Gepost door: Kaj Elhorst | oktober 18, 2009

Weerklank

 

 Berg had voor zichzelf vastgesteld dat de plek goed moest worden onderzocht. Dit eerste teken van leven dat op mensen leek, was voor hem heel belangrijk. Er moesten platen en afbeeldingen, tekeningen en berekeningen komen. De krypt zou hem nog onschatbare diensten gaan bewijzen, meende hij. Hij plaatste het apparaat weer tegen zijn achterhoofdsknobbel en nodigde iederen uit om zich rond hem te verzamelen. Het was altijd weer een schitterend gezicht om te zien hoe er zonder worden berichten waren over te seinen. De expeditieleden kwamen vrijwel zonder haperen naar hem toe. “Luister mensen”, zei hij met een krachtige stem. Berg was als leider volledig in zijn element. “Het lijkt mij dat we hier een tijdje zullen verblijven om onderzoek te plegen. Deze plek is wel heel bijzonder en ik zou haast zeggen, laten we elke vierkante centimeter in kaart brengen. Geen diepte onderzoek maar wel heel breed”, was zijn voostel. Daarmee was Weemer het niet eens. “Het lijkt mij dat hier wel eens heel veel raadselen van de Mendlingen verboirgen liggen. Een diepte-onderzoek vind ik eigenlijk wel op zijn plaats.” Zijn stem woog zwaar bij de andere expeditieleden want Weemer had de verantwoordelijkheid voor het verloop van het onderzoek. Toch roerde zich een stem. Het was Syfa Morgenthal. Met haar snerpende stem was ze overal duidelijk te horen. “Het lijkt mij een onmogelijke klus. Diepte-onderzoek was de opdracht van onze expeditie niet. We moesten verkennen en waarnemen, daarvoor hebben we ook de materialen meegenomen. Voor een diepte-onderzoek hebben we niet genoeg hulpmidelen.” “Nou”, was het bitse antwoord van Weemer. “Dat heb je me dan weer lekker geflikt, Morgenthal. Slechte voorbereiding”.’Het was Weemer die lik op stuk gaf. Ramold stond achteraan in de groep mar hij kon het gekissebis goed horen. Eigenlijk kon het hem niets schelen wat voor onderzoek er hier gedaan zou worden. Hij was blij en enthousiast dat hij mee had mogen gaan. Weemer was hem sympathieker dan Syfa. De laatste was een uitgespoken vijand van hem, vanwege de dood van de twee jongens in Aldemundt. De ruzie-achtige toon van Weemer beviel hem ook helemaal niet en hij begreep het gedrag van de onderzoeker ook niet zo goed. Weemer zou nu toch heel blij moeten zijn met zo’n onderzoeksgebied? “Ik ben het met Syfa eens”, riep nu Belber Esdig, een van de onderzoekers. “Het voorstel van Berg heeft mijn voorkeur.” Nu gingen er meer stemmen op en al gauw en om een eind te maken aan de discussie stak Berg zijn hand hoog in de lucht. Hij nam het woord weer. “Bij deze eerste plek en gezien de stemming in de groep wil ik mijn eerste voorstel handhaven. Zelfs bij een breedte-onderzoek zullen we hier al gauw een dag of zeven verblijven. We onfderzoeken dus niet ieder lijntje en elke kras op materiaal, vorm en samnstelling maar wel op aanwezigheid, repetitie en … onderlinge relatie.” “Maar”, Weemers stem klonk nu kwaad en zwaar over de hele groep heen. “Stel nu dat de stof waarop we staan gevaarlijk is of heel waardevol, dan missen we die kennis straks als we weggaan.” “Daar heb je gelijk in, Weemer”, meende Berg. “Maar met een goed breedte-onderzoek in de hand, kun je in de toekomst al gauw hulpmiddelen krijgen voor een goed diepte-onderzoek.” Er ging een instemmend gemompel door de groep en Weemer legde zich mokkend bij de wensen van de meerderheid neer. Maar niet van ganser harte en hij bleef wrokkig naar Berg staren. Die man doorkruiste zijn plannen.

“We vormen onderzoeksgroepen”, bepaalde Berg nu. “Elke groep wordt geleid door een van onze onderzoekers. Dus dat betekent dat we zes groepen van vier mensen hebben. Een groep is steeds stand-by bij onze wagens. Bij die groep is steeds Vernant Silmak of Randa Vees aanwezig vanwege de veiligheid. De andere vijf groepen gaan daadwerkelijk aan het onderzoek werken.”Met Weemer fluisterde hij kort een tweegesprek en daarop klonk zijn stem weer duidelijk hoorbaar. “We delen de groepen in naar figuren, teksten, voorwerpen, materialen en licht en geluid. Weemer zal de groepen indelen en een opdracht meegeven.”” Ramold kwam in de groep met Berg terecht maar ook met zijn goede vriend Belber Gondaan en Bonara Fap. De opdracht was te zoeken naar opvallende afbeeldingen en figuren op de vloer, hun vorm. onderlinge verschillen, mogelijke samenhang ertussen en overeenkomst met aardse vormen en figuren uit welke periode dan ook. De leden van elke groep voorzagen zich nu van de benodigde hulpmiddelen en in het gedrang raakte Ramold afgescheiden van de drie anderen. “Zo, op zoek naar een wapen”, fluisterde ploseling een stem achter hem. “Kijk je wel uit dat het allemaal niet opvalt, oude moordenaar?” Ramold voelde zijn nek verstijven bij die woorden en hij probeerde te ontdekken wie achter hem die woorden had gesproken maar dat lukte door het gedrang niet al te goed. Hij voelde zich vernederd en voor schut gezet maar vooral ook bedreigd. De stem had hatelijk geklonken, alsof iemand hem verachtte uit het diepst van zijn hart. Nog een keer keek hij om naar de mensen die achter hem liepen. Weemer van Hornhaaf stond het dichtst bij hem maar daar vlak achter grijnsden Paup en Eben Morgenthal hem aan. Een van hen moest het geweest zijn. Weemer van Hornhaaf had hem steeds geholpen en had zich zijn vriend betoond. Nee, het moest wel een van de Morgenthals zijn. Hij zou ze … “Kom op, jong”, het was de stem van Degbert Dokke. “Wat voor materialen heb je nodig?” Berg had het hem keurig uitgelegd maar Ramold kon het zich niet meer herinneren. “Ik kom zo terug”, riep hij en hij rende naar de achterkant van de groep. Lang kon hij niet wachten want de andere leden van zijn onderzoeksgroep waren al op de terugweg naar de plaats van het onderzoek. Straks zouden ze hem niet kunne missen en dan moest hij klaar staan om te assisteren. Gelukkig was hij al weer snel aan de beurt en deze keer belaagde niemand hem. “Wat was dat nou?”vroeg Degbert Dokke, een aardige man die in Aldemundt aan het andere eind van het dorp woonde en met wie hij vroeger wel naar de Baalder had gezwommen. “Hoofdpijn”, loog Ramold maar dat was niet zijn sterkste kant. “Je hoeft het me niet te vertellen hoor”, zei de jongen. “Maar ik hoor niet tot degenen die geloven dat je schuldig bent.”Hij glimlachte en gaf Ramold de apparaten waar hij om vroeg. “Succes, ik blijf even hier”, grijnsde Degbert. “Succes.”

De ploegen togen aan het werk en de groep van Ramold boog zich om te beginnen over het pentagram. Ramolsd kreeg de eer om als eerste met een vergrootglas het pentagram af te zoeken naar bijkomende figuren maar er was niets te zien. “Het is een rode lijn die ononderbroken lijkt te zijn maar er staan geen andere figuren bij”, zei hij na een kwartier ingespanen kijken. Berg tuitte zijn lippen en maakte een smakkend geluid. Hij nam het vergrotglas dat in het oog paste nu van Ramold over. “Ik wil het zelf ook eens even bekijken”, zei hij maar lang duurde zijn onderzoek niet. “Vreemd”, zijn stem kreeg een opgewonden ondertoon. “Het lijtk wel of het een hologram is, een driedimensionale afbeelding op basis van gekleurde energielijnen. Dat betekent dat het figuur niet in een ondergrond is gekerfd maar op een heel andere plaats wordt veroorzaakt. Het kan ver weg zijn, maar ook dichtbij.” Hij keek zoekend om zich heen alsof hij meende elk moment een geheime bron van het hologram te kunnen ontdekken. “Het kan ook van uit de diepte worden opgebracht. In elk geval betekent het dat we wel eens met een heel ontwikkelde beschaving te maken zouden kunnen hebben.” “en hologram”? Ramolds stem klinkt aarzelend. Berg glimlacht. “Ja, tegenwoordig lossen we dat anders op maar vor de Grote Holokos was het niet gemakkelijk om een driedimensionale afbeelding te maken in een plat vlak. De mensen gingen er in beginsel nog van uit dat zoiets onmogelijk was. Dat kwam doordat zij de trihaan nog niet hadden ontdekt. Zij wisten niet dat het principe van de dingen niet bepaald wordt door henzelf maar door degeen die ernaar kijkt. Voor een mens zal ieder object daarom altijd waarneembaar zijn binnen breedte, lengte en diepte. Dat zijn de maten van de mens zelf. Er was al wel veel eerder de gedachte dat de mens de maat van alle dingen was maar die leer werd veel te ruim uitgelegd. Ze werd universeel verklaard zodat zelfs op universiteiten men uitsluitend nog leerde te meten maar de vaardigheid om waar te nemen verdween daarmee. Zij ontkenden op die manier alles wat zij dachten niet waar te kunnen nemen. Sommige van die dingen noemden zij gezichtsbedrog of pseudowetenschap. Met hun weinig wetenschappelijke kijk op de wereld hebben zij het wel heel ver geschopt maar niet ver genoeg. Daarin lag de oorzaak van de Grote Holokos, zo denken we nu. Zij dachten ook dat bedrijven moesten groeien om te overleven en dat leidde juist tot de ondergang, mogelijk ook een oorzaak van dezelfde ramp. Hoe dan ook, zij keken slechts naar de drie maten en letten nooit op het geheel van voorwerpen en gedachten. Daardoor zagen zij niet dat ieder voorwerp zich al voordoet als een hologram, zij het met een dominante verschijningsvorm of samenstel van maten. Om een driedimensionaal beeld in een plat vlak op te roepen, moesten ze dus technische kunstjes verzinnen: een ingewikkeld samenspel van lichtbron en spiegels. Nu zou het kunnen zijn dat op Mende ook een volk leeft dat zo’n techniek gebruikt. Maar … dat wil niet zeggen dat de kennis van dat volk niet al veel verder is. Misschien gebruiken zij het hologram als “grapje” maar het kan ook zijn dat zij gestoord zijn in hun pogingen en tenslotte…”. Opnieuw keek hij omzich heen om te zien of zich ergens een bron van het beeld voordeed toen maar een oplossing vond hij nergens in de omgeving. “Tenslotte…”, vroeg Ramold maar Berg kwam niet meer aan een uitleg toe. Weemer van Hornhaaf kwam met grote passen op hem af kwam lopen. “Berg, er is hier iets raars aan de hand”, zei hij op een vertrouwelijke, zachte toon. “Het lijkt wel of er hier langzaam aan en net om je heen gesponnen wordt, een net van ongrijpbare materie.” Hij tilde zijn arm hoog op en het was nu heel duidelijk te zien. Vanuit zijn vingers leken rode draden naar beneden te leiden en de grond te raken. Zij andere arm was op dezelfde manier “bevestigd” aan de grond. Onmiddellijk probeerde Ramold die bewegingen na te doen. Niets aan de hand. De mensen om hem heen keken Weemer met onzekere ogen aan. Er begon een onrust te ontstaan onder de expeditieleden. “Wat gaat hier gebeuren met ons?”vroegen een paar nauwelijks hoorbaar aan elkaar. Wat is dit voor plek?” “Waar heb je gestaan?”vroeg Berg nu. Weemer wees naar het midden van de kobaltblauwe vloer. “Daar waar een vreemdsoortige tekst staat in een taal die ik vroeger wel eens heb gelezen maar dat was op aarde. Ik kan het niet vertalen”, zei hij weer op zachte toon. “Een tekst”? Berg duwde nu Weemer een eindje opzij. “Laat me zien”, hij was nu opgewondener dan ooit. Weemer liep naast hem mee naar de plek waar zijn groep nog aan het speuren was. “Waar is de tekst?” Bergs stem trilde lichtjes en dat was het teken dat hij niet helemaal zeker was van zijn zaak. Het was Garmen Efterheem die hem op de tekst wees. Ze was alleen goed zichtbaar met een vergrootglas maar Berg bedacht zich geen twee keer en boog zich over de plek. “Het laat niets te raden over”, zei hij na een paar seconden terwijl hij vlot overeind sprong. “Er staat “Nuits de colère” en dat is niet echt een bemoedigende tekst. “Wat betekent het, ik weet het niet meer”, gaf Weemer toe. De anderen drongen nu om Berg heen en probeerden zijn verklaring te horen. “Ik weet niet hoe ik het moet duiden maar een echt welkom is het niet. Het betekent “Nachten van woede in de taal van de Gaulen. Zij vormden een machtig maar niet het machtigste volk vlak voor de Grote Holokos Toch sta ik voor een raadsel”.

“Het werd doodstil in de groep om hem heen. Berg zag de onzekerheid onder zijn mensen groeien. Weemer leek met vreemde draden aan de grond gebonden te zijn, een inscriptie in een aardse taal van voor de Grote Holokosh. Het was tijd voor duidelijke maatregelen. “Zijn er nog meer die het verschijnsel hebben”?” vroeg Berg. De leden van Weemers ploeg begonnen nu allemala hun armen te spreiden en inderdaad: de “draden” waren er. “We moeten ons onderzoek staken, onmiddellijk”, besliste Berg. “Dit wordt me te gevaarlijk. We moeten eerst een plan bedenken om de risico’s aan te gaan. Misschien willen we dat wel helemaal niet. We verlaten nu allemaal deze plek, niemand uitgezonderd.”Zijn stem klonk nu als die van een generaal die geen tegenspraak duldt. De expeditieleden begonnen terug te lopen naar hun kampement. Ondertussen controleerde iedereen of hij door de draden, falden werden ze al gauw genoemd, was “bezeten”. Dat was nog niet het geval en de falden werkten ook niet als echte ketens want Weemer en zijn ploeg kon het plateau gewoon verlaten. “We moeten nu eerst weten wat hier aan de hand is”, herhaalde Berg weer. Het lijkt wel of we het gevaar lopen onderdeel te worden van een hologram. Ik hoop dat de verschijnselen weer gauw wegtrekken.” “En nu”, Ramolds stem klonk opgewonden en wat bangelijk tegelijk. “Wat gaan we nu doen, Berg?” “We blijven hier totdat we weten wat dit voor een plek is. Die Mendlingen moeten toch een reden hebben gehad om dit hier allemaal te maken, te ontwikkelen en om de taal van de aardse Gaulen te gebruiken. Het is onvoorstelbaar hoe zij zich daarvan hebben bediend of het moet toeval zijn.” Die laatste worden zei hij heel langzaam en Ramold had het gevoel dat Berg toeval niet voor mogelijk hield. Er drong zich wel een andere gedachte aan hem op, iets dat hij ooit in de geschiedenisles op school had opgepikt maar verder nooit had onderzocht. Zijn hersens wroetten naar de een duidelijk beeld van die herinnering maar hij klreeg er nauwelijks de tijd voor. “Je hebt mij nooit verteld dat je de taal van de Gaulen kent”, Syfa, Bergs vrouw, vlijdde haar hoofd tegen zijn stevige arm aan en keek verbaasd naar haar man. “De taal van de Gaulen, ik kan haar niet goed spreken maar ik ken wel wat woorden. Ik hoop dan ook dat ik het helemaal goed heb vertaald. Veel goeds houdt de boodschap in elk geval niet in, dat weet ik zeker. Misschien kan ik er straks iets over vinden in de magon voor oude talen.” “Iets anders”, begint Ramold plotseling. “Ik moest ergens aan denken. Alleen de groep die met Weemer werkte, had last van die falden. Dat kan toch betekenen dat juist het gebied dat zij onderzochten een bijzondere betekenis of functie heeft.” “Goed denken, Ramold”, roept Berg uit. “Het heeft me ook al even beziggehouden. Je zou denken dat daar de sleutel tot het geheim zit maar ik kan voorlopig geen risico’s meer nemen. We moeten eerst zien of het verschijnsel bij Weemer en de anderen weer wegtrekt. Bovendien … “even aarzelt Berg. Hij plaatst de crypt weer tegen zijn achterhoofdsknobbel en zonder mankeren komen alle expeditieleden naar hem toe lopen. “Je wilde ons spreken?”Het was de stem van Paup Morgenthal die een beetje spottend klonk. “Als expeditieleider ga je ons nu vertellen wat we allemaal moeten doen?”Berg schudde zijn hoofd. “Nee, je mag zelf weten of je vertrekt maar laat de voertuigen hier”, mompelde hij met een vriendelijke glimlach. Paup zweeg haastig.

“Mensen”, Bergs stem klonk opgewekt en vrolijk. “We hebben te maken met het eerste geheim dat onze expeditie ontdekt en ik hoop dat we de nadelige gevolgen ervan zo snel mogelijk kwijt kunnen raken. Het is verre van tijd om met de expeditie te stoppen bij de eerste de beste tegenslag want we hebben mensen genoeg bij de hand die in staat zijn om de problemen de baas te kunnen. Als wij het niet kunnen, dan zijn ze er in Aldemundt al helemaal niet toe in staat, laat staan in andere kolonies zoals Bixhoorn. Ik stel voor er vanavond een gezellige avond van te maken, iets te drinken, muziek te maken en te dansen rond een vuur. We moeten ons hier thuis gaan voelen want ik wil hier drie of vier benen blijven. Voorlopig komen we niet op het blauwe plateau en zoeken we naar andere zaken die het onderzoeken waard zijn. Bovendien letten we allemaal bijzonder goed op, op alles wat ons vreemd voorkomt.” “Wat bedoel je daarmee”? vroeg Syfa Morgenthal. “Heb je iets bijzonders in de gedachten?”Berg schudde zijn hoofd. “Nee, helemaal niet. Ik vind alleen dat we heel goed moeten opletten op zaken die vreemd zijn of niet kloppen. We moeten waakzaam zijn.” “Ramold en Belder willen jullie een vuur aanmaken? Het lijkt me een uitgelzen nacht om eens in de openlucht door te brengen. Dat hebben we tot nog toe alleen maar in de veilige omgeving van Aldemundt gedaan. Wie weet hoe ontspannend het hier is.”Ramold begreep heel goed dat het Berg niet alleen om de ontspanning te doen was maar een open vuur zag hij altijd wel zitten. Nieuwsgierig keek hij om zich heen naar de anderen. Misschien dachten zij hetzelfde maar daarvan lieten zij niets merken behalve dat zij een nacht in de open lucht bij een vuur helemaal zagen zitten.” “Je wilt aandacht trekken van Mendlingen”, fluisterde Ramold de expeditieleider in het oor. Berg glimlachte. “Kom op, aan de slag”, zei hij alleen maar. Ramold en zijn vriend keken om zich heen of er brandbaar materiaal te vinden was. Achter de muur van pantserwagens was bos genoeg maar niet alle Mendese bomen leenden zich als voedsel voor een vuur. De grote bladeren waren vaak snel weggebrand. Het was meestal een behoorlijke zoektocht om bruikbare takken en stammetjes te vinden. “We zoeken nog wat vrijwilligers”, riep Ramold . Een paar mannen draaiden zich spontaan om en lieten blijken dat ze niets met hem te maken wilden hebben maar Weemer Tapelhorn en Gamer Esdig kwamen snel naar hen toe. “We zullen er eens een spannende speurtocht van maken”, Garmen wreef zich in zijn handen. “Vergis je niet, dit sort kampeken heb ik vroeger op aarde ook meer dan eens meegemaakt. Zo heb ik Belbers moeder leren kennen. Het was altijd leuk en gezellig al had je er ook altijd een paar bij die de boel verziekten. Wat mij betreft, die laatste groep heb ik hier al ontdekt. Volgens mij …”, hij zweeg plotseling en keek een beetje onbenullig voor zich uit (hij had willen zeggen dat de hele expedsitie werd gesplitsts dor voor- en tegenstanders van Ramold). “Volgens mij wordt het de komende dagen hier hartstikke leuk.” “Dacht je dat je niets te doen zou hebben, pa?””Niets doen is zelden leuk”, reageert Garmen meteen. De vier mannen lopen rond het kamp en rapen brokken hout in een karetje. Langzaamaan begint het donkerder te worden. Osme zakt weg aan de westelijke horizon. Bonara Fap en Fiana Ettelbruuc halen uit hun pantserwagen allebei een liodin tevoorschijn en het duurt niet lang of de eerste gillerige tonen klinken dor het landschap, ver over het kamp. Ondertussen brengen de mannen de eerste volgeladen wagen met hout binnen in de cirkel. Ramold zoekt Berg maar die ziet hij niet. Verdwenen als sneeuw voor de zon, denkt hij maar zorgen maakt hij zich niet. “Doen we nog een kar””, vraagt hij andere twee terwijl hij met voorzichtige danspassen de wagen achter zich aan sleept. “Oke”, stemt Belder meteen aan en hij volgt het vorbeeld van zij vriend. Zij maken de opassen van een overbekende Heleense dans , een dans die elk jaar op Deemerbeen wordt gedanst. Hun vrolijkheid werkt aanstekelijk en zelfs de familie Morgenthal neemt de danspassen nu over.

Berg laat zijn vrije magon langs de armen en benen van Weemer gaan maar er komt geen reactie. “Ik had gedacht dat de magon op z’n minst een soort materiaal of verschijnsel zou herkennen, al was het maar licht”, zegt hij. “Heb je pijn, of een ander gevoel, ben je misselijk of duizelig?” Weemer schudt zijn hoofd. “Ik zou het toch moeten weten als er iets ergs aan de hand was”. Die opmerking lijkt vooral bedoeld te zijn om zichzelf gerust te stellen. “Ik ga er niet zo gemakkelijk mee om”, zegt Berg. “Ik stuur zo meteen Quia wel even “langs.””Die is er al”, klinkt een stem achter hem. “Wat dacht je nou, dat ik niet uit me zelf naar mijn man toe zou komen”?”ze trekt een verbaasd gezicht. “Ikz al hem eens even goed onderzoeken”, zegt ze met een glimlach maar Berg hoort aan haar stem dat ze zich wel zorgen maakt. “Goed, ik laat jullie even alleen’, besluit hij. Hij hijst zich weer dor het mangat naarbuiten en kijkt over het kamp heen. De eerste vlammen flakkeren op in het kampvuur dat midden in de kring van wagens is gemaakt. De liodins gillen tegen elkaar op en er beginnen evrscheidene mensen te zingen en in de handen te klappen. Het is een herkenbaar geluid in de donkere nacht. “Nuits de colere”, fluistert Berg . “Het is te precies voor een toeval. Ik moet de magon raadplegen. “Te laat bedenkt hij zich dat hij de Hornhaafs alleen zou laten en hij stort zich bijna boven op het echtpaar dat innig tegen elkaar gedrukt bij de onderzoekstafel ligt. “O sorry, even mijn magon halen”, met een snelle greep heeft Berg het instrument te pakken. Hij slingert zich weer omhoog en hijst zich uit het mangat. De lucht kleurt nu donkerblauw en de eerste sterren en planeten vertonen zich. De tonen van de liodins en het gezang maken het tot een toneelstuk waaraan het hele publiek meedoet. Trimmen Vees en Agbert van Inhorn delen bekers gajem uit. Alleen de wacht onder leiding van Randa Vees neemt geen alcohol aan. Mannen en vrouwen dansen kriskras door elkaar steeds wilder. Ramold en Belder maken bij hun dans hoge sprongen en vliegen meer dan eens hoog over de vlammen van het kampvuur. Ramold voelt zich nog sterker nu hij twee glazen gajem achetrover heeft geslagen. “We gaan door”, fluistert hij. “Ik wil vanavond het hoogste springen van allemaal.”Hij slaat zijn klinker arm steviger om Belders schouders en Belder steunt hem in de rug met zijn arm. Hoger springen ze. Vuur en muziek zwepen Ramold steeds verder op. “je mag wel uitkijken dat hij Belder niet doodslaagt”, krijst plotseling een vrouwenstem. Niemand weet het zeker maar het lijkt het meeste op de stem van Aquia van Hornhaaf. “Waarom?”het is Bergs stem die minstens zo hard door het kamp klinkt. “Waarom zou hij dat doen?”Ramold is toch niet gek? Hij gaat toch niet in dit kleine gezelschap warvan hij afhankelijk is problemen maken? Wie kent Ramold als problemenmaker?” Ineens is de feestelijke stemming voorbij. Ramold landt bij zijn laatste sprong op de grond en ineens beseft hij dat hij het middelpunt van gesprek is. Hij staat als verstijfd en ondanks het kampvuur voelt hij de kou door zijn botten trekken. De liodins zijn stil. “Ja, waarom zei je dat lieverd? vraagt nu ook Weemer aan zijn vrouw”. “Ach kom, laten we onszelf niet voor de gek houden”, Syfa Morgenthal mengt zich nu in het gesprek. “We weten toch allemaal dat we een moordenaar onder ons hebben?” Het wordt nu echt doodstil in het kamp en alleen het vuur zorgt nog voor beweging. “Je moet wel blind en doof zijn om dat niet te doorzien. Kijk hem eens kruiperig doen bij Berg. Altijd zoekt hij de bescherming van Wamerhorn. Je moet uitkijken, Berg, met zo iemand om je heen”, vindt Eben Morgenthal, Syfa’s jongste broer. Met zijn pikzwarte haar, brede, postuur en helblauwe ogen maakt hij meestal veel indruk op anderen. “Zo is het, broertje”, roept Paup nu instemmend terwijl hij zijn arm losjes op Ebens schouder laat rusten. “Daar ben ik nog helemaal niet zo zeker van”, Garmen Esdigs stem klinkt altijd wat pieperig en werkt meestal op de lachspieren van de mensen. Zijn kromme benen en zijn veel te grote hoofds met een lange puntbaard werken daraan mee. “Ik heb nog geen enkel bewijs gezien van Ramolds schuld”, zegt hij zo zelfverzekerd als hij na jaren van geplaag nog kan zijn. Belder schiet zijn vader meteen te hulp. “Ik ken Ramold al heel wat jaren en ik durf alles eronder te verwedden dat Ramold onschuldig is.””Hoor eens goed”, begint Eben weer. “De katelingen sluiten de rijen.” Hij loopt naar het midden van de kring die door de expeditieleden is gevormd en steekt zijn linkerhand hoog in de lucht. Dat is het teken dat hij nog veel meer wil gaan zeggen maar Berg stelt zich nu naast hem op.”Ik vind dat we onze mening mogen zeggen, dat wij onze indrukken mogen laten horen. Dat is een aloude Heleense traditie maar laten we ons houden aan de regels van de sjebbe. Dit is geen sjebbe want daartoe hebbenwe niet het recht gekregen van de Moden of Modaal maar we houden ons wel aan de regels ervan. Wie we ook zijn en wat we ok denken, we vormen een eenheid met een belangrijke doelstelling: de verbetering van de positie van Aldemundt en alle andere menselijke dorpen op Mende.””Nou ja”, begint Eben maar Berg is resoluut. “Anders moet ik je het woord ontnemen. Ik zal dan niet aarzelen om de veiligheidsmensen in te schakelen. We zijn hier niet om verloren te gaan in een onbekend land. In het verleden zijn veel ontdekkingsreizigers ten onder gegaan door onderlinge geschillen. Ik zal alles doen wat ik kan om dat te voorkomen.” Berg hoort veel instemmed gemompel in de kring. “”Jij ook, Eben”, vervolgt hij. “OK”, geeft deze eindelijk toe. “Ik houd me aan de regels van de sjebbe.” Meteen daarop haalde hij diep adem. “Waarom zijn wij op expeditie gegaan”? vroeg hij zich af. “Om de positie van Aldemundt te versterken maar ondertussen keuren we het goed dat de uitholling van binnenuit plaatsvindt. Wij laten een moordenaar meereizen op deze expeditie en hij geniet alle rechten van de andere leden. In werkelijkheid hebben we gewoon een verachtelijke kateling in ons hart gesloten, iets wat nooit had mogen gebeuren. Katelingen hebben geen verleden en dus ook geen besef van goed en kwaad. Zij doen maar wat en als ze over de schreef gaan, hebben ze alle voordelen van onze cultuur. Dat past hen echter niet.” “En ik zeg”, riep nu Belder terwijl hij vliegensvlug overeind kwam, “Ik zeg dat je geen enkel bewijs hebt tegen Ramold. Je kunt niet aantonen dat hij schuldig is aan de dood van die twee jongens. Niemand heeft precies gezien wat er gebeurd is en een vergissing is snel gemaakt. En op je opmerkingen over katelingen ga ik niet in. Volgens mij horen die thuis in de tijd van voor de Grote Holokos.’ “Hoor hem”, schampert Eben nu. “De kateling spreekt van de Grote Holokos alsof hij er zelf bij is geweest. Uitgerekend een jongen zonder verleden verwijst naar de tijd daarvoor. Het wordt hier steeds gekker!” “Nou”, mengt Berg zich in het gesprek. “Zo gek is het nou ook weer niet. Volgens mij heeft niemand van ons de Grote Holokos meegemaakt en laten we daar maar blij om zijn. We doen nu osn best het niet weer zo ver te laten komen en al helemaal niet op Mende. Je kunt je afvragen of we niet allemaal naar Mende zijn gekomen om een betere en nieuwe samenleving op te bouwen.””Hij niet!”krijst plotseling Syfa Morgenthal door het kamp. Haar stem klinkt als de kreet van een kraai. Ze wijst naar Ramold. “Hij is helemaal niet met een bedoeling gekomen. Hij is hier gewoon neergekwakt door zijn ouders, een mens uit blik!” “Ja, ja”, schreeuwt nu Paup Morgenthal die altijd vooral zijn zuster gelijk geeft. “Hij heeft geen verleden, hij is verdacht.” Belber Gondaan heeft zich de hele tijd half verscholen achter Ramold maar nu komt hij vlak voor het kampvuur staan. “Wat een leuke mensen om Mende tot een nieuwe wereld te maken”, zegt hij droogjes. “De een buldert en de ander krijst maar ik heb nog niemand een bewijs horen noemen. Hoe zit dat ook weer met onze Hornich? Blijven we erop letten dat we ons eigen pad volgen of proberen we gewoon de ruimte tot voortgaan van anderen belemmeren en hoe zit het met het schouwend vermogen van die mensen die zo schreeuwen? Hebben zij iets gezien dat voor ons verborgen blijft?”

Er valt een stilte over de kring. Geen stilte van schaamte maar een stilte van nadenken. “Het lijkt mij”, Berg loopt nu opnieuw naar het midden van de kring. “Dat Belber Gondaan vor de discussie van vanavond een mooie afsluiting heeft gegeven. We hebben iets over na te denken. In de komende tijd zal het onderwerp nog vaak aan de orde komen en zo naderen we de waarheid steeds meer. Die waarheid zal zijn op de plaats waar onze vierentwintigs Hornichs elkaar kruisen.” Hij kijkt de kring rond en kijkt de mensen om hem heemn daarbij stuk voor stuk doordringend aan. Hij heeft een eind gemaakt aan de discussie om de escalatie te voorkomen. Eerst denken, dan weer praten, dat is een les van de Hornich. Het is ook een regel van de sjebbe. Bonara Fap laat al weer zachtjes de droeve tonen uit haar liodin klinken en haar vriendin zet er een tweede stem tegenaan. Echte Heleense muziek die een zaamheid en wijdsheid weergeven. Ondertussen brengen Trimmen Vees en Weemer Tapelhorn schalen met versnaoperingen naar de kring. “We hebben nog niets gegeten en het leek me een goed moment om een goede maaltijd aan te laten rukken”, glimlacht Berg tegen Ramold. Dan trekt hij een ernstiger gezicht. “We zullen dit soort discussie vaker hebben, Je moet eraan wenen en je er vooral niet mee bemoeien. Je vrienden doen goed werk voor je.” “Ik weet niet of ik me elke keer zo goed kan inhouden”, geeft Ramold toe maar Berg legt een vinger op zijn mond. “Ik wil dat je je inhoudt, altijd en onder alle omstandigheden. Maar, alleen in deze zaak.” Hij draait zich op zijn hakken om en zoekt een plek naast Eben Morgenthal. “Beste Eben”, zegt hij zachtjes, “ik waardeer je bijdragen aan de discussies erg. Misschien kun je helpen om ervoor te zorgen dat er meer mensen mee gaan praten.” Eben kijkt hem verbaasd aan. “Ik dacht dat je een vriend van Ramold Barg was”, merkt hij op. “Verkijk je nooit”, glimlacht Berg weer. “Schouwen helpt soms.”Eben haalt zijn schouders op. “Het is o zo gemakkelijk om het schouwen tegen te werken door te skreten. “Expres de schouw vertroebelen? Dat kan lang niet iedereen!” Eben haalt opnieuw zijn schoufders op. “Ik heb er slechte ervaringen mee, ik doe er niet meer aan.” “Ik zou je toch willen vragen om het opnieuw te gaan oefenen en er meer gebruik van te maken. Je zult dan overtuigender kunnen zijn. En dat wil je toch, overtuigen?” “Als ik de mensen op die manier de waarheid kan laten zien, ja zeker”, geeft Eben toe. “Ik raad het je aan.”Berg geeft Eben een vriendschappelijke tik op zijn schouder . “Hoe smaakt het geroosterde larmsvlees?” ”Een fantastische saus”, Eben glimlacht nu ook en likt zijn vingers af. Berg staat weer op. “Geniet ervan en denk aan wat ik je heb gezgegd.” “Zal ik doen”, lacht Eben terwijl Berg zich tussen de andere expeditieleden begeeft. De muziek zwelt weer aan en de vlammen van het kampvuur laaien hoog op. Hun licht versmelt met het licht van de drie manen, gajem, gome en pommeran vullen de bekers en zelfs wachters mengen zich bij tijd en wijle in het feest. Berg grijnst en raakt even de schouder van Agbert van Inhorn aan. “Als we hiermee de aandacht van de Mendlingen niet trekken, dan weet ik het niet meer. Morgenochtend moet er een heldere ploeg op wacht zijn, ik denk dat ik zelf een ronde meedraai.” “Ik vind het knap”, antwoordt Agbert op gedempte toon. “Zoals je die discussie laat gaan en ook weer de teugels terugneemt.”Berg trekt zijn wenkbrauwen op. “Ik denk dat we nog voor hete vuren komen te staan, Agbert.”[Hij gaat ervan uit dat de expeditieleden stuk voor stuk een succes van de expeditie willen maken en dat dat hun eerste zaak is]


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën