Gepost door: Kaj Elhorst | oktober 11, 2009

Echo

Sinds zijn ontmoeting met de amprose was Trimmen inmiddels al weer vier uur onderweg. De tocht was moeiteloos verlopen want het landschap veranderde nauwelijks. Hier en daar graasden grote kudden larmen. De dieren schoten elke keer een flink eind opzij als zijn wagen voorbijzoefde. Zelfs aan het zachte geluid van de elektromotor waren ze niet gewend. Het bos werd weer dichter en de rode steen van de omgeving van Aldemundt veranderde in een wittige steensoort waarop het Osmelicht fel weerkaatste. Iets minder fel maar onmiskenbaar drong zich nog een ander licht op. Een scherp en gelijkmatig licht, alsof het van een zoeklicht kwam. Trimmen probeerde zich te herinneren welke sterin die richting aan de hemel stond en te zien was nog vordat Osme onder was gegaan. Hij kon het niet thuisbrengen maar het licht werd steeds sterker en kwam snel dichterbij. Trimmen vond het vreemd. Hij had zoiets nooit eerder gezien, niet op aarde en ook niet op Mende, niet vanuit Aldemundt en niet in Bixhoorn. Hij voelde hoe het bloed in zijn aderen begon te prikken, zijn verlangen om een nieuwe ontdekking te doen, groeide en groeide. Hij wist het zeker, het moment kwam naderbij. Misschien moest hij wat gas bijgeven. Op de vlakke ondergrond van dor gras en stenen zou dat best kunnen. De pantserwagen nam een sprong vooruit en in hoog tempo vlog Trimmen nu dor het landschap. Het licht straalde nu helder en leek hemn en zijn wagen bijna aan te wijzen, te volgen. Het had echt de kenmerken van een zoeklicht maar wie gebruikt er nu een zoeklicht als de zon nog op is. En trouwens, wie zou dat hier moeten doen? Hij zag nu hoe het licht ok een lichte streep over het landschap trok. Het stralende licht was nu echt niet meer te ontkennen en de spaning begon bij Trimmen een beetje toe te slaan. Als het echt geen natuurlijk licht was, wat was het dan? Het licht van een doling? Eigenlijk kende Trimmen er maar een en het leek hem onwaarschijnlijk dat deze een groot zoeklicht zou gebruiken. Achter het licht was nu een donker silhouet te zien. Het licht bevond zich ver boven de grond en daarvoor en eronder tekende zich een donkere figuur af in de vorm van een grillige rots op de hellingen van de bergrug. De onderzoeker begon te begrijpen dat de kans op een ontmoeting met Mendlingen mogelijk was. Tot nog toe had hij zich daarover nog noit druk gemaakt. Zelfs op zijn lange tocht van Bixhoorn naar Aldemundt had hjij geen enkel bewijs van het bestaan van Mendlingen gevonden. Maar nu? Hoe zou hij moeten reageren als het licht uit een stad of een burcht of wat voor nederzetting dan ook kwam? Langzaamaan liet hij de snelheid van zijn wagen teruglopen. Het was tijd voor een goed gesprek met zichzelf. Trimmen was daarin een meester. Zijn scherpe geest stelde hem in staat situaties te overzien die voor sommige grote groepen mensen onbegrijpelijk bleven. Het was een van de redenen van zijn solistische levensstijl. Hij had zijn waarnemingen nooit goed voor zich kunnen houden en dat had hem vaak in conflict gebracht met anderen. Samenleven met een vrouw was voor hem vrijwel onmogelijk omdat hij altijd alles beter wist. En het was waar, Trimmen wist altijd alles beter. Hij doorzag mensen, dieren, planten en ook het weer. Wie kan er met zo’n man leven? Trimmen lachte stilletjes. Veel kwam nu op zijn in- en doorzicht aan. De wagen kwam nu helemaal tot stilsyand en Obdoekil hees zich van zijn plekje omhog. Het dier verwachtte een wandeling dor de omgeving. “Waarom ook niet”, dacht Trimmen. Benen en hersens bewegen vaak tegelijk. Hij kroop, gevolgd door zijn trouwe makker, uit het mangat en sprong op de harde bodem die alleen wat stof losliet. “Kom, we lopen een rondje”, beloofde hij Obdoekil en het dier sjokte op zijn gemak achter zijn baas aan.Ondertussen bleef Trimmen naar het licht kijken. De duistere figuur bij het licht leek heel gelijkmatige vormen te hebben, alsof ze was gebeeldhouwd. Het licht scheen nog steeds even schel al leek het steeds sterker te worden tegen de achtergrond van de donker wordende lucht. Een vogel, dat kon het zijn maar zouden er hier vogels zijn met meer omvang dan de raak. Zou zo’n beest in een hap zijn hele pantserwagen optillen en hem en Obdoekil beschouwen als vlees in blik? Even keek hij onderzoekend om zich heen. De tamer zat bij een groene boom uitgebreid zijn behoefte te doen en leek bijna gebiologeerd door het licht. Het dier keek er voortdurend naar en liet zich door niets afleidenen dat was Trimmen niet van hem gewend. Hij slaakte een zucht van verlichting toen het dier klaar was met zijn boodschap en even laterw weer nieuwsgierig liep te snuffelen tussen bomen en struiken en toch … zodra het dier het licht weer in het oog kreeg leek het zich over te geven, weerlos als een prooi.

