verscheen een angstige uitdrukking. “Dan krijgen we het hele gedoe nog en het ge … “Ramold legde zijn hand op haar lippen. “Dat komt goed, denk eraan”, hij sprak het uit als een belofte. “Laten we “nu eerst maar eens gaan slapen. “Nog een paar benen en we zijn op weg, net als de eerste koelere bries zich weer bij de stralen van Osme voegt.”</p>
<p style="text-align:center;">Randa knikte maar voor ze op haar tenen naar boven sloop, kuste ze Ramold lang, heel lang. Ze wilde voelen dat ze bij hem hoorde. Plotseling rende ze weg en ging ze de trap op. Die nacht droomde ze en één gezicht dook steeds weer op: Trimmen. Het waren de allereerste zonnestralen die</p>
<p style="text-align:center;">Trimmen ontdekte toen hij voor de vijfde keer door het venster voorin zijn wagen naar buiten keek. Hij had slecht geslapen. Steeds weer was er een stem opgedoken die hem onrustig maakte. Heel onrustig want zelfs Obdoekil had een plekje in de wagen opgezocht waar hij ongemakkelijker lag maar war hij ook minder last had van Trimmens bewegingen. Maar nu begon Osme terug te keren en Trimmen kon het niet laten om te fluiten. Er begon een nieuwe dag. Vandaag zou hij een belangrijke ontdekking doen, hij wist het zeker ook al kon hij het slaperige gevoel moeilijk kwijtraken. Hij keek nog eens goed door het raam naar buiten en probeerde het landschap beter te verkennen dan gisteravond. Hopelijk was er een beekje in de buurt war hij zich kon wassen. In dit gebied was het meestal een groot netwerk van beekjes en kleine riviertjes. Het heldere en meestal erg koude water van de stroompjes zou hem snel weer wakker maken. Een flinke kop kodelij zou zeker ook helpen. Hij keek naar Obdoekil. Het arme dier had zich helemaal achterin de wagen tussen het mellet en de konserber opgevouwen. Het was duidelijk, de middenpoten waren geen belemmering voor het dier om zich behaaglijk te voelen in een krappe ruimte. De middenpoten lagen tussen de voorpoten gevouwen en namen geen extra plaats in beslag. Trimmen liep weer naar voren en keek voor de tweede keer door het venster. Hij had zich niet vergist, precies voor de motor van de wagen stroomde een beekje. Niet groot maar er was genoeg water voor een wasbeurt. Osme begon het beekje inmiddels te verlichten en het water deed het zonlicht fonkelen alsof er een gouden band door het gras lag uitgestrekt. “Kom Obdoekil”, riep Trimmen. “We gaan even een kijkje buiten nemen. Uit een kastje onder zijn bed haalde hij een handdoek tevoorschijn. Hij trok zijn slaaphemd en -broek uit en kroop in zijn onderbroek dor het mangat naar buiten. Een beetje stijfjes en wankel stond hij boven op de wagen en hij wreef zich de ogen uit. Met een schreeuw als van een aap begroette hij de nieuwe ochtend en alleen een paar kleine dieren vluchtten weg van het water. Zespotige dieren met lange oren en een enkele had een uiterst lange neus of een hoge pluim op zijn kop. “Jullie ga ik ook nog eens goed bekijken”, beloofde Trimmen. Hij keek Obdoekil aan maar het dier had geen belangstelling voor de praatjes van zijn baas. Zoals gewoonlijk bewoog hij zich gracieus en soepeltjes naar beneden langs het pantserstaal. Trimmen sprong heel wat houteriger van de bovenkant op de motorkap en plofte daarna hard op het gras neer. Hij raakte zelfs even met zijn knieen de grond. “Hard is het hier zeg”, schreeuwde hij uitgelaten. Met twee stappen was hij bij het beekje en met zijn hand maaide hij door het water. Zoals hij al had gedacht, voelde het ijskoud aan en hij brulde opnieuw toen de eerste druppels over zijn rug en navel liepen. Steeds sneller schepte hij het water op en met steeds grotere hoeveelheden tegelijk liet hij het over zijn schouders plenzen tot zijn huid van de kou begon te tintelen. Daarna rende hij een rondje en daarbij trok hij zijn knieen hog op onder het zingen van een tekst uit een aards liedje over een rendier dat zijn moeder hem ooit had geleerd. Zij had hem verteld dat het liedje lang geleden werd gezongen bijeen belangrijk feest in het hartje van de winter, hoewel sommigen het lied ook in de zomer zongen. Het stamde uit tijden ver voor de Hornich. Trimmen vond het een leuk liedje omdat het zo gemakkelijk was om op de maat rond te dansen. “Rudolf was een mooi rendier, met een grote, natte neus”, zong hij. Eindelijk had hij genoeg van zijn rondedans en hij voelde dat hij nu echt moest opschieten. Obdoekil stond hem al van vanaf de bovenkant van de wagen aan te kijken en piepte zo nu en dan onbedaarlijk. De baas moest nu echt komen. “Maf beest”, Trimmen zwaaide naar zijn tamer terwijl hij zich afdroogde. Met zijn handdoek als een vlag in zijn hand sprong hij op het spatbord van de wagen en toen begon de moeizame tocht langs allerlei uitsteeksels weer. Hij gaf zijn tamer een duw en het dier kroop gehoorzaam naar binnen. Trimmen volgde hem snel en even later had hij zijn plaats achter het stuur al weer ingenomen. Daar kleedde hij zich meestal aan.</p>
<p style="text-align:center;">“Een kop kodelij”, schoot het door hem heen. Hij draaide zich naar achteren en maakte in zijn kleine pantry de drank klaar. Al gauw zat hij weer op zijn plaats. Hij duwde de stok in de klem die bij het mangat zat. Even vroeg hij zich af of het tijd was om te eten of om om te rijden. “Rijden”, beslot hij en meteen startte hij de motor. “Op naar het strand”, beval hij zichzelf. Hij liet het luik van het mangat openstaan en daardoor kwam er steeds een heerlijke, frisse windvlaag naar binnen, Trimmen vond dat een prima begin van een heel lange dag die voor hem leek te liggen met een uitzicht op nog veel meer larmen. Ja zeker, de Mendse schapen stonden in enorme kudden die zich tot in de verte uitstrekten. Trimmen dacht dat het er nu wel zo’n honderdduizend moesten zijn “Larmen, dat is het enige waarvan deze planeet beslist een overschot heeft”, maakte hij zichzelf wijs. “Een handvol mensen in Bixhoorn en Aldemundt is alles. Het lijkt wel of er hier niets is dat ook maar een beetje op ons lijkt. Ik weet niet of ik daarom blij moet zijn. Met een paar duizend mensen op deze planeet zou het wel eens heel erg eenzaam kunnen worden Aan de andere kant, voor de planeet zou het wel goed zijn, natuurlijk. Geen vervuiling, geen onnodige jacht, geen wreedheden …”, hij slikte een paar keer om te bedenken wat de andere voordelen zouden zijn. “Maar wees niet bang”, zong hij op een zelfverzonnen melodie. “Voordat er miljarden zijn, duurt het niet lang.” Grijnzend keek hij even boven het mangat uit. De frisse ochtendwind recht in zijn gezicht voelde heerlijk aan. Wat een onbedorven brok natuur! Er kroop een gevoel van intense tevredenheid in hem naar boven. Een gevoel zoals hij het op aarde nooit had gekend of … was hij dat vergeten? Het binnenland van Helen vertoonde toch ook een weldadige rust. Zijn gedachten verlieten de aarde weer en hij keek uit over het glooiende landschap waar de larmen zich te goed deden.</p>
<p style="text-align:center;">Een paar uur doorrijden zat er op die manier wel in of… niet ver voor hem uit strekte zich een gebied uit waar de witgroene kleur van het gras plaats had gemaakt vor een zwart-bruine kleur. Het leek een soort stip op een vlekkenloos tapijt wsant verderop hernam het gras zijn lichte kleur weer. Wat was hier aan de hand? Trimmen schoof iets naar voren op zijn stoel om de plek beter te kunnen bekijken. De weemers doken in zijn gedachten op maar hij kon de kleine aapjes nergens ontdekken. Zonder ernaar te kijken pakte hij de verrekijker van het dashboard voor hem. Hij tuurde door de beide glazen naar het gras maar er was geen beweging te zien. Geen weemers! Onwillekeurig draaide hij de kijker om zodat hij nu de kleine lenzen naar voren gericht hield waardoor alles kleiner maar scherper werd. Alles? Er was niets. Hij keek uit om een grijszwarte mist, volledig ondoorzichtig. Onbegrijpend liet hij de kijker weer zakken maar nu was er niets te zien alleen, de vlek leek zich uit te breiden en kwam steeds dichter bij zijn wagen. Plotseling begon er zich een ongerustheid van hem meester te maken. De grens tussen bruin-zwart en wit-groen naderde steeds sneller. Ongetwijfeld had hij hier te maken met een van de bijzondere verschijnselen van Mende, iets dat op aarde niet bestond en het verschrikkelijke van die gedachte werd hem maar langzaam duidelijk. Er was een amprose in opmars en het ding kwam razendsnel naar hem toe. Opnieuw keek hij dor de kleine glazen van zij kijker en de zwart-bruine mist was duidelijker dan ooit.</p>
<p style="text-align:center;">Zonder zich te bedenken trapte Trimmen op de rem. Hij liet de kijker vallen en schakelde in de achteruit. Meteen daaropp trapte hij het gaspedaal helemaal in. De wagen schoot achteruit. Eeven leek het of hij zich verwijderde van de bruin-zwarte vlek maar al gauw breidde deze zich nog sneller dan voorheen uit in zijn richting. Zelfs met vol gas kon hij de vlek niet voor blijven. Trimmens hersenen begonnen kortsachtig te werken. Moest hij zijn wagen hier aan de vraatzucht van de amprose obverlaten of was er nog een uitweg? In het uiterste geval moesten hij en Obdoekil de wagen razendsnel verlaten maar Trimmen hoopte dat zijn slimmigheid hem niet in de steek zou laten. In een opwelling gaf hij een stevige ruk aan het stuur naar links. De wagen reageerde langzaam maar makte toch in een flinke vaart een bocht naar links. De vlek leek hem niet meer te volgen mar Trimmen wachtte de gang van zaken niet af. Hij trapte opnieuw het gaspedaal diep in en dat was het ebste wat hij had kunnen doen want de vlek begon nu toch weer in zijn richting te kruipen. Onrustbarend snel ging het en Trimmen gaf opnieuw een ruk aan het stuur naar links. De neus van zijn wagen stond nu weer in de richting van Aldemundt. Trimmen schakelde snel in de vooruit en schakelde op terwijl hij gas gaf. De wagen maakte een scherpe boncht naar rechts en reed nu in de richting van de bergen. Hij hield het honderd meter vol en stuurde opnieuw naar rechts, na enkele meters weer naar links en nog een keer naar links en vol gas reed hij nu in de richting van de bergen totdat hij een heftige ruk naar rechts gaf. Hij hoorde hoe de vering kraakten en piepten. Een pantserwagen is geen skelter! Nieuwsgierig keek Trimmen nu over de rand van het mangat. In de richting van de vlek. Hij zag nu op een halve rode afstand het bruin-zwarte gras liggen maar het leek wel of de uitbreiding tot staan was gebracht. De amprose, wat het dan ook mocht zijn, was in verwarring. Dat was het gevoel dat Trimmen erbij had en hij moest ondanks de spaning hard lachen. “Een amprose verneukt”, schreeuwde hij zo hard hij kon. Obdoekil werd er wakker van. Trimmen hoorde het dier achter hem geluiden maken en hield draaide zich naar hem om. Voor het dier lag een dikke hoop braaksel. Het dier was misselijk geworden en staarde de baas wanhopig aan. “Ja, ja, wanhoop, die ken ik ook. Sorry, Obdoekil, we ruimen de zaak zo meteen op.”</p>
<p style="text-align:center;">Hij zuchtte want de zure lucht van het braaksel begon de wagen te vullen. Hij gaf opnieuw vol gas. “Eerst weg van die amprose!” en in stofwolken gehuld schoot de wagen opnieuw naar het noorden.</p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/319/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/319/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=319&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/09/27/open-ogen/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://margo2704.punt.nl/upload/ogen03.jpg" medium="image" />
	</item>
		<item>
		<title>Het schip</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/05/17/het-schip/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/05/17/het-schip/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 17 May 2009 15:16:14 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Een nieuwe aardbol]]></category>
		<category><![CDATA[Een nieuwe wereld]]></category>
		<category><![CDATA[ESA]]></category>
		<category><![CDATA[Gekoloniseerde planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonisatie planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonisten in de ruimte]]></category>
		<category><![CDATA[Leuk boek]]></category>
		<category><![CDATA[Leven op andere planeten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=314</guid>
		<description><![CDATA[     Het was nu 40 graden boven nul en geen Aldemundter kon zich een warmere dag in het dorp herinneren. De Osme-zomer brandde dit jaar wel heel erg op het land. En toch…niemand had er aandacht voor. In een lange stoet daalden de mannen vrouwen langs het bergpad naar het strand naar beneden. De [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=314&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p> </p>
<p> </p>
<p><img class="aligncenter" title="Hitte" src="http://data.weeronline.nl/html/images/weernieuws/image/Altocumulus.jpg" alt="" width="420" height="314" /></p>
<p> Het was nu 40 graden boven nul en geen Aldemundter kon zich een warmere dag in het dorp herinneren. De Osme-zomer brandde dit jaar wel heel erg op het land. En toch…niemand had er aandacht voor. In een lange stoet daalden de mannen vrouwen langs het bergpad naar het strand naar beneden. De handen op elkaar gevouwen alsof zij een brug vormden en de gezichten naar boven gericht. Voor hen uit droegen acht mannen de twee schepen die Trimmen en Weemer hadden gevouwen van doeken en lakens en waarin de dode lichamen van de twee jongenswaren verpakt. Lichamen? Randa durfde zich nauwelijks voor te stellen hoe de jongens er nu uitzagen. Ze keek met zich heen en ze zag dat er ook door anderen zo nu en dan een siddering ging. De mensen keken angstig en onwennig bij deze uitvaart. Letterlijk, een uitvaart of , Heleens, een merhaan. De Aldemundters waren gewend hun doden in een open kist naar het graf te dragen maar daarvan zouden ze in het vervolg af moeten zien. In plaats daarvan waren op de “schepen” schilderingen aangebracht van de jongens. Voorop liepen de familieleden van de jongens met de Moden, de usker, Weemer en Trimmen. De laatste had gewacht met zijn terugweg totdat deze droeve dag voorbij was. Hij was immers de aanstichter van deze gang van zaken en hij wilde daarvoor ook verantwoording afleggen als het nodig zou zijn. Randa dacht ook aan Ramold die als enige in het dorp was achtergebleven omdat hij niet uit zijn huis mocht komen. Bij deze uitvaart wilde hij liever al helemaal niet zijn want sommigen zouden hem opnieuw aanwijzen als moordenaar. Gelukkig, wist Randa, waren er nu steeds meer mensen die daaraan begonnen te twijfelen maar zijn onschuld, nee, die was nog bij lange na niet bewezen.De lucht was wolkenloos en hier en daar cirkelden vogels rond, vooral boven de zee om dan weer een steile duik naar het water te doen om een visje te pakken. In de verte, in het westen leek zich een wolkendek te vormen maar Randa wist dat die wolken weer zouden afdrijven, vooral naar het noorden. De Osme-zomer bracht Aldemundt steevast langdurig hitte. Daarom was het zo goed dat de dwijne en het andere graan nu van de akkers was verdwenen. Het zou er maar verkommeren. De voorsten in de stoet hadden nu het strand bereikt. Zij lieten zich de weg wijzen door Weemer en Trimmen. Op weg naar “het kanaal”zoals de smalle stroom verderop inmniddels in de volksmond heette. Plotseling keek Randa weer op. De wolken in de verte leken witter te worden dan eerder en ze leken ook steeds minder op wolken. Ze zagen eruit als schepen met opbollende zeilen. Het wit werd zilver en de contouren van de schepen zetten zich vast op Randa’s ogen. Zij zuchtte maar bracht geen geluid en zeker geen woord uit. Dit was niet het moment. “Gaat het nog goed?” Het was Syfa’s stem die zich bij haar gedachten voegde. “Zeker, het gaat goed”, Randa glimlachte flauwtjes. “Voor zover het goed kan gaan op een dag als vandaag. Im dacht even een beeld te hebben van het voorland van onze gestorvenen maar het zal niet meer zijn geweest dan een beeld.” “Elk beeld is werkelijkheid”, meende Syfa ernstig. “Als je ergens aan denkt, is het er al. Je moet het dan alleen nog maar naar je toe halen of van je afstoten. Het lijkt soms wel of dat hier op Mende nog meer geldt dan vroger, op aarde.” Ze hoorden nu van alle kanten steeds opgewondener fluisteren. Randa maakte zich los van de stem van haar vriendin en keek opnieuw voor zich uit. Het zilver was goud geworden en de schepen waren nu vlak onder de kust. Ook de anderen zagen de vloot liggen. Er ging een bewonderend gemompel door de stoet. Osme liet zijn stralen nu helder weerkaatsen op het water en op de zeilen. De zeilen flonkerden nog mooier dan het zonlicht vlak boven het wateroppervlak. Randa probeerde te zien of zij aan boord van de schepen ook figuren kon ontdekken maar er bewoog niets ook al bleven de zeilen bol staan. Zij voelde een wind die haar haren niet bewoog en waardoor ook geen jassen of rokken opwoeien. Maar zij wist het, ze was niet de enige die het zag. “”Mende toont zijn rijkdommen”, sprak de usker zachtjes. “Onze doden worden ontvangen door de planeet”, stemde de Moden in. “Wonderbaarlijk”, Trimmen keek met stralende ogen naar de zee en zag de gouden schepen naderen. “Dit heb ik in Bixhoorn niet zien gebeuren.”Hij stootte Weemer aan maar deze gaf geen antwoord. Hij voelde zich vertwijfeld. Op aarde hadden hij en talloze anderen al lang afscheid genomen van het bestaan van wonderen en nu … hier leek ineens iedereen erdoor te worden aangeraakt. “Op vallend”, ging Trimmen verder. “Wij komen van de aarde war we de wonderen hebben afgezworen en hier weten we allemaal zeker dat ze zich aan ons voordoen. Ik vraag me af … is het de onbekende omgeving, de geheime planeet die ons gevoelig maakt voor dit soort verschijnselen?” Het antwoord kwam deze keer van de Moden. “Waar wij op aarde soms moeite deden om verwondering te voelen, daar dient ze zich hier uit zichzelf aan. Wij hebben nog geen verklaringen gevonden voor dat wat zich aan ons voordoet en zie … we zijn meteen bezig met verklaringen te zoeken. Het zou mooi zijn als we tevreden konden zijn met de verwondering zelf.”Dat kon Trimmen niet ontkennen maar hij voelde in zich de drang om te verklaren. “Ik ben onderzoeker, wetenschapper. Ik wil kunnen indelen en onderbrengen, desnoods in het land der fabelen. Maar een verklaringloos aanschouwen. Dat is mij niet gegeven.” “Het gaat erom”, mengde Weemer zich nu in het gesprek. “Het gaat erom of een verklaring gewenst is. Je kunt niet waardenvrij verklaren en als de waarde geen belang vertegenwoordigt, moet je de verklaring nalaten.” De Moden glimlachte begrijpend. “Daarvoor is wel erg veel discipline nodig, Weemer. Het is de vraag of mensen dat ooit kunnen op brengen.” Ze stonden nu aan het “kanaal”. Het was nu tijd om de “schepen” in het water te zetten en ze naar zee te laten afdrijven. De Aldemundters richtten zich nu weer op de beide “schepen” en zij luisterden naar de stem van de usker. “Vaar wel en voegt u nu bij de vloot die de uwe is.” Zijn woorden klonken zo wonderwel toepasselijk. Had hij ze nu net ter plekke bedacht? De beide rollen dobberden over het water en de Moden gaf beide met een roeispaan een duw in de richting van de zee. Langzaam leken zij naar het diepe water te worden toegetrokken. Het was alsof de gouden vloot zich weer van de kust verwijderde maar Randa wist zeker dat vanaf elk schip een gouden draad liep naar de bundels waarin de jongens waren verpakt. Steeds sneller dreven ze naar de zee en eindelijk bereikten ze het open water. Daar begon op beide een vlam te branden, een vlam die groeide en groeide totdat hij de hoogte van een volwassen man had gekregen. Randa keek nu naar de ouders van de jongens. Zij hadden geen betraande gezichten meer en hun ogen straalden geen droefenis meer uit. Zij wuifden naar de bundels die nu verder op zee verdwenen terwijl de vloot weer van goud naar zilver kleurde. Het leek bijna of zij blij en opgetogen waren maar dat was natuurlijk niet zo. Toch had de verschijning van de gouden vloot een groot deel van hun onzekerheid en hun gevoelens van eenzaamheid verjaagd. Hier op Mende zou de dood nooit eenzaam zijn. Zij liepen nu met vlotte pas tussen de andere Aldemundters door en zij keken elke dorpsgenoot dankbaar aan. De Moden, de usker, Trimmen en Weemer volgden en zo begon de hele stoet aan haar terugtocht. De Moden zocht nu de ogen van Berg Wamerhorn. “We hebben afscheid genomen. Misschien was het nodig om op een goede, onbevangen manier kennis te gaan maken”, zei hij. “Je bedoelt natuurlijk de expeditie”, reageerde Berg. “Ik denk wel dat we vandaag allemaal iets hebben geleerd en daarvan kunnen we op onze reis heel veel voordeel hebben.”Hij keek opnieuw naar de zee. In de verte was alleen nog een wit wolkendek te zien dat langzaam afdreef naar het noorden. “Maar de boodschap is duidelijk. Morgen moeten we weer gewoon zakelijk aan het werk gaan en de dingen doen die hard nodig zijn. Morgen zal er geen gouden vloot zijn, tot op de dag dat we weer iemand naar zee brengen.” “Misschien”, meende de usker. “Misschien was dit wel de eerste en de enige keer dat we zo’n gouden vloot te zien kregen. De eenmaligheid van een verschijnsel maakt het niet minder waar dan de herhaling ervan.” “Hmm”, Weemer kwam nu dichterbij lopen. “Dat zou jammer zijn want eenmaligheid verplicht tot jet vastleggen van waarden en alleen daardoor al zal het licht verbleken.” “Nou”, begon Trimmen. “jullie klinken wijs maar ik zou vooral graag willen weten waar dit verschijnsel zijn oorsprong vond.” Weemer grijnsde. Hij had er een idee van maar het was veel te vroeg om daarover iets te zeggen. Randa had het gevoel dat ze zweefde toen ze bij Ramold aan de deur klopte, alsof ze de hele tijd in een droom had gelopen. Nog bovenaan het klif had ze over de zee uitgekeken maar de wolken weg. Tot ver aan de horizon reikte niets dan een effen, blauwe lucht. Ranold deed zelf de deur open en trok zijn vriendinzachtjes naar binnen. “Ik hoop niet dat iemand me ziet”m fluisterde hij. Randal glimlachte verlegen. “Wat zeg je //?”Ramold zag dat zijn vriendin er met haar hoofd niet bij was. Hij herhaal;de zijn opmerking niet. “Zal ik een glas pomeran voor je inschenken?”vroeg hij zachtjes. Randa knikte langzaam. Ze ging aan de grote, ronde tafel in de achterkamer zitten en liet haar hoofd op haar handen rusten. Haar lange haar hing nu langs haar schouders recht naar beneden alsof het een gordijn was. “Het was prachtig, Ramold, je moet me geloven. Ik weetr dat je er niet over wilt praten maar ik moet het kwijt. Het was zo schitterend. De manier waarop die beide “schepen” vanuit het “kanaal” naar de zee toe dobberden en toen … .” Ze slikte moeilijk. “Ja, en toen&gt;” Ramold kwsam nu met een glas met dezelfde zoete drank naast haar zitten en nam een slok. “En toen?”Randa keek hem met een oog zijdelings aan. “Je moet me beloven dat je me gelooft en dat je niet gat lachen.”Ramold legde zijn arm om de schouders van het meisje. “ Er valt in deze hele zaak voor mij weinig te lachen”, zei hij zacht. “Vertel op, wat is er gebeurd? Ik geloof je, ik geloof je altijd. “”Eerst leken het de gewone witte wolken die ’s middags wel eens naar het noorden afdrijven maar nu was het anders. Het wit werd zilver en de wolken namen de vorm van zeilschepen met bolle zeilen aan. Langzaam veranderde de kleur en het zilver werd goud. WE zagen het allemaal, Ramold, echt alle Aldemundters en zelfs Trimmen hebben het gezien. Ja zelfs Trimmen, die is toch behoorlijk ongelovig wat dat betreft. Hij kon zich er niet aan onttrekken. Het leek net of de gouden schepen de scheepjes met de doden uit het kanaal met zich meetrokken, ver de zee op.” Randa nam een slok van haar pomeran en draaide haar gezicht naar Ramold toe. “Toe zeg dat je het gelooft. “ Ze voelde zijn aarzeling maar zee bleef wachten tot het antwoord kwam. “Je hoeft niet zoveel uit te leggen”, zei hij. “Ik heb alles gezien. Terwijl jullie op het strand stonden, keek ik vanuit de zolderlamer over de zee uit en ook ik heb de gouden schepen gezien. Ik dacht eerst dat er iets mis was met mijn ogen maar ze werden steeds duidelijker en scherper omlijnd. Ja heus, ik de scptische Ramold, heb die dingen ook gezien. Ik zag ook hoe ze weer langzaam verdwenen en ik heb het lict gexzien dat flitste toien het laatste zeil in de lucht leek op te gaan. Het was wonderbaarlijk,m het was een wonder,. Verklaren kan ik het ook niet. Misschien raken we zolangzamerhand gewend aan dingen die we vroeger niet kenden. Het lijkt wel of daardoor ineens alles kan wat vroeger onmogelijk was. Ik heb me in elk geval voorgenomen nooit meer te lachen om iemand die mij iets zegt over een wonder.” Randa keek haar vriend nu ernstig aan. “Ik ben zo bang geworden ook al kreeg ik even hoop toen die gouden schepen kwamen.” “Ook ik ben bang”, gaf Ramold toe. “Ik heb geen idee waar dit allemaal zal eindigen maar ik geloof in ons.” Hij trok Randa dichter tegen zich aan en kuste haar langdurig. Ze gingen zo in elkaar op dat ze niet zagen hoe de kamerdeur even openging. De ouders van Ramold keken om de hoek. “Ik denk dat we beter even boven kunnen gaan zitten”, zei zijn vader tactvol. “Het voordeel is dat we daar nog even over de zee kunnen uitstaren en denken aan het beeld dat we vandaag hebben gezien. Wat mij betreft is Mende een bijzondere planeet. Ik ben blij dat we 22 jaar geleden hebben besloten de grote stap te wagen.” “En anders ik wel”, gaf zijn vrouw toe. “Dat was het dan”, Trimmens stem klonk opgewekt. “Ik ben hier al weer langer dan ikm eerst van oplan was. Het wordt hoog tijd dat ik weer op pad ga.” Hij keek naar de stralende lucht. “En waarom zou ik niet eens midden op de dag vertrekken.” “Jammer”, vond Weemer. “Ik had graag nog eens wat langer met je gesproken over een planeet met karakter.””Ach ja”, meende Trimmen. “En planeet met karakter, dat is de aarde ook maar een karakter is altijd het mooiste als we het aan het ontdekken zijn. Ik ga vanmiddag, Weemer. Denk je dat ik nog wat te eten kan krijgen in de winkel hier.”? Weemer maakte een wijds gebaar. “WE zijn hier geen achterggebleven gebied. In de winkel is alles wat je nodig hebt, vlees, graan, fruit, noem het maar op.” “Ik moet spullen hebben voor een week, denk ik. Tegen die tijd ben ik wel weer thuis.” “Doe je er zolang over”m Weemers stem klonk verbaasd. “Ja zeker”, stelde Trimmen vast. “OP de terugtocht mmaak ik een omweg. Ik ga eens op het strand kijken. Misschien kom ik nog wel meer van die duimgrote wezens tegen of misschien nog wel iets heel anders. Ik ga eens even kijken of ik nog een paar raadselen kan ontmoeten. Dan heb ik weer iets te doen als ik thuis ben.” Weemer keek hem onbegrijpend aan. “Maar het grootste raadsel zijn toch al die mensen die op een nieuwe planeet wonen. Hun gedrag, hun denken, alles verandert. Daarmee wil ik me in de komende tijd eens wat meer bezighouden. Waar komen al die veranderingen toch vandaan.” Trimmen antwoordde razendsnel. “Ik hoop dat ze veranderen want op aarde hebben ze er maar een beetje een potje van gemaakt. Het beste wat ze ooit hebben gedaan, is dat ze ons hebben laten gaan. Voor de rest was het allemaal niet zo bijzonder. Ik zou graag zien dat het hier wel iets moois wordt.” Het vrij kleine gebouw lag een beetje verdrukt tussen de tempel en de grote schuur aan de andere kant. Aldemundters haalden er dagelijks alles wat ze nodig hadden. “Waarmee moet ik eigenlijk betalen?”vroeg Trimmen maar Weemer stelde hem meteen gerust. “Ik denk dat jij helemaal niet hoeft te betalen. Je hebt vreselijk veel voor Aldemundt gedaan. Hier in het dorp betalen we trouwens nooit. Iedereen zet zich in voor de samenleving en hij kan in de winkel halen wat hij nodig heeft. De winkelier zorgt ervoor dat er voor elk steeds in voorraad is wat hij nodig heeft.” Trimmen keek er niet erg verbaasd van op. In Bixhoorn was de dagelijkse gang niet veel anders al spraken ze in de Modaal wel en over de invoering van een soort geld. Bixhoorn was tenslotte ook drie keer zo groot als Aldemundt. Tot nog toe hadden ze toch nog geen geld nodig want iedereen kende al zijn dorpsgenoten. Snel was hij klaar. Voor een week had hij in zijn entje niet veel nodig maar hij kocht wel veel verschillende dingen. Broodbessen, freesbrood,….melk en -kaas, vlees van de …., merkels*** , garonade****, zes flessen gome en gaddering en pollendop***** Weemer hielp hem de etenswaren naar zijn wagen te brengen. In de centrale grot haalden ze ook nog twee jerrycans met vijftig liter water. “Ik heb nog …….. aan boord. Het lijkt em dat ik het onderweg zo goed uit kan houden”, zei hij tevreden. “Zodra ik thuis ben, wix ik je. Als het meezit neem ik een paar van die kleinduimpjes mee. Ik wil beslist eens weten wat het voor wezens zijn en of ze met een mens kunnen samenleven. Misschien zijn het wel leuke dieren voor kleine kinderen.” Weemer lachte breed. “Je ziet het helemaal voor je he, een tafel vol met die apen.” Het woord was eruit Weemer was ervan overtuigd dat de duimkliene mannetjes en vrouwtjes een soort aap waren. “Apen, ja wie weet”, zei Trimmen langzaam. “Je zou best eens gelijk kunnen hebben. NMaar aan de andere kant, ik denk dat de dieren hier echt anders zijn dan op aarde, zelfs al lijke ze wel eens veel op een vogel of een hond.” Bij het laatste woord keek hij door de voorruit van het huis van Weemer. “Kijk, Obdoekil zit rustig op me te wachten. Hij komt nu naar het raam toe want hij heeft me herkend. Hij gedraagt zich vaak als een hond maar het is er geen. Welke hond knaagt er nou op wortels?” De mannen gingen het huis van Weemer binnen. Er hing nog de lucht van de dode raak die ij middenuin de nacht al eerder naar zee hadden gebracht. “Toen waren er geen goude”n schepen”, merkte Weemer op. “Toch vreemd, vroeger zei de RK-kerk dat dieren geen ziel hadden. Zou dat er iets mee te maken hebben.” Trimmen schudde wild zijn hoofd. “Ga nou niet de gebeurtenissen hier gebruiken om het gelijk te bevestigen van een kerk die zelfs op aarde al lang dood en begraven is omdat de mensen ziek werden van alle vooroordelen. “Mijn bet-bet-bet-over-overgrootvader was RK”, merkt Weemer zuur op. “In het jaar 2067 is hij overleden.” “Mooi”, haakt Trimmen daarop in. “En met hem stierf dat oubakken geloof van hem.” “Bijna wel”, geeft Weemer toe. “Honderd jaar later was het vergeten en versleten. Hij was eenn van de laatsten die er lange tijd aan vast hield. Tot op zijn allerlaatste dag.” “Hoe kun je dat wete”?”vraagt Trimmen nu. “Uit brieven en trouwens, Jorwert van Hornhaaf wordt in de geschiedenisboekjes genoemd…als handhaver van het pauselijk geloof. Ooit klom hij met een fakkel in de vorm van een kruis op de woning van de Paus, het Vaticaan. Onder het uitroepen van de kreet “eternitate vos peritis”, voor de eeuwigheid zullen jullie vergaan. Daarmee doelde hij op alle vijanden van het geloof en dat waren er vele in die tijd.” Trimmen lacht schor. “Ik begin langzaam aan heel veel van je te begrijpen, Weemer.” De Aldemundter keek hem argwanend aan maar ineens lichtten zijn ogen op. “O ja, en noem mijn naam niegt tegenover Syfa Hermondt-Degelaar want dan zal die spreuk ook voor jou gelden.” Trimmen laat nu een bulderende lach horen. “Maar ze zal naar je vragen.” “Zeg dan maar dat ik getrouwd ben en heel gelukkig.” Het antwoordt schiet als een pijl uit een boog op Trimmen af. “Mij best, maar het is een ondernemede dame. J hebt zomaar kans dat ze op een goede dag voor je duer staat.” “Als jij haar dan maar niet de weg wijst”, houdt Weemer vol. “Ook goed, wat je wil”, vindt Trimmen. Hij roept zijn tamer en draait zich langzaam om. Ik geloof niet dat ik nog kleren bij je thuis had liggen”, zegt hij. “Volgens mij ligt alles in mijn wagen. Ik zal straks nog even bij de Moden langs gaan om afscheid te nemen en dan ga ik.” Hij omelst zijn vriend stevig en kort en draait zich om. “Kom Obdoekil, we gaan weer op reis.” De grote, zware tamer lijkt zijn kop te schudden en kijkt zijn baas aarzelend aan. “Zolang aarzelde hij niet toen hij op een goede dag ineens voor mijn deur stond. Dat is nu drie jaar geleden”, lacht Trimmen. Hij wilde en hij zou beslist bij me naar binnen komen en toen heeft hij meteen mijn woonkamer in beslag genomen. Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Hij kan soms vreselijk veel herrie en drukte maken maar meestal ligt hij aan mijn voeten “ Ook Weemer moet nu lachen. “Hier in het dorp heeft alleen Randa een tamer. Het is maar een klein beestje. Ze heeft het diertje gevonden toen ze een wandeling langs het Hanebrood maakte. Het dier had daar een goed heenkomen gezocht en liep onmiddellijk met haar mee. Ze gedragen zich wel een beetje als de aardse honden maar ze zijn ook heel erg nieuwsgierig en van meet af aan aanhankelijk, geloof ik.” Trimmen knikt. “Dat kun je wel zeggen en soms zijn ze ook veel luier dan een hond. “Kom op, Obdoekil, de baas wil gaan.”Hij geeft het dier een stevige por aan de bovenkant van zijn middelste linkerpoot. Deze keer staat hij langzaam op en begint hij de hand van zijn baas te likken. Zwenkend over de hele lengte van zijn lijf sloft hij achter Trimmen aan. “Als hij eenmaal op gang is, hoef ik hem niet meer aan te sporen. Zodra ik wil gaan zitten, kijkt hij me weer aan of dat nou echt nodig is.Ik denk dat hij eigenlijk niet van verandering houdt.”” “Dat is nog nuiet zo’n gekke”, mompelt Weemer half-luid. “OK, Weemer, we wixen!” “Ja zeker”, bevestigt hij. “Maar over een dwindel ben ik op pad. Op zich is dat niet zo erg want ik ben waarschijnlijk gewoon via de wix bereikbaar, alleen zal ik niet altijd meteen antwoorden.” Trimmen steekt zijn hand nu omhoog en pakt de tamer bij een oor. “Even naar de Moden en dan gaan we weer, jong.” Even, ja, ja, dat had Trimmen gedacht. De Moden was deze keer in zijn kantoor dat meteen aan de tempel grensde aan het werk. Met grote stappen ging Trimmen naarbinnen. Dat ging gemakkelijk want de voor deur stond open en de Moden wenkte hem en zijn tamer. “Ik moet eindelijk eens wat papierwerk wegwerken”, zei hij. Hij hurkte bij Obdoekil neer en gaf hem een alachkoekje. Het dier slobberde de lekkernij weg en keek alsof hij nog veel meer verwachtte. “Papierwerk?” vroeg. Trimmen. “Zet nu niet alles vast op de magon******?” “Ja zeker wel”, gaf de Moden toe. “Maar ik noem het papierwerk. Dat heb ik zo geleerd. Ik ben een man van de oude stempel.” “Ja maar papier”, lacht Trimmen. Dat materiaal zien we normaal alleen nog maar in musea voor de oudheid.” “Het is de oude adel in mijn botten”, lacht de Moden weer. “Je moet weten dat ik vrij nauw verwant ben aan de prins. Ik ben tot nog toe het enige lid van zijn familie dat naar Mende is verhuisd. Maar. Vertel me eens, wat zijn jouw indrukken van Aldemundt?” Trimmen had die vraag niet verwacht en keek even de kamer rond. “Denk maar even na een neem een glas gome, dat vind je geloof ik lekkerder dan pomerans. “Klopt”, glimlacht Trimmen. Hij neemt een stoel, schuift dichter naar de tafel en krult zijn lippen. “Aldemundt is wel een beetje wat ik ervan had verwacht”, zegt hij langzaam. “De oudste nederzetting van Helen op Mende, u zei daarnet al, echte oude adel. Wel een beetje stijfjes en erg deftig. Niet echt mijn keuze.” De Moden knikt. Hij zet een glas gome voor Trimmen neer. “Ik kan je goed begrijpen. We moeten hier erg voorzichtig omgaan met de gevoelens van mensen. Natuurlijkw aren het oorspronkelijk allemaal avonturiers maar toen ze eenmaal voor het eerst voet op de bodem van deze planeet zetten, was er veel bravour vanaf. Niet de hoop is ons ontschoten maar de moed is wel een beetje weggevloeid. Veel mensen hebben hier nog steeds het idee dat we hier in een soort isolement leven, alsof er verder niemand is. Dat geeft een gevoel van eenzaamheid en het wekt achterdocht op. Wat voor noodlot hangt ons boven het hoofd?”Trimmen wil de Moden nu in de rede vallen maar deze blijft doorspreken. “Er zijn ook mensen die zich verheven voelen boven alles wat zich hij er aan onverwacht levende wezens zal kunnen voordoen. Voor zulke gedachten zijn vooral de katelingen gevoelig. Zij hebben immers geen vergelijkingsmateriaal, alleen de mensen en dieren aan boord van de Arketan. Het is mijn hoop dat de expeditie van Berg Wamerhorn daaraan het nodige veranderen. Het zal het gevoel van isolement vast en zeker doen verdwijnen.” Trimmen kijkt de Moden onderzoekend aan. “En uzelf?” De Moden staat op en loopt naar het raam. Het lijkt of hij geen antwoord wil geven en bijna wil Trimmen iets zeggen om de reactie te bespoedigen maar dat is niet nodig. Langzaam draait de Moden zich om. “Ik ben er een van het Huis van Telgen-Nespel”, zegt hij. Hij kijkt zijn bezoeker langdurig aan. “Een volle neef van prins Paup van Helen. Misschien wist u dat niet.” Trimmen knikt om aan te geven dat hij daarvan niet op de hoogte was. “Mijn vrouw is obdoelin Syfa van Ferdersveldt, hoge adel. Wij Telgens hebben ons nooit erg op onze afkomst laten voorstaan al zien mensen ons als helden. Dat is altijd een bindend element geweest en dat was voor mi en mijn vrouw ook een reden om naar Mende te gaan. We zijn niet beter dan andere mensen maar we hebben altijd wel meer kansen gehad om ons te richten op de Hornich en op de taak die ons erfelijk was toebedeeld, voorspreker en bindende persoonlijkheid zijn in een land vol wijze mensen waar toch ook verschillen bestaan. Paup is daarvan een goed en levendig voorbeeld. Ik heb mijn neef altijd op handen gedragen. Hij is vijf jaar ouder dan ik en was lange tijd een voorbeeld voor me. ”Trimmen wil de Moden nu in de rede vallen maar deze maakt een afwerend gebaar. “Ik heb nooit veel op gehad met onze erfelijke positie, dat was het grote verschil tussen mij en Paup. Logisch ook, hij is opgevoed als troonopvolger maar het verschil tussen hem en mij is niet zo groot. Ik ben wel heel erg doordrongen van het belang van een lange familietraditie. Als die goed is, kan ze staan voor goed leiderschap. In dat opzicht ben ik een echte aristocraat al probeer ik dat hier zoveel mogelijk te verheimelijken. Ik kan de mensen hier moeilijk beschouwen als mijn “onderdanen”Deze planeet is niet meer van mij dan van hen. Het is trouwens nog maar helemaal de vraag of dat “meer”op aarde wel bestaat maar daar wil ik het nu even niet over hebben.” De Moden leegt zijn glas nu in een teug en kijkt Trimmen vrolijk lachend aan. “Het is een hoop ernst bij elkaar terwijl er vrolijkheid hoort bij het afscheid van iemand die je graag mag want dat feest is het symbool voor de hoop op terugkomst. Je zult je afvragen waarom ik je dit allemaal vertel.” Trimmen drinkt met kleine slokjes zijn glas leeg want hij heeft al lang begrepen dat het geen zin heeft om de Moden in de rede te vallen. “Ik ben eigenlijk bang, Trimmen. Ik loop niet dagelijks rond met veel angst maar ik ben wel bang. Ik heb het gevoel dat Aldemundt ooit de ambitie krijgt om zich te ontwikkelen als de eerste en dus de enige echte vestiging van aardlingen. Dat er hier mensen zullen zijn die de rechten en behoeften van andere mensen op Mende zullen ontkennen. Dat er een superioriteitsgevoel ontstaat. Aldemundt is welsiwaar de kleinste van alle nederzettingen maar het gif kan zich heel geleidelijk over andere dorpen gaan verspreiden. Aldemundt mag geen heiligdom of middelpunt van de mensen op Mende worden. Juist Aldemundt niet. De mensen zouden gaan denken dat daarin rechtvaardigheid zit omdat we hier de eerste mensen op Mende waren maar darain zit geen rechtvaardigheid. Er zit een waandenkbeeld in.” De Moden pauzeerde nu even en Trimmen voelde de kans om te reageren. “Maar bent u daarvoor dan echt bang? Zijn er Aldemundters die de gedachte aanhangen?” De Moden stond op en begon opgewonden heen en weer te lopen door de kamer. “Ik hoor niet alles en ik zie niet alles maar …ik voel. Dat is mij als loot van het huis van Telgen-Nespel gegeven. Het komt met flitsen alsof er iemand berichten naar mijn hersens wixt. Nee, ik heb nog niemand erover horen spreken maar ik zie het aan de ogen van sommigen. Ik kan er niet eens meteen namen aan hangen maar het is een algemeen beeld dat blijft hangen en het maakt me bang, meer bang nog dan bezorgd. Bezorgd word ik pas als ik daadwerkelijke acties van mensen in die richting zie.” Weer pauzeert hij even: “Ik vertel het jou omdat ik wil dat er iemand buiten Aldemundt weet dat het gevaar bestaat. Dat er waakzaamheid geboden is, geen agressie maar waakzaamheid. Er moeten mensen zijn die goed luisteren en vooral goed begrijpen wat er gebeurt met ons mensen op Mende.” Hij kijkt Trimmen nu van de andere kant van de tafel zorgelijk aan. “Ik heb geen voorspellende gaven en ik ben niet helderziend maar ik voel wat er leeft onder de mensen die om mij heen leven. Jij kunt ermee doen wat je wilt. Je hoeft me niet eens te vertellen of je er iets mee gaat doen maar als je er iets mee doet, doe het dan goed.” Plotseling bekruipt Trimmen het gevoel dat de Moden hem een boodschap wil overbrengen waarvoor hij geen bewijzen heeft, Het is best mogelijk dat de Moden wel namen in gedachten heeft maar dat er nergens bewijzen voor bestaan. “Vreest u de ontwikkelingen binnenkort?” vraagt hij nu geïnteresseerd. De Moden kan aan hem zien dat hij zijn belangstelling heeft. “Deze ontwikkelingen hebben altijd heel snel en sluipend plaats. Je kunt zelden zeggen of het morgen komt of overmorgen. Ik denk dat het nog wel enige tijd zal duren, eerst moet zich een belangrijke gebeurtenis voordoen, bijvoorbeeld de terugkeer van Bergs expeditie en misschien ook iets anders.” “Verdenkt u Berg van zulke plannen?”vraagt Trimmen. Hij begint nrustig op zijn stoel heen en weer te schuiven. Zou het misschien ook nog de Moden zelf kunnen zijn die hem in een val probeert te lokken? De Moden glimlacht. “Berg? Er zijn geen mensen op wie het kwaad geen vat heeft maar als er een is die zich daartegen kan verzetten, dan is het Berg. Aan de andere kant weten we niet wat hij op zijn expeditie tegenkomt. Het kwaad zal zich vermoedelijk ook op deze planeet in de een of andere vorm ophouden. Ik denk niet dat Berg ermee wordt besmet maar anderen zijn er naar mijn idee gevoeliger voor.” “Misschien ik wel”, lacht Trimmen. “Ik ga straks via een omweg terug naar huis en ik weet ook niet wat ik tegenkom.” De Moden gaat weer zitten en schenkt de glazen gome en pomerans nog eens in. “Dan loop ik het risico voor duivelsoren te hebben gesproken maar die kans neem ik. Vertrouwen ligt aan het begin van elk succes.” Trimmen laat nu een half glas gome achterelkaar door zijn keel glijden. “U weet wel hoe u van iemand afscheid moet nemen”, grinnikt hij. “Maar ik kan niet zeggen dat ik het onaangenaam heb gevonden. Ik deel uw vrees gelukkig niet maar dat betekent niet dat ik uw raad niet zal opvolgen. Ik zal uiterst waakzaam zijn en als in Bixhoorn het kwaad opduikt zoals u het heeft geschilderd, dan zal ik me uw opmerkingen des te sterker herinneren. U heeft een bondgenoot.” Trimmen staat op en steekt zijn hand uit. “Het spijt me, ik moet nu gaan maar uw streven is me duidelijk en ik kan me daarin heel goed vinden. De wix is er goed voor en een uitstapje naar Aldemundt is geen gekke gedachte. Ik heb trouwens nog een brief voor u bij me.” Hij haalt een brief uit de binnenzak van zijn zware bruine buitenjas. De Moden trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op maar neemt de brief graag aan. Voorzichtig maakt hij het lintje om de papierrol open om vervolgens de brief open te rollen. “Een brief van Agbert Radeluck!” er klonk iets vrolijks in zijn stem, alsof hij voor het eerst weer een mens zag. “Moden van Bixhoorn, nou daar hebben jullie een goede aan!” “Dat hebben we zeker”, Trimmen hoorde dat hij een licht verbazin g over zoveel vrolijkheid niet kon onderdrukken. “Wist u niet dat hij Moden van … “ “Ja, ja, ja, natuurlijk wel”, viel de Moden hem in de rede. “Maar we hebben nooit contact gehad sinds hij hier is. Hij vraagt of ik een keer naar Bixhoorn wil komen met een aantal Aldemundters. Maar natuurlijk wil ik dat. Trimmen, wil je een boodschap voor me aan hem overbrengen?” “Zonder meer”, reageerde Trimmen. “Zeg hem dan dat ik graag kom als de expeditie terug is en nadat we kennis hebben genomen van de eerste bevindingen van Berg. Ik denk dat het over een dikke halve chroon zover is.” “Uitstekend”, zei Trimmen weer. Deze keer dronk hij zij gome op en draaide hij zich om. “Als ik nog een beetje plezier wil hebben van het daglich, dan moet ik nu gaan.” De Moden begeleidde hem naar de deur. “Het ga je goed en laat wat van je horen”, zei hij nog op de drempel staande. “Dat zal ik zeker doen”, beloofde de onderzoeker die nu fluitend naar zijn grote, roze wagen terugliep onder de uitroep “ik kom er aan Obdoekil.” De roze wagen trok opnieuw veel bekijks. De mensen kwamen uit hun huizen en zelfs op de akkers stonden de laatste werkers nog te wuiven. Veel waren er niet meer want de granen waren bijna allemaal binnen. De Aldemundters wilden hoe dan ook toch allemaal nog die gekke, roze wagen zien vertrekken. Het viel niemand op dat Weemer niet langs de route stond om zijn collega uit te zwaaien. De Aldemundter zat in zijn werkkamer en boog zich over iets kleins, iets dat hij net uit zijn jaszak had gehaald en dat verschrikkelijk piepte. “Wees maar niet bang, ik zal je heus niet opeten hoor. Nee, daarvoor ben je mij veel te bijzonder. Maar ik zou je wel in aanraking kunnen brengen met een amproos. Misschien kun jij ze wel zien en ik niet, wie weet. Je moet toch ergens goed in zijn.” Hij rolde het kleine wezentje op zijn rug onder luid gepiep en plotseling voelde hij een scherpe pijn in zijn vinger. Het bloed stromde er uit. “Wat krijgen we nou? Doe jij dat, mormel? Het mormel rende inmiddels op twee pootjes luid krijsend over de tafel. Weemer moest kiezen tussen een druppel legeringszalf of een poging om het wezentje te vangen maar dat laatste ging hem niet goed af terwijl het bloed maar bleef stromen. “Ik zal het moeten stelpen”, riep hij woest uit en hij gooide een mes in de richting van zijn kleine opponent. Zonder veel succes. Met grote stappen liep Weemer naar zijn badkamer waar hij ook zijn medicijnen bewaarde. Zo miste hij het vertrek van zijn collega die breeduit zwaaiend naar de Aldemundters langzaamaan het Hanebrood afreed, op weg naar huis. Zijn roze wagen volgde de bocht naar links die het Hanebrood bijna aan het eind al zo’n elf jaar maakt en daarna was hij verdwenen. Randa was nog een eind achter de wagen aan gerend en zo zag zij de bezoeker als laatste achter de bomen verdwijnen. Ze zag nog net hoe hij een vlag uit de koepel van zijn wagen uitstak. Een groot blauw doek met een wit oog en zwarte pupil in het midden. Wat een kerel! Het bezoek van Trimmen had haar goed gedaan. Eindelijk had ze het idee gekregen dat Aldemundt niet de enige plaats zou zijn waarmee zij in haar leven te maken zou krijgen. Er was meer op Mende te beleven. De jaloezie die zij altijd tegenover haar ouders had gevoeld, week een beetje. Haar leven zou zich niet afspelen in een gevangenis zonder tralies en muren. Ongemerkt begon ze te neuriën. Het zou goed komen met haar en met Ramold, dat wist ze nu zeker. De eerste die ze op het dorpsplein zag staan was Berg Wamerhorn. Haar hart maakte opnieuw een huppeltje en ze had hem wel om de hals willen vliegen maar toch hield ze zich in. En toch, Berg Wamerhorn zou haar hoop verder waarmaken. Er was nog veel meer te beleven op Mende dan ze ooit had gedacht! Dat zou zijn boodschap zijn, ze wist het zeker.</p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/314/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/314/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=314&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/05/17/het-schip/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://data.weeronline.nl/html/images/weernieuws/image/Altocumulus.jpg" medium="image">
			<media:title type="html">Hitte</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>De grote roze wagen</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/04/26/de-grote-roze-wagen/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/04/26/de-grote-roze-wagen/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 26 Apr 2009 09:11:20 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Fantasy]]></category>
		<category><![CDATA[Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Lekker lezen]]></category>
		<category><![CDATA[Literatuur]]></category>
		<category><![CDATA[Buitenbeentjes]]></category>
		<category><![CDATA[Excentrieke onderzoekers]]></category>
		<category><![CDATA[Excentriekelingen]]></category>
		<category><![CDATA[Litereaire excentriekeling]]></category>
		<category><![CDATA[Omzwervingen]]></category>
		<category><![CDATA[Verre tochten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=309</guid>
		<description><![CDATA[  Het zweet droop Randa tappelings van haar voorhoofd. Ze werkte aan en stuk door terwijl de andere meisjes uit haar groep liepen te schreeuwen en te lachen. De dwijne-oogst moest deze week echt binnengehaald worden anders zouden de broodbessen verdrogen onder de hete zon. Dat zou verschrikkelijk zijn want dwijne, de broodbes, was de [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=309&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p style="text-align:center;"><img class="aligncenter" title="Afgelegen" src="http://www.actieve-reizen.nl/img/gfx_reis/Noorwegenfiets001.jpg" alt="" width="420" height="310" /></p>
<p style="text-align:center;"> </p>
<p style="text-align:center;">Het zweet droop Randa tappelings van haar voorhoofd. Ze werkte aan en stuk door terwijl de andere meisjes uit haar groep liepen te schreeuwen en te lachen. De dwijne-oogst moest deze week echt binnengehaald worden anders zouden de broodbessen verdrogen onder de hete zon. Dat zou verschrikkelijk zijn want dwijne, de broodbes, was de meest geliefde graansoort van Aldemundt. Ooit hadden de mensen gewoon gerst gezaaid maar uit zommige aren was dwijne voortgekomen. Aan de aren zaten grote, witte bessen die je zonder bewerkign zo maar in de oven kon stoppen. Een beetje water erop en klaar was kees. Binnen een paar minuten bolden de bessen dan op tot complete broodjes, zo groot als bapaobroodjes. Je kon ze vullen met alles wat je lekker vond. De heerlijke geurige Mende-honing met zijn kruidige bijsmaak maakte de broodjes tot een lekkernij voor de zoetekauwen masar ook een vulling van vlees of kaas viel bij de meeste Aldemundters in de smaak. Natuurlijk, door de week aten de mensen meestal brood van frees, gombert of merkelbaert maar op de vrije dagen kwamen de broodbessen op tafel. “Hoi, ga je even mee, een beetje kodelij halen of iets frissers zoals zimmit?” een van de andere meisjes tikte haar op de schouders. “Het lukt echt wel om in de komende twee dagen de dwijne nog binnen te halen”, zei zij. “Moet je eens kijken hoe ver we zijn.” Randa knikte. “Je hebt gelijk, even deze stapel nog in de schaduw leggen. Dan loop ik mee.” De geplukte dwijne-aren mochten in geen geval in de zon blijven liggen. Na vijf minuten zouden ze helemaal verdord zijn. De andere meisjes bogen zich ook weer over het werk. “OK, nog even dan”, ze giechelden naar elkaar en raapten de losliggende dwijne-aren van het veld. Eenmaal klaar kwamen ze weer bij Randa staan. “Weet je waar Ramold is?”vroeg een van de meisjes. “Hij schijnt niet meer in de cel te zitten.” “Dat klopt”, antwoordde Randa meteen. “Hij zit weer thuis maar hij mag de deur niet uit.” “En hij heeft nog wel iemand vermoord”, zei het meisje weer. “Dat is nog helemaal niet zeker”, zei Randa weer maar iets in de stem van het meisje waarschuwde haar. Ze ging overeind staan. Er stond nu een kringetje andere meisjes om haar heen dan daar net. “Je denkt zeker met een moordenaar te kunne trouwen, he”, het meisje ging nu uitdagend voor haar staan. “Kijk wast ik doe”, ze tilde haar rok op, hurkte en begon te plassen, precies op de plaats waar de dwijne-aren nog maar net hadden gelegen. Er dromden nu meer meisjes om hen heen. Randa haalde haar schouders op en klemde de stapel aren steviger onder haar arm. Ze deed een paar passen in de richting van het schuurtje waar de dwijne werd opgeslagen maar het andere meisje ging weer voor haar staan. “Een van die jongens was mijn vriend”, haar stem klonk nu dreigend. “Wat heb je daar op te zeggen.” Randa deed weer een paar passen. “Ik ben er heel verdrietig over”, zei zij. “Maar ik kan niemand meer tot leven wekken.””Ik ben er heel verdrietig over”, bauwde het meisje haar na en ze begon aan Randa’s jurk te trekken. “Is dat alles wat je zeggen kunt, raakskuiken?” “Heb je geen spijt?” Randa ging nu rechtovereind staan en kwam wat dichterbij het meisje. “Ik ben er heel verdrietig over, dat is alle”.”Net toen het andere meisje uithaalde, stak Randa haar arm uit. Er klonk een gil. Met haar linkerhand greep het meisje naar haar rechter elleboog. “Je bent net zo gevaarlijk als dat vriendje van je”, beet ze Randa toe maar ze deed nu toch een paar stappen achteruit en haar vriendinnen volgden haar. “Kom”, zei een van hen. “We willen niets meer met dat mens te maken hebben. “Ik ben de dochter van de Moden”, kakelde een meisje nog. “Ik heb alles en jullie moeten je mond houden.” De groep meisjes rende nu schreeuwend van kwaadheid terug naar het dorp. Randa keek om zich heen. Het dwijneveld was uitgestorven. Het was op het heetst van dedag. Niemand werkte nog op het land. Even haalde ze diep adem terwijl ze vanaf de akker ver in de richting van de zee keek. Een paar ropenaren zweefden boven het water. Randa wist dat ze zonder enige moeite een half uur zo konden blijven drijven op de lucht maar zo nu en dan doken ze bijna loodrecht naar het oppervlak van de zee om even later met een spartelende vis in hun snavel weer omhoog te komen. Tenmisnte, Randa wist dat het zo ging maar ze kon niet precies zien wat voor dieren de vogels oppikten. Bij de ingang van het dorp stonden Syfa, Aquia en Bonara op haar te wachten. “Waar bleef je nou zolang? vroeg Syfa”verbaasd. “Weltje en Ralien waren vervelend”, mompelde Randa een beetje binnensmonds. “Weltje zei dat Ramold een moordenaar was en ze wilde me een klap verkopen. Toen heb ik haar elleboog uit de kom geslagen of zoiets.”Aquia begon te lachen. “Net goed, als ik haar tegenkom, zal ik het nog eeens een beetje over doen.” Álsjeblieft niet”, reageerde Randa vinnig. “Het is zo al moeilijk genoeg. Ik wil niet dat er nog meer ruzies ontstaan.” Bonara bromde instemmend. “Weltje was de vriendin van Garmen. Ik kan me best voorstellen dat zij van binnen kapot is.” “Jaaaa”, vulde Aquia nu aan. Nog erger is het dat Ralien meegaat met de expeditie. Nu is Weltje straks haar beste vriendin ook nog kwijt voor ene halfjaar. Ze zal nog onuitstaanbaarder worden dan anders.” “Gaat ze mee?” Randa’s stem klonk verbaasd. “En Ramold gaat ook al. Hoe moet dat samengaan? Kan Berg zoiets wel gebruiken?” “Als ze ruzie maken, dan zal mijn vader ze een lesje leren”, lachte Syfa. “Hij laat zich niet op zijn kop zitten door ruziende mensen.” “Dat kan best zijn”, vond Randa weer. “Maar hij heeft toch behoefte aan samenwerking, eenheid en vriendschap.?” “Laat dat maar aan hem over ..”verzekerde Syfa haar vriendinnen weer. “Maar horen jullie ook zo’n raar geluid.” De meisjes stonden nu stil. Ze waren doorgelopen tot aan de Hanebrood, de weg die naar Aldemundt velden voerde waar de koeien, schapen en larmen, die ondanks hub zes poten veel leken op schapen met een kleine slurf en horens, graasden. “Gewoon, een jeep of een grote wagen”, dacht Borana. Grote wagen was het dagelijkse woord in Aldemundt voor een pantserwagen. “Ze zijn vast aan het rondrijden met een wagen waar iets aan mankeert. Dat kunnen ze niet hebben als ze straks onderweg zijn.””Ja, ja, maar het ding klinkt anders dan onze grote wagens”, vond Randa. Haar ogen speurden nu de Hanebrood af. Het geluid leek aldoor dichterbij te komen achter de scherpe bocht die de weg verderop maakte. Ze hoefde niet lang te wachten want al gauw kwam de jeep van de veldwachter om de bocht en daarachter reed een grote wagen in de kleur roze. Randa en haar vrienden schoten onbedaarlijk in de lach. “Roze? Komt er een baby-grote-wagen aan?”gierde Bonara. “Dat moet ik zien.”De meisjes deden nu een paar passen naar de kant enn jieuwsgierig keken ze naar het opzienbarende voertuig. De bestuurder had het luik niet ver genoeg open staan om naarbinnen te kunnen kijken. “Kom, we gaan kijken”, lachte Randa en de meisjes renden achter de wagen aan. Langzaam aan kwamen meer mensen van de velden en uit de huizen of de bossen. Een roze grote wagen, dat was nog eens wat. Midden op het plein stond inmiddels Weemer van Hornhaaf een beetje zenuwachtig met zijn handen te gebaren. “Mensen, mensen, ga toch opzij. Het is gewoon bezoek voor mij.” Maar de meeste omstanders kwamen juist dichterbij. Zij wilden wel eens zien wat voor vreemd bezoek “hun” onderzoeker kreeg. De wagen stopte nu middenop het plein en Weemer liep al naar het portier aan de zijkant maar ook hij kwam bedrogen uit. Uit het mangat bovenin de wagen klom een roodharige man in een rood overhemd naar buiten. Ook zijn pofbroek was vuurrood en om zijn nek droeg hij een leren veter waaraan een grote vijfpuntige ster in rood en goud bungelde. “Hallo”, zei de man. “Ik ben een collega van Weemer en ik kom uit Bixhoorn. Mijn naam is Trimmen Hoferwenck. Randa en haar vriendinnen staarden de man aan alsof hij zon van een andere planeet, de aarde of zo, kwam. “Zijn alle grote wagens in Bixhoorn roze?”vroeg Syfa eindelijk. Trimmen glimlachte. “Ja, en de huizen zijn er paars met groene spikkels.”Hij wachtte even en keek of zijn publiek begon te lachen maar toen dat tegenviel ging hij verder. “Ik moet u teleurstellen, alleen mijn wagen is roze. Ja zeker, ik heb een eigen wagen en ik heb roze luximia gebruikt omdat ik er zin in had.”Met een soepele sprong belandde hij op degrond. Meteen omhelsde hij Weemer uitgebreid. Hallo, vriend, dat is wel heel lang geleden.””Ja zeker”, bracht Weemer er een beetje benauwd uit. “Wij hebben elkaar voor het laatst op aarde gezien”, tweeentwintig jaar geleden.” Hij draaide zich naar de omstanders om. “Trimmen was net iets te laat om met de Arketan mee te gaan en we hebben toen bij de ruimtetaxi afscheid genomen. Hij zwoer toen dat hij me na zou reizen en zo is hij in Bixhoorn terechtgekomen. De afgelopen jaren hebben we alleen maar naar elkaar gewixt maar nu zien we elkaar weer eens.” Trimmen keek met een grote glimlach de omstanders een voor een aan. “U bent allemaal heel aardig”, denk ik”, zei hij. “Maar ik moet nu even kennis gaan maken met uw Moden. Hij heeft er recht op te weten wie er in zijn dorp is.” “Niet nodig om je te haasten”, klonk een stem achter de kring mensen die nu uiteen week. De Moden kwam met grote stappen naar de bezoeker toe. “Ik zou wel ene heel slechte Moden zijn als je uw komst niet had opgemerkt.” Hij stak zijn hand uit en klopte de Bixhoornse gast op zijn schouder. “Weet dat u onze gast bent, van ons allemaal. Wij zullen erop toezien dat u hier een goede tijd doormaakt.” “Zeer vereerd”, antwoordde de onderzoeker. “I s er een plaats waar ik mijn wagen kan neerzetten”? De Moden knikte. “Dat kan geen probleem zijn. In de grot is vast nog wel plaats voor een wagen en bovendien, over een paardagen komt er ruimte genoeg.””Ik heb het gehoord”, de stem van de Bixhoorner klonk opgewekt en hard over het plein. “Wamerhorn gaat op expeditie, als ik het niet gedacht had.””U kent hem ook al?”vroeg de Moden verbaasd. “Nou en of, we hebben samen gestudeerd”, lachte Trimmen. “En alles wat daarbij hoort, dat hebben we ook samen gedaan.” Deze keer trok hij het portier van zijn wagen open. “Ik zal nu eerst mijn wagen parkeren en mij bij mijn goede vriend Weemer thuis gaan voelen.” “Ga uw gang”, stemde de Moden in. Hij deed een paar stappen achteruit en dat voorbeeld volgden de andere Aldemundters op het plein ook. Trimmen gaf gas en voetstaps volgde hij met zijn wagen zijn vriend Weemer die nu de weg wees naar de grot, nagest. Aard door de Aldemundters. Hier en daar mompelden de mensen hoofdschuddend over de roze grote wagen. “Zoiets kan toch niet. Zouden de mensen in Bixhoorn allemaal zo vrijgevochten zijn? En dan die naam, Trimmen Hoferwenck. Dat klinkt toch echt als een krul aan de tempeltoren!” Berg Wamerhorn zag er de humor wel van in. “Naast zo’n roze wagen zien mijn grijze wagens er toch wel heel wat beter uit”, lachte hij. “En vooral fatsoenlijker!” De naam Trimmen Hoferwenck vond hij heel wat minder belachelijk dan veel van zijn dorpsgenoten. “Zo heette hij ook al toen we nog in Helen woonden en toen lachte niemand erom. Een heel gewone naam dus”, hij riep het hoorbaarder over het plein dan anders. Misschien was hij ook wel een beetje aangestoken door het flamboyante gedrag van Trimmen. Maar ja, wat zou dat? “Wat een stel mufkuikens”, bromde Trimmen terwijl hij Weemer een stevige klap op zijn schouder gaf. “Ho, ho, het zijn wel mijn dorpsgenoten, vriend!”schaterde deze Mufkuikens, dat was een woord voor “dagelijks gebruik”. “Mij best, wat jij wil”, gaf Trimmen toe. “Laat me eens zien wat je hebt.” Weemer ging zijn vriend en collega voor naar het kale terras achter zijn huis en wees op de dode raak. “Nee maar”, Trimmen sloeg een hand voor zij mond en bleef stokstijf staan. “Daar heb je wat, Weemer”, mompelde hij. “Wat een lucht! Heb je daar helemaal geen last van?”De dode raak verspreidde de geur van een ouderwetse kruipruimte onder een huis. Vocht en bederf gingen erin samen. “Ik krijg het er behoorlijk benauwd van. Daarom laat ik het buiten liggen.””Het is nog maar de vraag of dat helpt”, bedacht Trimmen zich. “We moeten zeker weten dat het kadaver geen stoffen meer uitstoot. Ik heb een keer meegemaakt dat een lijk langzamerhand zichzelf deed opstijgen, in de allerkleinste stofdeeltjes. De gevolgen voor jou en omwonenden kunnen erger zijn dan bij hooikoorts. Koorts, jeuk, ademhalingsmoeilijkheden en zelfs longontsteking. In Bixhoorn zijn tweemensen ernstig ziek geraakt toen zij het kadaver van een larm, wij noemem dat trouwens een lerrem, te lang op het land lieten liggen. Het dier was op ene goede dag ineens dood terwijl de mensen op het land toekeken. Er was niets aan te doen, onherroepelijk.” ”En jij hebt dat onderzocht”? vroeg Weemer argwanend. “Ja zeker, samen met Born Gempelhorn ” zei Trimmen. “We hebben er samen aan gewerkt en daarbij kwamen we iets heel bijzonders op het spoor. Geef mij eens een natte doek om voor mijn mond te doen en bescherm je zelf daar ook mee. Op die manier kun je veel ellende voorkomen.” Opgewonden en haastig haaldeWeemer het gevraagde. Trimmen keek hem scherp aan. “Sluit je mond en je neus er voldoende mee af. Het is echt heel belangrijk”, waarschuwde hij weer. De beide mannen bogen zich nu over de dode raak. Trimmen tikte met zijn vinger tegen het dode lijf aan en meteen vloog een wolk van as weg. “Ik wist het”, hij knielde nu bij het dode dier neer en haalde een microscopisch vergrootglas tevoorschijn. “Kijk eens goed, Weemer, en vertel precies wat je ziet.” Nieuwsgierig knielde nu ook Weemer neer terwijl hij het vergrootglas vlakboven het verenpak van de vogel hield. Even leek het of hij bevroor. Er kwam geen woord over zijn lippen maar uiteindelijk veerde hij op en fluisterde hij. “Dat kan niet.” Trimmen keek hem lachend aan. “Ik ben bang dat het kan. Wat heb je precies gezien?” “Het leek wel of ik in ene grote berg van de kleinst mogelijke diertjes keek, je zou zeggen bacterieën.”Trimmen trok zijn vriend aan de mouw van zijn jasje mee en opende meteen de deur. “Je ziet wat ik ook al eens heb gezien. Het zijn bacteriën! Het zijn verschrikkelijke ziekteverwekkers. Ik ben bang dat sommige doden op deze planeet onmiddellijk het slachtoffer worden van een massa aan vraatzuchtige wezens, wezens die daarna de dood verder verspreiden.” Weemer keek hem verschrikt aan. “Sommige doden”? vroeg hij verbaasd. Trimmen knikte. “Ja mensen die gewoon overlijden vertonen deze verschijnselen niet. Het gaat steeds om wezens die zo plotseling dood neervallen en misschien is dat ook wel gebeurd bij de jongens waarover je het had in je wix. Ik ben er nog niet achter maar het lijkt erop dat er een soort bacterieconcentraties voorkomen op deze planeet. Ze ontstaan heel spontaan en als je ermee besmet raakt, is het niet best maar er is een geruststelling, je hebt er alleen last van als je er echt heel direct mee in aanraking komt. Wie er op een millimeter afstand naast staat, merkt helemaal niets. Dat is mijn idee. Ik heb die “wezens” “Amprosen” gedoopt naar Kerven Amprose, die bij me in de klas zat en waarmee ik altijd ruzie had.” “En was hij even onzichtbaar als de “wezens” waarover je het nu hebt?” vroeg Weemer in een poging om ontspannen te klinken. “Je hoeft niet ontspannen te doen, Weemer”, antwoordde Trimmen ernstig. “Ik ben doodsbenauwd voor ze want Kerven was zo breed dat ik hem al op hionderd meter aan zag komen. De Amprosen kun je niet zien”, horen of ruiken. Misschien kun je ze voelen maar dan is het te laat.” De mannen gingen aan tafel zitten en schonken zich een beker zafyr in. “Daar moet ik van bijkomen”, zuchtte Weemer. “Ik heb al heel wat onderzocht maar zoiets, ik weet niet of het waar kan zijn maar als je gelijk hebt, treft Ramold geen schuld.” ”Het lijkt erop.” Trimmen beukte met zijn vuist op tafel. Het is alleen de vraag hoe je dit aan de Aldemundters wijsmaakt, aan die mufkuikens. Hoe moet je die mensen in ’s hemelsnaam iets wijsmaken? “ Weemer kon niet anders dan zijn vriend gelijk geven en het leek hem dan ook beter om Trimmen’s verhaal voorlopig nog niet bekend te maken. “Bedenk een ding”, vervolgde Trimmen. “Als je dorpsgenoten je lief zijn, moet je die raak heel snel zien kwijt te raken.” En hoe doe ik dat? Uitstrooien over zee?” “Weemer”, begon Trimmen. “Je bent een echte wetenschapper. Verdrinken is inderdaad het beste. Wij hebben het voordeel dat ons dorp aan een delta ligt. Ik heb het materiaal met een stofzuiger opgezogen en in een forse, poreuze verpakking gedaan en zo in het water gegooid. Het dreef toen snel weg naar zee en raakte helemaal doordrenkt van water. Het vreemde waswel dat het pakket na een honderd meter plotseling begon te branden. Er bleef helemaal niets van over. Ik heb niet kunnen ontdekken wat daarvan de oorzaak was.” “Dan moet het ding maar in zee, van de kliffen rechtstreeks naar beneden. “Ik zou het pakket voorzichtig in het water laten takelen. Als het tegen iets aanstoot, gaat het open en dan heb je een nog veel groter probleem”, vond Trimmen. “En trouwens, je hebt me ooit gewixt dat de kinderen hier graag naar het eilandje Baalder of zoiets zwemmen. Daar mag dat pakket zeker niet in de buurt komen want ik ben bang dat het water er lange tijd door vergiftigd raakt. Bij onze rivier geeft dat niet zoveel omdat het water allemaal zeewaarts stroomt maar ik durf je niet voor te stellen om het hier in de Fluus te gooien. Het zou ergens aan de oever kunnen blijven hangen en als het met de stroom meegaat komt het in Bixhoorn terecht of in Navringen.” “Er is een probleem. Hoe krijg ik het materiaal ongemerkt bij het strand? De mensen zullen zich afvragen waarom we zo ingewikkeld staan te doen met dat dode beest.” “En niet alleen met het dode beest”, vult Trimmen aan. “Wat denk je te doen met de overleden jongens? Je kunt ze echt niet gaan begraven, hoor, dat levert besmetting op. Het zal niet meevallen om dat duidelijk te maken aan de mensen hier.” Weemer schrikt door de woorden van zijn vriend op uit zijn gedachten. Daaraan had hij al helemaal niet meer gedacht! “Een ramp, hoe heb je het in Bixhoorn gedaan?” Trimmen begint een beetje zenuwachtig te trekken met zijn neus. “Een slimmigheidje … of eigenlijk een truc. We hadden geluk dat Born niet veel familie had. Hij was een zonderling en niemand kende zijn voorkeuren precies. Ik heb toen met de Moden, Agbert Radeluck, afgesproken dat we Borns laatste wens zouden voorlezen voor de hele bevolking. Volgens die wens wilde hij niets liever dan op de oude Noormannenwijze naar het land over de horizon reizen. De mensen hebben dat geaccepteerd maar als de Bixhoorners ooit ontdekken dat het een opzet was …ik weet niet, ze zullen het Agbert nooit vergeven dat hij eraan heeft meegewerkt. Op zijn minst moet hij dan zijn baantje afstaan en natuurlijk ben ik dan ook mijn goede naam kwijt.”Weemer begint schamper te lachen. “Goede naam?” maar Trimmen knikt. “Nou en of, de Bixhoorners zijn trots op mij en mijn werk. Ik denk dat je er eens goed over moet praten met Paup Telgenheert. Je kunt zijn steun niet missen.” Weemer gaf geen antwoord maar hij kreunde veel betekenend. Geen haar op zijn hoofd voelde ervoor om een soort afspraak met de Moden te maken. Weer voelde hij die twijfel in zich opkomen, Paup Telgenheert als Moden. Het was niet zijn keus. Nasar zijn gevoel was de Moden bezig het rustige dorp uit te verkopen aan Mende terwijl het dorp hem zo lief was. Straks zouden er invloeden komen uit andere delen van het continent, misschien wel van andere volkeren. De kans dat er Mende-mensen op de planeet leefden was allesbehalve onaannemelijk. Hun gewoonten en tradities zouden zeker de rustige sfeer van Aldemundt gaan verstoren. De enige plek die de reinheid en onbevlektheid van een nieuw begin bevatte, zou teloor gaan. “Wat ben je stil, Weemer”, begon Trimmen weer. “” Ik denk heus dat je in overleg met Paup Telgenheert een oplossing kunt vinden.” “Ik heb die Telgenheert niet nodig”, het hoge woord was eruit. Trimmen schrok terug voor die uitbarsting. Hij begreep de plotselinge woede van Weemer niet. Onderzoekers en bestuur konden het over het algemeen goed vinden, tenmiste … dat was in Bixhoorn het geval. Wat was er voorgevallen tussen die twee mannen? “Bij de begrafenis heb je de Moden waarschijnlijk wel nodig en het probleem is dat je voor je terugkeer niet de werkelijke doodsoorzaak kunt noemen. De Moden zal daarvoor begrip hebben, lijkt mij. Je wil het toch niet allemaal in je eentje regelen?” Weemer kijkt zijn bezoeker aan. Ja, een bezoeker. Eerst zag hij hem als vriend, als medestander en als begripvolle collega maar nu lijkt het allemaal minder vanzelfsprekend. Is er dann iemand die ziet waar al deze roep om uitbreiding en grootsheid toe zal leiden? “Zijn er bij jullie ook al plannen voor een expeditie?” vraagt hij onzeker. Trimmen lacht breed. “Op het ogenblik niet maar er zijn er een paar die graag met Barg Wamerhorn mee willen, ik denk een stuk of zes. De barriere is de afstand tussen Bixhoorn en Aldemundt. Niemand kan van Barg vragen om een route langs Bixhoorn te kiezen. “Nee, dat kan niemand en het is ook niet nodig”, Weemers stem klinkt nu nog somberder dan eerst. “Misschien is het maar goed ook, waarom zou Bixhoorn zijn horizon willen uitbreiden. Je weet dat er altijd ellende van komt.”Trimmen schiet nu in de lach. “Kom, kom, niet zo somber. Wie in zijn huisje blijft zitten, wordt er op den duur ook niet vrolijker op, Weemer. Laten we eens een kijkje buiten gaan nemen, een wandeling langs het strand misschien. Dat brengt ons vast op nieuwe ideeen.” Weemer spring tovereind van zijn stoel;”Ja, misschien moeten we ons eens laten doorwaaien, wie weet. Hoewel, veel waaien zal er niet bij zijn. Het is hier in de Osme-zomer altijd erg heet. Soms mis ik de frisse buien van aarde.” “Nou, volgens mij kan het hier ook flink spoelen, vooral tijdens de Werolden, toch?” Weemer knikt. “Ja, maar dat is altijd maar kort. De Osme-zomer is heet en de Zame-zomer koel en aangenamer. Er valt in die tijd ook meer regen, hoe is dat bij jullie. Trimmen loopt nu langzaam de gang in en zet de buitendeur open. “Laten we gaan, in Bixhoorn komt het in de Osme-zomer niet boven de 30 graden uit en in de tijd dat Zame heerst, niet meer dan achttien of twintig graden. Dan staat de delta nog al eens blank, het is voor ons de beste tijd om te zaaien.” Op het plein staan al weer drie pantserwagens om in een goede luximia-kleur te worden geschilderd. “He, Berg”, roept Trimmen. “Ik wilde je even wat vragen.” Berg geeft twee manenn aanwizjingen voor het spuiten en komt dan met een holletje naar Trimmen toe. “Luister”, zegt de Bixhoorner onderzoeker. “Niet alleen Aldemundters zijn nieuwsgierig. Een zestal Bixhoorners zou best met jullie mee willen maar hoe krijgen we dat voor elkaar en … kan het wel?” Berg fronst zijn wenkbrauwen. “Je komt er wel erg laat mee, het lijkt me een probleem. Ik zie het niet zo maar zitten.” “Maar”, gaat Trimmen enthousiast verder. “Kunnen weer dan tenminste over praten, vanavond of zo?” Ondertussen dringen de Aldemundters om hem heen. Een anatal van hen wil in elk geval even de Bixhoorner aanraken. “Ja, ik ben een mens”, lacht Trimmen. “Net als jullie, ik kom zelfs van dezelfde planeet.” “Kom mensen”, roept |Berg nu. “Laat onze gast even met rus”.”Zijn natuurlijke overwicht laat de mensen terugdeinzen en ze laten de Bixhoorner los. “Dank je”, lacht hij. “Ze zijn niet veel gewend”, Berg kijkt een beetje verontschuldigend. “Er komen hier nooit vreemde mensen, de laatsten waren Pomert Randing en Rodin Helten die met jullie schip zijn meegekomen maar hier kwamen wonen. “Ja, ja”, Trimmen herinnert zich de “Bixmundters” nog wel. “Overlopers vonden wij dat.” “Ja, ja, ja”, lacht Berg. “Jullie wel, maar in ons kleine dorp is iedereen welkom. We zijn maar met 478 mensen en daarvan gaan er straks 21 op expeditie en 21 voor twintig jaar met de Arketan op reis. Mijn expeditie blijft minstens een half jaar weg maar het kan ook nog wel een jaar worden. Ik weet immers niet wat we tegenkomen. Maar mensen uit Bixhoorn mee, nee ik weet het niet. Het is onze expeditie en ik denk dat de Aldemundters het ook graag zo houden. Trouwens, er zijn ook praktische problemen, het is allemaal kort dag.” “Denk erover na, Berg”, de stem van Trimmen klinkt bijna smekend. “Zes mannen vrouwen, meer niet.” Hij draait zich met een ruk om en duwt Weemer een eindje voor zich uit. “Vooruit naar het strand”, galmt zijn stem over het plein. “Om te zingen, Weemer. Ik wil zingen, tegen het geklots van de zee in.” Berg kijkt de twee mannen lachend en hoofdschudded na. Dan roept hiuj de twee mannen bij de pantserwagens. “Paup, Fode, kijk, zo wil ik jullie straks ook aan de gang zien, weken, ja maandenlang.” De jongens grijnzen. “Ja baas”, zegge ze braaf en ze geven elkaar een stoot met de elleboog in de zij. “Trouwens, deze drie wagens zijn klaar.” “Mooi zo”, roept berg met zijn donderende stem. “Haal dan maar drie andere tevoorschijn. Als die zijn geschilderd, zijn we klaar.” “Wat is het hier heet”, Trimmen blaast en wuift zichzelf koelte toe terwijl hij het smalle pad langs de kliffen naar beneden volgt. “Heet, heet, zo hebben we dat in Bixhoorn niet.” “Je went er nooit helemaal aan”, vindt Weemer. “Het is hier gemiddeld vijf graden warmer dan vroeger in het zuiden van Helen. “Daar was het ook warm”, weet Trimmen nog. “Ja, dat klopt”, geeft Weemer toe. “Maar ik heb de boeken in de bibliotheek er nog eens op na geslagen. Volgens de beschrijvingen was het daar echt een stuk minder. Maar goed, hier op de klif wordt het helemaal erg warm. Die stenen weerkaatsten erg veel hitte. Zelfs beneden op het strand merk je dat nog. Het is maar goed dat daar altijd een beetje wind is.” De laatste paar meters naar beneden leggen ze zwijgend af. Eindelijk voelt Trimmen het mulle zand onder zijn voeten. “Nou, dat hebben we bij ons ook, maar geen kliffen, er zijn alleen maar vrij kale duinen.” Toen ik hier naartoe reed, heb ik de duinenrij echt honderden kilometers gevolgd. Dat was een redelijke wegwijzer. Pas na vier dagen, zo’n 800 roden, ben ik naar het zuidwesten gereden. Saai landschap, gras met hier en daar een boom en soms een plukje bomen bij elkaar. Niets aan.” “Het is goed dat je hier bent, ik heb hier niet zoveel mensen om verstandig mee te praten”, Weemer reageert niet op het verhaal van Trimmen. “Kijk, recht voor je ligt de Baalder, een klein eilandje waar onze kinderen graag naartoe zwemmen. Wat mij betreft houdt daar het rijk van Aldemundt op. Aan de andere kant ligt de grens bij Aldemundter velden. Nationale staten moeten klein blijven om niet ten onder te gaan.” “Nationale staten?” Trimmen kijkt hem verbaasd aan. “Daar komt toch alleen maar herrie van? Vind je niet dat we met onze drie dorpen en enen stad heel nauw samen moeten werken? Om die reden ben ik nu toch ook bij je? Wetenschap heeft nieuwe indrukken en samenwerking nodig.” Weemer knikt. “Dat is waar, maar een stam heeft innerlijke kracht nodig en die krijg je door je kennis in harmonie te delen. Daarvoor is een nationaal bewustzijn nodig.” Trimmen maakt een korte sprong in de lucht en laat zijn rode haarbos een flink schudden. “Het is hier heerlijk, dat snap ik”, zegt hij. “Maar je hebt toch ook het idee dat wij, als mensen, elkaar moeten steunen in deze vreemde omgeving? Je weet niet wat je nog tegenkomt en straks heb je anderen hard nodig om oplossingen te zoeken.” Weemer trekt een gezicht vol vertwijfeling. “Maar begrijp je dan niet dat gelijk gestemdheid veel beter is dan het voortdurend najagen van oplossingen? We zijn hier toch naartoe gegaan om een nieuw geluk te vinden, om onze kennis te gebruiken om onszelf en degenen die we liefhebben te sterken. Je kunt beter sterk sterven dan in vertwijfeling naar oplossingen zoeken.” Met een ruk blijft Trimmen staan. “Waarvoor ben ik dan hier gekomen? Als je er zo over denkt, kan ik beter weer gaan. Wij als onderzoekers zoeken samen een oplossing voor de eerste uitdaging die we tegenkomen, de amprosen. Daar kun je niets tegen ondernemen als je niet de steun van je medemens hebt. Communiceren, denken, actie ondernemen, daarin zijn we elkaar allemaal gelijk. Het is nog maar helemaal de vraag of je op dezelfde manier kunt omgaan met de wezens die je op deze planeet zeker zult aantreffen. Volgens mij zit het hier vol met de meest ongelofelijke verschijnselen. Goed voor je inzicht en kennis maar niet om mee te werken.” “Dat zal nog blijken”, zegt Weemer stug. De mannen lopen nu langs een stuk klif waar ook hij nog niet eerder is geweest. “We komen steeds verder naar het zuiden”, zegt hij. “Eigenlijk zou ik hier al iets verwachten dat ik nog niet ken.” Zijn ogen dwalen oplettend in het rond. “Dus nieuwsgierig ben je nog wel”, merkt Trimmen op die plotseling stil blijft staan. “Dit zou een ideale plek zijn”, zegt hij. Een inzinking in het strand heeft een mui gevormd waar het water ongeveer heupdiep in staat. Vanuit de inkeping stroomt het water voortdurend regelrecht naar zee Trimmens ogen speuren nu de rode, afgebrokkelde steen van het klif af. Een dikke bos takken met groengrijze schubachtige bladeren onttrekt een deel van de steenmuur en juist daar lijkt water uit de bergwand op te borrelen, water dat zich op het strand wildstromend naar zee verplaatst “Ideaal”, zegt hij weer. Hier kun je de “pakketten”met de stoffelijke overschotten gemakkelijk in het water laten zakken.” Weemer tuurt in het rond. Het eilandje Baalder ligt nu ver achter hen en in het westen strekt zich alleen maar de onmetelijke oceaan uit. “Als de stroom maar niet in de richting van het eilandje gaat”, zegt hij. “De Baalder mag niet besmet raken. Het moet een veilige plek voor de kinderen van het dorp blijven.” “Ja, ja, lekker knus in eigen huis, he”? mompelt trimmen maar Weemer hoort het niet. Hij schrikt van een luid gepiep aan de rand van de steenwand. Het is niet de roep van een kiola, maar wat dan wel? Even denkt hij erover om |Trimmen te waarschuwen maar het zou toch te mooi zijn als hij nu een nieuwe ontdekking deed, juist nu zijn vriend aan zijn behoefte aan onderzoek twijfelt. Hij knijpt zijn ogen tot een spleet. Weer dat gepiep! Met een oog houdt hij |Trtimmen in de gaten. Deze schijnt vooral de waterstroom te onderzoeken. Hij zit de gehurkt aan de rand van het water en steekt een vinger in het water om te proeven. Weemer speurt snel verder. De zon schijnt ook zo … daar, aan de rotswand. Twee rode wezentjes klauteren razendsnel naar boven en wat voor wezentjes. Weemers mond valt haast open. De wzens zijn niet groter dan zijnn duim maar ze hebben een hoofd dat erg veel op een mensenhoofds lijkt. Nog meer op een mens lijken ze doordat ze twee achterbeentjes en tweearmen hebben. Geen poten met klauwen maar kleine armpjes en beentjes. De wezens klauteren nog sneller naar boven. Ze houden Weemer in de gaten met opvallend grote, en bolle zwarte oogjes. Al piepend verdwijnen ze in een spleet in het gesteente. In de verte hoort hij nu de stem van Trimmen. “Kom eens, Weemer, het is echt een uitgelezen plek. Het waterstroomnt hier met een enorme vaart naar zee, ook in de onderstroom. De pakketten zijn weg voordat je het weet.” Weemer staat nog na te denken over de ontdfekking die hij zojuist heeft gedaan. “Jaaaa”, zegt hij langzaam en onwillekeurig dfwalwen zijn ogen weer af naar de steenwand. “Als het maar geen bedreiging vormt . We zullen eerst met een ruimtetaxi boven de zee moeten vliegen om te ontdekken hoe de stromen lopen.”, verzucht hij. “Maar eerst moeten we een reden verzinnen waarom er zoveel werk van gemaakt moet worden. Ik kan de doodsoorzaak van die jongens niet bekendmaken voor we terug zijn van de expeditie….”de laatste lettergreep spreekt hij wat langer uit. “Moet je eens kijken wat daar aankomt’”, hij trekt een verschrikt gezicht. Trimmen kijkt nu om. In de verte komt een lange stoet mensen aan lopen. “Ze hebben ontdekt dat het hier ook leuk is”, zegt hij lachend. “Laten we maar teruggaan, voordat ze iets gaan denken.” Even kijkt hij stil voor zich uit alsof iets hem op een overweldigende manier bezighoudt maar dan klinkt zijn stem weer heel ontspannen. “Ik weet wel een oplossing, ook al is die niet gemakkelijk.” De stoet mensen komt nu dichterbij en gezichten worden herkenbaar. “Maar misschien moeten we nu maar even net doen alsof we alleen maar aan een ontspannende middagwandeling bezig zijn. We kunnen hier niet over praten waar iedereen bij is.” “Leuk he”, begint Syfa Gammerhaan. “Zo’n wandeling langs een stuk onbekend strands. Ze wappert met haar lange, blonde haar in de richting van Weemer en verspreidt een nadrukkelijke geur. “Het is net een expeditie. O, ik vind het echt zo fantastisch dat de jongens straksd op expeditie gaan. Weet je dat mijn beide zoons ook meegaan?”Ze kijkt Weemer nu recht in zijn ogen. “Dat zal best, mevrouw Gammerhaan, maar wilt u ons nu even met rust laten?” “Nou, nou”, kirt Syfa weer. “Ik wisdt toch niet dat je boos werd. Ben je met een spannend onderzoek bezi”?”Deze keer is Trimmen sneller dan zijn vriend. “Dat kun je wel zeggen, we hebben een stof ontdekt die op aarde niet bestaat en die onas nog veel hoiofdbrekens gaat kosten”, zegt hij glimlachend “O, dat is zeker spannend, kunnen we er straks ook lipstisck of nagellak van maken”, giechelt ze. Trimmen schudt zijn hoofd. “Ik denk dat uw lippen dankzij deze stof er nog interessanter uit gaan zoen dan ze nu al zijn. Als i niet zo’n haast had, zou ik ze willen kussen.” Syfa bloost, ze voelt zich heel diep blozen. Die man uit Bixhoorn is er wel eentje. “Nou, u moet beslist eens langskomen”, lascht ze namaak verlegen. “Langskomen kan altijd”, antwoordt Trimmen met een buiging. Deze keer schiet zelfs Weemer in de lach. “De contacten tussen Bixhoorn en Aldemundt kunnen hem niet goed genoeg zijn. Misschien kunt u uw voordeel ermee doen”, op het eind klinkt z\ijn stem toch weer zuur en Syfa laat zich gierend van het lachen meezeulenb door ene vriendin. “Nou, wij gaan weer verder hoor, met onze expedissie”. Ze wuift de beide onderzoekers nog even na en laat daarna haar ogen weer rond gaan, alsof ze alles als een nieuwigheid beleeft. “In elk geval hebben we de mensen nieuwsgierig gemaakt, Weemer”, merkt Trimmen op. “Dat kan nooit kwaad. Wat ze met die nieuwsgierigheid doen, is een andere zaak.””Niet veel goeds, vrees ik”, moppert Weemer. “Als gewone mensen nieuwsgierig worden, verandert alles in een stuk sensatie.” “Je moet toegeven dat de sensatie groot is. Ik denk dat iedereen die naar Mende reisde ook een gevoel voor sensatie had. Of niet?” Weemer glimlacht flauwtjes. “Mijn grootste sensatie zou het zijn geweest als zulke wezens als Syfa niet op deze planeet rondliepen. Ik had gehoopt verlost te zijn van het allerdomste volk.” “Het spijt me”, Trimmens stem klinkt spottend. “Ik moet je teleurstellen. Ja, ik moet je zelfs nog een boodschap overbrengen van iemand, een vrouw.” Weemer fronst zijn wenkbrauwen. Hij heeft al bijna een kwarteeuw nauwelijks gesprekken en bijeenkomsten met vrouwen. Zijn belangstelling ervoor is sterk gedaald sinds hij de kans kreeg naar Mende te gaan. Hij blijft met een ruk staan en trekt een argwanend gezicht. “Wie dan?” Trimmen haalt zijn schouders op. “Ze zegt dat ze je goed kent en dat je blij zal zijn van haar te horen. Ze woont alleen in een huisje in Bixhoorn, het lijkt wel of ze op je zit te wachten. Ik moet eerlijk zeggen, ze is uit Navringen naar Bixhoorn verhuisd dus ze is vrij laat naar Mende gekomen. “Maar wie is het dan?” herhaalt Weemer. Zijn argwaan begint te veranderen in oprechte nieuwsgierigheid. “Het is Syfa Hermondt-Degelaar”, Trimmen laat de naam uit zijn mond vallen alsof hij een zware last met zich meedroeg. “Nee, dat kan niet, dat mag niet”, Weemer schreeuwt het uit. “Hoe haalt dat mens het in haar hoofd om me achterna te komen. Denkt ze nou echt … .” Trimmen glimlacht opnieuw. “Zoiets had ik wel verwacht”, zegt hij. “Ze heeft me verteld dat je in eerste instantie afwijzend zou reageren maar volgen haar zou dat allemaal bijdraaien.” “Het is niet waar!”Weemer heft zijn handen ten hemel. “Hoe kan er ooit een schepsel zijn gemaakt dat zo krom kan denken!” Trimmen heeft oeite niet in de lach te schieten. Alleen het ernstige gezicht van Weemer laat hem daarvan afzien. “Dit is echt verschrikkelijk, dat mens is gestoord!”gaat zijn vriend verder. “Ik heb haar gekend toen ik achttien was en zij zeventien en ze heeft een jaar lang achter me aangelopen. Echt, je gelooft het niet, het was je reinste archtervolgingswaanzin. Overal waar ik liep, stond of zat, daar was Syfa ook in de buurt. Meer dan eens is ze uit de struiken tevoorschijn gesprongen en heeft ze me uitgenodigd een man te zijn. Elke keer weer heb ik haar duidelijk gemaakt dat ik niets van haar moest hebben en dat ik zeker niet op haar wensen in zou gaan.`Maar goed, laten we het over de zaak hebben. Hoe zullen we het verder aanpakken?” Trimmen maakte een wanhopig gebaar met beide armen in de lucht. “Weemer, als het om persoonlijke zaken gaat, ben je een moeilijke man” Weemer keek zijn vriend aan maar gaf geen antwoord. “Het lijkt me het beste als we straks naar de Moden gaan en de plannen bespreken.” Trimmen knikte. “O ja, zeker, die uitvaart moet zo snel mogelijk plaats hebben. Ik ben bang datde bacterieen zich op een goed moment helemaal gaan verspreiden en dan zijn we veel verder van huis. We weten immers niet wat voor ziekte ze opwekken. Het kan heel gevaarlijk worden voor ons allemaal.” Het dorpsplein lag er verlaten bij in de gloeiende zon. De pantserwagens hadden weer allemaal een plekje gekregen in de grot en de Aldemundters waren elkaar grotendeels gevolgd bij de strandexpeditie. “Maar ik denk dat de Moden wel thuis is of in het tempelgebouw. Hij zal zijn post niet gauw verlaten. Dat moet ik hem nageven”, zei Weemer. De mannen zochten bij hun wandeling over het dorpsplein de schaduwkant op maar het huis van de Moden lag helemaal in de volle zon. “De werolden”, pufte Weemer, “de Osme-zomer is hier echt moordend. Dat wisten we toch echt niet toen we hier eindelijk voet aan land zetten. Ik denk trouwens, ik weet zeker dat we in de zame-zomer zijn geland, of nee, het was lente, echte lente, dat is waar ook. De zame-zomer ging over in de Osme-zomer. Maar ja, wat wisten we toen … . ” “Ja niks”, Trimmen wil een heel verhaal beginnen over zijn eerste ervaringen op Mende maar zijn woorden worden afgebroken door destem van de Moden. “Goedenmiddag, geleerde heren. Komt u binnen”, zijn stem klinkt deftig maar ook gastvrij. “Trek in een glas gome of pommeran?” Trimmen likt zich langs zijn lippen. “Pommeran graag”, zegt hij gauw. “Fris en sprankelend, wat wil een mens nog meer met dit weer?” Weemer kiest gome, het klinkt bijna opzettelijk na de bewonderende woorden voor pommeran van Trimmen. “Akkoord!”stemt de Moden in. Hij is wel gewend aan de wat zure toon van Weemer. “Komt u met een belangrijke boodschap?” Weemer kijkt somber uit zijn ogen. Natuurlijk komt hij met een belangrijke boodschap! Hij gaat toch niet bij de Moden langs voor een lolletje! “Ik zou het denken”, zegt hij voorzichtig. “Onze ontdekking is echt van het grootste belang voor het voortbestaan van Aldemundt. De Moden laat zijn gasten binnen in zijn werkkamer en schenkt voor ieder ene gals in. Voor zichzelf zet hij ook een glas pommeran neer, aangestoken door de opwekkende taal van Trimmen. “Wel, zeg het eens”, begint hij. Zonder onderbreking luistert hij naar het verhaal van Weemer dat bij tijd en wijle wordt onderbroken door Trimmen. Deze geeft voorbeelden en zo nu en dan gaat hij wat dieper op zijn eigen onderzoek in. Tenslotte komt Weemer tot zijn conclusie. De Moden staat op en ijsbeert ene paar keer door zijn kamer. Die gewoonte heeft hij altijd gehad als er ene groot probleem opdoemde. “Dat is verschrikkelijk. Bent u helemaal zeker over dit verschijnsel? Betekent het dat we allemaal dagelijks op onze hoede moeten zijn? Hoe komt het dat het twaalf jaar lang niet is voorgekomen in deze buurt?” “Dat laatst weten we niet zeker”, merkt Weeemer razendsnel op. “We hebben het alleen nog nooit zo duidelijk onder ogen moeten zien. Er zijn nog nooit menselijke doden bij gevallen maar dat zegt niks.” De Moden knikt. “Maar als u gelijk heeft, dan zou deze omgeving nu misschien al helemaal vergiftigd moeten zijn”, zegt hij. Ïk moet er niet aan denken.” Weemer voelt eindelijk weer eens een beetje sympathie voor deze man die zo’n verantwoordelijke taak heeft in het dorp. “Dat zou heel goed kunne maar het is bijna onbegonnen werk om de hele bodem om te spitten.” “Dat is ook niet nodig, als jullie weten waar de doden zijn begraven. We zouden eerst daar moeten kijken. Maar een directer van belang is nu de uitvaart van de beide jongens en de vogel. Die moet snel plaatshebben. Op die manier kunnen we dat kwaad tenminste de baas worden. “Dat betekent dat ik een heel slechte boodschap moet brengen”, denkt de Moden. “Ik moet veel mensen teleurstellen, verdriet doen.” Weemer haalt zijn wenkbrauwen op. “Wat moet, dat moet”, zegt hij kortaf. Zijn sympathie ebt al weer weg. “En heeft u al over een mogelijke boodschap nagedacht?”gaat de Moden verder. “Ja zeker”, Trimmen is er deze keer het eerste bij. Hij doet zijn list uit de doeken. Het lijkt mij de enige manier om paniek te voorkomen.” De Moden woelt met zijn linkerhand door zijn baard maar zegt niets. Zo nu en dan kijkt hij met een wat hulpeloze blik naar Trimmen. “Ik begrijp best dat het voor u moeilijk is om uw mensen zo erg een beeld voor te spiegelen”, zegt hij eindelijk. Üw geweten en de praktische noodzaak zullen een fel gevecht aangaan. Eerlijk gezegd had ik er in Bixhoorn minder moeite mee maar ik had ook niet uw verantwoordelijkheid.” De Moden blijft vlak voor Trimmen staan. “Je hebt gelijk, ongetwijfeld heb je gelijk maar je hebt ook gelijk over mijn gevoelens. Ik zeg je, we doen het!” Even kijkt hij van Weemer naar Trimmen en weer terug. “Vanavond spreek ik u weer, ik hoop dat u me nu even alleen wilt laten. “ Trimmen staat op en Weemer volgt zijn voorbeeld. “Veel sterkte”, Trimmens stem klinkt zacht maar welgemeend als hij de deur uitgaat. Even welgemeend is het zwijgen van Weemer.</p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/309/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/309/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=309&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/04/26/de-grote-roze-wagen/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://www.actieve-reizen.nl/img/gfx_reis/Noorwegenfiets001.jpg" medium="image">
			<media:title type="html">Afgelegen</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>De waarheid</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/29/de-waarheid/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/29/de-waarheid/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 29 Mar 2009 10:47:04 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Kaj Elhorst]]></category>
		<category><![CDATA[Mythologie]]></category>
		<category><![CDATA[Alles is anders dan het lijkt]]></category>
		<category><![CDATA[de waarheid]]></category>
		<category><![CDATA[Fantasy]]></category>
		<category><![CDATA[Het monster van Aldemundt]]></category>
		<category><![CDATA[Kijk naar jezelf en weet wat waar is]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonisatie van planeten]]></category>
		<category><![CDATA[Monsters en waarheden]]></category>
		<category><![CDATA[Niets is wat het lijkt]]></category>
		<category><![CDATA[Science fiction is de muthologie van de toekomst]]></category>
		<category><![CDATA[Vaststaande feiten]]></category>
		<category><![CDATA[Volksgericht]]></category>
		<category><![CDATA[Waarheid en andere waarheid]]></category>
		<category><![CDATA[zeker niet op Mende]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=304</guid>
		<description><![CDATA[“Oud maar gesmeerd”, Berg Wamerhorn lachte breed en veegde zijn met zwart smeer bedekte hand een keer langs zijn gezicht. Hij klopte met de knokkels van zijn linkerhand op het gloeiend hete staal van de pantserwagen. “Deze wagens behoren ooit tot het Heleense leger”, zei hij plechtig tegen ……  die hem vragend aankeek. “Geloof me [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=304&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"><img class="aligncenter" title="Waarheid of leugen" src="http://noaontmoet.web-log.nl/photos/uncategorized/121207_de_weg_de_waarheid.jpg" alt="" width="414" height="700" /></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Oud maar gesmeerd”, Berg Wamerhorn lachte breed en veegde zijn met zwart smeer bedekte hand een keer langs zijn gezicht. Hij klopte met de knokkels van zijn linkerhand op het gloeiend hete staal van de pantserwagen. “Deze wagens behoren ooit tot het Heleense leger”, zei hij plechtig tegen ……<span>  </span>die hem vragend aankeek. “Geloof me of niet maar het leger is vijftig jaar geleden afgeschaft. Deze wagens hebben eerst nog dienst gedaan bij de “Special Forces” van de politie en daarna mochten wij ze meenemen. Niemand wist immers of we er echt iets aan zouiden hebben op<span>  </span>“Bacchus” maar het was beter dan niets en zeker beter dan een luxe-auto. Ze gaan nu hun diensten goed bewijzen. In een land zonder wegen, kunnen deze bakken als beesten vooruit.”<span>  </span>Hij pakte de verfspuit eweer op en begon de hele wagen onder een zilverkleurige verf te spuiten. “Luximia”, glimlachte hij weer. “Deze verf verandert de hele buitenkant van de wagen in een energiecollector. Dat hebben we hard nodig want op aarde reed hij op benzine maar die hebben we hier haast niet, op een kleine voorraad na. Hier moeten we het doen met ruimte-energie. Het zal wel vooral zonne-energie worden”, vervolgde hij en opnieuw wiste hij zijn<span>  </span>gezicht af. “Maar dat staal wordt toch gloeiend heet aan de binnenkant. Willen we dat wel?’ vroeg …..<span>   </span>. Berg schudde zijn glimmende hoofd. “Helemaal niet, De luximia zorgt ervoor dat alle warmte meteen energie “wordt en die gaat rechtstreeks naar de motor. Op die manier isoleert ze het voertuig juist van hitte. Binnen blijft het koel, tenzij wij het er warm maken. Luximia is de beste uitvinding van Weemer Hij bedacht het al tien jaar geleden, toen we nog maar pas hier waren.” “Weemer”? vroeg de ander. “Welke …?” Berg lachte weer. “We kenne elkaar hier toch allemaal? Ik weet maar een Weemer die op zo’n idee zou kunnen komen, Van Hornhaaf natuurlijk.!” “O, die”, ……….. stem klonk gedempt. “Niet mijn vriend.” “Dat is dan jammer”, liet Berg er snel op volgen. “Hij gaat mee als een van onze belangrijkste onderzoekers en ik zou hem maar te vriend houden. Hij is niet de gemakkelijkste en ik ben bang dat ik hem niet wil missen op onze tocht.” De ander zuchtte. “Ik hoop dat hij in een andere wagen gaat”.”Wees niet bang”, Berg klopte ……………. vertrouwelijk op zijn schouder. “Hij gaat in wagen I, bij mij. Ga jij nu maar eens spuiten, neem de volgende<span>  </span>wagen maar.” Haast onwillig nam ….. de spuit over maar zijn respect voor Berg zorgde ervoor dat hij onmiddellijk aan het vieze werkje begon. Berg wandelde inmiddels tussen de wagens door die nu allemaal in een rij voor de centrale grot stonden. Zonder mankeren waren ze uit de grot gekomen. Berg had ze persoonlijk de grot uitgestuurd, vlak langs de twaalf ruimtetaxi’s die het grootste deel van de grot in beslag namen. “Waarom gaan we eigenlijk met pantserwagens, die taxi’s gaan toch veel sneller”, meende ………nog. Berg deed weer een paar stappen in zijn richting. “Als we deze planeet echt willen verkennen, moeten we gewoon elke steen en elke boom kunnen aanraken en van totp tot teen bekijken. Wen er maar vast aan dat we niet veel meer dan vijftien kilometer per dag zullen rijden. Het is geen ritje naar een vakantieadres. Dat is misschien pas voor je kinderen weggelegd.” Met grote passen stapte hij verder. Bij elke panterwagen bleef hij even staan en onderzocht hij het interieur. “Wagen I tot en met<span>  </span>III zijn nu toch geladen?” vroeg hij aan ……………………. . Deze knikte. “We zijn nu met wagen IV bezig. Het schiet aardig op.”Fluitend liep Berg verder. Zij ogen draaiden onwillekeurig af naar zijn huis, vlak naast de tempel. Zijn veilige onderkomen zou hij binnenkort vaarwel moeten zeggen en ook de beslotenheid van het dorpsplein met zijn bomen in de kleur van witlof , zijn aangestampte wegdek van donkerrode aarde en de tientallen ronde huizen van rode natuursteen en witte platte daken. De witte kleur van de daken beschermde de huizen tegen de hitte maar toch had zijn vrouw alle ramen opengezet. Zonder dat hij wist waarom bekroop hem een angstaanjagend gevoel van onzekerheid. “Ga door, ga door”, riep hij naar de mannen terwijl hij rennend het plein verliet. Zelden hadden zijn benen hem zo snel gedragen terwijl hij zijn hart steeds sneller voelde kloppen. Beneden in de kleine hal bleef hij staan terwijl zijn stem door het huis denderde: “Doe de ramen alsjeblieft dicht en laat ze dicht totdat we terugzijn”, elk woord klonk als een mokerslag maar effect had het niet. Zijn vrouw was niet thuis. Misschien was ze aan het Hanebrood om de kijken of de gramoes al vruchten had. Gramoes, de meest geliefde vrucht van Aldemundt die rijkelijk langs het Hanebrood groeide. Berg dacht er niet teveel over na. Hij vloog door het hele huis van de ene kamer naar de andere en sloot alle deuren. Eenmaal terug bij de deur, sloeg hij ook de voordeur met een stevige klap dicht. Wat hem zo in paniek had gebracht eist hij niet zeker maar hij wist wel zeker dat het geen onzin was. Zij angst …voor zich zag hij opnieuw de raak op het plein liggen en hij hoorde opnieuw het gesuis en de doffe klap. Hij kon zich niet herinneren ooit zoiets van dichtbij te hebben meegemaakt. Er was iets in de lucht …</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Berg!” Weemers stem schalde over het plein. Berg keek zoekend om zich heen totdat zijn ogen de brede man in zijn onberispelijk donkerblauwe jak zag staan. Hij wenkte om dichterbij te komen. Berg aarzelde. De mannen bij de pantserwagens hadden hem nu vast harder nodig dan Weemer maar de houding van de laatste zei hem dat er iets belangrijks aan de hand was. Terwijl hij het werk op het dorpsplein in de gaten hield, liep haastte hij zich in de richting van de onderzoeker. “Iets loos?”vroeg hij haastig. Weemer keek ernstig. “Meer raadsels dan antwoorden”, zei hij somber terwijl hij Beg aan zijn jas meetrok naar zijn tuin. Het duurde niet lang of ze keken met z’n tweeen naar het reusachtige kadaver van de raak. “Ooit zoiets gezien?” Weemers stem prikkelde Berg, iets vanuit zijn kindertijd kwam naarboven als zijn vader hem het zoveelste kasteel of fort uit het verleden wilde laten zien, “Wat dan?” Weemer porde met een stok in de hoop veren. Het leek alsof een bult verrand krantenpapier uit elkaar viel. “Zo snel heb ik een dode nog nooit uit elkaar zien vallen. Het dier is nog geen dag dood. Er zin toch al eerder mensen en dieren doodgegaan in Aldemundt, niet alleen op aarde heb ik lijken gezien. Maar dit … Ik zou wel eens bij die jongens willen kijken, denk je dat het kan?”Verbluft keek Berg hem aan. Dit was inderdaad ongelofelijk en helemaal niet normaal, ook niet voor Mende. Nergens rukte de vergankelijkheid zo snel op tenzij … “Denk je dat er overeenkomsten te ontdekken zijn”? vroeg hij verbaasd. “Het zou kunnen”, meende Weemer. “Ik heb erover gewixt met ….<span>  </span>in Bixhoorn en hij heeft een soortgelijk geval meegemaakt.” Berg staarde nadenkend naar de dode vogel die nu niet meer verband leek te bezitten dan verpulverd papier. “We moeten toestemming aan de Moden vragen”, gaf hij toe. Weemer haalde diep adem. “Denk je dat we die krijgen of moeten we gewoon op eigen houtje een kijkje nemen in de zegelkamer?” Berg tuitte zijn lippen en haalde zijn schouders op. “Dat is verboden, dat weet je. Juist nu er een moordverdachte is, mag er niemand zo maar naar binnen. Ik ben het daar wel mee eens. De Moden moet over het recht en de doden waken.” Weemers ogen vonkten alsof er een grote woede in hem gloeide maar zijn mond liet geen onvertogen woord passeren. “Je hebt gelijk, we zullen het doen zoals jij zegt maar je moet weten dat ik nooit van mijn leven klaar kom met dit onderzoek voordat jij vertrekt.” ”Voordat we vertrekken”, vulde Berg aan. “Ik kan onmogelijk weg zonder jou. Je hebt het me ook beloofd.” Weemer trok een berustende glimlach. “Je hebt gelijk, ik weet het maar er is hier zoveel te doen. Ik wilde dat die loop nog een paar jaar was uitgesteld.”Berg keek hem nu verwonderd aan. “Dat is onmogelijk, dat weet je. Hoe langer we wachten, des te meer verrassingen we kunnen <em>ver</em>wachten. Het lijkt mij dat de gebeurtenissen van deze week genoeg reden zijn om kennis te gaan nemen van Mende. We zijn hier al twaalf jaar, laten we blij zijn dat we niet eerder last hebben gehad van onbekende bedreigingen.” “Dat weet ik nog zo net niet”, fluisterde Weemer voor zich uit. “In Bixhoorn is het ook al gebeurd en misschien was het hier ook wel eerder.” “In elk geval ga ik de expeditie niet meer uitstellen”, besloot Berg. “Dan blijf ik hier”, besloot Weemer. “Je zult naar andere onderzoekers moeten uitkijken. Misschien heb ik me in je vergist.””Misschien wel, ja”, antwoordde Berg. “Maar ik heb<span>  </span>me niet in jou vergist. Ik weet al heel lang dat je en moeilijk mens bent maar ik kan je niet missen, Weemer. Dat is het probleem. En nu moet ik weg.”Geirriteerde draaide Berg zich om en zijn kwaadheid gaf hem extra snelheid. “Eerst naar de Moden”, klonk hert in zijn hoofd.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">In de tempelzaal was het heerlijk koel maar de temperatuur steeg toen de mensen in grote groepen naar binnen kwamen. Het geroezemoes zwol binnen aan tot opstandig gerommel en harde, opgewonden klanken. Voor iedere Aldemundter stond er een stoel klaar, zoals altijd. Geen harde kerkstoelen maar heerlijke stoelen voorzien van een zachte zitting en rugleuning waarop mensen een behagelijke plek vonden tijdens diensten en vergaderingen. Vandaag, de derde dag zou de Moden bekend maken hoe hij verder wilde gaan met de moord,. “Een dubbele moord”, de moeder van Garmen kreeg de woorden met moeite tussen haar tanden vandaan. Ze keek grimmig om zich heen maar slecht een enkele Aldemundter sloot zich bij haar grimmigheid en haar strijdlust aan. Ze warten allemaal veel teveel onder de indruk van de gebeurtenissen van gisteren. De neergestorte raak, de optocht naar het huis van Garmen, het gezamenlijke zingen. Het had de meesten aan het denken gezet. Zou er echt een vreselijke misdaad voorbij zijn gegaan in het dorp dat steeds nog zonder smetten was geweest of zou er sprake zijn van een rampzalig ongeluk? En hoe kon dat dan? Hoe moesten zij zichj dat voorstellen? Kon je hier zo maar doodvallen zonder aanwijsbare reden? Konden ze ontdekken wat de oorzaak was of … zou dit gewoon een door en door slechte planeet zijn? Zou het misschien te wijten zijn aan een verandering op de planeet. Geen opwarming natuurlijk, daarvan hadden ze niets gemerkt. Maar misschien was er iets aan de hand met de zuurstof, raakte die soms op? Steeds minder mensen begonnen te geloven aan een doodordinaire moord, zelfs Garmens vader geloofde daarin nog nauwelijks. Zij vrouw wel. Zij wilde de schuldige zien “weggeborgen”, voor altijd.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">De zaal zat nu helemaal vol en de mensen vooraan begonnen zich het zweet van het gezicht te wissen. Zweterig en benauwd werd het in de tempel. De mensen hoopten dat de Moden nu gauw zou komen en ze werden op hun wenken bediend. Hij schreed naarbinnen. Het was een manier van lopen die hij zichzelf had aangeleerd voor plechtige momenten. Het paste erbij en een beetje paste het ook bij zijn gewichtige taak in deze kleine gemeenschap. Bijna op slag werd het stil al schoof een enkeling nog wel met zijn stoel. De Moden liet zijn ogen door de hele zaal gaan en hij ontdekte dat de ouders van Garmen en zijn<span>  </span>vriend achteraan zaten. “Komen jullie alsjeblieft vooraan”, zei hij zachtjes. “Ik wil jullie nu dicht bij mij hebben.” De vier aarzelden geen moment en zij stonden op om toch een beetje verlegen midden door het gangpad te schuifelen. De Moden liet voer stoelen op de voorste rij bij plaatsen zodat er ruimte was.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Wij willen elkaar niet kwijt”, waren zijn eerste woorden. “Wij, mensen van Aldemundt, hebben een belangrijke taak op ons genomen. Een taak om een nieuwe wereld te beginnen. Belangrijk en zwaar maar ook belangrijk omdat deze taak voor ons tegelijkertijd het grootste geluk betekent. Dat houdt niet in dat ons nooit ongeluk kan overkomen. Integendeel, het ongeluk ligt steeds, op aarde en hier, op de loer om onze Hornich af te buigen, een doodlopende richting te geven.”Even bleven zijn<span>  </span>ogen rusten op de ouders van de gedode jongens alsof hij hun bevestiging zocht maar hij wachtte niet op getuigenissen. Het was geen dienst. “Dit jaar op deemeravond hebben wij het grootste onheil meegemaakt sinds Arkebeen, de dag waarop wij hier voet aan land zetten. Het verlies van twee jongemannen, in de kracht van hun leven en vol beloften voor de toekomst. Toekomst is het fundament van Aldemundt.”Weer wachtte hij even en hij nam een kleine slok van het water dat naast zijn lessenaar was opgesteld.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Het leek zo duidelijk. Een worstelpartij met een afloop die niemand wilde”. Voor de derde keer richtte hij zijn ogen naar de twee ouderparen. “Die <em>niemand </em>wilde”, herhaalde hij. Niet de slachtoffers en niet degene die alle schijn tegen zich had als het ging om het aanwijzen van de dader. En toch twijfelen wij, niet alleen ik maar het hele Modaal. Wij twijfelen omdat er<span>  </span>getuigenissen zijn van het tegendeel en omdat er verhalen zijn over onbekende verschijnselen die mogelijk een rol hebben gespeeld bij deze ramp. Twijfel, mogelijk, verhalen, het klinkt allemaal erg onzeker maar zonder volle zekerheid kan ik niet en kunnen de andere leden van het Modaal niet een dader aanwijzen. Wij hebben voor onze rust meer zekerheid nodig en die zullen wij ook krijgen. Geloof me, de mogelijke dader krijgt het in de komende tijd niet gemakkelijk. Hij twijfelt zelf over zijn handelen, hij begrijpt het niet en hij snapt ook niets van de gebeurtenissen zoals zij zich hebben afgespeeld. Er is veel moed en energie nodig om zekerheid te krijgen. Tot die tijd laten we hem niet vrij.” Met een oog keek hij nu even in de richting van de twee ouderparen en hij zag bij enkelen van hen een zucht van verlichting. Zij woorden misten hun uitwerking niet. Ramold zal als taakgestrafte meegaan met de loop van Berg Wamerhorn. Als taakgestrafte, dat wil zeggen dat hij niet de vrijheid geniet van de andere expeditieleden. Enkelen onder hen zullen hem ook prikkelen om te komen tot uitspraken, tot een gesprek over zijn ervaring van de gebeurtenissen. Hun overtuiging zal de doorslag geven bij de vraag of er een sjebbe komt of niet<span>  </span>Als zij ook maar enigszins geloven dat Ramold schuldig is, zal er een sjebbe zijn en die zal ook een uitspraak doen. Als zij echter geloven dat er geen spoor van schuld aan Ramold te ontdekken valt, dan<span>  </span>komt er geen sjebbe. Zo hebben wij als Modaal besloten en wij vertrouwen erop uw instemming te kunnen krijgen.”<span>   </span>Een schrille gil klonk door de tempelzaal. “Hij wilde zo graag mee met de loop”, gilde Garmens moeder. Dit is een beloning, geen taakstraf.” Haar man sprong nu overeind. Zijn ogen stonden vol tranen. “Ik hoop dat dit ons niet zal berouwen”, kreeg hij er met moeite uit. “Maar het is een oplossing die aansluit bij het beste dat Helen kenmerkte en bij die traditie sluit ik me graag aan. Ik hoop dat ik ook mijn vrouw kan overtuigen want tegen haar verdriet ben ik niet bestand.” Hij sloeg zijn arm om haar ranke schouders en boog zich beschermend en zwijgend over haar heen. Alleen zij kon het liedje horen dat zij vroeger voor haar zoon als hij ging slapen, een liedje waarin hoop en vertrouwen doorklonken.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Het laden ging weer verder. Berg stapte druk gebarend van de ene pantserwagen naar de andere. “Nee, het vlees nog niet”, schreeuwde hij kwaad toen een van de mannen overijverig met een uitgebeend stuk koe aan kwam sjouwen. “De levensmiddelen laden we pas de laatste dag in. Kun je ook bedenken waarom?” Hij bleef vlak voor de man staan. Deze voelde zich op zijn vingers getikt.<span>  </span>“Ik hoop dat je tijdens de expeditie een beetje sneller van begrip bent”, Berg trok een spottend gezicht. “Maar waarom ga je zo tegen me te keer?” vroeg de man nu ook kwaad. “Je bent toch geen generaal die zijn soldaten commandeert. We zijn toch allemaal zelfstandige Aldemundters die uit vrije wil meegaan.” “Precies” brieste Berg. “En als je je niet zelfstandig gedraagt, kan ik niets aan je overlaten en dan houd je je eigen expeditie maar, alleen.”<span>  </span>De man beet op zijn onderlip en draaide zich wat onhandig om met het grote stuk vlees. “Trouwens”, merkte hij toch nog op. “We zijn maanden onderweg, dan bederft het vlees zeker niet?” “Nee, dat klopt”, Berg moest zich inspannen om niet achter de man aan te komen. “Dan zijn de koelgeneratoren ingeschakeld, <span style="color:red;">kemper</span>!” Van dat laatste woord had hij meteen al weer spijt. Het was niet goed om expeditieleden uit te maken voor de rondkruipende slangen die op de akkers zich soms te goed deden aan het graan. De dieren hadden met hun hangoortjes en uitgesproken melige uitdrukking in het gezicht de uitstraling van een sukkel. “Sorry!”riep Berg dus. “Maar houd je hersens er alsjeblieft bij.” Daarna beende hij naar het huis van de Moden. Met zijn knokkels klopte hij hard op de voordeur. Hij afwisselend op zijn linker en op zijn rechter been en zo wachtte hij tot de deur openging. De Moden stond zelf in de opening. “Ik moet je nodig spreken”, Berg zorgde ervoor dat zijn woorden niet door anderen gehoord konden worden.<span>  </span>De Moden liet zijnbezoeker dan ook snel binnen. “Wat is er aan de hand?”<span>  </span>Berg plofte op een stoel in de woonkamer neer, hij was er alleen met de Moden die nu ook een stoel naar zich toe trok. Hij liet zijn hoofd op beide handen steunen en luisterde. Berg had meestal iets belangrijks. De expeditieleider vertelde nu van de ontdekking die Weemer had gedaan. “Hij wil weten of de lichamen van die jongens dezelfde verschijnselen vertonen. Het zou de onschuld van Ramold gedeeltelijk kunnen bewijzen maar hij wil het desnoods doen zonder jouw toestemming. Daar ben ik het niet mee eens. Die man is in staat om er een zooitje van te maken.”<span>  </span>De Moden fronste zijn wenkbrauwen en keek ernstig voor zich uit. “Ik vertrouw Weemer helemaal”, zei hij. “Ik niet, liet Berg er snel op volgen. Hij is mij teveel bezeten van zijn onderzoekingen.””Goed, ik zal er op letten”, beloofde de Moden. “Maar ik wil sowieso wel dat Weemer een onderzoek aan de jongens doet.” Berg knikte. “Dat kan ik me voorstellen maar dan alleen met jouw toestemming, lijkt mij.” De Moden knikte. “Dat is afgesproken.” “En dan nog iets”, ging Berg verder. “Wie licht Ramold in? Moet hij in de cel blijven totdat wevertrekken?” De Moden schudde zijn hoofd. “Daarvoor moeten we een andere oplossing zien te vinden. Ik heb de mensen duidelijk gemaakt dat Ramold voorlopig niet op vrije voeten komt en ook geen “vakantie-uitje”tijdens de expeditie. “Misschien moet hij vanavond naar huis gaan en daar blijven tot we vertrekken”, Berg sprak met gedempte stem.”De M&lt;oden knikte. “Misschien ja … maar ik wil eerst met je over iets anders praten. We kunnen dat best ergens in huis doen maar liever niet buiten op straat. “”OK” gaf Berg toe. “Maar ik wil even twee minuten stil zijn.” De Moden keek hem onbegrijpend aan maar reageerde niet. De beide mannen stonden nu midden op het plein en luisterden ze luisterden … In het donker schuifelden dieren rond terwijl zij plantenresten en straatvuil opzij duwden. Hun gesnuif klonk duidelijk tegen de achtergrond van het gekwetter van vogels en bij dat geluid glimlachte Berg. “De marnik en de grotefeem”m fluisterde hij met een enthousiaste ondertoon in zijn stem. “Die geluiden wil ik niet vergeten als ik op reis ga, ik wil weten waarvoor ik het doe, omdat ik houd van deze plaats maar omdat ik ook weet dat we niet op een eiland wonen. Er zijn mensen die denken dat de wereld ophoudt bij Aldemundter velden maar daar hoor ik niet bij.” In de verte klonk een harde schreeuw alsof een koe op haar hardst stond te loeien, een beetje schor en met een hoge uithaal aan hert eind. “Ik heb dat eerder gehoord”, zei Berg weer, “maar ik heb geen idee waar het geluid vandaan komt. Zulke dingen brengen mij ertoe.”De Moden legde ziojn hand op Bergs schouder. “Misschien ben je vooral uit nieuwsgierigheid naar Mende gegaan”, zei hij. “Ik beloof je dat je nog heel veel nieuws te ontdekken zult hebben. Wat mij betreft kun je nog tientallen keren op expeditie.”<span>  </span>Berg haalde zijn schouders op. “Ik weet dat het moeilijk gaat worden. Misschien moeten we de volgende keer onder weg aan het werk om zelf ons voedsel elders te verbouwen. Een langdurige expeditie is een zware belasting voor de gemeenschap.”Kijk eens wat voor voorraden we meenemen. We gaan met tien pantserwagens waaran er zes zijn volgeladen met levensmiddelen. Daarvoor is hard gewerkt, zeker een jaar lang, door iederen. Het is van belang dat de expeditie met goede resultaten thuiskomt over een halfjaar. Daar gaan we ons voor inzetten.”De mannen liepen nu langzaam in de richting van het huis van de Moden. “Kom je nog even?”vroeg deze. “ Ik heb iets belangrijks.” Berg knikte en stapte voor de Moden de huisdeur binnen. “We gaan even boven zitten wan tik denk dat mijn dochter in de huiskamer zit en die hoeft niet alles te horen.” Op de eerste verdieping had de Moden een werkkamer, niet veel groter dan een slaapkamer in een aardse eengezinswoning. De kamer had de vorm van een taartpunt met een buitenwand aan de buitenkant. In deze wand had de Moden een ruime voorraad van aardse “hebbedingetjes” neergezet: schaakspelletjes van kristal en marmer, tuinkaboutertjes, kleine whiskyflesjes. “Alles wat ik op aarde ook in mijn kamer had om de boel te versieren”, lachte de Moden. “Ga zitten”, hij stak een lamp aan die als een elektrische kaars de tafel verlichtte. “ Een beker <span style="color:red;">kodelij?</span>”vroeg hij. Berg stemde in en de Moden pakte twee warme bekers met de bitterzoete,<span>  </span>schuimende en lichtgevende drank uit het oventje in een hoek van de kamer.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">“Luister”, zei hij plechtig. “Ik ben gek op mijn dochter, dat weet je al jaren.” Berg knikte want hij was al een vriend van de Moden en zijn vrouw sinds ze met de Arketan waren vertrokken. “Ik zou haar van mijn levensdagen geen verdriet willen doen en nu zit ik met een probleem, de zaak Ramold. Het kost mij al mijn energie om er een oplossing voor te vinden. Mijn gevoel zegt me dat de jongen onschuldig is, al heeft hij wel een paar klappen uitgedeeld. Dat hebben we allemaal wel eens gedaan maar doden zijn er nooit gevallen. Ik weet zeker dat Ramold geen moordenaar is maar hoe de zaak wel in elkaar zit, is me een raadsel. Niet voor niets heb ik een oplossing gevonden waarbij hij de kans krijgt zichzelf en zijn onschuld te bewijzen.””Maar”, begon Berg … maar de Moden legde zijn wijsvinger voor zijn mond en gebaarde hem te luisteren. “Ik weet het, niemand hoeft zijn onschuld te bewijzen maar ik denk toch dat het belangrijk is. Hij moet onomstotelijk onschuldig blijken te zijn anders gaan anderen er misbruik van maken, allemaal ten bate van hun eigen doelstellingen. Dat wil ik voorkomen. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat hij het niet gemakkelijk heeft tijdens de expeditie. Er zullen discussies en gesprekken zijn, soms zal het tot een vechtpartij kunnen leiden maar ik wil dat hij onbeschadigd en levend thuiskomt. Ik ben van plan Weemer te vragen om op te treden als zijn mentor bij deze proef maar ik hoop ook dat jij dat van een aftsnd in de gaten wilt houden. Het betekent een verzwaring van je taak, dat begrijp ik. Ik vraag het niet als Moden maar als vriend.” Zelden was het zo stil geweest in de werkkamer van de Moden. Berg liet de kodelij in de beker ronddraaien en nam langzaam een slok. “Eigenlijk bedoel je dat ik het doen en laten van Weemer in de gaten zou moeten houden”, zei hij eindelijk. De Moden glimlachte maar gaf geen antwoord. “Of nee, het is meer, het is het besturen van een tweede proces. Je vraagt me leiding te geven aan de expeditie maar ook aan dit rechterlijk proces.” “Zo zou je het kunnen noemen”, in de stem van de Moden was een bang soort spanning te horen. Zijn tenen kromden zich nu in zijn schoenen want Berg zou nu moeten beslissen. Het leek alsof de expeditieleider nog steeds probeerde de bodem van zijn beker terug te vinden onder de kodelij. Hij zette de beker tenslotte neer en keek zijn vriend met half dichtgeknepen ogen aan. “Vertrouw je Weemer niet”?<span>  </span>Het was een tussenstation, een poging om tijd te winnen want Berg had moeite met het verzoek. Het zou hem veel extra moeite gaan kosten om alle gebeurtenissen rond Ramold in het oog te houden zonder hem steeds in de buurt te hebben. Hij keek in de ogen van de Moden die nu vooral spanning en aarzeling uitdrukten, twijfel of misschien wel vertwijfeling. Hij wachtte het antwoord van zijn vriend helemaal niet af omdat hij het eigenlijk zelf wel kon bedenken. “Het is goed”m zei hij eindelijk met een strakke mond.”Het moet gemakkelijk kunnen, ik heb wel voor heter vuren gestaan en mijn energie is onuitputtelijk.”De Moden begon te lachen. “ De onuitputtelijkheid van Berg Wamerhorn”:, zei hij. “Berg ik moet je bedanken.”Hij kende Berg, een man die nog nooit zijn<span>  </span>vertrouwen had beschaamd. “Iets sterkers?” Berg schudde zijn hoofd. “Ik besloten voor en tijdens de expeditie geen zafyr aan te raken maar als ik terug ben gekomen, zal ik het inhalen.” De Moden stond op. “Als we dat tegen die tijd maar samen kunnen doen. Ik neem er nu vast een op het welslagen van je expeditie en alles wat daarbij hoort. “ ”Geef mij nog maar een beker kodelij.”<span>   </span></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Absoluut noodzakelijk”, Weemer trok zijn mondhoeken naar beneden en keek de Moden ongeduldig aan. “Ik moet een vergelijking maken, over een week Dan is ………….. hier. Hij heeft mij gewixt daarover en op die manier kan ik dit deel van mijn onderzoek nog net afronden voordat ik met de expeditie meega. ……………… heeft beloofd dat hij hier blijft voor het onderzoek om het zoveel mogelijk verder uit te voeren totdat ik weer terug ben. Maar we kunnen geen week wachten met het onderzoek op het lichaam van de jongens. Het zal bovendien niet veel tijd in beslag nemen. Ik wil globaal kijken of ik er dezelfde symptomen vind als bij de vogel.”De Moden knikte. “Ga je gang maar ik wil er bij zijn. Dat ben ik aan mijn functie verplicht.” “Geen probleem”, Weemer maakte met zijn hand een gebaar alsof hij letterlijk alle problemen weg wilde wuiven. “Zullen we naar binnen gaan, ik heb hooguit een half uur nodig.” “Heel goed”, de stem van de Moden klonk nog steeds gereserveerd maar hij besloot voor de rest van de tijd spontaner en meer ontspannen te zijn. Hij leidde Weemer door de gang van de tempel totdat ze een deur bereikten waarvan de bovenkant was gebogen. De Moden haalde een lange sleutel te voorschijn waarvan verschillen delen beweegbaar waren. “Een ouderwetse sleutel”, lachte Weemer maar de Moden verbeterde hem. “De beste sleutel en dat moet ook wel want in deze kamer staat alles opgeslagen wat ons dierbaar is.”Met een soepele handbeweging opende hij de deur. Weemer besefte dat hij nog maar voor de derde keer in de <span style="color:red;">Hornichfal </span>was. Daarmee behoorde hij al tot de bevoorrechten want bijna geen enkele Aldemundter kende deze zaal. Alleen degenen die ene dierbare hadden verloren en de Moden kwamen hier. Weemer liet zich dan ook opnieuw verrassen door de mysterieus aandoende ruimte. Net als de tempelzaal was de kamer helemaal rond maar de muren waren donkerder, zwart-grijs, anthraciet achtig. Doods en deftig. Door een rond venster in het plafond van witachtig glas viel een gedempt licht naar binnen.In het midden van de zaal stonden twee tafels en daarop lagen de dode lichamen van de jongens. Weemers pas versnelde zich. Met zijn vingertoppen raakte hij de voetzolen aan, de plaats waar nabestaanden een oneffenheid niet snel zouden opmerken. En dat was maar goed ook. Bijna drukte hij een diepe kuil in een van de voeten, ter grootte van zijn vinger. “Net wat ik dacht”, fluisterde hij tegen zichzelf. Een klein beetje van het stof liet hij snel in zijn jaszak glijden. “Die kleur, zie je dat, die gezichten hebben precies dezelfde kleur gekregen en alle puistjes en wratjes zijn verdwenen. Er zijn zelfs geen moedervlekken meer”, hij keek nu in de richting van de Moden. “Zo nauwkeurig heb ik er niet naar gekeken”, antwoordde hij. “Ik waak over de doden, ik zoek ze niet af.””Maar ik wel en ik ga het raadsel van deze dood oplossen. Ik krijg dat voor elkaar.” Er kwam een zelfingenomen grijns op Weemers gezicht. “Geloof me.” “Ik geloof je”, stemde de Moden toe. “We zijn klaar”, liet Weemer er snel op volgen. “Wat mij betreft kunnen we weg.””En kun je al wat over je onderzoek zeggen?” vroeg de Moden maar Weemer schudde zijn hoofd. “Ik heb veel gezien maar het is te vroeg voor conclusies.””Je kunt niets over schuld of onschuld zeggen”, vroeg de Moden door. “Nee, nee, dat durf ik nog niet voor mijn verantwoording te nemen. Ik wil eerst met …. gesproken hebben. Ik kan je wel zeggen dat het allemaal ingewikkelder in elkaar zit dan de meeste hier in Aldemundt denken.”<span>  </span>“De Moden sloot de deur van de Hornichfal weer af. “Nou, daar schiet ik niet veel mee op”, gaf hij toe. “Ik heb al heel lang het gevoel dat er iets bijzonders aan de hand is.””Goed zo, goed zo”, zei Weemer weer terwijl de mannen het tempelgebouw verlieten. “Ik groet je, we zien elkaar morgenochtend weer.” “Natuurlijk”, de Moden wist dat het geen zin had om Weemer verder te ondervragen. Hij ging nu met grote stappen naar de grot. Daar trof hij de lederaar en Ramold aan. “Zoals ik vanmiddag heb verteld, kun je niet vrijkomen”, begon de Moden meteen tegen Ramold. “Maar je mag wel naar huis, je mag alleen je huis niet verlaten.”Hij knikte tegen de lederaar” Hij wilde snel met deze zaak klaar zijn. De lederaar draaide het slot nsnel open en \Ramold stapte een beetje wantrouwend naar buiten. “Dan k … “”Je moet mij niet bedanken”, viel de Moden hem in de rede. “Dank is pas op zijn plaats als iederen weet dat je onschuldig bent.”Hij wees op de lederaar. “Zorg dat deze jongeman veilig thuiskomt en …”met een vinger wenkte hij de politieman. “Houd vanaf dat moment zoveel mogelijkk de tempel en vooral de Hornichfal in de gaten. “De lederaar leidde Ramold zonder bedenkingen weg en liet de Moden in het duister van het dorpsplein achter. De dieren lieten zich nog steeds horen in de zachte, haast zwoele nachtlucht met wonderlijke en prikkelende geuren. “Berg heeft gelijk”, zei hij tegen zichzelf en heel langzaam begon hij aan zijn terugtocht naar huis. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"><a href="http://mythologie.wordpress.com">Http://mythologie.wordpress.com</a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"><strong><em>Service</em></strong></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.purefantasy.nl/Links/"><strong><em>www.purefantasy.nl/Links/</em></strong></a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.schrijvenonline.org/forum/9737"><strong><em>www.schrijvenonline.org/forum/9737</em></strong></a><strong><em> </em></strong></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.picture-book.nl/SchrijfLinks.htm"><strong><em>www.picture-book.nl/SchrijfLinks.htm</em></strong></a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"></span></p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/304/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/304/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=304&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/29/de-waarheid/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://noaontmoet.web-log.nl/photos/uncategorized/121207_de_weg_de_waarheid.jpg" medium="image">
			<media:title type="html">Waarheid of leugen</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Vrijheid</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/22/vrijheid/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/22/vrijheid/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 22 Mar 2009 10:23:19 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Uncategorized]]></category>
		<category><![CDATA[Kaj Elhorst leidt kolonie op andere planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonialen op andere planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonie inrichten op andere planeten]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonies op andere planeten]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonies voor aarde]]></category>
		<category><![CDATA[Koloniseren van andere planeten]]></category>
		<category><![CDATA[kolonisten op andere planeten]]></category>
		<category><![CDATA[P)laneten met kolonies]]></category>
		<category><![CDATA[Rui]]></category>
		<category><![CDATA[Ruimtevaart en kolonisten]]></category>
		<category><![CDATA[ytevaart richt kolonies in]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=293</guid>
		<description><![CDATA[    “De kloof  is opengebroken”, de woorden van de Moden klonken als hamerslagen in de vergadering van bestuurders, de Modaal. “Wij moeten een brug bouwen nu het nog kan”, sprak hij somber. De vier mannen en de vrouw zaten nu al twee uur bij elkaar. Nooit eerder was iemand in Aldemundt beschuldigd van moord [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=293&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"><img class="aligncenter" title="Kloof en vrijheid" src="http://members.home.nl/motortrip/pyreneen/kloof2.jpg" alt="" width="300" height="400" /> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“De kloof<span>  </span>is opengebroken”, de woorden van de Moden klonken als hamerslagen in de vergadering van bestuurders, de Modaal. “Wij moeten een brug bouwen nu het nog kan”, sprak hij somber. De vier mannen en de vrouw zaten nu al twee uur bij elkaar. Nooit eerder was iemand in Aldemundt beschuldigd van moord maar nu was die beschuldiging niet meer ver weg. Geen van de vijf had tot nu toe het woord durven uitspreken. Niet de gebeurtenissen maar de gevolgen ervan waren de hele nacht onderwerp van gesprek geweest. Nu werd er wijsheid gevraagd van de Moden en de zijnen en die wijsheid moest meteen bij het aanbreken van de nieuwe dag worden getoond. “Wij hebben de vrijheid om een heel nieuwe wereld te bouwen. Daar zijn we jarenlang mee bezig geweest maar nu lijken we ons doel te missen”, zei Quia van Hornhaaf. Weemers vrouw zat al zeven jaar in de vergadering. “Ik ben voor verzoening en ik kom er maar niet uit of dat zonder straf mogelijk is.” “De straf is niet onze zaak, daar zijn de rechters voor”, meende<span>  </span>Vernant Loggen. “Maar dan moeten zij praten vanuit hun gevoel”, bracht Quia daar tegenin. “Zij hebben geen boeken en geen jurisprudentie. We hebben niet eens wetboeken. Er is alleen maar een<span>  </span>lijst van dorpsregels en die zijn boterzacht. Iedereen kan ze maar zo’n beetje naar eigen idee uitleggen.”De Moden haalde zijn schouders op. “Dat ben ik niet met je eens. De meeste dorpsregels zijn glashelder. We hebben bijvoorbeeld niet veel persoonlijk, individueel, bezit maar toch is er heel duidelijk wat diefstal is.” “Ja, diefstal”, herhaalde Quia. “Maar verder … .” De Moden schudde weer zij hoofd. “Verkrachting, geweld, het is allemaal heel duidelijk. Zelfs kwaadsprekerij is nauwkeurig omschreven. Dat moet ook wel want zij een kleine gemeenschap kun je geen kwaadsprekerij gebruiken. Het is een splijtzwam. Maar nu hebben we te maken met een veel ernstiger splijtzwam: doodslag. De rechters zullen niet vanuit hun gevoel maar vanuit hun wijsheid moeten spreken.” “Wijsheid”? vroeg Paup Warmerhorn nu. “Maar hebben zij die? Waar moeten zij die vandaan hebben gehaald? Van tien jaar aan boord van de Arketan, word je niet erg wijs en hier in Aldemundt is nooit iets gebeurd.”<span>  </span>“Des te beter”, vond de Moden. <img src='http://s0.wp.com/wp-includes/images/smilies/icon_biggrin.gif' alt=':D' class='wp-smiley' /> an hebben zij tijd gehad om na te denken. Op aarde hadden de mensen daarvoor veel te weinig tijd, zelfs in Helen waar alles zo kalm aan gebeurde. Als mensen geen tijd hebben, denken zij niet na maar reageren zij. Er is een tijd geweest dat de ontzetting in de gemeenschap rond een misdaad, meetelde voor de strafmaat. Alsof de misdadiger met opzet voor de ontzetting had gezorgd. Alsof die ontzetting iets onontkoombaars was. Het ging in dat geval altijd om placebo-rechtspraak.” “Wattewat..”? Vroeg Vernant met een onzekere uitdrukking op zijn gezicht. “Placebo-rechtspraak”, herhaalde de Moden. “Placebo”is een woord uit de zeer oude taal van de Cesaren. Het betekende<span>  </span>“ik behaag u”. In die tijd deden rechters alles om het volk te behagen. Wijsheid staat daar ver vandaan en ik ben ervan overtuigd dat rechtspraak moet berusten op wijsheid. Je kunt nooit iedereen tevreden stellen maar wijsheid betrachten, dat kan altijd.” ”Goed”, stemde Quia in. “Maar kunnen we al wel een Sjebbe bij elkaar roepen? Moeten we niet eerst veel meer onderzoek doen? Er moet eerst toch precies duidelijk zijn wat er gebeurd is?” <span> </span>“Mee eens”, vond Vernant. “Ik snap gewoon niet hoe Ramold in een klap twee volwassen mannen doodslaat.””Maar was het wel maar een klap”? vraagt Quia meteen. Ze glimlacht een beetje naar de Moden om te kijken of hij haar spitse opmerking goed heeft gehoord. “Er stonden allemaal mensen omheen”, zegt Vernant weer. “Ze hebben allemaal gezegd dat het maar een klap was.” ”Ja, ja”, begint Quia maar deze keer valt de Moden haar in de rede. “Er zijn tientallen vragen maar ik ben bang dat de meningen al post hebben gevat. De familie van Warmen en zijn vriend zijn ervan overtuigd dat het doodslag was en hun beste vrienden hebben niet veel keus. Zij staan aan die kant van de lijn. Aan de andere kant staan de meeste katelingen, mijn dochter en mensen die Ramold goed kennen. Zij weten zeker dat er iets anders aan de hand was. Misschien had Paup wel een hartafwijking en is hij zich letterlijk doodgeschrokken. Jammer dat het allemaal zo weinig uitmaakt. Een sjebbe kan daar op dit moment niets aan veranderen. Ik heb een voorstel.” Deze keer zwegen de anderen van de Modaal. De Moden fronste zijn wenkbrauwen en stond op. Het moment woog zwaar op de anderen, ze verwachtten wijsheid van de Moden en zo hoorde het ook. “Hoe zou het zijn als we de gemoederen laten bekoelen”?’vroeg hij. “Dat kan alleen maar door Ramold voorgoed keihard te laten werken in een kamp. Zo deden we dat in Helen, geloof, ik. Alleen, wat zou hij moeten doen?” ”Afkoeling?” vroeg nu ook Quia.”De mensen willen bloed zien, wraak!” “Dat weet ik niet”, gaat de Moden verder. “De rechtspraak in Helen was nooit gebaseerd op wraak, wel op veiligheid en verbetering. Wasdat niet het hele beginsel van Helen, verbetering? Groeiden we niet daarom steeds meer, kregen we niet daardoor een steeds krachtiger geest die ons ertoe er bracht de krijgsmacht af te schaffen?” “Ja, je hebt wel gelijk”, aarzelde Vernant. “Maar nu zitten we niet in een groot, uitgebreid land. We hebben te maken met vierhonderd mensen die in een kluitje bij elkaar zitten en elk moment in heethoofden kunnen veranderen.” “Je ziet het, maar betekent dat dat we onze goede verworvenheden van Helen overboord moeten zetten? Moeten we weer als barbaren om wraak en bloed gaan vragen?” zei de Moden ernstig. “Ik dacht erover om twee problemen tegelijkertijd op te lossen. Geen haringen in een ton meer en … hard werken.” Quia en Vernant bogen zich nu gelijktijdig voorover. “Wat bedoel je, we snappen er niets van.” De Moden glimlachte flauwtjes. Hij hield zijn rechter wijsvinger voor zijn mond alsof hij elk woord zo nauwkeurig mogelijk wilde begeleiden. “Als we ervoor kunnen zorgen dat Ramold een tijdlang weg is terwijl we zeker weten dat hij terugkomt<span>  </span>om een sjebbe bij te wonen. Die zouden we ondertussen rustig kunnen voorbereiden. Sterker nog, Ramold gaat daar zelf aan meewerken. Op die manier kan hij laten zien of hij de toekomst met vertrouwen tegemoet ziet. Als hij echt onschuldig is, zal hij er geen moeite mee hebben.”<span>  </span>“De sjebbe, voorbereid door Ramold. Dat kan toch niet?”riep Vernant. “Ik denk het wel. Hij doet het niet in zijn eentje, hij werkt samen met anderen. We sturen hem als verkenner mee met de loop van Wamerhorn.” “Dat is haast een beloning”, Vernants gezicht stond ongelovig. “Dit meen je niet.” Quia schoof een beetje ongemakkelijk op haar stoel heen en weer maar plotseling klaarde haar gezicht op. “Nou ja, zo gek is het misschien nog niet eens”, begon ze fluisterend. “De leden van de loop zijn echt niet allemaal vrienden van Ramold. Er zitten zelfs vrienden van Paup en Warmen bij. Misschien komt het in die groep tot een goed gesprek waaruit blijkt wat er echt is gebeurd.”De Moden knikte. “Daar denk ik aan. “Een sjebbe voltrekt zich altijd voor een deel in het openbaar en gedeeltelijk in het verborgene voor de meesten. Dat gebeurt ook nu.” ”Wil je dan eerst in het openbaar besluiten dat de sjebbe op deze manier te werk gaat, vanwege uitzonderlijke toestand. Zie ik dat goed zo?” Vernant liet zijn stem al bijna enthousiast klinken. “Ja maar we geven de loop daarmee wel een extra opdracht mee. Als ze terugkomt, moet er een uitspraak zijn en die wordt bediscussieerd met een groep mensen uit het dorp”, legde de Moden uit. “Daaruit komt de uiteindelijke uitspraak voort.”<span>  </span>“Maar”, tot nog toe had Fode Wamerhorn zich niet laten horen. “ Ik weet niet of mijn broer daar erg blij mee is. Er zal iemand moeten zijn die op Ramold let.” “Daarvoor weet ik wel iemand, iemand die het heel goed doet”, zei de Moden. “Vertrouw dat maar aan me toe.”</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Randa sloop de deur binnen en kroop haast onhoorbaar naar haar kamer boven in het huis. Ze voelde zich uitgeput maar slapen wilde ze niet. Onder weg was ze een paar mannen tegengekomen die bezig waren wagens uit te zoeken voor de loop. Meestal liep ze vrolijk lachend iedereen tegemoet maar deze keer was ze in een grote boog om de mannen heen gelopen, ook toen Berg haar riep. Ze wilde niemand spreken. Op haar kamer hurkte zij bet raam want de donkere achterwand zou haar maar verdrietig maken. Buiten zag ze de mannen druk heen en weer lopen. Grote kisten broodbessen, brood en zelfs graan verdwenen in een van de pantserwagens. De voorbereidingen voor de loop gingen door maar het jaarlijkse demerfeest was afgelast. Niemand had zin in feesten. Van beneden klonken de stemmen van de Modaal die haar vader deze keer in de huiskamer bij elkaar had geroepen. Het klonk ernstig en Randa vroeg zich af of ze Ramold ooit nog anders zou zien dan in een cel. Beneden passeerden vier manen met een vrieskist die waarschijnlijk vol zat met vlees. Andere mannen droegen grote zakken waarvan onduidelijk was wat de inhoud was. Randa keek voor zich uit maar ze zag het allemaal niet echt gebeuren. Ze wilde haar moeder spreken, misschien wist die iets en plotseling hoorde ze in haar hoofd weer de stem van Weemer van Hornhaaf: “Beken niets.”Die man deed alsof hij meer wist dan de anderen. Randa had het altijd een griezel gevonden, een echte betweter maar nu voelde ze toch iets anders. Zou Weemer echt iets weten waarvan de anderen niet op de hoogte waren? Moest ze naar hem toe gaan om erover te praten? Wat zou haar moeder ervan denken? Zag die wel iets in Weemer?”<span>  </span>Ze staarde opnieuw uit het raam. Een tweede pantserwagen reed het plein op. Het beladen van de wagens was nu echt begonnen….Plotseling stond ze op. Met vlotte passen liep ze deze keer de trap af. Ze deed de deur naar de woonkamer op een kier open. “Waar is mam?”<span>  </span>“Bij de usker, ze helpt bij het inrichten van de tempel”, antwoordde haar vader die in het midden van de kamer bleef staan. Hij probeerde zich te herinneren waar hij in zijn betoog was gebleven.<span>  </span>“OK”, het klonk vluchtig en flets. De deur ging zachtjes dicht en Randa ging in een holletje over het plein, naar de tempel. “Hallo Randa, hoe is het …”de woorden van Barg bereikten haar niet eens. Ze vluchtte door de openstaande deur van de tempel naar binnen. In degrote zaal was niemand te bekennen. Even bleef ze in het midden van de grote cirkel staan.<span>  </span>Ze keek voor het eerst de kleurige maar kale wanden van de ruimte die Icher werd genoemd. Een kompas voor iedereen! Altijd had ze dat begrepen maar deze keer was het haar een raadsel. Hoe kon een kale ruimte ooit de weg wijzen? Misschien stond ze daar langer dan ze zelf<span>  </span>besefte maar plotseling verscheen er iemand in het kale vlak. Ze herkende er niet eens haar moeder in, zo diep was ze in gedachten geweest. Deze keer aarzelde ze ook. Zou haar moeder niet zeggen: “Dat heb je met katelingen.” Ze had haar eerder gewaarschuwd voor die mensen zonder verleden, mensen die nooit wijs zouden worden. Voor ze het door had, riep ze “mam”en meteen wilde ze zich omdraaien maar daar kreeg ze geen kans voor. Haar moeder sloeg haar armen om haar heen. “Als je huilen wil, doe het dan nu”, zei ze zachtjes. Randa voelde tranen achter haar ogen opkomen en tegelijkertijd was ze verbaasd. Geen verwijt, geen ergernis. Was dit haar moeder, haar moeder die altijd zo koud en afstandelijk kon zijn? Randa had altijd veel meer contact gehad met haar vader maar nu leek het wel andersom. “We vinden een oplossing”, beloofde haar moeder nu. “Het komt goed.” Het klonk net als vroeger toen haar moeder altijd op alles raad wist. Heel even voelde Randa zich weer het kleine meisje dat door de kale, grauwe gangen van de Arketan naar school werd gebracht. Het was goed om die troost te voelen. Ineens wist ze het ook zeker. Er zou een goede oplossing komen en ze moest praten met Weemer van Hornhaaf. Die had haar zeker iets te zeggen.”</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">Het plein was vol gestroomd. In groepjes stonden de mensen met elkaar te praten. Zo nu en dan wezen ze naar de centrale grot in het midden van het dorp. Daar zat de dader. Maar er waren ook kleine kinderen die hun ouders meetrokken. “Waar is het feest?”<span>  </span>vroegen ze. “Het is toch Demerbeen met feest, pakjes en een uitstapje naar het strand. De meeste volwassenen voelden niets voor een feestje maar moeders en vaders hadden moeite om hun jongste kinderen het belangrijkste feest van het jaar te ontnemen. “Goed, goed, zeiden ze eindelijk, we gaan naar het strand en je krijgt een pakje. Langzaam aan stroomde het dorp leeg en verzamelden de mensen zich op het strand. De kinderen namen in<span>  </span>hun zwembroek meteen een forse duik in zee en de oudere jongens en meisjes begonnen aan hun zwemtocht naar de Baalder. Ze wilden niet onderdoen voor hun vader of moeder die de zwempartij vroeger ook hadden gemaakt. Een paar ouders zochten ook het zoute water op en zo begon het toch een beetje te lijken op een demerfeest. Natuurlijk hadden de ouders de pakjes voor hun kinderen al lang klaargemaakt en het was dus niet moeilijk om ze nu aan te bieden. Er waren suikerbeesten met afbeeldingen van katten, honden, paarden en giraffes. De kinderen vonden dat leuk want zulke dieren hadden ze nog nooit gezien. “Malle beesten van pappa en mama”, zeiden ze of ook wel “<span style="color:red;">aardbaarden</span>”. Sommige kinderen kregen een <span> </span>“<span style="color:red;">opraak</span>”, een paar vleugels die zij om de armen<span>  </span>konden binden. Met behulp ervan<span>  </span>konden ze een zweefduik van de berghelling maken. “Maar alleen langs het Hanebrood, hoor”, zeiden de ouders er steeds bij. “Vorig jaar is er een met zijn opraak in zee terechtgekomen en er waren twaalf jongens nodig om hem te redden.”Het was een bekend verhaal in Aldemundt. Warmen Helsboor had geprobeerd vliegend met zijn<span>  </span>opraak naar het eilandje Baalder over te steken maar hij was halverwege door een windvlaag gepakt en midden in zee gevallen. Twee weken lang had hij in het hospitaal gelegen om weer helemaal de oude te worden. Geen grapje dus. En trouwens, niemand wist nog precies of er ook gevaarlijke vissen in het water bij Baaldur zwommen. Zeker er waren veel verhalen over driehoekige vinnen die op haaievinnen lekenmaar niemand onderzocht de wateren nog. De inwoners kenden nauwelijks de dieren van Mende. De meesten hadden wel eens een raak gezien maar die was meestal reden om een veilig heenkomen in huis te zoeken. De grote roofvogel scheen alles mee te nemen wat hij op zijn weg tegen kwam. En dan waren er natuurlijk de tamer, een zespotig hondje zoals Sikke, en de kiola, een zespotig soort poes. Nou ja, poes, het dier at geen vlees maar vooral graankorrels. Het beestje had een dikke vacht en kon… spinnen. De kiola voelde zich het prettigst op schoot en in de zon. De eerste tamer hadden de Aldemundters ooit beneden in het dal aangetroffen, of liever een hele groep ervan. De kiola liet in die tijd zijn keiharde gekrijs nog vooral op de berghellingen horen.<span>  </span></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Maar Wamerhorn zal vast wel meer ontdekken”, zeiden de strandgasten tegen elkaar. “Nog een paar dwindlen en dan vertrekt de kolonne. “Ik hoop dat we ze allemaal terugzien, wie weet wat ze allemaal mee terugnemen.” ”Ze zouden tegen Hornbeen terug zijn, nou daar wil ik nog liever niet aan denken.” De anderen knikten instemmend. Het was de donkerste dag van de hele chroon. De zon kwam op zo’n dag niet of nauwelijks boven de horizon uit en de temperatuur daalde tot een graad of acht. Het zou nog heel wat dwindlen duren voordat het zover was. “Ja, en ik moet ook niet denken aan wat ons nog meer te wachten staat”, het was Rodin Almakeren die plotseling opstond en zijn stem over het strand liet galmen. Hij wees naar de huisjes op de bergkam die nu heel klein en donker leken de achtergrond van de helblauwe lucht “Denken we hier nog wel aan die jongens die het demerfest niet hebben overleefd en …”,<span>  </span>hij hield een lange stilte. “Aan Ramold die nu angstig op de toekomst wacht. Is hij een moordenaar of is hij het slachtoffer van een misverstand? Ik heb<span>  </span>gehoord dat de mensen van Bixhoorn ook al zoiets hebben meegemaakt. Er was geen schuldige aan te wijzen. Ze hebben de verdachte weer moeten laten gaan maar die is het land in<span>  </span>gevlucht. Hij voelde zich niet meer thuis in zijn dorp. Moet dat met Ramold ook gebeuren?” Met zijn lange gestalte, zijn dikke zwarte haren en grote baard maakte hij indruk op de mensen. Het werd stil in de kring van volwassenen. Zij durfden Rodin nauwelijks aan te kijken. “Ja zeker”, ging hij verder. “Ik heb contacten in Bixhoorn. Dat dorp dat nog maar negen jaar bestaat , hier drieduizend roden* vandaan.” Rodin liet zijn stem een beetje dalen. “”Het zijn goede mensen daar, zo’n tweeduizend. Net als wij eten ze dwijne, merkelbaard, alach of<span>  </span>frees en net als wij<span>  </span>weten ze niets van deze planeet en de wonderen en ongelofelijkheden die hier kunnen gebeuren. Maar zij hebben iets ontdekt waarvan wij in Aldemundt nog niet weten. Het komt voor dat iemand zo maar ineens dood valt, in elkaar zakt zonder dat iemand begrijpt waardoor het komt.” Een paar mannen die ver van Rodin af zaten, begonnen te lachen. “Ja, ja dit is de planeet<span>  </span>waar magere Hein echt een huis heeft en Rodin is zijn boodschapper. Mensen geloof die onzin toch niet. Er is echt niets geheimzinnigs aan de dood van die jongens, ze zijn gewoon doodgeslagen door Ramold.” “En ik zeg jullie”, Rodin verhief nu zijn stem. “Er is<span>  </span>nog veel meer tussen hemel en Mende dan tussen hemel en aarde. Spot er niet mee of het zal spotten met jullie.” Rodin liet de woorden bijna als strijdwagens door de lucht rollen. Dat waren de mensen van hem gewend en ze neigden ertoe de mannen achterin de kring gelijk te geven toen een andere stem zich in het gesprek mengde. “Rodin heeft gelijk”, het was een stem die geen tegenspraak duldde en die zelfs tot op Baalder te horen moet zijn geweest. De strandgangers keken op en daar op het pad langs de helling kwam Weemer van Hornhaaf tevoorschijn. “In Bixhoorn”, galmde zijn stem, “in Bixhoorn zijn mensen op een raadselachtige manier gestorven, bijvoorbeeld Gambald van Herenhoven, kennen jullie hem nog? Zien jullie de krachtpatser nog voor je, op het scherm?<span>  </span>Hij was vijfenveertig toen hij plotseling tijdens een wandeling langs de Varande-Fluus in elkaar zakte. Een hartaanval, een herseninfarct? Niets daarvan! Nee hier waren andere krachten aan het werk maar ook in Bixhoorn weten de artsen nog niet waaraan Gambald is overleden.”Het woerd stil in de kring. Wie de aarde na zijn tiende had verlaten, kende Gambald, de sterkste man van Helen. Was hij naar Bixhoorn gereisd en was hij daar overleden?” Weemer ging verder. “Gambald was negenentwintig toen hij naar Mende vertrok maar hij reisde niet naar Aldemundt. Nee, hij stichtte samen met vijftienhonderd andere Helenen het dorp Bixhoorn aan de Varande-Fluus, een aftakking van de rivier die wij zo goed kennen. Gambald was er jarenlang verantwoordelijk voor de veiligheid.Hij deed het niet slecht en had, voor zover ik weet, geen vijanden in Bixhoorn. Drie chronen geleden, vijf dwindlen na demerbeen zakte hij in elkaar om nooit meer op te staan. We moeten aannemen dat zoiets ook in Aldemundt kan gebeuren.”</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Maar waarom horen wij nooit iets van zulke dingen”, vroeg Hasima Flokhorn die vlak voor Weemers voeten zat. “Zouden jullie geluisterd hebben”, vroeg Weemer verbaasd. “Zijn we niet twaalf jaar bezig geweest met hard werken op het land om zeker te zijn van ons dagelijks eten? Hebben we ooit over de horizon willen kijken? En waarom ook? Het is beter om de dingen zelf te ontdekken, in de eigen gemeenschap want op die manier blijf je bij elkaar, houd je elkaar vast. Kennis lenen van anderen leidt alleen maar tot vervreemding van je eigen omgeving en wortels. Aldemundt moet sterk blijven door eensgezindheid. Het is niet nodig de buitenwereld te kennen om gelukkig te zijn, richt je op je eigen binnenwereld, op je eenvoud en op je zekerheden. Dat is beter.” “Maar”, begint Hasima weer :”Misschien hadden we dan niet zo snel geoordeeld bij de dood van die jongens.”<span>  </span>“Ik vertel het nu toch”? Weemers staalblauwe ogen kijken verbaasd over zijn dorpsgenoten uit. “Heb je nog meer zekerheden nodig?” Hasima kijkt zenuwachtig achterom. Een paar van haar vriendinnen leken er genoegen mee te nemen maar zijzelf vond het optreden van Weemer wel erg arrogant en ineens schoot haar iets te binnen. “Maar waarom ga je dan zelf mee met Wamerhorn?” Weemer grijnst. “Mijn werk, ik ben onderzoeker, ik ben arts. Ik ben er om over jullie gezondheid te waken. Misschien ontdek ik tijdens de reis wel het grote geheim van de Mende-toevallen zoals ik ze voorlopig maar genoemd heb.Het zou toch mooi zijn als we er iets tegen zouden kunnen doen.” “Maar Weemer”, begint nu Rodin. “Ik vind je wel een beetje bazig hoor. Wij zijn hier allemaal volwassen Helenen of nakomelingen ervan en we hebben altijd geleerd om zelf na te denken. Mijn moeder zei al… . “”Wat jouw moeder altijd zei, kan ik me wel voorstellen”, viel Weemer hem in de rede. “Ze zei altijd, Rodin, eet niet zoveel.” Rodin begint verlegen te glimlachen. Wie grapjes maakt over zijn lichaamsomvang, is hem altijd de baas. <span> </span>Hij gaat nu een beetje achteraan de kring zitten en laat zijn vingers door het zand </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Grapjes, ja”, Asta Kronin staat nu woedend en met een ruk op glijden. “Grapjes, terwijl er gisteren twee van ons zijn gestorven, allemaal door toedoen van die …, Ramold. Dat verschrikkelijke jong dat toch altijd al iedereen liep op te stoken en alleen maar uit was op de dochter van de Moden. Hij is de schuld”, haar stem slaat over en de laatste woorden komen er krijsend uit. “Laat de raak hem halen en met huid en haar oppeuzelen. Wij moeten geen moordenaars”Haar donkere ogen vertonen nu kooltjes van vuur door de volop stralende zon. Ze schieten heen en weer in haar magere gezicht, alleen zo nu en dan bedekt door de lange slierten donker haar die met haar hoofd mee schudden terwijl ze van de een naar de ander kijkt. Met haar knokige vinger wijst ze Weemer aan. “En wat wil jij nou eigenlijk met je laffe praatjes. Wat heb jij ons te bieden en waarom kom je ineens voor zo’n kateling op.” De vrouwen die rond haar zitten, buigen hun hoofd en kijken naar het zand. Weemer weet dat het geen verlegenheid is maar ingehouden verontwaardiging. Zij zijn<span>  </span>het eens met Asta. “Een moeder laat haar zoon niet zo maar naar de overkant jagen”, bij de laatste woorden klinkt haar stem hees en gillend. Weemer strekt nu zijn beide armen naar haar uit. “Ik ben het met je eens, het is verschrikkelijk maar we hebben nooit geleerd zo maar een schuldige aan te wijzen. Vooral niet als er twijfels zijn en …””Je neemt het rotjong in bescherming”, gilt Asta weer maar nu maakrt Weemer met beide armen een bezwerend gebaar. “Nee Asta, ik neem <em>ons</em> in bescherming. <em>Wij Aldemundters </em>zijn alleen op deze vreemde planeer waarvan we weinig weten en we moeten vooral de eenheid bewaren. Alleen op die manier kunnen we ons wapenen tegen gevaren die we niet kennen. Wat wisten wij toen we van aarde naar Mende vertrokken? Wat wisten wij van deze planeet? Alleen dat er zuurstof was en water en land en een nieuw gebied om een nieuw leven te beginnen. Een “frontier” die verder lag dan ooit eerder in de geschiedenis. Zoals de kolonisten ooit van oost naar west trokken in het land Usa dat in Noord-Amerika lag, zo trokken wij vele jaren door de kaaten om ons nieuwe vaderland te ontdekken. Om er voet aan de grond te zetten, om er opnieuw te beginnen maar niet leeg, niet blanco. Wij geloofden in onze waarden en die hebben we niet uit het patrijspoort gegooid toen de Arketan vertrok. Ik niet tenminste, en ik denk heel veel van ons niet. Wij gaan toch niet opnieuw beginnen en ons baden in bloed? Wij hebben toch wel onthouden dat we samen sterk staan om ieder de kans te geven de Hornich te volgen? Misschien is Ramold echt schuldig maar wat voor een Hornich zal hij dan hebben af te leggen? Waar komt die primitieve roep om wraak vandaan? Moeten we weer terug naar de jaren van de placebo-rechtspraak? ” <span> </span>Hij liet zijn armen weer zakken en deze keer liet hij zijn ogen de kring doorgaan. “Het was goed dat wij hier op het strand konden zijn en plezier konden maken ondanks de verschrikking van gisteravond. Dat wij niet onszelf lieten neerdrukken door die moeheid, die tobberigheid die een ramp altijd met zich meebrengt. Wij konden toch onze demerbeen vieren. Ingetogener misschien dan anders, trager misschien ook maar het was “vieren”. Daar ben ik trots op en om die reden voel ik me Aldemundter, los van mijn land maar niet van mijn idealen. Aldemundt is een ideaal en laat het dat alsjeblieft ook blijven. Daar worden we sterk van.” Weemer liet nu zijn handen zakken en keek zijn toehoorders een voor een aan. Zouden zij te hoop lopen of protesteren? <span> </span>Hij voelde een lichte tinteling dor zijn schouders naar zijn kaken kruipen, spanning, zo wist hij. Het bleef stil, het was het beeld van een land ver van de mensen, zoals de Helenen dat altijd hadden genoemd. Stil, met een spelend zonlicht die ieder warmte gaf en een gespannen ingetogenheid, beheersing zonder berusting. Asta hief als eerste weer haar hoofd op. Haar ogen stonden nu vol tranen. “Maar de moeders van die dode zoons, wat hebben die dan voor een Hornich. Zij zijn niet hier maar schuilen in donkere kamers en klitten aan elkaar.” De vrouwen om haar heen knikten instemmend en neurieden zacht een lied. “Halden fan Gerinhaan”, ee oud en beroemd lied uit Helen. Een lied van verzoening, van treurigheid en van de hoop op uitzicht op een nieuwe weg tot achter de horizon <span style="color:red;">Halden fan Gerinhaan</span> was een van de langste getuigenissen van Hornich vol muziek en gedichten en zelfs met aanwijzingen voor dans. Weemer viel nu ook in. En laat dit ons lied zijn, dacht hij in stilte. Voor altijd ons lied. Hij keerde zich al zingend om en begon aan de weg terug van het strand naar de berghelling en hij zette al de eerste stappen op het pad naar boven toen de achtersten noch bezig waren op te staan. En ze zongen, ze bleven zingen want de liederen van Halden fan Gerinhaan kenden geen eind.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Het was een indrukwekkende optocht die tegen de helling naar boven klom, mannen, vrouwen en kinderen met hun handen in elkaar geslagen voor hun middel en zingend. Geen treurige tocht, alleen indrukwekkend. Soms klonk zelfs een opgewekte en een vrolijke stem uit het midden van de menigte. Helemaal achteraan liep Rodin. Hij durfde niet luidkeels mee te zingen want zijn stem was schor en onzuiver en dus zong hij terwijl hij achterstevoren naar boven liep. Zo kon hij niemand in de war brengen.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Boven, in het dorp, sloten degenen die waren achtergebleven zich bij de stoet aan en al zingend zocht de stoet zich een weg naar het huis waar de ouders van de dode jongens elkaar hadden opgezocht. Vlak voor de deur bleef Weemer staan. Zijn gezang klonk helderder en steviger dan beneden en iedereen wist het: we blijven hier zingen totdat de mensen naar buiten komen. Weemer maakte nu ook de danspassen die bij de getuigenis hoorden en de mensen achter hem namen die passen over en de mensen die daarachter stonden weer van hun voorgangers enzovoorts totdat de Aldemundters samen haast een groot dier, ademend en kruipend voor de deur van het huis vormden. Hun gezang klonk door het hele dorp en ook de Moden, Feya en de bevelhebber sloten zich erbij aan en zij zongen mee. “Weemer doet goed werk”, fluisterde de bevelhebber en de Moden knikte. “Ongetwijfeld, welke reden hij daarvoor ook heeft.”De bevelhebber haalde zijn schouders op. De rust begon terug te keren in het dorp, er heerste een positieve stemming en dat was zijn eerste zorg. Ook veldwachter Pollaart schuifelde nu achter aan in de rij. Uit volle borst zong hij mee en met glimmende ogen keek hij in het rond. Zijn volk, zijn mensen leken wel vrolijk en daaraan nam hij graag deel. Vooral als iedereen erbij was, behalve de bewaker en Ramold. Even dwaalden zijn ogen rond over het plein om te zien of nog Aldemundters aan kwamen lopen maar het was stil rondom terwijl de schemering viel en ook aan de andere kant…</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Later zou de veldwachter zich niet meer herinneren wat het eerste openging, zijn mond of de deur van het huis maar hij wist zeker dat hij als eerste de doffe klap op het plein hoorde. Het was een harde doffe klap, gevolgd door het geluid van een krakende dakgoot die naar beneden kwam. Vele meters zink bogen om en raakten de grond vlak naast de hoop zwarte veren die bijna het hele plein aan het gezicht leek te onttrekken. Dat viel mee maar de mensen in de rij zagen wel dat het een raak was die de grond hard had geraakt. Zij hadden de grote vogels, raken, wel eens hoog in de lucht gezien maar nog nooit van zo dichtbij. Hert gezang stopte en de hele groep mensen bewoog zich langzaam maar heel zeker in de richting van het grote dier. Nu pas viel de grote, scherpe snavel op die zo lang was als de onderarm van een volwassen man. En de vier poten en de vleugels waarvan er nu zinloos een recht omhoog stak langs de muur van een huis en waarvan de tip boven de rand van de benedenste verdieping uitkwam. De borstkas van het dier leek nog op en neer te gaan maar de beweging werd elke seconde minder. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Niemand wist precies hoelang de stilte had geduurd maar het was Rodin die de betovering het eerste verbrak. Hij stak zijn beide, lange armen ver opzij en maakte een vliegende beweging. Tussen zijn lippen door liet hij een zoevend geluid horen alsof de vleugels van de grote vogel nog wiekten. “Een koning, een echte koning”, hij liet zijn stem donker en hol klinken. “Maar ook een dode koning”, vulde Weemer aan. “Is het geen wonder, zo’n grote vogel die zo maar uit de lucht naar beneden stort en dood is. Zo’n vogel die gemakkelijk een man kan optillen om hem in zijn nest op te peuzelen, want daarvan ben ik overtuigd. De raak is een roofvogel.” De mensen kwamen nog wat dichterbij en verwonderden zich over de vier sterke en grote klauwen, de enorme snavel en het grote lijf. “Kan hij nog kwaad?”vroeg Hasima<span>  </span>maar Weemer schudde zijn hoofd. “Het dier is morsdood, ouderdom of toch iets anders? Alleen al die vogel zegt mij dat deze planeet zijn<span>  </span>eigen wonderen heeft. Levende wonderen maar ook wonderen die dood en verderf zaaien. Het is toch opvallend dat we in twee dagen drie keer de dood ontmoeten in dit dorp. Ik denk dat we erg voorzichtig moeten zijn en zoveel mogelijk binnen moeten blijven. “Doe maar geheimzinnig”, spotte Garmens moeder. “Wedden dat dit dier gewoon dood is gegaan van ouderdom? Dat kun je van mijn zoon niet zeggen. Die was jong jeugdig en sterk en zat vol goede plannen.” “Je kunt bitter zijn, Mantha, maar waar brengt je die bitterheid?<span>  </span>Je kunt ook verwonderd omzien en nieuwe hoop een kans geven”, viel Weemer haar in de rede. “Ik zou dit dier wel eens willen onderzoeken, samen met mijn collega uit Bixhoorn. Kijk eens hoe dor de veren aan dit dier hangen en<span>  </span>hoe sterk zij toch glanzen. Dit dier was niet oud maar wel heel erg vermoeid.””Gelukkig maar”, riep Aquia. “Misschien had hij het wel op een van ons voorzien.” De Moden kwam nu met grote stappen naar voren en hij raakte het dier heel even aan. Een vreemde kou trok door zijn arm omhoog maar hield op bij zijn elleboog. “Onderzoek door Weemer”, zei hij kortaf. “Wat zouden weer anders mee moeten?” Over de koudestroom in zijn arm zei hij niets maar het was alsof dezelfde kou zich nu op een klein plekje in zijn achterhoofd had genesteld.Het zou hem niet meer loslaten. Weemer knikte tevreden. “Gezondheid en veiligheid”, zei hij. “Het zijn de pijlers van ons dagelijks leven en ze vormen het tegenwicht voor het wonder, zoals deze viervoetige vogel die op aarde niet voorkomt.” Even wilde de Moden er iets tegenin zeggen maar hij beet zich op het laatste moment toch op zijn lip en veel kans kreeg hij ook niet. “Als ik van dit dier en van zijn sterven iets begrijp, zal ik het laten weten”, ging Weemer verder. De Moden verzamelde nu een groepje mannen om zich heen. “Sleep het kadaver met een pantserwagen naar de rand van het dorp”, zei hij. “En deponeer het nabij Weemers huis.” Er begon baldadigheid los te komen rond het dode dier en kinderen probeerden temidden van de verendos te gaan zitten. “Het is hoog tijd”, ging de Moden verder. “Om het dier weg te halen, de hoogste tijd.” Hij zei het zo hard dat ook de veldwachter het hoorde. “Zal ik de mensen wegsturen?”vroeg deze en de Moden knikte alleen maar. Hij draaide zich om en voelde weer die vreemde, koude plek in zijn achterhoofd. Het leek of er een tinteling vanuit zijn hoofd <span> </span>naar beneden tot in zijn lendenen liep, heel even maar. Met een schuine blik keek hij naar de veldwachter. “Maar wacht nog even, ik moet de mensen nog iets zeggen”, tegelijkertijd baande hij<span>  </span>zich een weg naar voren. “Voordat wij deze dag afsluiten”, zei hij op een toon die iedereen tot luisteren bracht,” wil ik nog iets zeggen. Het is een bijzondere dag geweest, ik kan mij niet herinneren ooit zo’n demerbeen te hebben meegemaakt. Maar het is ondanks alles ook een goede demerbeen geweest, een dag waarin we elkaar weer hebben gevonden. Dat is een feest op zich. Morgen houden we een rustdag, demerarbeen, en morgen zal ik u vertellen wat de Modaal heeft besloten over de ongelukkige gebeurtenissen van demeravond. Dat is een zekerheid die ik jullie allemaal graag meegeef voordat we de nacht ingaan.” De mensen zwermden langzaam uit over het plein, rustig stil maar of er vrede in het dorp was gekomen, was nog maar de vraag. De meesten fluisterden met vrienden of familie. Opgewonden, wild bewegend maar sommigen ook gebogen en in zichzelf gekeerd. Zwijgen deed bijna niemand maar wat hen bezighield was niet of nauwelijks te horen. De Moden passeerde hen steeds vriendelijk maar ingetogen knikkend terwijl hij met grote passen probeerde Weemer in te halen. Eindelijk kon hij de onderzoeker bij zijn schouder pakken. “Hoe snel kun je klaar zijn met je onderzoek?” Weemer glimlachte verbaasd. “Heb je haast?” De Moden knikte. “Ik wil iets meer van je weten voordat de loop van Wamerhorn vertrekt.”<span>  </span>Zijn stem klonk deze keer ongewoon onzeker maar hij had dan ook nog nooit een onderzoeker tot haast aangespoord. Deze keer grijnsde de geleerde. “Ik had nooit gedacht dat je me nog eens nodig zou hebben, je luistert bijna nooit naar mijn adviezen.” Op het gezicht van de Moden verscheen een ongeduldige trek. “Is dit nu het moment om te kissebissen, het belang van heel Aldemundt staat op het spel en misschien ook wel van Bixhoorn en Navringen of Hertenborg.” “Dat laat me koud”, Weemers stem klonk kil. “Ik stel alleen belang in Aldemundt maar zodra ik meer weet, laat ik je het weten. Ik zal Trimmen Hoferwenck van Bixhoorn een wix sturen dat hij gauw moet komen want zijn mening kan ik niet missen. Ik weet alleen niet hoelang hij erover doet om hier te komen. Toch al gauw een vier dwindels.” De Moden fronste zijn voorhoofd. “We vertrouwen op je”, hij legde even heel licht zijn hand op Weemers schouder. “Dat is altijd goed”, zei deze maar uit zijn gezichtsuitdrukking bleek dat hij geen zin had zich te haasten. Met een ruk dook hij onder de hand van de Moden weg om leiding te kunnen geven aan het vervoer van de raak.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;">
<div class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></div>
<p style="text-align:center;">
<div style="text-align:center;"><span lang="NL"></span></div>
<p><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em>Service </em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.elsevier.nl/web/Nieuws/Wetenschap-/Mensheid-moet-andere-planeten-koloniseren.htm"><strong><em>www.elsevier.nl/web/Nieuws/Wetenschap-/Mensheid-moet-andere-planeten-koloniseren.htm</em></strong></a><strong><em> </em></strong></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em></em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.scholieren.com/werkstukken/22937"><strong><em>www.scholieren.com/werkstukken/22937</em></strong></a><strong><em> </em></strong></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em></em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.frontpage.fok.nl/nieuws/71003'"><strong><em>www.frontpage.fok.nl/nieuws/71003&#8242;</em></strong></a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em></em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.proto.thinkquest.nl/~llb130/docpl_planeten.html"><strong><em>www.proto.thinkquest.nl/~llb130/docpl_planeten.html</em></strong></a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em></em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.nl.board.bigpoint.com/index.php?bp3sid=df3064fccb8ad9ed4fa9d3f0ff69"><strong><em>www.nl.board.bigpoint.com/index.php?bp3sid=df3064fccb8ad9ed4fa9d3f0ff69</em></strong></a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em></em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.freethinker.nl/forum/viewtopic.php?t=4374"><strong><em>www.freethinker.nl/forum/viewtopic.php?t=4374</em></strong></a><strong><em> </em></strong></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><strong><em></em></strong></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.10191.07sc.thinkquest.nl/index.php?c=2&amp;p=6"><strong><em>www.10191.07sc.thinkquest.nl/index.php?c=2&amp;p=6</em></strong></a></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"> -</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"> </p>
<div></div>
<div><span lang="NL"></span></div>
<p><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"> </p>
<p> </p>
<p> </p>
<p></span></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;"> </p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/293/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/293/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=293&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/22/vrijheid/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://members.home.nl/motortrip/pyreneen/kloof2.jpg" medium="image">
			<media:title type="html">Kloof en vrijheid</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>Warmtefront</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/16/warmtefront/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/16/warmtefront/#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 16 Mar 2009 12:16:45 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Science fiction]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonie op planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonisten op vreemde planeet]]></category>
		<category><![CDATA[lekker lezen op vreemde planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Leuk lezen op andere planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Leven op andere planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Wonen op vreemde planeet]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=290</guid>
		<description><![CDATA[    Sikke  was misschien niet de meest snuggere tamer van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin Randa Telgenheert,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=290&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> <img class="aligncenter" title="warmtefront" src="http://www.meteo-maarssen.nl/images1/wr_05a.jpg" alt="" width="425" height="319" /></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;"><span style="color:red;" lang="NL">Sikke<span>  </span></span><span lang="NL">was misschien niet de meest snuggere <span style="color:red;">tamer</span> van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin <span style="color:red;">Randa Telgenheert</span>,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij waarschijnlijk te danken aan de zes poten onder zijn korte romp die elke onregelmatige beweging tegengingen. Soms draaide <span style="color:red;">Randa</span> zich even om en dan fluisterde zij haast “<span style="color:red;">Sikke”</span> en meteen, als vanuit het niets verscheen het trouwe dier achter haar. Zij keek niet eens verbaasd op toen ze hem deze keer niet meteen zag. Haar trouwe tamer zou haar niet in de steek laten, hij zou zeker aan de andere kant staan en nog een keer zei ze zijn naam. Deze keer kwam zij uit haar gehurkte houding tussen de <span style="color:red;">dwijne-aren</span> op. “<span style="color:red;">Sikke</span>”, riep zij nu wat harder, een beetje ongeduldig zelfs maar de lichtbruine kop met beige ogen dook nergens op tussen de witachtige planten. Misschien kon het dier haar niet goed vinden zolang ze verscholen zat achter de brede bladeren van de planten die ook nog eens grote, lichtbruine bessen droegen. <span> </span></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Ongerust keek zij om zich heen. Ginds boven zee pakten zich donkere wolken samen, de eerste zware regenbuien van het warme seizoen waren in aankomst zoals <span style="color:red;">Randa</span> al eerder had meegemaakt<span>  </span>Zij maakte zich daarover niet al te ongerust want wolken zouden al vrijwel leeg zijn tegen de tijd dat zij <span style="color:red;">Aldemundt</span> zouden bereiken. De regens sloegen elk jaarweer hard neer op de hellingen aan de westkant waardoor er niets kon groeien. Elk zaadje dat er in het voorjaar wortel schoot, spoelde aan het begin van de zomer weer weg.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“<span style="color:red;">Sikke</span>”, riep zij deze keer harder met iets van wanhoop in haar stem en … werkelijk, tussen de ronde, rode huizen van <span style="color:red;">Aldemundt </span>verschenen de contouren van een <span style="color:red;">tamer.</span> Het dier kwam met zijn typische, zwevende bewegingen in ijltempo naar haar toe. <span style="color:red;">Randa </span>strekte haar armen opgewonden uit naar het dier dat nu nog harder door het landschap gleed. Een brede glimlach groeide op <span style="color:red;">Randa’</span>s gezicht maar haar mondhoeken gleden weer naarbeneden toen zij niet ver achter <span style="color:red;">Sikke</span> een man ontdekte. <span style="color:red;">Ramold Barg.</span> Die zou vast weer komen met een fantastisch verhaal, dat hij goed voor <span style="color:red;">Sikke</span> had gezorgd nadat hij het dier had gevonden, ver van zijn bazin vandaan en dat hij het dier nu terug kwam brengen. <span style="color:red;">Ramold</span> zat al een jaar achter <span style="color:red;">Randa </span>aan maar zij voelde niets voor zijn langdradige en vooral zelfbedachte avonturen, zijn zware dreunende stap en de steeds aanwezige lucht van gajem, het strootje dat zoveel Mendese mannen tot sigaret diende.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Hallo <span style="color:red;">Randa”</span>, <span style="color:red;">Ramolds </span>stem klonk vrolijk maar tegelijkertijd was er een onzekere klank in zijn stem. “<span style="color:red;">Sikke </span>liep op de Haar rond te snuffelen, alleen. Ik dacht, ik zal hem even brengen.” “O hallo <span style="color:red;">Ramold</span>”, antwoordde <span style="color:red;">Randa</span> vlakjes. Ze hurkte bij <span style="color:red;">Sikke </span>neer. “Was jij alleen op pad, zo maar naar het midden van <span style="color:red;">Aldemundt</span>? En kwam je toen deze meneer tegen. Is dat echt waar”? vroeg zij zachtjes aan de <span style="color:red;">tamer</span> maar toch zo hard dat <span style="color:red;">Ramold </span>het kon horen. <span style="color:red;">Ramold </span>beet zich op zijn onderlip en keek doelloos om zich heen. “De zomer begint”, begon hij zwakjes. “De <span style="color:red;">werolden</span> zijn onderweg.” Hij wees naar de dikke, zwarte wolken die langzaam tegen de berghelling begonnen op te klimmen. Ineens kwam er een glimlach op zijn gezicht. Het naderende slechte weer zou wel eens zijn bondgenoot kunnen zijn. Over hoogstens zes uur zouden de wolken hun laatst druppels uitgieten over <span style="color:red;">Aldemundt </span>en dat bood de mogelijkheid om een schuilplek te zoeken en dan misschien … Hij schraapte zijn keel en daarmee riep hij al zijn moed omhoog. “Zullen we na de mandert een wandeling maken langs de <span style="color:red;">Hanebrood</span>?” Hij probeerde zijn stem zo luchtig mogelijk te laten klinken en hij zag zichzelf al met <span style="color:red;">Randa </span>de berghelling af en, heel langzaam, weer oplopen, schuilend onder de takken en bladen van de <span style="color:red;">mondajen</span> en de <span style="color:red;">freek</span>. <span style="color:red;">Randa</span> voelde hoe haar gezicht rood aanliep. “Zodat we kunnen schuilen onder de <span style="color:red;">mondajen </span>en de <span style="color:red;">freek </span>en zodat jij mij onverhoeds kunt zoenen zeker?” vroeg ze op spottende toon. “Nou, ja, daar … goed, ik hoor het al. Het gebeurt niet vanavond.” ”Niet vanavond en nooit niet, nog niet als de raak je komt halen”, deze keer klonk haar stem venijnig, bijna vijandig. <span style="color:red;">Ramold </span>draaide zich om. “Jammer, ik had het een mooi afscheid gevonden.”Deze keer had hij haar toch geraakt want <span style="color:red;">Randa </span>voelde onzekerheid in zich groeien, het kloppen van haar hart in haar keel werd voelbaar. “Afscheid”? vroeg ze in een slecht gelukte poging om haar nieuwsgierigheid te camoufleren. “Ja, ik ga voor lange tijd het dorp uit”, <span style="color:red;">Ramold</span> liet zijn stem nu expres losjes en onverschillig klinken. “En waarheen dan wel”? was <span style="color:red;">Randa’</span>s ongelovige reactie. Ga je naar aarde?”<span style="color:red;">Ramold </span>glimlachte. “Nee, zover ga ik niet. Over tien dwindlen ga ik mee met de expeditie van <span style="color:red;">Berg Wamerhorn</span>.” Tien <span style="color:red;">dwindlen</span>, dat waren twintig aardedagen! “Heeft hij je uitgenodigd?” De ongelovige klank in <span style="color:red;">Randa’</span>s stem had voor ieder ander geklonken als een belediging maar <span style="color:red;">Ramold </span>hoorde er alleen maar belangstelling en enthousiasme in. “Nee, ik heb me aangemeld en ik mag mee”, zijn ogen straalden. “En hoelang blijf je dan weg?” vroeg <span style="color:red;">Randa</span> weer. Ineens was de gedachte aan <span style="color:red;">gajem </span>en verzonnen verhalen verdwenen. “Dat weten we nog niet”, <span style="color:red;">Ramold </span>voelde zich nu belangrijk worden. “Het kan veertien dagen zijn maar ook een halfjaar. We gaan met 21 mannen en zes vrouwen, tenminste als er nog twee vrouwen bij komen.” Onderzoekend keek <span style="color:red;">Ramhold</span> haar aan. <span style="color:red;">Randa</span> voelde zich over haar hele lichaam trillen maar ze verried niets. “Nou, dan kom je niets tekort”, schoot er na een paar seconden uit. Ze schrok er zelf van en begreep meteen dat haar opmerking nergens op sloeg. Zes vrouwen en 21 mannen! “Moet ik de aren voor je dragen?” <span style="color:red;">Ramolds</span> stem verried niets van zijn gekwetstheid. Randa keek met een schuin oog naar de dikke stapel korenaren. “Dragen”, zenuwachtig begon ze te lachen. “Nee, nee, doe jij dat maar niet”, trilde haar stem ookal zag ze er tegenop de aren zelf naar het dorp te torsen. Ze mocht nu niet toegeven. Als <span style="color:red;">Ramold </span>haar aren zou dragen, zou hij denken … Zo wilde de traditie en in <span style="color:red;">Aldemundt </span>waren tradities en strenge regels nodig, zo had haar vader het keer op keer ingeprent. Niet dat ze het er nooit moeilijk mee had gehad maar … “Regels en traditie”? <span style="color:red;">Ramolds</span> woorden doorkruisten haar gedachten. “Waar is de oude <span style="color:red;">Randa </span>gebleven die ’s morgens vroeg met de jongens uit het dorp liever naar Baalder wilde zwemmen dan naar school te gaan?” <span style="color:red;">Randa </span>voelde zich rood worden. “<span style="color:red;">Baalder</span>, ja, ze was er vaak naartoe gezwommen ook al had haar vader, de <span style="color:red;">Moden</span> van <span style="color:red;">Aldemundt</span>, het verboden. Ze glimlachte verontschuldigend. “Kleine meisjes worden groot”, zei zij zachtjes. “Een de gevaren groeien mee.” Ze had een hekel aan zichzelf, vooral vanwege die laatste zin. Het klonk alsof ze haar moeder hoorde. “Kind, dat kun je niet doen, je bent de dochter van de <span style="color:red;">Moden”</span>!<span>  </span>“Maar <span style="color:red;">Ramold en Clijne</span> doen het ook en <span style="color:red;">Havan en Trido</span> en … .”En toen had haar moeder haar gewaarschuwd. “Het zal de slechte invloed van Ramold zijn”, zei zij dan ernstig. “Het is een <span style="color:red;">kateling </span>en katelingen worden nooit wijs.” Eerst had ze die opmerking niet begrepen maar later legde haar moeder uit dat een <span style="color:red;">kateling </span>iemand was zonder geschiedenis. “Geboren aan boord van de <span style="color:red;">Arketan</span>”, die woorden klonken uit haar mond dan heel veel betekenend.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Ze hurkte soepeltjes bij de stapel aren neer en stond weer op. De vracht was zwaar maar hoe zwaar zou de band zijn met een <span style="color:red;">kateling,</span> een man die twee<span>  </span>jaar jonger was dan zij zelf ook nog?</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Wat is jouw eerste herinnering”? plotseling vroeg zij<span>  </span>uitdagend. Die uitdaging was vooral aan haar zelf gericht want ze verwachtte niet veel van het antwoord.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;"><span style="color:red;" lang="NL">Ramold </span><span lang="NL">bedwong zijn neiging om een schop te geven tegen de steen die voor zijn voet lag. Altijd die vragen over het verleden! Hij wist maar al te goed dat het te maken had met zijn <span style="color:red;">katelingschap</span>. Maar toch, als <span style="color:red;">Randa</span>’s vraag oprecht bedoeld was, dan was dit zijn kans. “Een liedje dat mijn moeder zong. Het ging over een mannetje dat elke avond een blauwe ster zag aan de hemel en niets liever wilde dan er naartoe te klimmen. De blauwe ster glimlachte en er woonde een heel lieve fee. Het liedje eindigde met de zin. “En dat mannetje ben jij”. <span style="color:red;">Randa </span>keek zwijgend naar hem op. Een heuse herinnering! “En je tweede herinnering?”vroeg zij iets onzekerder. “Dat ik uit het patrijspoort van ons huis keek en heel in de verte de blauwe ster zag. Mijn moeder vertelde met toen dat zij daar geboren was.” “En ik ook”, <span style="color:red;">Randa</span>’s woorden klonken te triomfantelijk om vriendschappelijk te zijn. “En toch zien we nu allebei hoe uit de <span style="color:red;">werolden</span> de plensregens beginnen te vallen, hoe de zomer nadert en we weten allebei dat de <span style="color:red;">dwijne-aren</span> snel binnengehaald moeten worden.”<span style="color:red;">Randa’s </span>stem stokte even. Voor een kort moment wist ze geen weerwoord. Haar ogen richtten zich op de haast pikzwarte wolken waaruit zich nu de stortregens losmaakten die de rotsachtige hellingen aan de westkant van het gebergte geselden en die <span style="color:red;">Baalder </span>aan het oog onttrok. Ze keek ook naar de huizen, een ander dorp dan het groepje ronde, donkerrode huizen met hun platte dak had ze nooit gekend. Haar moeder had wel eens verteld over grote steden op aarde zoals Merkenborg met zijn anderhalf miljoen<span>  </span>inwoners. Maar zij, Randa, kon zich daarbij niets voorstellen. Zij kende het dorpje en het daarvoor had ze tien jaar aan boord van de Arketan doorgebracht. ‘Dit is mijn wereld’, waren de woorden die zij in haar hoofd steeds weer hoorde. Zij begon langzaam te lopen ion de richting van Aldemundt. Even leek ze te struiken maar daarbij pakte ze Ramolds mouw. “Ik zou willen dat er veel meer was dan Aldemundt”, ze glimlachte naar Ramold. “Iets drukkers, meer leven… .” Ze huiverde. “Stel je voor dat we de enigen zijn op deze planeet. Het maakt me bang, die eenzaamheid.”</span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Ramold weerhield zich ervan om zijn arm om haar schouders te slaan. “Alleen, eenzaam”, zei hij langzaam. “Dat zijn we allemaal. Het valt minder op als je samen eenzaam bent.” Naast elkaar liepen ze nu naar het dorp. De regen plensde nog steeds neer op de kale hellingen aan de westkant. Het zou nog een paar uur duren voordat een dunne regen boven Aldemundt en haar akkers zou losbarsten. En morgen, morgen was het <span style="color:red;">Demerbeen,</span> het begin van de zomer. Een feest!</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">De grote zaal van de tempel zat vol. Heel Aldemundt had zich verzameld rond een grote, lege plek in het midden, mannen en vrouwen door elkaar. <span style="color:red;">De mannen droegen hun zwarte, rode of gele getailleerde, halflange jassen en iets poffende broeken in dezelfde kleur. Daaronder hadden ze witte hemden die nauw om de hals sloten en aan hun voeten zwarte schoenen met opkrullende puntneuzen. De schoengespen waren mooier opgepoetst dan op andere avonden want op Demeravond wilde iedereen er op zijn beste uitzien. De vrouwen droegen witte, beide of lichtblauwe jurken met een zilver- of goudkleurige centuur, een sjaal in dezelfde kleur, lange oorhangers van zilver, goud en een lichtgele, doorschijnende steen die bekend stond als kamilix. </span>Randa zocht haar vriendinnen <span style="color:red;">Tiami, Faria, Aquia, Bonara en Syfa</span>. Voor zij zich bij hen voegde, wilde zij eerst zien hoe zij reageerden toen zij met Ramold binnenkwam. Ze zagen haar niet, ze lachten en praatten. Ramold aarzelde niet. Hij schoot zo snel hij kon naar zijn vrienden die in een cirkel bij elkaar zaten. “Laatkomer”, bromde Fode spottend. “Op de loer gelegen tussen in het dwijneveld? Nog steeds op jacht naar Randa?”<span>  </span>Belber, de oudste van de vriendenclub zweeg grijnzend terwijl Thibon zijn neus ophaalde. “Heb je haar al eens … een worst in de dwijne gelegd?” Ramold voelde zich boos worden maar hij had geen zin in ruzie. “Ze zal me toevallen als een rijpe zarzak”, fluisterde hij zodat zijn vrienden het nog net konden horen. “En net zo sappig smaken”? vroeg Fode weer, “de dochter van de Moden? Dat is wel een heel vette prooi voor een kateling.” Ramold haalde zijn schouders op. “Zullen we het over iets anders hebben?” Hij had geen zin in ruzie met zijn vrienden en al helemaal niet op Demeravond. Vanavond hoopte hij tijdens de Demerdans aan Randa te laten zien wat hij kon. “We mogen even onze mond houden”, kwam Belber ertussen. “De Moden is in aantocht,”Hij wees op het gordijn achterin de tempel dat nu opzij werd geschoven. Moden Paup Telgenheert kwam met grote, snelle passen dichterbij. Zijn gezicht zelfverzekerdheid en daadkracht uit, hij was zich bewust van het belang van het moment en dat mocht ook van een Moden worden verwacht. Demeravond was het op een na belangrijkste feest van Aldemundt. Op het moment dat hij de ronde zaal betrad, stopten de gesprekken. Sommige mensen braken hun zin halverwege af en richtten hun blik op de burgemeester, de man die voor, tijdens en na de reis met de Arketan zoveel mensen een hart onder de riem had gestoken en steeds weer de kracht had gevonden om verder te gaan. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">Hij begon meteen te spreken, niet hard maar duidelijk verstaanbaar tot in de verste rijen achter in de zaal<em>. “Vermogende Aldemundters”, het was de normale aanhef voor ene grote groep mensen die de ontberingen en uitdagingen van de kolonisering van Mende hadden uitgevoerd en voortgezet. “”De Werolden zijn teruggekomen, precies op de behn die we hadden gedacht. Professor Wamerhorn heeft de komst tot op de akta nauwkeurig vastgesteld, een prestatie die we van hem mochten verwachten. Ik kom net van buiten en ik kan u vertellen dat de eerste druppels sinds vijftien akta op onze graanakkers neerdalen. Onze graanakkers die trots gevuld zijn<span>  </span>met onze eigen granen<span>  </span>dwijne, gombert, allach, frees en merkelbaert. Onze granen die zo anders zijn dan de granen van de aarde en die de Mendese grond heeft voortgebracht uit tarwe, gerst, rogge, haver en rijst. Zo anders, zoals alles anders is hier, dan op aarde. Velen van ons weten het zich te herinneren en velen hebben er geen weet van maar we plukken er allemaal, letterlijk, de vruchten van. En nu, bij onze twaalfde demeravond, staan nieuwe, grootse avonturen voor de deur. Eenentwintig van onze mannen en vrouwen gaan dit jaar voor het eerst een retourreis ondernemen naar aarde onder leiding van Paup Groeffen Zij offeren meer dan twee kedachronen van hun jaren om op aarde te presenteren wat onze successen zijn. Een reis van meer dan twintig aardse jaren. Dat vergt moed en vastberadenheid en dat zijn eigenschappen die met Aldemundt zo verbonden zijn als Hornich met ons allen. En ook eenentwintig mannen en vrouwen gaan op reis op onze nieuwe planeet want professor Wamerhorn vertrekt over</em> <em>twee dwindlen met twintig jonge Aldemundters op reis, op zoek naar de zuidkust van ons continent en nieuwsgierig naar alles wat zich tussen ons en die kust bevindt. Zij zullen niet tweemaal een kedachroon onderweg zijn maar hun loop zal er niet minder om zijn.</em></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><em><span lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">Dat wij in staat zijn om tweeenveertig dappere Aldemundters op stap te laten gaan hebben we te danken aan twaalf chronen van proberen, vechten en winnen. Dat hebben wij aan onszelf te danken en natuurlijk aan de steun van Hornich. Om hem te danken en hulp te vragen bij onze nieuwe ondernemingen, laat ik graag het woord aan usker Breemhoor.”Wij zien elkaar weer bij de demerdans.”</span></span></span></em></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><em><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></em></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Niemand sprak een woord, ook het groepje jongemannen rond Ramold niet. Respect voor de Moden en voor de usker liet hun zwijgen. De usker van deze avond was Ramold Breemhoor, die de meesten kenden als tandarts. De lange man stond lenig en vlot op van zijn stoel en zag de zaal rond. <em>“Mende betekent “hoop” en mijn hoop is het dat we die hoop allemaal nog in ons voelen, aardlingen, katelingen en mendlingen. Voor mij was het de hoop om mijzelf beter te leren kennen aan de hand van de heel nieuwe kansen die ik kreeg. Het is me helder geworden, wie ik ben. Meer dan op aarde heb ik mijzelf leren kennen en ik ben Hornich, de Weg, dankbaar dat hij me tweeenhalve kedachroon geleden heeft geholpen om die stap te zetten. Het was een stap. In Helen was ik een succesvol wetenschapper, met vrouw, zoon en dochter en nu zijn ze nog steeds allemaal om me heen. Nooit hebben ze me tegengehouden. Tot en met de twaalfde werolden trouw aan mij en onze gezamenlijke hoop. Een hoop die is uitgekomen.” </em>Hij zweeg en liet zijn blik gaan over zijn dorpsgenoten. “<em>En ik hoop dat u me dat allemaal kan nazeggen.” </em>Zijn ogen bleven rusten op<em> </em>Weemer van Hornhaaf. Heel even, de mannen wisselen een blik uit en Ramold schrok. Hij zag, hij zag afwezigheid in de ogen van de ander. En Weemer schrok, hij zag het inzicht in Ramolds ogen. “<em>Allemaal”, </em>herhaalde hij aarzelend. <em>“Wij vinden onze hoop toch allemaal in het prachtige lied “Over Hornich naderen de werolden opnieuw”.</em> De usker gaf een teken aan het orkest dat achter hem klaar zat: een strijker met zijn vatar, een pianist met de mendepiano, weer een strijker met zijn liodin, twee blazers met een tander en een wreksch voor de ritmische ondersteuning. Geen electronica, geen computerinstrumentarium maar echt handwerk waaruit ook foute tonen konden klinken want “zoals niet de mooiste vrouw het meest aantrekkelijk is, zo is ook de zuiverste toon niet echt geliefd”. Het orkest zette in en de usker liep achteruit naar zijn stoel, ondertussen uit volle borst meezingend. Opnieuw lette hij op Weemer maar deze zong minstens zo overtuigd mee als Ramold zelf. En ook de jongeren, de katelingen en de mendlingen, er klonk een groot slepend en melodieus gezang. Niemand vond de zes coupletten van het Weroldenlied te vermoeiend. Het werkte zelf heel anders. De energie van de jongens en de meisjes nam alleen maar toe en de jongens begonnen verlangend naar hun uitverkoren vrindinnen te kijken. Nog scherper keken zij toen het orkest de eerste tonen van een ralka inzette, een Mendse-dans die al aan boord van de Arketan bekend was. Traag sleepten zich de eerste tonen voort maar de jongens, vrouwen, mannen en kinderen repten zich naar de dansvloer. Zij stelden zich op in lange rijen en zorgden ervoor dat hun meete geliefde dichtbij was. De jongens tegenover de meisjes en de kinderen aapten dat na. In langzame bewegingen probeerden zij duidelijk te maken wat zij de anderen wilden vertellen en die bewegingen werden steeds sneller. Ze draaiden rond, maakten sprongen, hurkten en maakten koprollen. Tussen door zonden ze boodschappen uit met hun handen, mond, ogen en zelfs oren. Ja, er was geen Mendling die niet zijn oren kon bewegen. De muziek zweepte ze op. De jongens vormden nu een kring en zij scheeuwden het lied uit : “Moe Mende wos na hie”(Mijn hoop ben jij). Zij trokken hun<span>  </span>jassen van hun lijf en wierpoen die op een grote stapel, de demerberg die een rol zou gaan spelen aan het eind van de avond. Hun glimmende bovenlijven maakten het nog beter mogelijk om met elke beweging hun gevoelens te uiten. De usker reed nu een rollende tafel met een vuurtoorts en een fles zafyr binnen. Zafyr was een drank die haast niemand ooit kreeg, alleen de oudste mannen namen wel eens een kleine beker ervan op een vrije dag. De rest van de drank bewaarden de Aldemundters in vaten voor feesten en vooral voor de demeravond. De meisjes rekten hun hals. Zou het hun favoriete jongen zijn die met een mond vol zafyr vuur ging spuwen? De muziek speelde door en de kring van jongens draaide in cirkels steeds dichter naar de tafel toe. Weg! De muziek stond stil en een kluwen van jongens wierp zich op de zafyr en het vuur. Een tijdlang was er alleen een worsteling maar dan dook onderuit de groep Ramold op met een mond vol drank en de toorts in zijn handen. Hij aarzelde niet. Dit was zijn kans om zijn favoriete meisje te vragen. Een hoge vlam die bijna het plafond van de tempel raakte, spoot uit zijn mond omhoog en alle meisjes zongen luidkeels: Ze wos on ramoen., Jij bent de kampioen!”<span>  </span>In een paar sprongen was Ramold deze keer bij Randa. Hij greep haar om haar middel en wervelde in grote cirkels over de vloer. Het meisje had nauwelijks kans om zich te realiseren wat er gebeurde. Ze liet zich meevoeren want Ramold was sterk, handig en een snelle danser! Zij voelde zich zweven, voortgedreven door zijn benen en armen. Heerlijk, dit was demeravond. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Nu begonnen ook de andere jongens en meisjes de dansvloer te vullen en daarna volgden de ouderen met hun man of vrouw. Ook de Moden danste mee maar met een oog hield hij zijn dochter in het oog en wat hij zag, beviel hem niet. Ramold zette de fles zamyr aan zijn mond, nam een slok en kuste daarna zo lang mogelijk de mond van Randa. Daarna gaf hij het meisje een slok. Dat was nog allemaal niet het ergste, het behoorde tot het recht van de Ramoen. Het was meer het gezicht van Randa. Zij straalde geluk uit terwijl de jongen haar steeds dichter naar de ingang van de tempel toe wervelde. Natuurlijk hadden aardlingen, katelingen en mendlingen gelijke rechten. Maar toch, de Moden had zijn dochter liever in de armen van een aardling gezien. Hij bleef het paar volgen totdat zij in twee snelle kringen de deur van de tempel uit dansten. “Je danst beroerd”, mopperde Feya, zijn vrouw. “Let toch niet zo op die kinderen, het is hun feest.””Het is meer dan een feest”, zei de Moden beslist. “Het is een furene.” Een bruiloft? Feya glimlachte. “Je zoekt wel erg snel overal iets achter. Kop op, het is demeravond. Laat dit feest niet verpesten door je eigen norse gedachten.” De Moden schudde zijn hoofd. “Geen norsheid, meer een teleurstelling.”</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Het orkest zette het volgende stuk in. Nog wilder en vuriger dan het vorige. De hoge tonen van de liodin gilde nu boven de ondertonen van de andere instrumenten uit. De mensen zongen mee en probeerden de hoge klanken te volgen. Ondertussen grepen zij de bekers die op een lange tafel stonden, bekers met zafyr. Ze klonken met elkaar en soms klotste het vurige vocht boven de bekers uit. Ze lieten hun partners losten en kozen een ander, dansten door en lieten een tweede beker zafyr door hun keel glijden. De muziek werd nu langzamer en de Moden en zijn vrouwe kozen een stoel langs de kant van de dansvloer. Lachend keken zij naar hun dorpsgenoten maar de Moden voelde zijn mondhoeken soms naar beneden glijden. Een kateling!</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">De kateling en zijn verovering zaten inmiddels buiten vlak voor de deur van de tempel. Hij zag haar prachtige, donkere lokken, haar blanke huid, haar stevige borsten en het kostte hem moeite om haar woorden te verstaan. “Ramoen”, lachtte zij. “Kan ik nu je dwijne-aren dragen</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">?” vroeg hij ernstig maar het meisje schudde haar hoofd. “Dwijne-aren dragen?” Ze proestte het uit. “Hoe kom je erbij?”Even voelde Ramold zich teleurgesteld maar dat kon niet lang duren. Zij keek hem met stralende ogen aan. “Jij moet mij heel Mende laten zien totdat ik voor goed mijn ogen sluit omdat ik genoeg heb gezien.” Ramold durfde nu voor het eerst een arm om haar schouders te slaan maar hij liet ook meteen weer los en Randa hoefde niet eens om te kijken om de reden daarvoor te raden. Een groep van vijf jongens strompelde door de ingang van de tempel naar buiten. “De usker zei …”, lalde een van hen maar daarna hield hij op. De rest van de zin wilde hem maar niet te binnen schieten “De usker zei, en de usker zei”, zong zijn vriend Paup Loggen luidkeels. “De usker zei, dat de usker zei”, hij hield zich met moeite vast aan zijn<span>  </span>kameraad. Vooral omdat hij bijna omviel van het lachen. “Wij hebben een beetje zafyr gedronken”, loeide Warmen weer. “En meteen, ik zei: meteen, moesten we de tempel…pel uit. “Snap jij dat nou?” Hij greep Ramold bij een punt van zijn<span>  </span>kraag vast. “Ik snap er niets van, geen raak, geen tamer, geen Moden, geen usker, snap ik er van. Hij gierde het uit. “Geen Moden, geen Moden en geen Moho-den!”zong hij lallend op de meloidie vann het Aldemundter lied. Hij lachte hard en schor en waggelde naar Ramold toe. Hij bleef met zijn gezicht vlak voor Ramolds ogen staan. “He, Ramoldje, lach ook eens. Kan je niet lachen?” Weer bulderde hij het uit maar het lachen ging over in een hoestbui en een rochel. “Lach dan, je hebt toch zo’n lekker ding versierd? Die kliene van de Moden. Mag jij daar wel aankomen, kateling.”Nog reageerde Ramold niet. Hij probeerde niet naar Warmen te kijken maar die pakte hem bij zijn neus<span>  </span>en trok er hard aan. Wie teveel zafyr heeft gedronken, is voor een verstandig woord niet meer bereikbaar, dacht Ramold nog maar hij voelde hoe zijn bloed begon te koken. Hij had geen zin in vechten maar ook zijn geduld zou een einde hebben, hij voelde het. Woedend keek hij zijn plaaggeest aan maar die voelde zich daardoor juist aangemoedigd. <span> </span>“He, ellendige kateling”, schreeuwde Warmen. “Zeg nou eens wat, snap jij er nou iets van? Kateling, kateling”, <span> </span>joelde Warmen opnieuw en dat was net een keer teveel. Ramold sprong overeind. Hij zou er in een keer een eind aan maken. Warmen moest zijn bek houden. Stil zijn! Met zijn hoofd vooruit rende hij op Warmen af en met een harde klap belandde zijn schedel in de maag van de scheldende dronkeman. De dronkaard klapte dubbel en kotste zo hard dat een straal met een hoorbare klap op de aangestampte aarde kwakte. Hij viel voorover in zijn eigen vuiligheid. Hij bloedde aan zijn hoofd en een hevige siddering ging door zijn hele lichaam. Doodstil lag hij met zijn gezicht naar beneden en … zelfs zijn vriend Paup ging onderuit. Met een klap viel hij naast zijn Warmen neer. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">Verbijsterd viel Ramold op zijn knieen. Hij voelde de polsen van de beide jongens en luisterde scherp. Er klonk zelfs geen ademhaling meer. In paniek beukte hij met zijn vuisten op de grond en schreeuwend stond hij daarna op om de tempel binnen te rennen. “Een arts, een arts”, gilde hij. “Daarbuiten…”Zijn arm wees als een wegwijzer naar buiten. Toen zakte ook hij door zijn knieen. Randa wees de mannen huilend de weg. “Een ongeluk, een ongeluk”, schreeuwde zij steeds weer. Zij bleef heen en weer rennen tussen de jongens buiten en Ramold totdat ze bij hem op de grond ging zitten. “Je wordt weer beter”, fluisterde ze in zijn oor. Het gaat heus beter met je”. “Beter”? vroeg hij. “Het is mijn schuld toch?” “Jouw schuld?” Randa zweeg even. Het was nog niet eerder voorgekomen in Aldemundt dat twee mensen elkaar bijna of helemaal dood hadden geslagen. De Aldemundters waren zich er altijd bewust van geweest dat ze elkaar nodig hadden. Geen vechtpartijen onder elkaar, dat was ook altijd een uitspraak van haar vader geweest. Ze wist ook helemaal niet hoe dit zou aflopen. Zou er een rechtbank komen? Moest Ramold zich verantwoorden? Waarschijnlijk wel. Haar hele lichaam begon te trillen. Ze voelde zich kwaad over de beledigingen die de andere jon gens over Ramold hadden uitstort. Maar ja, had hij niet beter moeten weten? “Word eerst maar gauw beter”, ze kon het alleen maar fluisteren. Haar stem was zwak door haar onzekerheid en ze voelde zich misselijk worden. “Eerst beter worden”, zei ze weer en ze streek met een hand door zijn haar. Haar stem ging onder in het geluid van de menigte die nu de tempel uitstroomde. De mensen zeiden niets maar hun voetstappen klonken als het gedreun van een kudde bisons. De ouders van <span style="color:red;">Warmen en Paup</span> liepen voorop. Toen ze Ramold en Randa op de grond zagen zitten, schreeuwden ze pas. “Moordenaars! Mijn zoon”, gilde Warmens moeder. Ze stortte zich op haar knieen naast Warmens lichaam.<span>   </span></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Fode, Thibon en Belber kwamen nu bij Ramold en Randa staan. “Je hebt hem goed te pakken gehad, of liever hun allebei”, Fode’s stem klonk alsof hij er zelf wel op los zou willen slaan. “Warmen en Paup zijn allebei dood”, die laatste woorden zei hij met een wat vlakkere stem. “Ze waren je ook wel flink aan het uitdagen.” ”Dood, allebei dood”? Randa’s stem klonk verslagen maar ook verbaasd. Wat zou er nu met Ramold gebeuren en hoe kon het dat Paup dood was? Ramold had hem niet aangeraakt. Daar moest een andere reden voor zijn! Ze voelde tranen in haar ogen opkomen. “Hoe kan dit nou, Ramold, dood.” Ze dook met haar hoofd tegen zijn borst en bleef daar liggen, ook toen ze zijn hand op haar schouders voelde. “ Ik wilde het niet maar ze moesten ophouden met schelden.” </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Laat mij er eens even bij”, een bevelende stem klonk boven haar. Ze keek om en daar stond <span style="color:red;">Weemer van Hornhaaf</span>. “Ik moet hem onderzoeken.”</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Randa stond op. In het midden van de tempel zaten haar vader met de <span style="color:red;">moderaal </span>en de<span>  </span>l<span style="color:red;">enderaar</span> te praten. Hoog overleg! Ze zag de ernstige gezichten en de intensieve gesprekken. Haar vader schudde vaak zijn hoofd en mengde zich dan meteen opnieuw in het gesprek. De moderaal gebaarde wild en Randa probeerde zijn woorden op te vangen. In de queerhaan? Wilden ze Ramold in de queerhaan stoppen en hoelang dan? Stapje voor stapje ging ze in de richting van de drie mannen. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“We hebben dat in twaalf jaar tijd nog maar twee keer eerder gedaan. Een keer toen Fode Heender zijn buurvrouw had lastig gevallen en een keer omdat Bidder Hombarg dwijne-aren voor zichzelf had weggestopt”, merkt de Moden op. “In beide gevallen waren ze weer na een week op vrije voeten. We konden ook niemand missen. De schande was genoeg straf voor die jongens. “Ja, misschien wel”, kapt de moderaal hem af. “Maar deze keer zijn er twee jongens vermoord. We moeten streng ingrijpen anders gaan de mensen denken dat zeer altijd met een kleinigheidje vanaf komen. “Geen wraak maar herstel”, bracht de Moden daar tegenin. “Zo is het in Helen altijd geweest en zo wil ik het graag houden. Straf mag geen vergelding zijn. Ik sta voor rechtvaardigheid en ik weet dat Ramold geen slechte jongen is.”<span>  </span>“O, en vind je het dan zo mooi dat zo’n kateling probeert je dochter in te palmen?” <span> </span>De moderaal kijkt de Moden scherp aan. “Een moordenaar misschien wel.”De Moden springt overeind van zijn stoel. “Een kateling, ja, een jongen die aan boord van jouw ruimteschip is geboren. Weet je nog hoe je zelf de eerste baby aan boord van de Arketan begroette. Wat was je trots!” “Dat was toen”, brult de moderaal kwaad. “Nu is alles anders, de mensen denken anders en daar moet je rekening mee houden.” ”Ja zeker”, valt de Moden hem in de rede. “Er zijn hier honderd katelingen, dat is een op de vijf Aldemundters. Wil je die allemaal tegen je in het harnas jagen? Kateling of niet, iedereen zal hier de kans krijgen gelukkig te worden.” <span> </span>“Daar gaat het niet om”, moppert de moderaal. “Het gaat om het geluk van het hele dorp.” De stem van de Moden klinkt nu schamper. “Ja, ja en dat geluk bereik je door de katelingen uit te sluiten. Denk je dat nu heus?”.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Randa voelt haar hart sneller kloppen. Haar vader komt op voor Ramold en de andere katelingen! Voor het eerst heeft zij respect voor hem en zijn werk. Hij is geweldig. Nu zal het goedkomen met Ramold. Hij gaat vast niet naar de queerhaan! Bij die laatste gedachte voelt zij toch wat twijfel omhoog komen want haar vriendje is de schuld van de dood van twee mensen.Dat kan toch niet zo maar …? Ze voelt een hand op haar schouder. Het is Weemer van Hornhaaf. “Ik heb slecht nieuws en ook een beetje goed”, zegt hij. “Die jongens zijn allebei dood. Ramold heeft een shock. Hij denkt dat hij ze heeft vermoord maar ik weet het niet zeker. Heeft hij alleen Warmen geraakt of ook Paup?” Randa schudt verward haar hoofd. “Ik weet het niet meer precies, ik snap er niets van. Het is allemaal zo snel gegaan.” ”Denk goed na”, waarschuwt Weemer. “Hert is belangrijk voor Ramold. Ik denk trouwens wel dat de moderaal hem in de queerhaan zal stoppen maar misschien kan hij er weer heel snel uit zijn.. Denk goed na.” Het meisje buigt haar hoofd en staart naar de grond en knijpt haar ogen heel stijf dicht. Dat is de beste manier om de tranen tegen te houden en het helpt haar bij het nadenken. “Ik weet het niet meer”, herhaalt ze en ze stampt op de grond. “Denk goed na”, herhaalt Weemer. “Misschien weet je het morgen weer. Ik ben helemaal niet zeker dat Ramold schuldig is. Ik weet niet wat er wel is gebeurd maar er is iets raars… Iets dat ik niet kan verklaren.” </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">De tempel was nu helemaal leeg. In het hele dorp stonden kleine groepjes mensen te praten. Randa hurkte opnieuw bij Ramold neer. “Je moet opstaan en met me meegaan”, ze probeerde haar stem nu zo opgewekt mogelijk te laten klinken. “Dat zal helaas niet gaan”, achter haar kwam de moderaal met grote stappen dichterbij. “Ik ben bang dat Ramold enige tijd in de queerhaan moet doorbrengen. We moeten nadenken wat er met hem moet gebeuren.” Hij gaf de lenderaar een teken en deze pakte Ramold nu beet om hem. “Kom jongen”, zei hij. “Maak het me niet te moeilijk.” Ook de Moden kwam nu dichterbij. Hij keek zijn dochter aan. “Het spijt me.” Hij sloeg zijn arm om haar schouder. Het was lang geleden dat hij haar zo had beschermd. Misschien wel te lang geleden. Randa dacht dat ze in een stevige huilbui zou uitbarsten maar dat gebeurde niet. Haar ogen bleven droog. Nee, zelfmedelijden zou geen kans krijgen. Voorzichtig maakte ze zich uit de armen van haar vader los. “Als hij naar de queerhaan gaat, dan ga ik mee”, riep ze en ze holde achter de lenderaar en Ramold aan. De lenderaar draaide zich half om. “Je bedoelt het vast goed”, zei hij zachtjes. “Maar het kan niet. Ik kan niet iemand zo maar in de queerhaan opsluiten. “Ik ga mee”, riep Randa weer en ze volgde de beide mannen.<span>  </span></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">De queerhaan was ingericht in de grot die in het midden van Aldemundt lag. Het wasx een armzalig onderkomen waar weinig licht binnenkwam. Drie getraliede hekken scheidden een deel van de grot af. Achter elk hek was een kleine ruimte, omgeven door tralies en steen. Op de grond lag een laag aren van frees, de meest zachte korenaren van Mende. “Ik zal je naar de voorste queerhaan brengen, daar is het meeste licht”, zei de lenderaar zachtjes. “Ik hoop echt dat dit allemaal goed zal aflopen. Het is zo’n smet op ons dorp. We hadden het geod en vredig en nu … Het zal best goedkomen” “Weet je wel wat die jongens allemaal tegen hem riepen en wat ze deden?” klinkt Randa’s stem schril. De leneraar schudt zijn hoofd. “Nee, ik hoef het niet te weten en ik wil het weten. Het is allemaal zo … “ “Je moet het wel weten”, bij die woorden stampvoette Randa opnieuw. De lenderaar keek haar verschrikt aan terwijl hij het hek van de queerhaan opendeed. “Ren, Ramold, ren”, riep Randa maar de jongen schudde zijn hoofd. “Het heeft geen zin, waar moet ik heen?” Randa gooide haar hoofd naar achteren. “Er is hier een hele planeet en meneer weet niet waar hij heen moet.” Het was al te laat. De lenderaar duwde Ramold naar binnen en sloot het hek af. “Vervelend, nu moet ik hier vannacht ook blijven. Misschien kunnen een paar lenderingen me aflossen. Dat is belangrijk, niet omdat hij zal weglopen maar om hem te beschermen”, zei hij tegen Randa. “Ik zal ze een <span style="color:red;">wix </span><span> </span>sturen en vragen of ze even hier komen voor overleg.” “Hij werd uitgedaagd, gepest en </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">vernederd. Ze zaten aan hem te trekken en te duwen want ze hadden wel een vat zafyr weggewerkt”, Randa’s stem klinkt verontwaardigd. “Het was een ongeluk en … “ “Ga nou naar huis”, de stem van de lenderaar klonk vriendelijk maar ook dwingend. “Nee, nee, nee”, begon Randa weer. “Hoe ging het nou toch ook weer, ik ben helemaal in de war. Hij heeft alleen maar Warmen aangeraakt”, zei ze ineens. “Ik weet het zeker. Hoe kan het nou toch. Waarom is Paup dan ook dood? Dat kan toch niet?” De lenderaar haalde zijn schouders op. “Ga eerst slapen, morgen … “Nee, nee”, lachte Randa bitter. “Morgen is het echt niet beter. Dit gaat niet zo maar voorbij. Ik moet denken, ik moet … Ze voelde hoe er moed in haar lichaam vloeide, het was een warme stroom. Ze rechtte haar rug en keek de lenderaar triomfantelijk aan. Zwijgend draaide zich om naar Ramold. Ze stak haar hand tussen de tralies door en raakte zijn haar aan. “Je bent weer vrij voordat je het weet”, glimlachte ze. “Ik ga je helpen. En een ding, lieve Ramold. Je mag niets bekennen. Zeg niet dat het jouw schuld is, nooit.” Ramold haalde zijn schouders op. “Dit is in Aldemundt nog nooit gebeurd”, Randa. “De lendering en je vader hebben geen idee hoe ze dit moeten aanpakken. Vroeger misschien, in Helen, toen was alles duidelijk maar nu. Er zijn geen boeken, geen wijze rechters, geen prins, niemand. Er is alleen de Moden en er is de wraakzucht van de ouders van Warmen. Misschien laten ze het me mel uitvechten met een mes of een zwaard of misschien een knots. Ging het vroeger ook niet zo? En was het dan niet de god die besliste. “Een Godsoordeel”, fluisterde<span>  </span>Randa, “maar dat is belachelijk, dat is van heel lang geleden. Toen had nog nooit iemand van Mende gehoord en zelfs niet van de planeet. Bacchus. Er was toen nog een God die alles bestierde en iedereen aan zich had onderworpen. Maar vergis je niet, de Hornich heeft ons al zolang bevrijd. Die zal ook nu meetellen, we zijn toch geen oermensen meer?” Ramold glimlachte, “Hier zijn we oermensen, Randa, hier op Mende zijn we nog maar net begonnen dezelfde fouten te maken als op aarde, kijk maar hoe de mensen naar ons, katelingen, kijken.” “Je bent bitter”, antwoordde Randa maar ze kon maar met moeite haar tranen binnenhouden. “Waarom zouden we dezelfde fouten maken als tienduizend jaar geleden? Je hebt nu toch te maken met mijn vader en de moderaal, misschien is de lendering wel haatdragend maar hij beslist toch niet alleen?”<span>  </span>Ramold glimlachte. “Ik heb toch ook dezelfde fout gemaakt? Ik ben toch ook weer woedend geworden en ik ben begonnen met vechten? Waarom zou een ander niet ook weer fouten uit de oertijd maken, of ben ik dan toch minder? Mis ik dan toch een verleden en moeten katelingen alleen de hele geschiedenis overdoen? Denk jij er ook al zo over.” Randa keek zwijgend voor zich uit maar plotseling begon ze te glimlachen. “De hele geschiedenis, die wil ik wel samen met jou overdoen. Dan zijn we heel lang bij elkaar.” Dat was Randa, ook in de ernstigste minuten kon zij nog grapjes maken. Het was een reden voor Ramold om van haar te houden.” Toch bleef hij somber. “Ik ben bang dat het niet zover komt en het kont niet eens zover dat ik met de loop mee kan. Die vertrekt voordat ik uit dit hok weg ben.” Randa boog haar hoofd. Ergens diep in haar binnenste was ze blij dat Ramold niet weg kon. Die loop met al zijn risico’s en gevaren had ze helemaal niet zien zitten. Hoewel, bedacht ze nu. Misschien was die loop nog wel minder gevaarlijk dan het verblijf in de queerhaan. Wie weert wat voor barbaarse ideeën sommigen zouden krijgen over het lot van hun katelingse dorpsgenoot.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Het licht van <span style="color:red;">Osme, </span>de oude zon kroop langzaam boven de horizon uit. Het dal beneden zou nu al helemaal beschenen zijn. Demerbeen brak aan maar wat voor demerbeen! Elk jaar was de eerste dag van de zomer een feest geweest met volop warmte en licht van Osme als begeleiding. En nu, dit jaar, zou het een treurdag worden. Een dag om te treuren over de doden en de vermeende moordenaar. Er zouden ruzies zijn en twistgesprekken in plaats van zwempartijen naar Baalder. Families zouden van hun vrienden worden gescheiden door ruzies in plaats van de glooiritten waarin zij onderling om de eer streden. Dat was voorspeld in de duizenden pagina’s van de boeken van Hornich. “Als een bliksemschicht zal een kloof openbreken en het licht zal er in neerdalen om nooit meer terug te keren.” Het was niet een getuige maar het waren tientallen die al lang geleden zulke teksten hadden geschreven. Randa kende ze bijna allemaal uit haar hoofd. “Het licht zal in de gleuf van aarde en water verdwijnen”, ook zo’n tekst. Haar ogen kregen een wanhopige uitdrukking. Plotseling begon zij te begrijpen want Ramold haar al de hele tijd probeerde te zeggen. Oude waarden en gedachten zouden met de opkomst van deze Osme een kans krijgen.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Je bent stil”, klonk Ramolds stem nu bezorgd. “Waar”denk je aan?”Randa durfde hem nauwelijks aan te kijken maar hij herhaalde zijn vraag iets dwingender. Deze keer stonden haar ogen vol tranen. “De Verhornich”, Ramold had moeite haar te verstaan maar hij begreep haar door haar blik en haar gebaren. Zwijgend knikte hij. “Het is nog niet te laat”, zei hij. “Er moet een bewijs zijn voor mijn onschuld. Let goed op de mensen die het goed met ons menen. Zij zullen je de sleutel geven voor een oplossing. Ga nu maar en slaap nog wat. Morgen wordt het een zware dag.” Randa knikte. “Morgen, zo meteen, ben ik er weer.” Ze wuifde met haar vingers van twee handen, een gebaar dat betekende “houd moed”. Met een bijna onverstaanbaar gemompel groette zij de lenderaar. Er begon een liedje uit haar jeugd in haar hoofd rond te zoemen, een liedje waarmee haar moeder haar ’s avonds steeds in slaap had gekregen. Met opgeheven hoofd liep zij naar buiten en de eerste stralen van Osme gaven haar zwarte haar glimmen. Licht nestelt zich ook in duisternis. Ramold zag het en ademde diep uit.</p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Warmtefront</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="color:red;" lang="NL">Sikke<span>  </span></span><span lang="NL">was misschien niet de meest snuggere <span style="color:red;">tamer</span> van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin <span style="color:red;">Randa Telgenheert</span>,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij waarschijnlijk te danken aan de zes poten onder zijn korte romp die elke onregelmatige beweging tegengingen. Soms draaide <span style="color:red;">Randa</span> zich even om en dan fluisterde zij haast “<span style="color:red;">Sikke”</span> en meteen, als vanuit het niets verscheen het trouwe dier achter haar. Zij keek niet eens verbaasd op toen ze hem deze keer niet meteen zag. Haar trouwe tamer zou haar niet in de steek laten, hij zou zeker aan de andere kant staan en nog een keer zei ze zijn naam. Deze keer kwam zij uit haar gehurkte houding tussen de <span style="color:red;">dwijne-aren</span> op. “<span style="color:red;">Sikke</span>”, riep zij nu wat harder, een beetje ongeduldig zelfs maar de lichtbruine kop met beige ogen dook nergens op tussen de witachtige planten. Misschien kon het dier haar niet goed vinden zolang ze verscholen zat achter de brede bladeren van de planten die ook nog eens grote, lichtbruine bessen droegen. <span> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Ongerust keek zij om zich heen. Ginds boven zee pakten zich donkere wolken samen, de eerste zware regenbuien van het warme seizoen waren in aankomst zoals <span style="color:red;">Randa</span> al eerder had meegemaakt<span>  </span>Zij maakte zich daarover niet al te ongerust want wolken zouden al vrijwel leeg zijn tegen de tijd dat zij <span style="color:red;">Aldemundt</span> zouden bereiken. De regens sloegen elk jaarweer hard neer op de hellingen aan de westkant waardoor er niets kon groeien. Elk zaadje dat er in het voorjaar wortel schoot, spoelde aan het begin van de zomer weer weg.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">“<span style="color:red;">Sikke</span>”, riep zij deze keer harder met iets van wanhoop in haar stem en … werkelijk, tussen de ronde, rode huizen van <span style="color:red;">Aldemundt </span>verschenen de contouren van een <span style="color:red;">tamer.</span> Het dier kwam met zijn typische, zwevende bewegingen in ijltempo naar haar toe. <span style="color:red;">Randa </span>strekte haar armen opgewonden uit naar het dier dat nu nog harder door het landschap gleed. Een brede glimlach groeide op <span style="color:red;">Randa’</span>s gezicht maar haar mondhoeken gleden weer naarbeneden toen zij niet ver achter <span style="color:red;">Sikke</span> een man ontdekte. <span style="color:red;">Ramold Barg.</span> Die zou vast weer komen met een fantastisch verhaal, dat hij goed voor <span style="color:red;">Sikke</span> had gezorgd nadat hij het dier had gevonden, ver van zijn bazin vandaan en dat hij het dier nu terug kwam brengen. <span style="color:red;">Ramold</span> zat al een jaar achter <span style="color:red;">Randa </span>aan maar zij voelde niets voor zijn langdradige en vooral zelfbedachte avonturen, zijn zware dreunende stap en de steeds aanwezige lucht van gajem, het strootje dat zoveel Mendese mannen tot sigaret diende.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">“Hallo <span style="color:red;">Randa”</span>, <span style="color:red;">Ramolds </span>stem klonk vrolijk maar tegelijkertijd was er een onzekere klank in zijn stem. “<span style="color:red;">Sikke </span>liep op de Haar rond te snuffelen, alleen. Ik dacht, ik zal hem even brengen.” “O hallo <span style="color:red;">Ramold</span>”, antwoordde <span style="color:red;">Randa</span> vlakjes. Ze hurkte bij <span style="color:red;">Sikke </span>neer. “Was jij alleen op pad, zo maar naar het midden van <span style="color:red;">Aldemundt</span>? En kwam je toen deze meneer tegen. Is dat echt waar”? vroeg zij zachtjes aan de <span style="color:red;">tamer</span> maar toch zo hard dat <span style="color:red;">Ramold </span>het kon horen. <span style="color:red;">Ramold </span>beet zich op zijn onderlip en keek doelloos om zich heen. “De zomer begint”, begon hij zwakjes. “De <span style="color:red;">werolden</span> zijn onderweg.” Hij wees naar de dikke, zwarte wolken die langzaam tegen de berghelling begonnen op te klimmen. Ineens kwam er een glimlach op zijn gezicht. Het naderende slechte weer zou wel eens zijn bondgenoot kunnen zijn. Over hoogstens zes uur zouden de wolken hun laatst druppels uitgieten over <span style="color:red;">Aldemundt </span>en dat bood de mogelijkheid om een schuilplek te zoeken en dan misschien … Hij schraapte zijn keel en daarmee riep hij al zijn moed omhoog. “Zullen we na de mandert een wandeling maken langs de <span style="color:red;">Hanebrood</span>?” Hij probeerde zijn stem zo luchtig mogelijk te laten klinken en hij zag zichzelf al met <span style="color:red;">Randa </span>de berghelling af en, heel langzaam, weer oplopen, schuilend onder de takken en bladen van de <span style="color:red;">mondajen</span> en de <span style="color:red;">freek</span>. <span style="color:red;">Randa</span> voelde hoe haar gezicht rood aanliep. “Zodat we kunnen schuilen onder de <span style="color:red;">mondajen </span>en de <span style="color:red;">freek </span>en zodat jij mij onverhoeds kunt zoenen zeker?” vroeg ze op spottende toon. “Nou, ja, daar … goed, ik hoor het al. Het gebeurt niet vanavond.” ”Niet vanavond en nooit niet, nog niet als de raak je komt halen”, deze keer klonk haar stem venijnig, bijna vijandig. <span style="color:red;">Ramold </span>draaide zich om. “Jammer, ik had het een mooi afscheid gevonden.”Deze keer had hij haar toch geraakt want <span style="color:red;">Randa </span>voelde onzekerheid in zich groeien, het kloppen van haar hart in haar keel werd voelbaar. “Afscheid”? vroeg ze in een slecht gelukte poging om haar nieuwsgierigheid te camoufleren. “Ja, ik ga voor lange tijd het dorp uit”, <span style="color:red;">Ramold</span> liet zijn stem nu expres losjes en onverschillig klinken. “En waarheen dan wel”? was <span style="color:red;">Randa’</span>s ongelovige reactie. Ga je naar aarde?”<span style="color:red;">Ramold </span>glimlachte. “Nee, zover ga ik niet. Over tien dwindlen ga ik mee met de expeditie van <span style="color:red;">Berg Wamerhorn</span>.” Tien <span style="color:red;">dwindlen</span>, dat waren twintig aardedagen! “Heeft hij je uitgenodigd?” De ongelovige klank in <span style="color:red;">Randa’</span>s stem had voor ieder ander geklonken als een belediging maar <span style="color:red;">Ramold </span>hoorde er alleen maar belangstelling en enthousiasme in. “Nee, ik heb me aangemeld en ik mag mee”, zijn ogen straalden. “En hoelang blijf je dan weg?” vroeg <span style="color:red;">Randa</span> weer. Ineens was de gedachte aan <span style="color:red;">gajem </span>en verzonnen verhalen verdwenen. “Dat weten we nog niet”, <span style="color:red;">Ramold </span>voelde zich nu belangrijk worden. “Het kan veertien dagen zijn maar ook een halfjaar. We gaan met 21 mannen en zes vrouwen, tenminste als er nog twee vrouwen bij komen.” Onderzoekend keek <span style="color:red;">Ramhold</span> haar aan. <span style="color:red;">Randa</span> voelde zich over haar hele lichaam trillen maar ze verried niets. “Nou, dan kom je niets tekort”, schoot er na een paar seconden uit. Ze schrok er zelf van en begreep meteen dat haar opmerking nergens op sloeg. Zes vrouwen en 21 mannen! “Moet ik de aren voor je dragen?” <span style="color:red;">Ramolds</span> stem verried niets van zijn gekwetstheid. Randa keek met een schuin oog naar de dikke stapel korenaren. “Dragen”, zenuwachtig begon ze te lachen. “Nee, nee, doe jij dat maar niet”, trilde haar stem ookal zag ze er tegenop de aren zelf naar het dorp te torsen. Ze mocht nu niet toegeven. Als <span style="color:red;">Ramold </span>haar aren zou dragen, zou hij denken … Zo wilde de traditie en in <span style="color:red;">Aldemundt </span>waren tradities en strenge regels nodig, zo had haar vader het keer op keer ingeprent. Niet dat ze het er nooit moeilijk mee had gehad maar … “Regels en traditie”? <span style="color:red;">Ramolds</span> woorden doorkruisten haar gedachten. “Waar is de oude <span style="color:red;">Randa </span>gebleven die ’s morgens vroeg met de jongens uit het dorp liever naar Baalder wilde zwemmen dan naar school te gaan?” <span style="color:red;">Randa </span>voelde zich rood worden. “<span style="color:red;">Baalder</span>, ja, ze was er vaak naartoe gezwommen ook al had haar vader, de <span style="color:red;">Moden</span> van <span style="color:red;">Aldemundt</span>, het verboden. Ze glimlachte verontschuldigend. “Kleine meisjes worden groot”, zei zij zachtjes. “Een de gevaren groeien mee.” Ze had een hekel aan zichzelf, vooral vanwege die laatste zin. Het klonk alsof ze haar moeder hoorde. “Kind, dat kun je niet doen, je bent de dochter van de <span style="color:red;">Moden”</span>!<span>  </span>“Maar <span style="color:red;">Ramold en Clijne</span> doen het ook en <span style="color:red;">Havan en Trido</span> en … .”En toen had haar moeder haar gewaarschuwd. “Het zal de slechte invloed van Ramold zijn”, zei zij dan ernstig. “Het is een <span style="color:red;">kateling </span>en katelingen worden nooit wijs.” Eerst had ze die opmerking niet begrepen maar later legde haar moeder uit dat een <span style="color:red;">kateling </span>iemand was zonder geschiedenis. “Geboren aan boord van de <span style="color:red;">Arketan</span>”, die woorden klonken uit haar mond dan heel veel betekenend.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Ze hurkte soepeltjes bij de stapel aren neer en stond weer op. De vracht was zwaar maar hoe zwaar zou de band zijn met een <span style="color:red;">kateling,</span> een man die twee<span>  </span>jaar jonger was dan zij zelf ook nog?</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">“Wat is jouw eerste herinnering”? plotseling vroeg zij<span>  </span>uitdagend. Die uitdaging was vooral aan haar zelf gericht want ze verwachtte niet veel van het antwoord.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="color:red;" lang="NL">Ramold </span><span lang="NL">bedwong zijn neiging om een schop te geven tegen de steen die voor zijn voet lag. Altijd die vragen over het verleden! Hij wist maar al te goed dat het te maken had met zijn <span style="color:red;">katelingschap</span>. Maar toch, als <span style="color:red;">Randa</span>’s vraag oprecht bedoeld was, dan was dit zijn kans. “Een liedje dat mijn moeder zong. Het ging over een mannetje dat elke avond een blauwe ster zag aan de hemel en niets liever wilde dan er naartoe te klimmen. De blauwe ster glimlachte en er woonde een heel lieve fee. Het liedje eindigde met de zin. “En dat mannetje ben jij”. <span style="color:red;">Randa </span>keek zwijgend naar hem op. Een heuse herinnering! “En je tweede herinnering?”vroeg zij iets onzekerder. “Dat ik uit het patrijspoort van ons huis keek en heel in de verte de blauwe ster zag. Mijn moeder vertelde met toen dat zij daar geboren was.” “En ik ook”, <span style="color:red;">Randa</span>’s woorden klonken te triomfantelijk om vriendschappelijk te zijn. “En toch zien we nu allebei hoe uit de <span style="color:red;">werolden</span> de plensregens beginnen te vallen, hoe de zomer nadert en we weten allebei dat de <span style="color:red;">dwijne-aren</span> snel binnengehaald moeten worden.”<span style="color:red;">Randa’s </span>stem stokte even. Voor een kort moment wist ze geen weerwoord. Haar ogen richtten zich op de haast pikzwarte wolken waaruit zich nu de stortregens losmaakten die de rotsachtige hellingen aan de westkant van het gebergte geselden en die <span style="color:red;">Baalder </span>aan het oog onttrok. Ze keek ook naar de huizen, een ander dorp dan het groepje ronde, donkerrode huizen met hun platte dak had ze nooit gekend. Haar moeder had wel eens verteld over grote steden op aarde zoals Merkenborg met zijn anderhalf miljoen<span>  </span>inwoners. Maar zij, Randa, kon zich daarbij niets voorstellen. Zij kende het dorpje en het daarvoor had ze tien jaar aan boord van de Arketan doorgebracht. ‘Dit is mijn wereld’, waren de woorden die zij in haar hoofd steeds weer hoorde. Zij begon langzaam te lopen ion de richting van Aldemundt. Even leek ze te struiken maar daarbij pakte ze Ramolds mouw. “Ik zou willen dat er veel meer was dan Aldemundt”, ze glimlachte naar Ramold. “Iets drukkers, meer leven… .” Ze huiverde. “Stel je voor dat we de enigen zijn op deze planeet. Het maakt me bang, die eenzaamheid.”</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Ramold weerhield zich ervan om zijn arm om haar schouders te slaan. “Alleen, eenzaam”, zei hij langzaam. “Dat zijn we allemaal. Het valt minder op als je samen eenzaam bent.” Naast elkaar liepen ze nu naar het dorp. De regen plensde nog steeds neer op de kale hellingen aan de westkant. Het zou nog een paar uur duren voordat een dunne regen boven Aldemundt en haar akkers zou losbarsten. En morgen, morgen was het <span style="color:red;">Demerbeen,</span> het begin van de zomer. Een feest!</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">De grote zaal van de tempel zat vol. Heel Aldemundt had zich verzameld rond een grote, lege plek in het midden, mannen en vrouwen door elkaar. <span style="color:red;">De mannen droegen hun zwarte, rode of gele getailleerde, halflange jassen en iets poffende broeken in dezelfde kleur. Daaronder hadden ze witte hemden die nauw om de hals sloten en aan hun voeten zwarte schoenen met opkrullende puntneuzen. De schoengespen waren mooier opgepoetst dan op andere avonden want op Demeravond wilde iedereen er op zijn beste uitzien. De vrouwen droegen witte, beide of lichtblauwe jurken met een zilver- of goudkleurige centuur, een sjaal in dezelfde kleur, lange oorhangers van zilver, goud en een lichtgele, doorschijnende steen die bekend stond als kamilix. </span>Randa zocht haar vriendinnen <span style="color:red;">Tiami, Faria, Aquia, Bonara en Syfa</span>. Voor zij zich bij hen voegde, wilde zij eerst zien hoe zij reageerden toen zij met Ramold binnenkwam. Ze zagen haar niet, ze lachten en praatten. Ramold aarzelde niet. Hij schoot zo snel hij kon naar zijn vrienden die in een cirkel bij elkaar zaten. “Laatkomer”, bromde Fode spottend. “Op de loer gelegen tussen in het dwijneveld? Nog steeds op jacht naar Randa?”<span>  </span>Belber, de oudste van de vriendenclub zweeg grijnzend terwijl Thibon zijn neus ophaalde. “Heb je haar al eens … een worst in de dwijne gelegd?” Ramold voelde zich boos worden maar hij had geen zin in ruzie. “Ze zal me toevallen als een rijpe zarzak”, fluisterde hij zodat zijn vrienden het nog net konden horen. “En net zo sappig smaken”? vroeg Fode weer, “de dochter van de Moden? Dat is wel een heel vette prooi voor een kateling.” Ramold haalde zijn schouders op. “Zullen we het over iets anders hebben?” Hij had geen zin in ruzie met zijn vrienden en al helemaal niet op Demeravond. Vanavond hoopte hij tijdens de Demerdans aan Randa te laten zien wat hij kon. “We mogen even onze mond houden”, kwam Belber ertussen. “De Moden is in aantocht,”Hij wees op het gordijn achterin de tempel dat nu opzij werd geschoven. Moden Paup Telgenheert kwam met grote, snelle passen dichterbij. Zijn gezicht zelfverzekerdheid en daadkracht uit, hij was zich bewust van het belang van het moment en dat mocht ook van een Moden worden verwacht. Demeravond was het op een na belangrijkste feest van Aldemundt. Op het moment dat hij de ronde zaal betrad, stopten de gesprekken. Sommige mensen braken hun zin halverwege af en richtten hun blik op de burgemeester, de man die voor, tijdens en na de reis met de Arketan zoveel mensen een hart onder de riem had gestoken en steeds weer de kracht had gevonden om verder te gaan. </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Hij begon meteen te spreken, niet hard maar duidelijk verstaanbaar tot in de verste rijen achter in de zaal<em>. “Vermogende Aldemundters”, het was de normale aanhef voor ene grote groep mensen die de ontberingen en uitdagingen van de kolonisering van Mende hadden uitgevoerd en voortgezet. “”De Werolden zijn teruggekomen, precies op de behn die we hadden gedacht. Professor Wamerhorn heeft de komst tot op de akta nauwkeurig vastgesteld, een prestatie die we van hem mochten verwachten. Ik kom net van buiten en ik kan u vertellen dat de eerste druppels sinds vijftien akta op onze graanakkers neerdalen. Onze graanakkers die trots gevuld zijn<span>  </span>met onze eigen granen<span>  </span>dwijne, gombert, allach, frees en merkelbaert. Onze granen die zo anders zijn dan de granen van de aarde en die de Mendese grond heeft voortgebracht uit tarwe, gerst, rogge, haver en rijst. Zo anders, zoals alles anders is hier, dan op aarde. Velen van ons weten het zich te herinneren en velen hebben er geen weet van maar we plukken er allemaal, letterlijk, de vruchten van. En nu, bij onze twaalfde demeravond, staan nieuwe, grootse avonturen voor de deur. Eenentwintig van onze mannen en vrouwen gaan dit jaar voor het eerst een retourreis ondernemen naar aarde onder leiding van Paup Groeffen Zij offeren meer dan twee kedachronen van hun jaren om op aarde te presenteren wat onze successen zijn. Een reis van meer dan twintig aardse jaren. Dat vergt moed en vastberadenheid en dat zijn eigenschappen die met Aldemundt zo verbonden zijn als Hornich met ons allen. En ook eenentwintig mannen en vrouwen gaan op reis op onze nieuwe planeet want professor Wamerhorn vertrekt over</em> <em>twee dwindlen met twintig jonge Aldemundters op reis, op zoek naar de zuidkust van ons continent en nieuwsgierig naar alles wat zich tussen ons en die kust bevindt. Zij zullen niet tweemaal een kedachroon onderweg zijn maar hun loop zal er niet minder om zijn.</em></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><em><span lang="NL">Dat wij in staat zijn om tweeenveertig dappere Aldemundters op stap te laten gaan hebben we te danken aan twaalf chronen van proberen, vechten en winnen. Dat hebben wij aan onszelf te danken en natuurlijk aan de steun van Hornich. Om hem te danken en hulp te vragen bij onze nieuwe ondernemingen, laat ik graag het woord aan usker Breemhoor.”Wij zien elkaar weer bij de demerdans.”</span></em></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><em><span lang="NL"> </span></em></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Niemand sprak een woord, ook het groepje jongemannen rond Ramold niet. Respect voor de Moden en voor de usker liet hun zwijgen. De usker van deze avond was Ramold Breemhoor, die de meesten kenden als tandarts. De lange man stond lenig en vlot op van zijn stoel en zag de zaal rond. <em>“Mende betekent “hoop” en mijn hoop is het dat we die hoop allemaal nog in ons voelen, aardlingen, katelingen en mendlingen. Voor mij was het de hoop om mijzelf beter te leren kennen aan de hand van de heel nieuwe kansen die ik kreeg. Het is me helder geworden, wie ik ben. Meer dan op aarde heb ik mijzelf leren kennen en ik ben Hornich, de Weg, dankbaar dat hij me tweeenhalve kedachroon geleden heeft geholpen om die stap te zetten. Het was een stap. In Helen was ik een succesvol wetenschapper, met vrouw, zoon en dochter en nu zijn ze nog steeds allemaal om me heen. Nooit hebben ze me tegengehouden. Tot en met de twaalfde werolden trouw aan mij en onze gezamenlijke hoop. Een hoop die is uitgekomen.” </em>Hij zweeg en liet zijn blik gaan over zijn dorpsgenoten. “<em>En ik hoop dat u me dat allemaal kan nazeggen.” </em>Zijn ogen bleven rusten op<em> </em>Weemer van Hornhaaf. Heel even, de mannen wisselen een blik uit en Ramold schrok. Hij zag, hij zag afwezigheid in de ogen van de ander. En Weemer schrok, hij zag het inzicht in Ramolds ogen. “<em>Allemaal”, </em>herhaalde hij aarzelend. <em>“Wij vinden onze hoop toch allemaal in het prachtige lied “Over Hornich naderen de werolden opnieuw”.</em> De usker gaf een teken aan het orkest dat achter hem klaar zat: een strijker met zijn vatar, een pianist met de mendepiano, weer een strijker met zijn liodin, twee blazers met een tander en een wreksch voor de ritmische ondersteuning. Geen electronica, geen computerinstrumentarium maar echt handwerk waaruit ook foute tonen konden klinken want “zoals niet de mooiste vrouw het meest aantrekkelijk is, zo is ook de zuiverste toon niet echt geliefd”. Het orkest zette in en de usker liep achteruit naar zijn stoel, ondertussen uit volle borst meezingend. Opnieuw lette hij op Weemer maar deze zong minstens zo overtuigd mee als Ramold zelf. En ook de jongeren, de katelingen en de mendlingen, er klonk een groot slepend en melodieus gezang. Niemand vond de zes coupletten van het Weroldenlied te vermoeiend. Het werkte zelf heel anders. De energie van de jongens en de meisjes nam alleen maar toe en de jongens begonnen verlangend naar hun uitverkoren vrindinnen te kijken. Nog scherper keken zij toen het orkest de eerste tonen van een ralka inzette, een Mendse-dans die al aan boord van de Arketan bekend was. Traag sleepten zich de eerste tonen voort maar de jongens, vrouwen, mannen en kinderen repten zich naar de dansvloer. Zij stelden zich op in lange rijen en zorgden ervoor dat hun meete geliefde dichtbij was. De jongens tegenover de meisjes en de kinderen aapten dat na. In langzame bewegingen probeerden zij duidelijk te maken wat zij de anderen wilden vertellen en die bewegingen werden steeds sneller. Ze draaiden rond, maakten sprongen, hurkten en maakten koprollen. Tussen door zonden ze boodschappen uit met hun handen, mond, ogen en zelfs oren. Ja, er was geen Mendling die niet zijn oren kon bewegen. De muziek zweepte ze op. De jongens vormden nu een kring en zij scheeuwden het lied uit : “Moe Mende wos na hie”(Mijn hoop ben jij). Zij trokken hun<span>  </span>jassen van hun lijf en wierpoen die op een grote stapel, de demerberg die een rol zou gaan spelen aan het eind van de avond. Hun glimmende bovenlijven maakten het nog beter mogelijk om met elke beweging hun gevoelens te uiten. De usker reed nu een rollende tafel met een vuurtoorts en een fles zafyr binnen. Zafyr was een drank die haast niemand ooit kreeg, alleen de oudste mannen namen wel eens een kleine beker ervan op een vrije dag. De rest van de drank bewaarden de Aldemundters in vaten voor feesten en vooral voor de demeravond. De meisjes rekten hun hals. Zou het hun favoriete jongen zijn die met een mond vol zafyr vuur ging spuwen? De muziek speelde door en de kring van jongens draaide in cirkels steeds dichter naar de tafel toe. Weg! De muziek stond stil en een kluwen van jongens wierp zich op de zafyr en het vuur. Een tijdlang was er alleen een worsteling maar dan dook onderuit de groep Ramold op met een mond vol drank en de toorts in zijn handen. Hij aarzelde niet. Dit was zijn kans om zijn favoriete meisje te vragen. Een hoge vlam die bijna het plafond van de tempel raakte, spoot uit zijn mond omhoog en alle meisjes zongen luidkeels: Ze wos on ramoen., Jij bent de kampioen!”<span>  </span>In een paar sprongen was Ramold deze keer bij Randa. Hij greep haar om haar middel en wervelde in grote cirkels over de vloer. Het meisje had nauwelijks kans om zich te realiseren wat er gebeurde. Ze liet zich meevoeren want Ramold was sterk, handig en een snelle danser! Zij voelde zich zweven, voortgedreven door zijn benen en armen. Heerlijk, dit was demeravond. </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Nu begonnen ook de andere jongens en meisjes de dansvloer te vullen en daarna volgden de ouderen met hun man of vrouw. Ook de Moden danste mee maar met een oog hield hij zijn dochter in het oog en wat hij zag, beviel hem niet. Ramold zette de fles zamyr aan zijn mond, nam een slok en kuste daarna zo lang mogelijk de mond van Randa. Daarna gaf hij het meisje een slok. Dat was nog allemaal niet het ergste, het behoorde tot het recht van de Ramoen. Het was meer het gezicht van Randa. Zij straalde geluk uit terwijl de jongen haar steeds dichter naar de ingang van de tempel toe wervelde. Natuurlijk hadden aardlingen, katelingen en mendlingen gelijke rechten. Maar toch, de Moden had zijn dochter liever in de armen van een aardling gezien. Hij bleef het paar volgen totdat zij in twee snelle kringen de deur van de tempel uit dansten. “Je danst beroerd”, mopperde Feya, zijn vrouw. “Let toch niet zo op die kinderen, het is hun feest.””Het is meer dan een feest”, zei de Moden beslist. “Het is een furene.” Een bruiloft? Feya glimlachte. “Je zoekt wel erg snel overal iets achter. Kop op, het is demeravond. Laat dit feest niet verpesten door je eigen norse gedachten.” De Moden schudde zijn hoofd. “Geen norsheid, meer een teleurstelling.”</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Het orkest zette het volgende stuk in. Nog wilder en vuriger dan het vorige. De hoge tonen van de liodin gilde nu boven de ondertonen van de andere instrumenten uit. De mensen zongen mee en probeerden de hoge klanken te volgen. Ondertussen grepen zij de bekers die op een lange tafel stonden, bekers met zafyr. Ze klonken met elkaar en soms klotste het vurige vocht boven de bekers uit. Ze lieten hun partners losten en kozen een ander, dansten door en lieten een tweede beker zafyr door hun keel glijden. De muziek werd nu langzamer en de Moden en zijn vrouwe kozen een stoel langs de kant van de dansvloer. Lachend keken zij naar hun dorpsgenoten maar de Moden voelde zijn mondhoeken soms naar beneden glijden. Een kateling!</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">De kateling en zijn verovering zaten inmiddels buiten vlak voor de deur van de tempel. Hij zag haar prachtige, donkere lokken, haar blanke huid, haar stevige borsten en het kostte hem moeite om haar woorden te verstaan. “Ramoen”, lachtte zij. “Kan ik nu je dwijne-aren dragen</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">?” vroeg hij ernstig maar het meisje schudde haar hoofd. “Dwijne-aren dragen?” Ze proestte het uit. “Hoe kom je erbij?”Even voelde Ramold zich teleurgesteld maar dat kon niet lang duren. Zij keek hem met stralende ogen aan. “Jij moet mij heel Mende laten zien totdat ik voor goed mijn ogen sluit omdat ik genoeg heb gezien.” Ramold durfde nu voor het eerst een arm om haar schouders te slaan maar hij liet ook meteen weer los en Randa hoefde niet eens om te kijken om de reden daarvoor te raden. Een groep van vijf jongens strompelde door de ingang van de tempel naar buiten. “De usker zei …”, lalde een van hen maar daarna hield hij op. De rest van de zin wilde hem maar niet te binnen schieten “De usker zei, en de usker zei”, zong zijn vriend Paup Loggen luidkeels. “De usker zei, dat de usker zei”, hij hield zich met moeite vast aan zijn<span>  </span>kameraad. Vooral omdat hij bijna omviel van het lachen. “Wij hebben een beetje zafyr gedronken”, loeide Warmen weer. “En meteen, ik zei: meteen, moesten we de tempel…pel uit. “Snap jij dat nou?” Hij greep Ramold bij een punt van zijn<span>  </span>kraag vast. “Ik snap er niets van, geen raak, geen tamer, geen Moden, geen usker, snap ik er van. Hij gierde het uit. “Geen Moden, geen Moden en geen Moho-den!”zong hij lallend op de meloidie vann het Aldemundter lied. Hij lachte hard en schor en waggelde naar Ramold toe. Hij bleef met zijn gezicht vlak voor Ramolds ogen staan. “He, Ramoldje, lach ook eens. Kan je niet lachen?” Weer bulderde hij het uit maar het lachen ging over in een hoestbui en een rochel. “Lach dan, je hebt toch zo’n lekker ding versierd? Die kliene van de Moden. Mag jij daar wel aankomen, kateling.”Nog reageerde Ramold niet. Hij probeerde niet naar Warmen te kijken maar die pakte hem bij zijn neus<span>  </span>en trok er hard aan. Wie teveel zafyr heeft gedronken, is voor een verstandig woord niet meer bereikbaar, dacht Ramold nog maar hij voelde hoe zijn bloed begon te koken. Hij had geen zin in vechten maar ook zijn geduld zou een einde hebben, hij voelde het. Woedend keek hij zijn plaaggeest aan maar die voelde zich daardoor juist aangemoedigd. <span> </span>“He, ellendige kateling”, schreeuwde Warmen. “Zeg nou eens wat, snap jij er nou iets van? Kateling, kateling”, <span> </span>joelde Warmen opnieuw en dat was net een keer teveel. Ramold sprong overeind. Hij zou er in een keer een eind aan maken. Warmen moest zijn bek houden. Stil zijn! Met zijn hoofd vooruit rende hij op Warmen af en met een harde klap belandde zijn schedel in de maag van de scheldende dronkeman. De dronkaard klapte dubbel en kotste zo hard dat een straal met een hoorbare klap op de aangestampte aarde kwakte. Hij viel voorover in zijn eigen vuiligheid. Hij bloedde aan zijn hoofd en een hevige siddering ging door zijn hele lichaam. Doodstil lag hij met zijn gezicht naar beneden en … zelfs zijn vriend Paup ging onderuit. Met een klap viel hij naast zijn Warmen neer. </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Verbijsterd viel Ramold op zijn knieen. Hij voelde de polsen van de beide jongens en luisterde scherp. Er klonk zelfs geen ademhaling meer. In paniek beukte hij met zijn vuisten op de grond en schreeuwend stond hij daarna op om de tempel binnen te rennen. “Een arts, een arts”, gilde hij. “Daarbuiten…”Zijn arm wees als een wegwijzer naar buiten. Toen zakte ook hij door zijn knieen. Randa wees de mannen huilend de weg. “Een ongeluk, een ongeluk”, schreeuwde zij steeds weer. Zij bleef heen en weer rennen tussen de jongens buiten en Ramold totdat ze bij hem op de grond ging zitten. “Je wordt weer beter”, fluisterde ze in zijn oor. Het gaat heus beter met je”. “Beter”? vroeg hij. “Het is mijn schuld toch?” “Jouw schuld?” Randa zweeg even. Het was nog niet eerder voorgekomen in Aldemundt dat twee mensen elkaar bijna of helemaal dood hadden geslagen. De Aldemundters waren zich er altijd bewust van geweest dat ze elkaar nodig hadden. Geen vechtpartijen onder elkaar, dat was ook altijd een uitspraak van haar vader geweest. Ze wist ook helemaal niet hoe dit zou aflopen. Zou er een rechtbank komen? Moest Ramold zich verantwoorden? Waarschijnlijk wel. Haar hele lichaam begon te trillen. Ze voelde zich kwaad over de beledigingen die de andere jon gens over Ramold hadden uitstort. Maar ja, had hij niet beter moeten weten? “Word eerst maar gauw beter”, ze kon het alleen maar fluisteren. Haar stem was zwak door haar onzekerheid en ze voelde zich misselijk worden. “Eerst beter worden”, zei ze weer en ze streek met een hand door zijn haar. Haar stem ging onder in het geluid van de menigte die nu de tempel uitstroomde. De mensen zeiden niets maar hun voetstappen klonken als het gedreun van een kudde bisons. De ouders van <span style="color:red;">Warmen en Paup</span> liepen voorop. Toen ze Ramold en Randa op de grond zagen zitten, schreeuwden ze pas. “Moordenaars! Mijn zoon”, gilde Warmens moeder. Ze stortte zich op haar knieen naast Warmens lichaam.<span>   </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Fode, Thibon en Belber kwamen nu bij Ramold en Randa staan. “Je hebt hem goed te pakken gehad, of liever hun allebei”, Fode’s stem klonk alsof hij er zelf wel op los zou willen slaan. “Warmen en Paup zijn allebei dood”, die laatste woorden zei hij met een wat vlakkere stem. “Ze waren je ook wel flink aan het uitdagen.” ”Dood, allebei dood”? Randa’s stem klonk verslagen maar ook verbaasd. Wat zou er nu met Ramold gebeuren en hoe kon het dat Paup dood was? Ramold had hem niet aangeraakt. Daar moest een andere reden voor zijn! Ze voelde tranen in haar ogen opkomen. “Hoe kan dit nou, Ramold, dood.” Ze dook met haar hoofd tegen zijn borst en bleef daar liggen, ook toen ze zijn hand op haar schouders voelde. “ Ik wilde het niet maar ze moesten ophouden met schelden.” </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">“Laat mij er eens even bij”, een bevelende stem klonk boven haar. Ze keek om en daar stond <span style="color:red;">Weemer van Hornhaaf</span>. “Ik moet hem onderzoeken.”</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Randa stond op. In het midden van de tempel zaten haar vader met de <span style="color:red;">moderaal </span>en de<span>  </span>l<span style="color:red;">enderaar</span> te praten. Hoog overleg! Ze zag de ernstige gezichten en de intensieve gesprekken. Haar vader schudde vaak zijn hoofd en mengde zich dan meteen opnieuw in het gesprek. De moderaal gebaarde wild en Randa probeerde zijn woorden op te vangen. In de queerhaan? Wilden ze Ramold in de queerhaan stoppen en hoelang dan? Stapje voor stapje ging ze in de richting van de drie mannen. </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">“We hebben dat in twaalf jaar tijd nog maar twee keer eerder gedaan. Een keer toen Fode Heender zijn buurvrouw had lastig gevallen en een keer omdat Bidder Hombarg dwijne-aren voor zichzelf had weggestopt”, merkt de Moden op. “In beide gevallen waren ze weer na een week op vrije voeten. We konden ook niemand missen. De schande was genoeg straf voor die jongens. “Ja, misschien wel”, kapt de moderaal hem af. “Maar deze keer zijn er twee jongens vermoord. We moeten streng ingrijpen anders gaan de mensen denken dat zeer altijd met een kleinigheidje vanaf komen. “Geen wraak maar herstel”, bracht de Moden daar tegenin. “Zo is het in Helen altijd geweest en zo wil ik het graag houden. Straf mag geen vergelding zijn. Ik sta voor rechtvaardigheid en ik weet dat Ramold geen slechte jongen is.”<span>  </span>“O, en vind je het dan zo mooi dat zo’n kateling probeert je dochter in te palmen?” <span> </span>De moderaal kijkt de Moden scherp aan. “Een moordenaar misschien wel.”De Moden springt overeind van zijn stoel. “Een kateling, ja, een jongen die aan boord van jouw ruimteschip is geboren. Weet je nog hoe je zelf de eerste baby aan boord van de Arketan begroette. Wat was je trots!” “Dat was toen”, brult de moderaal kwaad. “Nu is alles anders, de mensen denken anders en daar moet je rekening mee houden.” ”Ja zeker”, valt de Moden hem in de rede. “Er zijn hier honderd katelingen, dat is een op de vijf Aldemundters. Wil je die allemaal tegen je in het harnas jagen? Kateling of niet, iedereen zal hier de kans krijgen gelukkig te worden.” <span> </span>“Daar gaat het niet om”, moppert de moderaal. “Het gaat om het geluk van het hele dorp.” De stem van de Moden klinkt nu schamper. “Ja, ja en dat geluk bereik je door de katelingen uit te sluiten. Denk je dat nu heus?”.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Randa voelt haar hart sneller kloppen. Haar vader komt op voor Ramold en de andere katelingen! Voor het eerst heeft zij respect voor hem en zijn werk. Hij is geweldig. Nu zal het goedkomen met Ramold. Hij gaat vast niet naar de queerhaan! Bij die laatste gedachte voelt zij toch wat twijfel omhoog komen want haar vriendje is de schuld van de dood van twee mensen.Dat kan toch niet zo maar …? Ze voelt een hand op haar schouder. Het is Weemer van Hornhaaf. “Ik heb slecht nieuws en ook een beetje goed”, zegt hij. “Die jongens zijn allebei dood. Ramold heeft een shock. Hij denkt dat hij ze heeft vermoord maar ik weet het niet zeker. Heeft hij alleen Warmen geraakt of ook Paup?” Randa schudt verward haar hoofd. “Ik weet het niet meer precies, ik snap er niets van. Het is allemaal zo snel gegaan.” ”Denk goed na”, waarschuwt Weemer. “Hert is belangrijk voor Ramold. Ik denk trouwens wel dat de moderaal hem in de queerhaan zal stoppen maar misschien kan hij er weer heel snel uit zijn.. Denk goed na.” Het meisje buigt haar hoofd en staart naar de grond en knijpt haar ogen heel stijf dicht. Dat is de beste manier om de tranen tegen te houden en het helpt haar bij het nadenken. “Ik weet het niet meer”, herhaalt ze en ze stampt op de grond. “Denk goed na”, herhaalt Weemer. “Misschien weet je het morgen weer. Ik ben helemaal niet zeker dat Ramold schuldig is. Ik weet niet wat er wel is gebeurd maar er is iets raars… Iets dat ik niet kan verklaren.” </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"> </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">De tempel was nu helemaal leeg. In het hele dorp stonden kleine groepjes mensen te praten. Randa hurkte opnieuw bij Ramold neer. “Je moet opstaan en met me meegaan”, ze probeerde haar stem nu zo opgewekt mogelijk te laten klinken. “Dat zal helaas niet gaan”, achter haar kwam de moderaal met grote stappen dichterbij. “Ik ben bang dat Ramold enige tijd in de queerhaan moet doorbrengen. We moeten nadenken wat er met hem moet gebeuren.” Hij gaf de lenderaar een teken en deze pakte Ramold nu beet om hem. “Kom jongen”, zei hij. “Maak het me niet te moeilijk.” Ook de Moden kwam nu dichterbij. Hij keek zijn dochter aan. “Het spijt me.” Hij sloeg zijn arm om haar schouder. Het was lang geleden dat hij haar zo had beschermd. Misschien wel te lang geleden. Randa dacht dat ze in een stevige huilbui zou uitbarsten maar dat gebeurde niet. Haar ogen bleven droog. Nee, zelfmedelijden zou geen kans krijgen. Voorzichtig maakte ze zich uit de armen van haar vader los. “Als hij naar de queerhaan gaat, dan ga ik mee”, riep ze en ze holde achter de lenderaar en Ramold aan. De lenderaar draaide zich half om. “Je bedoelt het vast goed”, zei hij zachtjes. “Maar het kan niet. Ik kan niet iemand zo maar in de queerhaan opsluiten. “Ik ga mee”, riep Randa weer en ze volgde de beide mannen.<span>  </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">De queerhaan was ingericht in de grot die in het midden van Aldemundt lag. Het wasx een armzalig onderkomen waar weinig licht binnenkwam. Drie getraliede hekken scheidden een deel van de grot af. Achter elk hek was een kleine ruimte, omgeven door tralies en steen. Op de grond lag een laag aren van frees, de meest zachte korenaren van Mende. “Ik zal je naar de voorste queerhaan brengen, daar is het meeste licht”, zei de lenderaar zachtjes. “Ik hoop echt dat dit allemaal goed zal aflopen. Het is zo’n smet op ons dorp. We hadden het geod en vredig en nu … Het zal best goedkomen” “Weet je wel wat die jongens allemaal tegen hem riepen en wat ze deden?” klinkt Randa’s stem schril. De leneraar schudt zijn hoofd. “Nee, ik hoef het niet te weten en ik wil het weten. Het is allemaal zo … “ “Je moet het wel weten”, bij die woorden stampvoette Randa opnieuw. De lenderaar keek haar verschrikt aan terwijl hij het hek van de queerhaan opendeed. “Ren, Ramold, ren”, riep Randa maar de jongen schudde zijn hoofd. “Het heeft geen zin, waar moet ik heen?” Randa gooide haar hoofd naar achteren. “Er is hier een hele planeet en meneer weet niet waar hij heen moet.” Het was al te laat. De lenderaar duwde Ramold naar binnen en sloot het hek af. “Vervelend, nu moet ik hier vannacht ook blijven. Misschien kunnen een paar lenderingen me aflossen. Dat is belangrijk, niet omdat hij zal weglopen maar om hem te beschermen”, zei hij tegen Randa. “Ik zal ze een <span style="color:red;">wix </span><span> </span>sturen en vragen of ze even hier komen voor overleg.” “Hij werd uitgedaagd, gepest en </span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">vernederd. Ze zaten aan hem te trekken en te duwen want ze hadden wel een vat zafyr weggewerkt”, Randa’s stem klinkt verontwaardigd. “Het was een ongeluk en … “ “Ga nou naar huis”, de stem van de lenderaar klonk vriendelijk maar ook dwingend. “Nee, nee, nee”, begon Randa weer. “Hoe ging het nou toch ook weer, ik ben helemaal in de war. Hij heeft alleen maar Warmen aangeraakt”, zei ze ineens. “Ik weet het zeker. Hoe kan het nou toch. Waarom is Paup dan ook dood? Dat kan toch niet?” De lenderaar haalde zijn schouders op. “Ga eerst slapen, morgen … “Nee, nee”, lachte Randa bitter. “Morgen is het echt niet beter. Dit gaat niet zo maar voorbij. Ik moet denken, ik moet … Ze voelde hoe er moed in haar lichaam vloeide, het was een warme stroom. Ze rechtte haar rug en keek de lenderaar triomfantelijk aan. Zwijgend draaide zich om naar Ramold. Ze stak haar hand tussen de tralies door en raakte zijn haar aan. “Je bent weer vrij voordat je het weet”, glimlachte ze. “Ik ga je helpen. En een ding, lieve Ramold. Je mag niets bekennen. Zeg niet dat het jouw schuld is, nooit.” Ramold haalde zijn schouders op. “Dit is in Aldemundt nog nooit gebeurd”, Randa. “De lendering en je vader hebben geen idee hoe ze dit moeten aanpakken. Vroeger misschien, in Helen, toen was alles duidelijk maar nu. Er zijn geen boeken, geen wijze rechters, geen prins, niemand. Er is alleen de Moden en er is de wraakzucht van de ouders van Warmen. Misschien laten ze het me mel uitvechten met een mes of een zwaard of misschien een knots. Ging het vroeger ook niet zo? En was het dan niet de god die besliste. “Een Godsoordeel”, fluisterde<span>  </span>Randa, “maar dat is belachelijk, dat is van heel lang geleden. Toen had nog nooit iemand van Mende gehoord en zelfs niet van de planeet. Bacchus. Er was toen nog een God die alles bestierde en iedereen aan zich had onderworpen. Maar vergis je niet, de Hornich heeft ons al zolang bevrijd. Die zal ook nu meetellen, we zijn toch geen oermensen meer?” Ramold glimlachte, “Hier zijn we oermensen, Randa, hier op Mende zijn we nog maar net begonnen dezelfde fouten te maken als op aarde, kijk maar hoe de mensen naar ons, katelingen, kijken.” “Je bent bitter”, antwoordde Randa maar ze kon maar met moeite haar tranen binnenhouden. “Waarom zouden we dezelfde fouten maken als tienduizend jaar geleden? Je hebt nu toch te maken met mijn vader en de moderaal, misschien is de lendering wel haatdragend maar hij beslist toch niet alleen?”<span>  </span>Ramold glimlachte. “Ik heb toch ook dezelfde fout gemaakt? Ik ben toch ook weer woedend geworden en ik ben begonnen met vechten? Waarom zou een ander niet ook weer fouten uit de oertijd maken, of ben ik dan toch minder? Mis ik dan toch een verleden en moeten katelingen alleen de hele geschiedenis overdoen? Denk jij er ook al zo over.” Randa keek zwijgend voor zich uit maar plotseling begon ze te glimlachen. “De hele geschiedenis, die wil ik wel samen met jou overdoen. Dan zijn we heel lang bij elkaar.” Dat was Randa, ook in de ernstigste minuten kon zij nog grapjes maken. Het was een reden voor Ramold om van haar te houden.” Toch bleef hij somber. “Ik ben bang dat het niet zover komt en het kont niet eens zover dat ik met de loop mee kan. Die vertrekt voordat ik uit dit hok weg ben.” Randa boog haar hoofd. Ergens diep in haar binnenste was ze blij dat Ramold niet weg kon. Die loop met al zijn risico’s en gevaren had ze helemaal niet zien zitten. Hoewel, bedacht ze nu. Misschien was die loop nog wel minder gevaarlijk dan het verblijf in de queerhaan. Wie weert wat voor barbaarse ideeën sommigen zouden krijgen over het lot van hun katelingse dorpsgenoot.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">Het licht van <span style="color:red;">Osme, </span>de oude zon kroop langzaam boven de horizon uit. Het dal beneden zou nu al helemaal beschenen zijn. Demerbeen brak aan maar wat voor demerbeen! Elk jaar was de eerste dag van de zomer een feest geweest met volop warmte en licht van Osme als begeleiding. En nu, dit jaar, zou het een treurdag worden. Een dag om te treuren over de doden en de vermeende moordenaar. Er zouden ruzies zijn en twistgesprekken in plaats van zwempartijen naar Baalder. Families zouden van hun vrienden worden gescheiden door ruzies in plaats van de glooiritten waarin zij onderling om de eer streden. Dat was voorspeld in de duizenden pagina’s van de boeken van Hornich. “Als een bliksemschicht zal een kloof openbreken en het licht zal er in neerdalen om nooit meer terug te keren.” Het was niet een getuige maar het waren tientallen die al lang geleden zulke teksten hadden geschreven. Randa kende ze bijna allemaal uit haar hoofd. “Het licht zal in de gleuf van aarde en water verdwijnen”, ook zo’n tekst. Haar ogen kregen een wanhopige uitdrukking. Plotseling begon zij te begrijpen want Ramold haar al de hele tijd probeerde te zeggen. Oude waarden en gedachten zouden met de opkomst van deze Osme een kans krijgen.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL">“Je bent stil”, klonk Ramolds stem nu bezorgd. “Waar”denk je aan?”Randa durfde hem nauwelijks aan te kijken maar hij herhaalde zijn vraag iets dwingender. Deze keer stonden haar ogen vol tranen. “De Verhornich”, Ramold had moeite haar te verstaan maar hij begreep haar door haar blik en haar gebaren. Zwijgend knikte hij. “Het is nog niet te laat”, zei hij. “Er moet een bewijs zijn voor mijn onschuld. Let goed op de mensen die het goed met ons menen. Zij zullen je de sleutel geven voor een oplossing. Ga nu maar en slaap nog wat. Morgen wordt het een zware dag.” Randa knikte. “Morgen, zo meteen, ben ik er weer.” Ze wuifde met haar vingers van twee handen, een gebaar dat betekende “houd moed”. Met een bijna onverstaanbaar gemompel groette zij de lenderaar. Er begon een liedje uit haar jeugd in haar hoofd rond te zoemen, een liedje waarmee haar moeder haar ’s avonds steeds in slaap had gekregen. Met opgeheven hoofd liep zij naar buiten en de eerste stralen van Osme gaven haar zwarte haar glimmen. Licht nestelt zich ook in duisternis. Ramold zag het en ademde diep uit.</span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;">Service</p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.dossierx.nl/content/view/502/61/"><strong><em>www.dossierx.nl/content/view/502/61/</em></strong></a></span></p>
<p><span lang="NL"><font face="Times New Roman" size="3"></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;">v</p>
<p></font></span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/290/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/290/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=290&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/03/16/warmtefront/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://www.meteo-maarssen.nl/images1/wr_05a.jpg" medium="image">
			<media:title type="html">warmtefront</media:title>
		</media:content>
	</item>
		<item>
		<title>HET RIJK VAN ALDEMUNDT</title>
		<link>http://mythologie.wordpress.com/2009/02/22/het-rijk-van-aldemundt/</link>
		<comments>http://mythologie.wordpress.com/2009/02/22/het-rijk-van-aldemundt/#comments</comments>
		<pubDate>Sun, 22 Feb 2009 15:02:36 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Kaj Elhorst</dc:creator>
				<category><![CDATA[Gekoloniseerde planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Andere planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Astronauts]]></category>
		<category><![CDATA[De Kosmos]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonie in de ruimte]]></category>
		<category><![CDATA[Kolonie op planeet]]></category>
		<category><![CDATA[Kosmonauten]]></category>
		<category><![CDATA[Leven op andere planeten]]></category>
		<category><![CDATA[Nieuwe wereld]]></category>
		<category><![CDATA[Ruimtevaart]]></category>
		<category><![CDATA[Science en fiction]]></category>
		<category><![CDATA[Science fiction]]></category>
		<category><![CDATA[Sience en fiction]]></category>
		<category><![CDATA[Sience fiction]]></category>

		<guid isPermaLink="false">http://mythologie.wordpress.com/?p=281</guid>
		<description><![CDATA[M E N D E Een nieuwe wereld   HET RIJK VAN ALDEMUNDT     Kaj Elhorst     &#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8211;    De hemel     Als er bomen waren geweest die tot in de hemel groeiden, dan zouden de Helenen boomklimmen tot een verplicht schoolvak hebben gemaakt. Maar helaas, de grootste bomen in hun land [...]<img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=281&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><strong><span style="font-size:26pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"><img class="aligncenter" title="Wonen in de ruimte" src="http://www.deurhof.nl/hofmuur/opmaak/luchtkasteel2.jpeg" alt="" width="660" height="447" /></span></span></strong></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><strong></strong></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><strong><span style="font-size:26pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;">M E N D E</span></span></strong></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><strong><em><span style="color:black;font-family:Algerian;" lang="NL"><span style="font-size:small;"><span style="font-family:Times New Roman;">Een nieuwe wereld</span></span></span></em></strong></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;">HET RIJK VAN ALDEMUNDT</span></span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:16pt;color:#ffcc00;font-family:&quot;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;">Kaj Elhorst</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:16pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;">&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8212;&#8211;</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span style="font-size:20pt;" lang="NL"><span style="font-family:Times New Roman;"> De hemel</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Als er bomen waren geweest die tot in de hemel groeiden, dan zouden de Helenen boomklimmen tot een verplicht schoolvak hebben gemaakt. Maar helaas, de grootste bomen in hun land reikten niet verder dan een dikke honderd meter.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">En dus kozen zij een andere manier om te zoeken naar een betere wereld. Sommigen kozen de isolatie van het kluizenaarschap of het klooster. Anderen traden op als politicus met “hemelbestormende” ideeën om de wereld te verbeteren. En weer anderen besloten een betere wereld te creëren op onbevlekte ruimten, op andere planeten Zij zochten de weg van de ruimtevaart om hun idealen en inzichten te kunnen verwezenlijken in een onbevangen omgeving.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Eerst reisden zij met tweehonderdvijftig, daarna met vijftienhonderd en drieduizend en tenslotte met eenentwintigduizend. Er waren <span style="color:red;">Helenen </span>die achterbleven en hoofdschuddend beweerden dat de ruimtevaarders, katenen genaamd, wel de weg van de minste weerstand kozen. Dat zij geen inzet hadden en niets wilden offeren. Die kritiek was niet terecht want zij reisden tien lange jaren door de ruimte in een ruimteschip dat een namaakwereld bood voor zijn bewoners en dat hun verplichtte tien jaar lang af te zien van de buitenlucht. Dat hun verplichtte tien jaar lang in een ijzeren discipline te leven en dat elke individueel streven naar maatschappelijke ontwikkeling onmogelijk maken omdat alles in dienst stond van de gemeenschap. Zij deden het graag op basis van hun geloof in de Hornich. De Hornich is de specifieke, individuele weg die iedereen moet gaan en die altijd gelijkwaardig is aan de weg van een ander. De weg die jaloezie maar ook arrogant neer zien op lagergeplaatsten uitsluit. Iets wat natuurlijk lang niet iederen altijd kon opbrengen en soms schaapten emoties de meer dierlijke eigenschappen van de mensen weer uit duistere diepten omhoog. Maar steeds was er de mogelijkheid om terug te keren op de Hornich. Niet als predestinatie maar als individuele route naar een vol leven. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Het geloof in de Hornich was hen sinds tweehonderd jaar bijgebracht. Aanvankelijk kwam de leer in de wereld door het optreden van de arts en filosofe Syfa Morgenthal maar van meet af aan legde zij de nadruk op het belang van getuigenissen. Deze zijn in de loop van de tijd steeds meer de basis gaan vormen en <span> </span>inmiddels zijn er 30.000 schriftelijke getuigenissen. Deze getuigenissen waren vastgelegd in dikke boekwerken, geen saaie en gortdroge levensverslagen maar beeldend geschreven en inspirerende verhalen van mensen die de speurtocht naar hun Hornich als een boeiend avontuur hadden beleefd en ok van mensen die vooral van de ene desillusie in de andere vielen en nooit hun Hornich vonden. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">De Hornich leidde to moedig leven en had de Helenen doen besluiten om hun leger af te schaffen en cultuur de doorrang te geven boven economie. De 30.000 getuigeniseen lagen in Helen opgeslagen in een bibliotheek in de hoofdstad van het land maar de katenen hadden op hun magons copieen ervan meegenomen. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Met de moed van de Hornich in hun<span>  </span>hart hadden ze gevaren doorstaan, een regen van meteoren, de aanval van de <span style="color:red;">katemeren</span>, de ruimtedieren, de magnetische stormen, <span style="color:red;">konafossielen</span> genaamd. Al die gevaren hadden zij achter zich gelaten. Zij hadden ook hele hoofdstukken van de aardegeschiedenis ontmoet in licht. Dat was mooi geweest en soms ook bedroevend. Maar het sluitstuk had alles doen vergeten. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Op een<span>  </span>goede ochtend was de atmosfeer van de nieuwe planeet bijna letterlijk binnen handbereik<span>  </span>en de astronauten konden door hun patrijspoorten de bergtoppen aanschouwen, de bergtoppen van de planeet die op aarde bekend stond als <span style="color:red;">Bacchus </span>maar die de kolonisten “Mende” doopten, wat “hoop” betekent in het Heleens. Hoop, echt als toekomstbeeld, als geloof dat het leven goed zal zijn.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">“Een kleine stap voor een mens, een grote stap voor de mensheid”die spreuk stond aan de buitenkant van het eerste ruimteschip, <span style="color:red;">Arketan</span> (point of no return),<span>  </span>gegraveerd in torenhoge letters. Na vier maanden in een baan rond Mende zetten de eerste Helenen voet op Mendese bodem. Zij hadden het weer bestudeerd en het landschap met behulp van hun sensoren en monitoren. Nauwkeurig hadden zij hun landingsplaats gekozen, op een brede rug van laaggebergte nabij een ondergrondse waterbron. Het leek een ideaal begin voor de verwezenlijking van een nieuw levensideaal. Vol hoop werkten de eerste <span style="color:red;">Helenen</span>, inmiddels 270, aan de bouw van hun woningen, rond zoals zij dat in Helen hadden geleerd. Zij bouwden <span> </span>schuren, een tempel en zelfs het dorpsplein kreeg een verharding en allemaal van dezelfde rode steen en de rode klei die zij op Mende aantroffen. Maar droegen zij allemaal dezelfde hoop in zich mee? Wat was onderhuids gebleven tijdens het streng gereguleerde leven aan boord van de <span style="color:red;">Arketan</span>? Het leek bijna onontkomelijk dat er barsten zouden ontstaan in de noodzakelijke, smetteloze eenheid van de eerste jaren. Jaren waarin de Helenen zich de enige bewoners waanden van “hun” Mende.</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Hoe dan ook, er schoot een dorp op en het kreeg de naam <span style="color:red;">Aldemundt</span>. Misschien was het wel kenmerkend dat al na twaalf jaar niemand meer wist wie de naam bedacht had en wat ze betekende. Oude berg? Hoge bron? Zelfs in de archieven van de burgemeester was er niets over te vinden. Dat nam niet weg dat de vijfhonderd Aldemundters toen nog steeds trots waren op hun dorp, de eerste menselijke kolonie buiten de aarde. Ouder dan de dorpen <span style="color:red;">Bixhoorn </span>en <span style="color:red;">Navringen</span> of de stad <span style="color:red;">Hertenborgh</span> met z’n 24.000 inwoners. Trots en overtuigd dat <span style="color:red;">Aldemundt </span>de hoofdstad van Mende zou blijven…</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Maar het was niet vrijblijvend. Prins Paup van Telgen Nespel was een erudiete man maar ook hij kon zich niet onttrekken aan een gevoel van dynastieke trots in de wetenschap dat zijn neef Paup op een ver wegggelegen planeet de dynastie zou vestigen vanuit zijn leidinggevende functie. De beide neven spraken dan ook af dat er bij herhaling wix (een soort e-mail) contact zou zijn want boodschappen konden met de snelheid van de gedachte worden overgebracht. Het was nuttig ook al deden de boodschappen er ook tien jaar over. Het zou toch een band scheppen. Zij spraken bovendien af dat na twaalf aardjaren een expeditie op touw gezet zou worden om de planeet te verkennen en van meet af aan hadden zij daarbij een expeditieleider op het oog: Berg Wamerhorn. Alleen hij had de koelheid om tegenstanders van de Telgens te ontmoedigen in hun pogingen een absolute heerschappij op Mende te vestigen. Zij vreesden dat minstens een Heleense dat zou proberen: Syfa Morgenthal, afstammeling van de vermaarde Syfa Morgenthal die de grondslagen voor de Hornich had gelegd en vooraanstaande koloniste in spe. Een nieuwe wereld, een nieuw geloof, een nieuwe planeet en … mensen. </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;"> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">See you&#8230;</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="font-size:small;font-family:Times New Roman;">Service</span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><span style="color:#008000;"><a href="http://www.neoweb.nl/forum2/index.php?topic=3102.msg11892">www.neoweb.nl/forum2/index.php?topic=3102.msg11892</a> </span></span></p>
<p class="MsoNormal" style="text-align:center;margin:0;"><span lang="NL"><a href="http://www.astronomie.nl/DocUpload/kolonie%20in%20de%20ruimte.pd">www.astronomie.nl/DocUpload/kolonie%20in%20de%20ruimte.pd</a></span></p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"> </p>
<p class="MsoNormal" style="margin:0;"> </p>
<br />  <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gocomments/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/comments/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godelicious/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/delicious/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gofacebook/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/facebook/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gotwitter/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/twitter/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/gostumble/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/stumble/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/godigg/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/digg/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <a rel="nofollow" href="http://feeds.wordpress.com/1.0/goreddit/mythologie.wordpress.com/281/"><img alt="" border="0" src="http://feeds.wordpress.com/1.0/reddit/mythologie.wordpress.com/281/" /></a> <img alt="" border="0" src="http://stats.wordpress.com/b.gif?host=mythologie.wordpress.com&amp;blog=1146976&amp;post=281&amp;subd=mythologie&amp;ref=&amp;feed=1" width="1" height="1" />]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>http://mythologie.wordpress.com/2009/02/22/het-rijk-van-aldemundt/feed/</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
	
		<media:content url="http://1.gravatar.com/avatar/194fa9f63ca6fd1eb8d2c26fc87bcf3c?s=96&#38;d=identicon&#38;r=G" medium="image">
			<media:title type="html">politiek</media:title>
		</media:content>

		<media:content url="http://www.deurhof.nl/hofmuur/opmaak/luchtkasteel2.jpeg" medium="image">
			<media:title type="html">Wonen in de ruimte</media:title>
		</media:content>
	</item>
	</channel>
</rss>