Trimmen beslot nu zelf tien tellen achter elkaar in het licht te kijken en hij kreeg langzaaman het gevoel dat het licht niet in de verte scheen maar in zijn hoofd bevond. Met moeite rukte zhij zij ogen los van het licht. Hij voelde zich duizelig en even wist hij zelfs niet waar zijn wagen zich bevond … voor …achter. Het was een beweging van Obdoekil die hem uit de droom hielp. Het dier was bezig uit zichzelf naar binnen te klimmen, iets wat vrijwel nooit voorkwam. Trimmen beslot het voorbeeld van zijn maatje te volgen. Daarvoor was inmiddels een extra goede reden ontstaan. Osme was vrijwel helemaal achter de bergtoppen verdwenen. Er trok een vreemde huivering dor Trimmen heen toen hij het luik van het mangat achter zich dichttrok. Zijn gewone zelfverzekerdheid was minder geworden en voor zijn natuurlijke bravour was op dit moment ook weinig ruimte. Vanaf het bedieningspaneel naast zijn bestuurdersstoel pakte hij de magon die hij die avond al eerder had bestudeerd. Stond er op het ding ook maar iets over een licht aan de noordelijke kusten? Hij werkte die avond de hele magon door maar een antwoord op zijn vragen kreeg hij niet. Het licht kon ontsnapt zijn aan de opmerkzaamheid van de eerste verkenners in hun ruimtetaxi’s en voor hem had nog niemand dit gebied bezocht. Dat wist hij zeker, dat was een van de belangrijkste redenen om hier te gaan kijken. Maar hij had niet gerekend op een ontdekking die hem zo’n verschrikkelijk gevoel zou geven, alsof er alleen kou en leegte om hem heen was. Het was een gevoel dat Trimmen nooit eerder had ervaren en hij kon er ook geen naam aan geven. Hij had blijkbaar niet eens de moeite genomen om in zijn bed te gaan liggen. Bijna verstijfd en een verwrongen houding zat hij in zijn stoel en het kleine lichtje boven zijn bestuurdersstoel was nog aan. Het leek hem beter om nu maar gewoon zijn slaapplaats op te zoeken. Slaperig tuurde hij door het voorvenster van zijn wagen. Het was overal nog donker al scheen het vreemde licht nog sterker dan eerder op de avond. Trimmen controleerde nu het mangat en schoof het pantserluik voor het venster dicht. Het licht zou hen anders wel eens uit de slaap kunnen houden en bovendien … het leek wel of het de energie en zijn wil om te onderzoeken uit hem wegnam. Hij voelde zich vermoeider dan ooit maar het leek wel een moeheid die niet met slapen weg zou gaan. Toch meende hij dat het goed zou zijn om eerst eens lekker te slapen. De kans was groot dat het ochtendlicht een oplossing zou brengen. Er was een diepe draaikolk en bij iedere beweging die hij maakte zakte hij er dieper in weg. Wezens met vreemde gezichten passeerden maar ze leken hem niet te zien, ze trokken zich tenminste niets van zijn aanwezigheid aan. Misselijk en benauwd werd hij weer wakker. Deze keer nam hij niet de moeite om naar buiten te kijken. Hij wist zeker dat het nog geen dag kon zijn en hij had geen zin om opnieuw in het mysterieuze licht te staren. Hij draaide zich op zijn linker- en op zijn rechterkant en bleef vervolgens een tijdje op zijn rug liggen. Jaloers keek hij naar Obdoekil die zich klaarblijkelijk van niets bewust was en met een rustige ademhaling doormafte. Misschien was het dier ook wel gewend aan het onbegrijpelijke licht. Hij had hier immers al vele jaren op Mende rondgelopen voordat hij Trimmen ontmoette…. Gespannen schoot Trimmen overeind. Deze keer voelde hij het, het was al lang en breed dag, licht en warm en hij verprutste hier kostbare uren. Met een zwaai zette hij zijn benen buiten bed. Hij stak zijn armen uit naar het luik voor het voorvenster maar voelde wol en natiigheid. Het was Obdoekill die recht overeind op zijn bestuurdersstoel stond en met zijn snoet tegen het luik van het mangat aan duwde. “Je hebt gelijk”, mopperde Trimmen. “Je moet naar buiten.” Met een ruk deed hij het luik open en het dier sprong naar buiten en bijan was Trimmen hem achterna gegaan. Dat kon gemakkelijk want er was hier niemand die hem in zijn pyama zou zien rondstappen maar iets hield hem deze keer tegen. Was het wel zeker dat niemand hem in de gaten hield? Hij wreef zijn ogen uit en keek over de rand van zijn wagen. Bij het linker voorwiel was Obdoekil bezig een stevig pakket neer te leggen. Trimmen keek nu ook weer in de richting waar het licht vandaan was gekomen. Het was er nog al stak het magertjes af tegen de felle achtergrond van het schijnsel van Osme. “Obdoekil wacht”riep hij snel en hij sprong weer op de bodem van zijn wagen. Binnen de kortste keren had hij kleren aangetrokken. Wassen moest wachten totdat ze een nieuwe beek zouden naderen, zo zat dat hier. Met een paar behendige bewegingen kroop hij deze keer weer door het mangat. Obdoekil had niet gewacht maar zwierf door het hoge gras en snufelde aan de bomen. Trimmen was nu gauw uit de wagen en rende naar het dier toe. De tamer liet zich verleiden tot een worstelpartij waarbij hij meer dan eens boven lag. Dan kreeg Trimmen een dikke, natte tong door zijn gezicht maar ineens gaf het dier er de brui aan. Hij liep in sneltreinvaart naar de wagen, kroop door het mangat en verdween naar binnen. Trimmen keek hem verbaasd na. Daarna tuurde hij weer in de richting van het licht totdat hij zich een beetje duizelig begon te voelen. Misschien was het beter om de tocht in die richting niet voort te zetten. Het licht had een slechte uitwerking op hem maar aan de andere kant … een wetenschapper die zich laat weerhouden is ook niet veel waard. Trimmen werkte zich weer snel naar binnen en nam plats op zijn bestuurdersstoel. Meteen werd hem duidelijk waarom Obdoekil het spel had opgegeven. Hij likte smakelijk zijn voerbak uit. Eten gaat voor alles. Maar niet bij Trimmen. Hij schoof het pantserluik voor het voorvenster weg en startte de motor zonder een hap gegeten te hebben. “Op naar het licht”, zong hij luidkeels. Het was een oud lied dat soms in de tempels van Helen nogg wel eens was gezongen en aan bord van de Arketan had het heel vaak geklonken maar de oorsprong lag ver voor de Holokosen.

Deze keer moest hij erbij lachen omdat het zo toepasselijk was. Wat zou het licht nabij de noordkust van Mende hem te bieden hebben? Liefde, geluk, warmte, snelheid, de dood? Dat gevoel herkende Trimmen, het hoorde bij hem. Welke mogelijkheid er ook zou zijn, het zou goed zijn. Zijn lot als onderzokeer was hem lief en op een dag zou er toch een einde aan komen. Dat hoefde niet per se vandaag, liever niet zelfs, maar als het zover zou komen, dan zou het uiteindelijk toch ook niets uitmaken. Hij liet de wagen ronken. De motor liep bijna op zijn top. De bergrug kwam weer dichterbij en het vreemde licht was nu ondanks de felle zonneschijn goed zichtbaar. Het leek uit een grote lamp te komen die op een soort beeldhouwwerk was bevestigd. “Een uitgeslepen rots”, was het eerste dat bij hem opkwam maar meteen volgde de twijfel. Een ster op een rots, dat zou toch wel heel vreemd zijn. En trouwens, de vormen van de rots leken steeds meer uniek te zijn. De wagen reed nu de schaduw binen die door de bergrug over het land werd uitgelegd en de “rots” begon zich in zal zijn glorie te vertonen. Trimmen sloeg een hand voor zijn mond want wat hij nu zag wond hem op en makte hem koud tegelijkertijd. Op de helling van de berg stond een meer dan levensgroot beeldhouwwerk van hout. Tientallen meters hoog verhief het beeld zich boven de omgeving en boven in het beeld waren twee grote, licht uitstralende bollen bevestigd. Het beeldhouwwerk deed hem denken aan een figuur waarvan hij vroeger op school wel eens een afbeelding had gezien. Misschien had de magon oude geschiedenis er een antwoord op. Zijn nieuwsgierigheid trok hem toch in de eerste plaats naar het beeldhouwwerk zelf. Hoe dichter hij bij kwam, des te meer spanning voelde hij en het leek wel of hij ook steeds lichter in zijn hoofd werd. De schaduw van het grote beeld viel nu half over de pantserwagen heen en trimmen trapte op de rem. Zijn ogen keken omhoog naar het beeldhouwwerk en volgde daarvandaan de weg naar zijn eigen wagen. Vanaf het gebeeldhouwde wezen liep een pad naar beneden dat niet ver van zijn wagen in het dorre gras eindigde. Boven leek het of het pad rondom het beedhouwwerk liep maar helemaal zeker daarvan kon Trimmen niet zijn. Hij keek nu ook van uit het mangat in de omgeving rond. Osme stond hoog aan de hemel en het was erg heet, misschien wel te heet om de klim naar het kunstwerk te wagen. Trimmen gaf er de voorkeur aan om te wachten. Het zou ook best kunnen zijn dat zich hier over enige tijd Mendlingen verzamelden want van een ding was hij wel zeker: dit was geen werk van wind en regen. Hij draaide zijn bestuurdersstoel een kwartslag en zocht in het bureau dat naast hem stond tot hij de historische magon vond. Hij richtte het apparaat op het beeld en verbond de krypt fie hij in zijn bureau had liggen ermee en plaatste deze op de knobbel aan zijn achterhoofd. Meteen schoot er een felle pijnscheut door zijn hoofd maar de hoofdpijn bleef niet hangen. Dit had Trimmen nog noit meegemaakt. Krypten waren in het gebruik absoluut ongevaarlijk, had hij altijd geweten maar toen bedacht hij zich ineens dat dit de eerste keer was dat hij het apparaat op Mende gebruikte. Hij had het apparaat wel op aarde gebruikt men maar een keer in de hele tien jaar aan boord van de Arketan. Hij hield de krypt tegen zij hoofd en in het venster van de magon verscheen een verklaring. “Draak”. Daarbij werd meteen vermeld wat het word precies betekende en wat de functie van draken was.

“Mythologisch wezen” waren de eerste woorden van de verklaring. Maar wat deed de afbeelding ervan dan op Mende? Was de draak vor alle mensachtigen in het heelal een mythologisch wezen? De verklaring bevredigde Trimmen niet erg en ze maakte in geen geval duidelijk wat de draak met Mende te maken had. Daarin moest verandering komen en hij typte dan ook meteen in “Op Mende is in elk geval de afbeelding van een draak te vinden ……… roden ten Noordoosten van Aldemundt. De afbeelding bestaat uit een gebeeldhouwd kunstwerk dat Trimmen Hoferwenck van Bixhoorn heeft onderzocht.” Deze keer richtte hij zijn magon op het beeld en liet een haarscherp beeld overkomen. Iets in hem zei hem dat hij de magon beneden aan het pad moest laten staan. Hij draaide zich een keer om en keek naar zijn wagen. “Wacht op mij”, het leek alsof hij elk letter stuk voor stuk uitsprak en in gedachten stelde hij zich Obdoekil voor die binnen in de wagen rustig zat te wachten, zonder baasje. Het dier was waarschijnlijk rustig op zijn plekje in de wagen gaan liggen in een soort berusting. De baas zou zeker terugkomen, hij kwam altijd terug en liet hem nooit in de steek. Dat was waar Trimmen had zijn tamer in de afgelopen zeven jaar steeds voorop gesteld en vaak belangrijker gemaakt dan zichzelf. Hij zette nu zijn voeten vor het eerst op een pad dat vermoedelijk was aangelegd door een mensachtig wezen dat hier was geweest vordat de aardlingen de planeet hadden bezocht en in elk geval lang voordat Trimmen hier was aangekomen. Hij zag geen voetstappen. Het was een vreemde gewaarwording om over de eerste Mendse weg te lopen. Dit was historisch vor een aardse mens en aardling was Trimmen zich altijd blijven voelen. Een aardling op Mende, geen Mendling met herinneringen an de aarde. Het waren de gerineringen uit zijn jeugd en studententijd die hem nooit meer zouden loslaten. Niet dat hij terugverlangde naar de aarde met z’n ellenlange overlegsituaties, zijn overmaat aan regels en gecontroleer maar de herinneringen zouden nooit meer verdwijnen. Trimmen was zo in gedachten dat hij nauwelijks merkte hoe stil het hier was. Vogels en dieren leken niet in de omgeving van het kunstwerk te willen verblijven. Een zachte wind woei om zijn hoofd maar ook die voelde hij nauwelijks omdat het nog steeds erg warm was. Ook de wind voelde heet aan. Trimmen was dat gewend van de afgelopen negen jaar op Mende. De Mendese wind week niet zoveel af van de aardse. Ze was veelal wat zwoeler maar dat kwam doordat ijskou op Mende onbekend was. Zelfs de harde stormen van de Zametijd waren vrij warm. Hij stond nu vlak voor de enorme draak. Het werk moest wel dertig aardse meters hoog zijn en helemaal boven uit de top bleef een onophoudelijke straal de omgeving verlichten. Zijn nek deed pijn door het omhoog kijken en langzaam liet hij nu zijn ogen dwalen langs het kunstwerk. Dat voelde beter aan want het licht uit de top van de troen bezorgde hem een lichte hoofdpijn en gaf hem een gevoel van duizeligheid. Het materiaal van het bouwwerk bracht hem in verwaring. Was het hout, was het steen, was het kunststof? Hadden Mendlingen al een soort kunststof gefabriceerd? Trimmen begon ervan overtuigd te raken dat er zoiets bestond als Mendlingen, menselijke wezens die de natuurlijke bewoners van Mende waren. Opnieuw keek hij achter zich. Beneden stond nu zijn pantserwagen en daarachter lag een haast eindeloze vlakte. Waar waren dan toch die Mendlingen? “Mendsen”, mompelde hij grijnzend. Klonk dat niet bijna als “mensen”? Hij liet zijn hand glijden over de buitenkant van het kunstwerk. Het was glad als plastic maar het leek ook afkomstig te zijn van een levend materiaal. Vezels waren zichtbaar vlak achter de buitenste laag van het werk. Hij rook eraan en inderdaad was er een zacht kruidige geur te ontwaren of liever…een geur zoals turf. Een licht rokerige lucht vulde zijn neusgaten. Opnieuw gleed zijn hand langs de buitenkant van het werk maar er was geen oneffenheid voelbaar. Hij volgde nu het pad verder terwijl zijn vingers voortdurend langs het gladde oppervlak gleden. Nergens een beschadiging, alleen maar een voortdurende gladheid. Verder liep hij weer met grote, langzame passen, oplettend omdat hij elk moment een Mendling om de hoek verwachtte. Het bouwwerk was in een ronding gemaakt, zoals de stam van een boom maar veel dikker. Het pad dat Trimmen volgde liep nauwkeurig onmiddellijk langs de buitenkant en week er geen moment vanaf. Het bleef ook overal even breed, er was precies genoeg ruimte voor drie mensen naast elkaar. Aan zijn rechter hand maakte het pad zich los van de omgeving en zo ontstond een afgrond. Geen hek of reling scheidde het pad van de toenemende diepte aan zijn rechterkant. Trimmen had net willen besluiten dat het bouwwerk helemaal gesloten was toen zijn vingers gleden over een richel alsof er een deur in de wand was aangrbacht.

Dat was een juiste waarneming. Er bevond zich een anderhalve meter hoge deur in de wand en daarmee was voorgoed bevestigd dat het inderdaad niet om een naturverschijnsel ging. Trimmen vond het wat te brutaal om zomaar naar binnen te lopen en daarom besloot hij aan te kloppen met de knokkels van zijn hand, zoals dat in Bixhoorn gewoon was. Er kwam geen reactie en Trimmen herhaalde zijn oproep om de deur te openen maar er geburde weer niets. Deze keer pakte hij de klink die de vorm had van een oorlogskrul zoals die vroeger op marine-uniformen voorkwam stevig vast. Tot zijn grote verbazing ging de deur met veel gemak naar buiten toe open. Er piepte en kraakte niets en dat gaf Trimmen het gevoel dat er nog niet zolang geleden iemand was geweest. Voor hem lag een aarde-donkere ruimte waarvan hij niet zo gauw de grootte kon schatten. Voorzichtig als hij was, raapte hij een steen op van de grond en deze legde hij voor de deur zodat ze niet dicht kom klappen. Hij was zich bewust van het bijzondere moment toen hij een voet over de drempel zette en hij was zich van nog meer bewust. Van hoog boven scheen onmiddellijk een licht in de hal naar binnen. Deze bleek nu hoog en groot te zijn en gevuld met kleur. De wanden waren in een kobalt-blauwe kleur geschilderd en middenin de ruimte begonnen kleuren dor elkaar te krinkelen alsof ze een eigen leven leidden. In de verte klonken geluiden die van een viool of een liodin afkomstig leken te zijn maar de tonen hadden geen verband. Ze pasten bij elkaar zonder op elkaar aan te sluiten. Het leek alsof een regen van tonen van bovenaf naar beneden kwam rommelen. Trimmen deed nu een ttweede stap naar binnen en liet de deur achter zich los. Deze duwde een beetje tegen de steen aan maar klapte niet helemaal dicht. De dansende kleuren in het midden van de ruimte werden feller en ze leken de vorm aan te nemen van wezens die op twee benen liepen. Trimmen kon het niet met zekerheid zeggen maar het leek erop. Hij waagde een volgende stap en weer werden de kleuren duidelijker. De tonen klonken ok harder en schreeuwender, als of iemand, nee alsof een groep mensen zich in vele tonarden beklaagde. Het waren geen woorden maar uitsluitend klanken van beklag. Weer deed Trimmen een stap en nu leek het of de kleuren zich om hem heen formeerden en hij herkende nu heel duidelijk gezichten erin. Er waren monden die open en dicht gingen en ze klaagden nu niet meer maar gilden in zijn oren. Hij had nu ook het gevoel of de wezens handen naar hem uitstaken en probeerden hem vast te pakken. Trimmen deed zijn best om zich los te rukken maar de kleurwezenhs waren vasthoudend. Ze begonnen hem in het rond te draaien en labngzaam voelde hij hoe hij omhoog werd gezogen. Het leke wel of hij in de richting van het schelle licht bovenin de toren gleed, niet vloog maar gleed. Het beviel Trimmen niet en hij keek naar zijn voeten. Hij was nu daadwerkelijk op een meter hoogte en het ging maar door. Plotseling flitste het gezicht van zijn ouders voorbij terwijl hij zich meteen afvroeg wie dat ook al weer waren. Even later zag hij zijn geboortedorp voor zich maar even layter herkende hij de huize en het pleintje niet meer en toen begon hij zich iets te realiseren. Het kon best wel eens zijn dat zijn herinneringen uit hem werden getrokken! Leegzuigen! Het deed hem denken aan de amprosen. Was die zuigkracht het grote gevaar van deze planeet. Sneller ging de ronddraaiende beweging en het kostte hem steeds meer moeite om na te denken. Hoger en hoger kwam hij. Eigenlijk zou het hem niet kunnen schelen als hier zijn einde was, als hij maar begreep wat er met hem gebeurde maar het viel hem steeds moeilijker om logische gedachten in een goede volgorde te krijgen. Plotseling schot hem iets te binnen. Gevoelens! Dat was het. Wie zichzelf bij elkaar wil houden, moet zijn jongste en mooiste gevoelens oproepen. Zijn vader had het hem voorgehouden op de dag van zijn vertrek naar Mende en nu zag hij ineens het gezicht van zijn vader voor zich en zijn moeder. Ze zaten aan het strand dat vlak achter het huis lag en zijn moeder vertelde een verhaal dat hij al zovaak had gehoord en toch steeds weer prachtig vond: het verhaal van de eeuwige zoektocht naar de beker van de wijsheid. Ridders van lang ver voor de Grote Holokosen passeerden, ja Trimmens vader werd nu een ridder en zijn moeder stond ernaast als een jonkvrouw en hij zag zichzelf met een steen in zijn handen. Een steen die eerst een grauwe kleur had maar langzaamaan in goud veranderde. “Jij kan dat”, lachte zijn vader. De gouden steen scheen met een kracht, weerkaatste al het licht in de omgeving, zo hevig als hij nog nooit had gezien en het verblindde zijn ogen. Een stekende pijn schoot door zijn voet en zijn heup voelde beurs aan. Verbaasd keek Trimmen om zich heen. Hij lag op de grond. De kleuren en de muziektonen waren verdwenen. De deur van het bouwwerk stond nog steeds op een kier. Het zonlicht buiten nodigde hem uit om naar buiten te komen en die uitnodiging liet hij zich niet ontgaan. Hij stond op en wankelde naar de deur. Bijna struikelde hij over de drempel. Met een voet schopte hij de sten bij de deur weg en de deur klapte achter hem dicht met een keiharde dreun. Trimmen voelde zich gelukkig. Hij was vrij en buiten gevaar, tenminste hij voelde zich duizelig en hij had moeite om het pad te volgen. De afgrond naast het pad leek ineens peilloos diep. Zijn vingers klauwden zich bijna in de wand van het drakenbouwwerk en het klamme zweet brak hem uit. Zijn ogen leken te tollen in zijn hoofd en even er klopte iets in zijn keel, misschien was het zelfs zijn hart. Hij wist het niet zeker. De lucht had een bangstigend donkere kleur gekregen maar of dat door het tijdstip van de dag kwam of dor zijn verblijf in de toren was hem niet duidelijk. Moeizaam probeerde hij zijn ogen te richten en te zoeken naar zijn pantserwagen.

Ergens in de diepte was een roze waas zichtbaar. Moest dat de wagen zijn of was er iets anders aan de hand. Er begon zich een onrust van hem meester te maken. Obdoekil zat opgesloten in de wagen en kon zichzelf nuiet redden. Het dier zou zijn hulp nodig hebben. Hij moest er naartoe. Misschien was het dier wl wanhopig en snuffelde het aan het luik boven het mangat, angstig kreunend zoals hij vaker deed als hij zich verlaten voelde. Het dier zou hem missen. Missen? Voor zijn ogen dook een gezicht op dat hij niet meteen thuis kon brengen. Het werd weer kleiner en trok zich terug om even later nog groter en waziger terug te komen. Er klonk een stem bij. Trimmen voelde zich niet zeker op het smalle pad en ging zitten terwijl hij opzij leunde tegen het gebouw aan. Hij voelde hoe een koelere luchtstrom zijn wang aanraakte. Het leek of de avond begon in te vallen hoewel de wind in deze tijd van het jaar zelden koeler werd in de avonduren. De lucht was nu nog donkerder en even leek het of hij helemaal niets meer zag. Langzaamaan begonnen de hoofdpijn en de duizeligheid weg te trekken maar in plats daarvan kwamen de flitsen met het gezicht weer terug en ook de stem was er nu bij alsof iemand tegen hem sprak op een afstand met een echo. Randa! Dat was de stem. Trimmen probeerde zijn ogen onzeker verder te openen. Het ging moeizaam maar er veranderde weinig. De lucht beelf donker. Dat betekende dat het nu echt avond was. Had hij hier echt zo lang gezeten? Nu de duizeligheid weer weg was kon hij wel lopen. Met zijn rechterhand tastte hij nog steeds de wand van de toren af zodat hij het pad kon volgen. Hij voelde zich moe, verschrikkelijk moe maar het leek er nu op dat hij weer goed kon zien. Weer doemde het gezicht van Randa op maar deze keer kon hij het beter zien en hij zag ok weer de donkere omgeving en de lichtstraal die onafgebroken uit de top van de toren kwam. Deze keer was hij er dankbaar voor want het licht wees hem de weg. Tegelijkertijd besloot hij niet regelrecht in het licht te kijken want het had een betoverende of een bedwelmende uitwerking, zo had hij begrepen. In het licht van de manen en de toren zag hij de glans van zijn wagen. “Bedankt”, mompelde hij uit al wist hij niet precies wie hij moest bedanken. Hij hoopte dat hij nu ook weer de energie had om tegen de wagen op te klimnmen en naar binnen te gaan. De laatste meters van het pad liep hij sneller. Het gevaar om in de afgrond te vallen was nu voorbij. Alleen een rij lage struiken begeleidde de rand van het pad nu. Hij voelde zich uitgeput toen hij beneden aankwam maar het kwam er nu op aan om door te gaan want hij verlangde naar de rust en het comfort van zijn wagen en … water. Er begon zich een tergende dorst aan hem op te dringen, een dorst die brandde in zijn keel alsof hij een slok jodium had genomen. Water! De beklimming van de wagen ging opmerkelijk gemakkelijk, misschien wel gemakkelijker dan ooit tevoren en hoe hij weer in de wagen was gekomen, zou hij later niet terug kunnen vertellen. Tot zijn grote blijdschap lag Obdoekil rustig snurkend op de grond. Het dier tilde even zijn kop toen Trimmen zich naar beneden liet zakken. Daarna legde het zijn kop weer tussen zijn voor- en middenpoten op de grond. Bijna alles leek bij het oude. Met grote stappen ging Trimmen op zijn watervoorraad af. Hij liet het water rijkelijk door zijn keel stromen en over zijn voorhoofd. Daarna viel hij achterover op zijn bed en bijna zakten zijn ogen dicht maar nog net op tijd bedacht hij zich dat het mangat nog open stond en dat Obdoekil een korte wandeling buiten had verdiend. “Hij hees zichzelf overeind en keek zijn kameraad aan. “Kom, wandelen”, lachte hij. “Ik kijk wel toe.”

De nacht lag er vredig bij en een zwoele bries raakte Trimmen aan terwijl hij tevreden keek hoe Obdoekil de bomen in de buurt afsnuffelde. Even leek het dier het pad naar de toreen te wilen volgen maar een korte kreet van Trimmen was genoeg om hem te weerhouden. De tamer herkende de verbodsstem van zijn baas. Het duurde niet lang of hij kwam weer tegen de wagen opgekropen. Tevreden gapend kroop het dier dor het mangat naar binnen. Hij banm een paar tevige happen uit zijn voerbak terwijl Trimmen het luik van het mangat aan de binnekant afsloot. Het dier keek zijn baas bijna aan met een uitdrukking “Kom je nog slapen”. Trimmen knikte. “Ik kom””, grinjnsde hij en die grijns ging bijna over in de droom die hem overviel. Randa trippelde vrolijk door een veld op Mende met bloemen en vlinders, prachtige vlinders……. “Er hangt iets vreemds in de lucht”, zei Syfa …….. terwijl ze langzaam haar ogen opendeed. De Moden draaide zich ongeduldig om en hield zijn ogen stijf dicht. “Ik sliep nog”, mopperde hij maar hij wachtte nieuwsgierig op et volgende dat zijn vrouw zou gaan zeggen. “Het was raar, gisteren”, ging Syfa verder. “Die jongens van …. zijn de berghelling aan de oostkant afgerend en Vernant heeft daarbij zijn enkel zwaar verzwikt. Een uur later klaagde Belder Kamhorn over kinderen die bij hem voortdurend door de tuin renden en zijn planten vertrapten en gistermiddag kwam …….. met me praten om eens een tocht naar Bixhoorn te maken.” De Moden lachte. “Nou het lijken mij geen van allen ernstige zaken. Kinderen zijn altijd al ondernememd geweest en soms haalden ze in het verleden ook al vervelende streken uit. En die reis naar Bixhoorn, waarom niet?” Zij vrouw wachtte even voordat zij verder sprak maar toen had ze ook weer meteen haar mening klaar. “Ik weet het niet. Het lijkt wel of iederen onrustig is sinds de expeditie het dorp heeft verlaten. Soms denk ik dat iedereen vor zichzelf een beetje op expeditie aan het gaan is. Nieuwe grenzen ontdekken, nieuwe mogelijkheden zoeken.” “Als dat het ergste probleem is, lieverd, dan denk ik dat het allemaal nog wel meevalt.” De Moden had van huis uit ene optimistisch karakter maar zijn vrouw gaf zo maar niet op. “Misschien heb je gelijk maar ik ben bang dat het voortekenen zijn.” “Voortekenen?”vroeg de Moden deze keer ernstig. “Voortekenen van wat.” “Van een uiteenvallende samenleving.”, zegt zijn vrouw meteen. “De eerste jaren waren we hier zo tevreden en rustig. We hadden te eten, onderdak en gezelligheid. Er waren feesten en we wisten wat we aan elkaar hadden. “”En dat gaat allemaal verloren door de expeditie?”vraagt de Moden. “Het daagt de mensen uit om de fantasie ruim baan te laten en dat leidt lang niet altijd tot geluk.” De Moden stond op en trok het gordijn van de slaapkamer open. “Kijk eens, wat een prachtige wereld we hebben om in te leven. Was dat niet het idee dat we hadden toen we uit Helen vertrokken, een wereld voor onszelf? Een wereld “die we nog vorm konden geven.” “Of een wereld die vorm zou krijgen van uit zichzelf”, vult zijn vrouw aan. “Een maagd die helemaal onbelemmerd uitgroeit tot bevruchte vrouw. Dat was de wereld die ik voor me zag.” De Moden lacht nu zachtjes want hij wil zijn vrouw niet het gevoel geven dat ze iets raars heeft gezegd. “Het spijt me, schat, maar een maagd heeft een vrijer nodig om bevrucht te worden. Van uit zichzelf gebeurt er niets. Lang geleden, ver voor de Grote Holokosen zou dat een keer gebeurd zijn maar ook al ruim voordat die ramp de wereld trof gelofden velen daar niet meer in. Dat blijkt uit talloze geschriften.” “Je praat wel erg gemakkelijk over de Grote Holokosen alsof het een eenmalige gebeurtenis is die nooit meer zou kunnen plaatshebben.” De stem van de vrouw van de Moden klinkt bijna angstig. “In vergelijking met de Grote Holokosen waren de kleine Holokosen kinderspel maar zelfs zoiets zou ik nooit willen meemaken.” “” Wie wel?”begint de Moden nu. “We weten van de Kleine Holokosen dat er veel mensen bij zijn dood gegaan en dat de mensen zich dat honderden jaren zijn blijven herinneren maar heeft het iets opgeleverd? De Grote Holokosen zijn toch gekomen en daarna is in tweeduizend jaar een heel nieuwe wereld ontstaan met nieuwe landen zoals Helen. We kunnen onmogelijk voorzien dat een paar ondeugende jongetjes de aankondiging zijn van de Holokosen, groot of klein.” Langzaam trok hij zijn kleren aan. “Kom, we gaan eruit. Het is nog veel te mooi weer om op de velden te werken dus het lijkt me wel wat om een bezoekje aan het strand te brengen.” “Heb je geen Modaal vandaag?” Syfa’s stem klonk al weer wat fleuriger en ze liet zich nu ontspannen uit haar bed rollen. “Vanavond laat hebben we een Modaal over het onderhoud van huizen en tempel, niets bijzonders. Volgende week hebben we een Modaal over het onderwijs in ons dorp en over samenwerking met Bixhoorn daarbij. Dat zal me nog wat worden!”, antwoordde de Moden luchtig. “Maar het onderhoud van gebouwen gaat voor. Nu we een aantal mannen en vrouwen missen omdat ze met de expeditie mee zijn, moeten we eerder aan de slag. Het werk moet beslist klaar zijn voordat de akkers weer lokken. We maken er een heel rustig dagje van, vandaag.” Hij liet zijn hand door het haar van zijn vrouw glijden en draaide zich om. “Ik maak het ontbijt klaar.”

Op de gang kwam hij Randa tegen. “Zo en wat ga jij vandaag doen”? “Een beetje wandelen”, zei zij een beetje vlakjes. “Wandelen”? De Moden keek even verrast voor zich uit. “Twintig keer het dorpsplein rond?” “Haha”, Randa trok een ontevreden gezicht. “Nee, gewoon nar beneden, nar de velden en dan een stuk het wilde land in.”De Moden schudde zijn hoofd. Had zijn vrouw toch gelijk? “Wat denk je daar te vinden?”vroeg hij opgewekt. “Ik weet wel dat jullie dat eng vinden maar ik wil wel eens wat meer zien dan het dorp. Gewoon een stuk van deze planeet. Voor mij is het de wereld waar ik de rest van mijn leven zal doorbrengen. Jullie hebben herinneringen van Helen maar ik heb dat land nooit echt gezien. Daarvoor was ik te klein.”Ze hild haar rechterhand omhoog en bracht haar duim en wijsvinger heel dicht naar elkaar toe. “Het verschil tussen de herinneringen van Ramold en mij is zo groot.” De Moden grijnst. “Juist, dat bedoel je. Heb ik ooit iets lelijks gezegd over katelingen?” “Nee, jij niet maar even zo goed … ik wil mijn eigen wereld verkennen.” De Moden knikte. “Ik snap dat best maar ga alsjeblieft niet alleen. Neem in elk geval een paar vriendinnen mee.” Randa mompelde iets dat op “okee” leek en darmee stelde de Moden zich tevreden. “Je moeder en ik gaan vandaag in elk geval naar het strand en misschien naar de Baalder.” Er kwam een spottende glimlach op Randa’s gezicht. “Nou, dat is in elk geval veilig.” De Moden knikte en keek zijn dochter vriendeklijk aan. “Het lijkt veilig en wij zullen er genieten van oinze omgeving. De herinneringen an de aarde komen daarbij nauwelijks te pas.” Randa keek hem verwijtend aan. “Jullie hoeven je daar niet mee bezig te houden. Jullie hebben die herinneringen en dat maakt je tot mens, het geeft je kracht. Ik heb alleen maar herinneringen aan de Arketan en die waren op den duur niet echt spannend.” “Verwijt je ons dat we je hebben meegenomen”, vraagt de Moden nu onzeker. “Nee, dat niet”, lacht Randa verlegen. “Maar ik moet wel mijn eigen binnenste wereld opbouwen. Daarvoor moeten jullie me de kans geven. Ik denk wel eens dat het grootste probleem vsan zo’n klein dorp is, dat iedereen alsmaar op de anderen let. Voor zelfontplooiing is weinig ruimte” “Is je kamer te klein?”, het was Randa’s moeder die nu de kamer binnenkwam en zich liet horen. “O, een heel verhaal”, zegt de Moden snel. “Ik zal het je zo vertellen, als we aan het strand zijn.” “Jullie hebben weer een geheimpje”, lacht Syfa. “Dan zal ik maar niets vragen verder.” “Goed idee”, Randa kan er niets aan doen dat haar stem een beetje pesterig klinkt. “Voor mij geen eten, ik heb alles bij me.” De Moden glimlacht zonder dat zijn dochter het ziet. Hij herkent iets van de ombedwingbare lust naar avontuur die ook in hemzelf leeft. Hij had op aarde klunnen blijven als prins van vorstelijken bloede, net als zijn neef. Misschien had hij goed kunen doen aan mensen in zijn land, een nobel bedrijf. Maar was het spannend geworden? Had hij gevoeld dat hij leefde? Had hij zijn capaciteiten als bestuurder en toezichtouder kunnen inzetten? In grote lijnen was hij tovch een schaduw achter de rug van zijn neef gebleven en daarmee had hij zich nooit kunnen verzoenen. O zeker, hier op Mende zou niet alles koek en ei zijn maar daar had hij zijn leven ook niet op ingericht. Nee, de slimme en creatieve aanpak van problemen, dat was wat hem boeide. Het idee een heel nieuwe wereld te kunnen stichten, een wereld die misschien nog wel beter zou zijn dan die in Helen en … nog iets. Zijn vrouw had hem wel eens stilletjes gezged. “Eigenlijk wil je een rijk opbouwen dat in later jaren door je familieleden wordt bezocht en waarvan zij zullen zeggen: “Dat heeft neef Paup gedaan. “” Eerst had hij het ontkend maar in de loop van de twaalf jaren op Mende had hij haar geklijk moeten geven. IJdelheid was hem niet vreemd. Maar het was niet zijn enige eigenschap, een karaktertrek waarvan hij Weemer van Hornhaaf verdacht. Het leek er wel eens op of die man alleen maar ontdekkingen wilde doen ter meerdere eer en glorie van zichzelf. “Je zit te piekeren”, de stem van zijn vrouw klonk als een bevrijding. Hij was ver in gedachten weg geweest maar nu was hij weer helemaal bij de tijd. “Is Randa al de deur uit?”vroeg hij. Zij vrouw lachte. “Ja zeker, ze heeft Sikke meegenomen en een flinke voorraad eten. Ik denk dat ze het er eens goed van gaat nemen, vandaag”en met een glimlach hurkte ze naast zijn stoel neer. “Waar was je met je gedachten?” De Moden lacht. Voor zijn vrouw kan hij niets verbergen. “Op aarde, ik daght aan mijn neef en hoe het leven zou zijn als ik nog steeds aan het hof zou verkeren.” “En beviel het je?” De Moden haalt met een los gebaar zijn ene schouder op. “Soms mis ik ze. Ik ben zoveel jaren met ze opgetrokken, we hebben zoveel gemeenschappelijke herinneringen maar ze lijken soms wel te verbleken in de jaren dat we hier zijn. Dan kost het me moeite om ze opnieuw te beleven en daar heb ik toch wel eens behoefte aan. Zelfs al ik naar de afbeeldingen in de familie-magon kijk, dan heb ik vaak het idee dat het een verslag inhoudt van het leven van iemand anders. Ik zie mezelf en ik denk “Wie is die jongen? Ik ben wel eens bang dat al die herineringen me straks niets meer zeggen. Dat zou ik erg vinden.” Zijn vrouw laat haar hand dor zijn haar glijden. “Je hebt gelijk, ik heb ook het gevoel dat mijn herinneringen in een soort waas verdwijnen, er zit weinig gevoel meer bij, geen beleving. Ik denk dat het bij ons leven op Mende hoort.” “Dan ben ik daar niet blij mee”, besluit de Moden “Maar zou je dan over een jaar of tien terug naar aarde willen?”De vraag van zijn vrouw klinkt als een koud stuk staal op zijn borst. “Terug naar aarde, over tien jaar? Dan ben ik bijna zeventig en op mijn tachtigste terug op aarde om er begraven te worden. Dan zal ik weten dat ik nooit meer terug kan naar Mende en dat mijn kinderen hun leven hier slijten? Nee, ik wil hier begraven worden. Dit is mijn land geworden , niet mijn bezit maar mijn hart ligt hier wel.” “Laten we dan nu het voorbeeld van Randa volgen en op stap gaan”, vindt zijnvrouw. “Laten we genieten van het land dat we stukje bij beetje opbouwen en bij tijden ook gewoon over ons heen laten komen. Ik heb vandaag wel zin om met een bootje naar de Baalder te varen en daar te lunchen, met iets lekkers.”

Buiten voelt de zomerlucht warm en geurend aan. Zee en planten gaan samen in de lucht die de Moden opsnuift. Families lopen vrolijk kletsend voorbij, ook zij zijn op weg naar het strand. Ze wuiven eerbiedig naar de Moden. “Een rechte dag”, klinkt het meer dan eens en de Moden beantwordt alle groeten. “Gaan die allemaal naar het strand?”vraagt hij aan zijn vrouw en deze knikt. “Misschien moeten we het advies van Randa maar eens volgen en een andere plek opzoeken”, vindt hij dan. “Paup, word je avontuurlijk?” “Ja, ik wil nu wel eens in mijn leven een ongebruikelijke stap doen”, glimlacht hij. Hij neemt zijn vrouw stevig bij de arm en ditigeert haar in een andere richting, het Hanebrood in. “We worden romantisch!”De ogen van Syfa beginnen te stralen. “Ik voel me jong, vandaag”, lacht de Moden maar hij zet het nog net niet op een lopen. “Misschien komen we Randa nog wel tegen, die wilde toch een heel andere kant op?” De Moden kijkt weer zorgelijk voor zich uit. : Ik hoop niet dat we met Randa dezelfde problemen krijgen als met Hemmen. Ik heb geen fklauw idee hoe het hier is om een doling te worden in dit vreemde, onbekende land.” “Soms denk ik wel eens dat je graag had mee gewild met Berg’s expeditie”, lacht zij. Ze laat haar gezicht nu tegen zijn arm hangen. “Als ik hier geen verantwoordelijkheden gehad gehad, zou ik er geen been in hebben gezien”, beknt de Moden. Hij trekt zijn vrouw nu plotseling mee naar rechts. Ze moeten nu weer stevig klimmen want meteen naast het Hanebrood ligt een steile helling. Op de ondergrond liggen keiharde steentjes en de Moden moet zijn vrouw vaak ondersteunen om haar tegen vallen te beschermen. Struiken en een paar boomtakken geven hem daarbij houvast maar dan staat hij plotseling stil. “Kijk hier eens”, zegt hij zwaar hijgend. Hij wijst op de grond en ook zijn vrouw ziet het nu heel duidelijk. Tussen de struiken begint een opening die het meeste lijkt op een pad en in elk geval is het zo gebruiikt want er zijn sporen te zien die de vorm van een sandaal hebben. “Van onze mensen”, fluistert zijn vrouw nu. Zr is onder de indruk van de vondst maar de Moden schudt nee, “Het lijken sandalen maar ze hebben wel een heel vreemde vorm.” Langzaam zoekend loopt hij verder en steeds weer vindt hij de wonderlijke voetafdrukken in de vorm van een 8. “Het kan toch van een onbekend dier zijn?” merkt zijn vrouw op maar de Moden schudt zijn hoofd. “Dieren lopen meestal blootvoets en dan moet je ook tenen of klauwen kunnen zien.””Ja, dat is op aarde zo maar misschien zijn hier wel dieren zonder tenen.”De Moden kijkt zijn vrouw peinzend aan. “Dat kan zijn, ja, dat kan zijn maar iets zegt mij dat we met …”Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen en struiken hoort hij geritsel en dan het gezoef van een paar grote vleugels en tot zijn verbazing stijgt een groot wezen op in een haast doorschijnend oranje gewaad, alsof een mense helemaal ins ingepakt in een groot vlies. Zijn vrouw staat aan de grond gnageld maar ook zij volgt de vreemde verschijning met open mond. “Wat, wat is dat?”Haar vraag komt al bijna te laat want het vliegende wezen verdwijnt aan de andere kant van de bergkam. Zo snel kunnen de Moden en zijn vrouw niet door het wilde landschap lopen. “Zo dicht bij ons dorp!”zegt hij. “Als ze hier altijd al hebben gezeten, moeten ze ons hebben gezien maar ze zijn nooit gekomen om met ons te spreken.””Misschien kunnen ze helemaal niet spreken”, zegt zijn vrouw. “Misschien zijn het dieren.”De Moden knikt. “Maar dan wel dieren die gewend zijn op twee poten te lopen, kijk maar naar de sporen.” “Nou, dat kan toch?” De Moden kijkt zijn vrouw verbaasd aan. Meestal zit zij zo vast in eenmaal aangenomen ideeen maar vandaag lijkt bij haar alles mogelijk te zijn.” “Jij zegt altijd dat je geen enkele mogelijkheid moet uitsluiten”, zegt zij vastberaden. “Dat is waar maar ik ben dit niet van je gewend”, lacht hij. “Kom, we gaan verder, wie weet wat we nog meer tegenkomen.”

 Trimmen werd weer middenin de nacht wakker want de prachtige beelden van zijn eerste slaap waren nu vervangen door angstbeelden. Hij zag walgelijke gedrochten met grote onderkaken en slagtanden voorbijmarcheren, hij hoorde gegiechel van achterbaks kijkende wezens met grote neuzen in de kleuren paars, roze, geel en gifgroen, een gebochelde met een groene rug en rode wratten en daar tussendoor kwamen beelden van zijn dorp, waar hij geboren was en de hoofdstad van Helen, Haertenbrogh. Het leek wel of de jongens van zijn dorp hem wegjoegen naar de grote stad. Dat was raar want Trimmen was in zijn dorp altijd heel populair geweest en hij had veel vrienden gehad. Ook nu hij wakker was, gingen de beelden en geluiden maar door. Het klamme zweet brak hem uit en het leek wel of de misselijkheid en duizligheid zich opnieuw opdrongen. Onrustig keek hij naar Obdoekil die heerlijk op zijn plek lag te slapen. Voorzichtig kroop de onderzoeker uit zijn bed en zocht hij naar een fles water die op het aanrechtje moest staan. De fles was er nog. Het koele water voelde heerlijk aan als zalf in zijn mond en langzaam aan voelde hij zich ook weer rustiger worden, de duizeligheid verdween. Tevreden nam Trimmen weer een slok en nog een. Het leek of de ontspanning in zijn lichaam binnendrong. De vlinders keerden weer terug en aan de horizon verscheen een … roze pantserwagen. “Mijn wagen”, fluisterde hij stomvewonderd terwijl hij weer in zijn bed kroop maar zijn verbazing werd nog groter. Uit het mangat van de roze pantserwagen kroop Randa tevoorschijn. “Er klopt iets niet, misschien klopt er wel iets niet met Randa, ik heb haar vannacht al vijf keer gezien en de Moden en Berg en … Wat willen ze van mij? Of wat wil ik van hun?” Hij ging nu weer achterover liggen en zette de fles bij zijn hoofdeinde. Water deed hem goed, dat was gebleken. Hij vouwde zijnarmen onder zijn hoofd maar na een tijdje lag dat toch te krampachtig. Eindelijk draaide hij zich op zijn rechterzij en de slaap kwam opnieuw. Alleen het beeld van Randa in een roze pantserwagen kon hij niet kwijtraken maar het weerhield hem niet om te gaan slapen. Van de ene op de andere Mendedag ging het zo. Trimmen was misselijk en kwam zijn bed nauwelijks uit. Als hij opstaond was hij duizelig en steeds was er de geur van de verbrande kalk en caramel in zijn neus, Een smerige combinatie waar hij zo min mogelijk op probeerde te letten omdat hij dan opnieuw misselijk dreigde te worden. In zijn maag was er steeds honger maar als hij aan eten dacht, drong de misselijkheid zich nog heviger op dan anders. Alleen water kon hij verdragen. Voor Obdoekil had hij het mangat overdag open staan zodat het dier naar buiten kon als het heel dringend werd maar meestal was hij dan ook weer gauw terug. Zonder baas viel er buiten geen lol te beleven en Trimmen dacht er niet aan om naar buiten te gaan. Hij bleef woelen in bed, soms sliep hij, somns lag hij er als een uitgeknepen dweil bij. Zijn slaap werd meer dan eens onderbroken door verschrikkelijke dromen en dan voelde zowel zijn hoofd als zijn voeten heel heet aan (herinnering komt terug). Op de ochtend van de vierde Mendedag sinds zijn bezoek aan de toren werd hij helder en opgewekt wakker. Het misselijke gevoel was helemaal uit zijn maag verdwenen, de hoofdpijn en duizeligheid waren weg en zelfds het hongerige gevoel was minder. Dat was eigenlijk vreemd want hij had drie dagen niets gegeten. Verbaasd keek hij om zich heen en langzaamaan begon hij zich zelfds een beetje gelukkig te voelen. Hetmangat stond nog open. Kenelijk had hij het de vorige avond open laten staan. Obvdoekil was ook niet in de wagen. Voorzichtig stond Trimmen op. Hij wilde het wankele evenwicht van zijn ingewanden niet in gevaar brengen door al te overmoedig gedrag. Hij voelde zich fit en kon de hele wereld aan. Spontaan begon hij te fluiten en hij kroop zijn wagen uit alsof er de afgelopen dagen niets aan de hand was geweest. De lucht buiten rook fris alsof de warme wind van de laatste dagen wat an het minderen was. Trimmen kon zich dat wel voorstellen. De echte hete periode aan de westklant van het continent duurde altijd maar twee weken en daraan begon nu een einde te komen. Toch striemden de Osme stralen het landschap al weer hevig en de lucht was opnieuw effen blauw. Trimmen ging klanguit boven op zijn wagen staan en keek naar het oosten waar de onafzienbare velden zich voortzetten. In de verte zag hij talloze witte stippen die waarschijnlijk uitstrekte kudden larmen aanduidden. Daar ergens, ver achter de horizon lag zijndorp Bixhoorn aan de delta van de Fluus. Langgerekt, als een vriend die de wandelaar tijdens zijntocht lange tijd begeleidde. De onderxzoeker besefte dat de Bixhoorners wachtte opzijn terugkeer. Hijw as verreweg de meest vooraanstaande onderzoeker van het dorp en toch … de vlakte en eenvormigheid lokte hem niet. Met een schokbeweging draaide hij zich om. Daar, in het westen, lagen de bergen waarin Aldemundt verborgen ging. Daar, in het zuidwesten, daar zou Randa nu ergens aan het lopen zijn. Misschien ruimde ze het kaf dat nog op de akker lag, misschien nam ze het er nog even van en maakte ze een wandeling langs de zee. Trimmen kon haar niet uit zijngedachten zetten. Nog verder naar het zuiden gingen zijn ogen. Daar, nog veel verder weg dan Aldemundt, slingerde de expeditie van Berg Wamerhorn zich door het onbekende landschap. Trimmen voelde weer een onbestemd gevoel in zijn buik opkomen maar deze keer was het geen misselijkheid. Het was een ander gevoel. Vlinders in zijn buik! Trimmen dacht aan de mannen en vrouwen van Aldemundt die nu het avontuur beleefden en samen gevaren tegemoet traden. Vreemd, dat gevoel ghad hij nog niet eerder gehad. Integendeel, hij wilde altijd alleen op pad omdat hij meende dat anderen zich met hem zoudebn bemoeien en hem in de weg zouden zitten. Nu verlangde hij ineens naar een groot gezelschap om zich heen. Feestvieren en praten over de resultaten van onderzoek, dat kon je doen met vrienden en vriendinnen. Dat was iets om naar te streven.

 Bonk!… Een hoge figuur daverde nietsontziend tegen hem op. Bijna viel Trimmen van zijn wagen af. “Obdoekil”, schaterde hij. “Je bent wel erg enthousiast.”Hij kriebelde het dier onder zijn keel en keek opnieuw naar het zuiden. “Ik weet het nu, Obdoekil”, we gaan nar het zuiden.” Het dier keek hem aan alsof hij gek geworden was en eigenlijkwas dat ook zo. Trimmen horde bij Bixhoorn. Er gold een onverbrekelijke loyaliteit tussen bewoners en dorpsgemeenschap maar die loyaliteit ging Trimmen nu aan zijn laars lappen. Hij voelde plotseling geen honger en dorst meer en zocht zijn plek op zijn bestuurdersplaats op. Obdoekil volgde hem nar binnen en zocht zijn voerbak op. Trimmen glimlachte toen hij zag hoe tevreden het dier zich op zijn eten stortte. Het was weer even wennen maar lang duurde het toch niet voordat hij de motor van zijn wagen had gestart en langzaam keerde het voertuig en richtte het zich op de zuidelijke horizon. “We zullen ze daarginds eens even gaan verrassen”, lachte hij.


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën