Gepost door: Kaj Elhorst | oktober 4, 2009

Het begin

Randa voelde zich misselijk worden van de zenuwen. Op het dorpsplein en het Hanebrood stonden tien pantserwagens, een kleine verkenningswagen en een jeep in een rij achter elkaar. Bij elke wagen stonden mannen en vrouwen in groepjes te praten. Bij een van de wagens stond Ramold die probeerde zo ontspanen mogelijk eruit te zien. Vlak naast hem hield Berg Wamerhorn een oogje in het zeil. Hij was druk in gesprek met Randa’s vader. “Het is als een ontdekkingsreis vroeger op aarde, ver voor de Grote Bandeloosheid”, vond de Moden maar Berg haalde zijn schouders op. “Als het echt te erg wordt, wix ik om hulp te krijgen”, hij stelde er vooral zichzelf mee gerust. Evenmin als vroegere ontdekkingsreizigers had hij enig idee wat hem te wachten stond. Natuurlijk hadden ze de planeet ooit bekeken vanuit hun ruimtetaxi’s maar daarmee was niets duidelijk geworden van het werkelijke leven op Mende. “Ik hoop dat er iets te ontdekken valt”, liet hij zich ontvallen. “Stel je voor dat er op deze hele planeet echt helemaal niets te beleven is.” De Moden glimlachte. “We hebben het daar geloof ik wel eens eerder over gehad”, zei hij langzaam. “We hoeven darvoor niet bang te zijn. Volgens mij is dat het enige waarover Weemer en jij het eens zijn.”Berg knikte. “Je hebt gelijk en ik zal hem in de gaten houden”, zei hij op gedempte toon aan. “Kijk eens, vulde de Moden aan. “Als je het over de raak hebt, …”Weemer kwam met grote passen naar het tweetal toe. “Is het nu absoluut zeker dat er voldoende medicijnen en hulpmiddelen aan boord zijn?”vroeg hij. Weemer voelde zich als adjunct-expeditieleider verantwoordelijk voor onderzoeksapparatuur en wetenschappelijke magons. “We hebben toch gisteren nog de onderzoekswagen geïnspecteerd, Weemer”, vroeg Berg. “Je hebt toen kunnen zien wat er voorradig was? Volgens mij was je toen helemaal tevreden.” “Ja, ja, ja”, geeft Weemer toe. “Maar volgens Paup …… heb jij juist die wagen gisteravond nog helemaal leeg laten halen om de technische staat van de bepantsering in het middenstuk te onderzoeken.” Berg lachte. “Geen denken aan, Weemer, als de zaak eenmaal zit, zit ze. Dan ga ik de boel niet opnieuw in de war schoppen.”

Weemer luisterde nauwelijks naar de laatste woorden en beende haastig terug naar zijn wagen. “Ik denk”, zei de Moden ernstig, “dat je vooral Weemer en Ramold in de gaten moet houden. Over de anderen maak ik me weinig zorgen.” Berg knikte weer. Hij gaf de Moden een stevige hand en omhelsde hem. “Hou je haaks, blijf stevig op je plek. Uiterlijk over twaalf oeren ben ik terug.” “Dat is lang”, mompelde de Moden. “Maar ik vertrouw volledig op je.” Berg riep naar de chauffeur van de jeep die helemaal vooraan stond. “Oprukken”, schreeuwde hij luidkeels en hij maakte met zijn rechterhand een ronddraaiende beweging boven zijn hoofd. De chauffeur stak zijn duim op, sprong in de jeep en startte de motor. Manen en vrouwen in het hele dorp omhelsden elkaar. Randa stapte vastbesloten op Ramold af en gaf hem een zoen. “Ik wacht op je”. “Ik kom terug bij je”, beloofde hij terwijl hij voelde dat ze iets in zijn broekzak stopte. Hij vroeg niet wat het was omdat hij merkte dat ze haar best deed om het stiekem te doen. Hij maakte zich los en klom snel bovenop de pantserwagen. Terwijl hij met een hand zwaaide liet hij zich door het mangat zakken en even later klonk het gezoem van de elektromotor. Berg zat nu op de rand van het mangat van zijn eigen wagen en opnieuw maakte hij een ronddraaiende beweging met zijn hand in de lucht. De jeep reed als eerste hobbelend weg over het Hanebrood. De kleine bewakingswagen volgde en daarna reed de pantserwagen van Berg weg. Langzaam aan kwam de stoet in beweging. Er werd nog gewuifd, geroepen, kushandjes uitgestrooid en geschreeuwd maar een ding was zeker, de expeditie was op weg. Een paar kleine jongens renden achter de wagens aan, sommigen liepen zelfs voor de jeep uit maar dat duurde niet lang. De wagens verdwenen stuk voor stuk om de grote bocht in de weg. Het zou twaalf oeren lang een stuk stiller zijn in Aldemundt. Randa was nog een heel eind meegelopen en ze stond bijna onderaan het Hanebrood toen ze gewoon niet meer kon. Ze voelde haar knieen knikken en ze duizelde. Aarzelend keek ze achterom naar de weg die omhoog liep naar het dorp en dan liet ze har ogen weer over de velden glijden waar de larmen en de koeien stonden te vreten. Ze zag alleen de wachtpost die vanuit zijn bewakingswagen de omgeving in de gaten hield en erop lette dat de dieren niet te ver van het dorp wegliepen. Terug naar het dorp, dat was haar weg op het ogenblik in geen geval, ze zou de muffe geur opsnuiven van een groep dorpsbewoners die al tweeentwintig jaar als onbewegelijke mafkoppen op elkaar gepakt zaten. Opeens gingen haar gedachten weer uit naar Trimmen die bijna dagelijks pogingen ondernam om zich aan zijn dorp te onttrekken. Ze besloot het voorbeeld te volgen en stapte op haar onhandige schoenen verder naar beneden. Voorzichtig liep ze langs de rand van het grasland waar het langzaamaan naarboven liep tegen de berg op, waar een onbekende top op haar neerkeek. Ze kon zich niet herinneren in de afgelopen twaalf jaar ooit boven op die top gestaan te hebben. Misschien was er wel niet eens plaats om te staan. Misschien ook zou ze vanaf die plats de expeditie nog in de verte zien rijden. Ze keek nar de zuidelijke horizon waar inderdaad nog heel duidelijk een stofwolk te zien was. Ze repte zich naar boven en ook waar de begroeiing hoger was dan gras, stapte ze stevig door. De grond was ongelijk en er zaten veel gaten en kuilen in de helling. Ze moest erg opletten om haar enkels niet te verzwikken. Ze zag plantjes die ze in en om het dorp nog nooit had gezien. Hoge stelen met hyacintachtige lange stelen en bloemen met rode en groene bladeren. Ze zag ook een tor, het dier leek zo van de aarde te komen al kon Randa het aantal spichtige pootjes niet goed tellen. En een salamander met zes poten en zonder staart. Het leek wel of er op deze bergrug al een heel nieuwe planeet begon. Eindelijk bereikte ze de top en die bracht haar een grote teleurstelling. Aan alle kanten stonden hoge planten en bomen en van de omgeving was niets te zien. Daarom liep ze zonder aarzelen tussen de bomen door en eindelijk bereikte ze de rand van de berg. De lucht was helder en het kostte haar geen moeite om de lange slang van pantserwagens te herkennen. Als een groene sliert kroop ze door het landschap. Een steeds groter deel van de wagens verdween achter stofwolken maar een stukje van de tweede pantserwagen kon ze nog zien. Daar zat Ramold aan het stuur. Ze bleef kijken totdat de wagen helemaal verstopt raakte achter het stof.

Langzaam aan begon ze aan de weg terug. Hier aan de zuidhelling waren de bergen nog stijler dan verder naar het dorp toe. Toch viel het haar mee dat ze geen enkele keer last had van hoogtevrees. Het leek wel of er aan de afdaling geen einde kwam maar plotseling hoorde ze stemmen. Verrast keek ze om zich heen. Daar beneden stond een groep mannen en vrouwen met in het midden haar vader. De mensen riepen haar naam. Misschien misten ze haar en waren ze bang dat ze de weg kwijt was. Ze zwaaide met haar armen en schreeuwde zo hard ze kon. “Papa!” Hij scheen haar niet te horen want hij keek nog steeds naar de andere kant en opnieuw schreeuwde ze uit alle macht. Deze keer wees een van de mensen uit de groep naar haar. De mensen begonnen te juichen en sommigen maakten een dansje. Anderen wenkten dat ze snel moest komen. Waarom eigenlijk? Ze hadden haar toch nog nooit echt gemist? Meteen beet ze op haar lip en wist ze dat die gedachte wel erg oneerlijk was. Haar vader zou haar zeker missen als ze nooit meer thuiskwam. Ze deed nu wat meer haar best om snel naar beneden te komen maar erg vlot ging het nog steeds niet. Ondertussen begon ze zich losjes en trots te voelen. Zij was de eerste die het had aangedurfd de berg aan deze kant van het Hanebrood te beklimmen, zeker de eerste vrouw en van puur plezier begon ze opnieuw te zwaaien met haar armen. “Het is hier mooi”, riep ze luidkeels maar het was helemaal niet zeker of de mensen beneden haar konden horen. Eigenlijk deed het er ook niet toe. Zij voelde zich goed en dat wilde ze uiten. Iedereen mocht het weten. Ramold had weinig tijd om achterom te kijken maar van tijd tot tijd deed hij het toch even. Een korte blik boven het mangat uit vertelde hem dat de bergen van Aldemundt snel verdwenen. “He, jongeman”, klonk het van beneden. “Wil je even voor je kijken, straks zitten we tegen de achterkant van onze voorganger aan. Dan kunnen we meteen aan de sjouw. Niet leuk dus.” Het was de stem van Berg die hem terechtwees.

Berg zat op een stoel twee stappen achter de chauffeursplaats. Hij bestudeerde een magon met foto’s die ze twaalf jaar geleden hadden gemaakt vanuit de ruimtetaxi. Zo nu en dan krop hij even tot zijn middel dor het mangat om te kijken of het landschap overeenkwam met zijn gegevens. “Vanavond zien we de bergen van Aldemundt niet meer”, hij legde zijn hand op Ramolds schouder. “Dan zijn we echt op onszelf aangewezen. Beschouw dit maar als een spannende ervaring, je kunt er veel van opsteken en van leren.” “Maar ik zit met wat anders”, wurgt Ramold zijn mond uit. De woorden klinken alsof ze niet echt naar buiten willen. “Ik wil gewoon weer een vrij mens zijn, ik ben geen moordenaar, echt niet.” “Ik vrees dat er een ernstiger waarheid is waarmee we allemaal rekening moeten gaan houden”, antwoordde Berg. “Iets waaraan jij in je eentje niets kunt doen, misschien komen we er met z’n allen achter tijdens de expeditie. Trimmen en Weemer hebben een tipje van de sluier opgelicht. Als zij gelijk hebben, en die kans is groot, dan is het wel heel gemakkelijk om te bewijzen dat je niet schuldig bent. Het gekke is dat sommige mensen in Aldemundt je al jaren kenen en heel gauw bereid zijn om te geloven dat je een misdaad op je geweten hebt. Het zal ze meer moeite kosten om in te zien dat het niet zo is, bereid je daar maar op voor.” “Maar wat denkt u er zelf van?” Ramold keek de expedtieleider bijna hulpeloos aan. “Ik geloof dat het met jou heel goed gaat komen maar dan moet je beginnen met het stuur recht te houden.” De laatste woorden zij hij wat haastig en daarvor had hij een goede reden. Tijdens het achteromkijken was de wagen van Ramold, Berg en Weemer helemaal uit koers geraakt en hij reed nu snel op een inzinking in het vlakke land aan. Ramold trok uit alle macht de wagen weer naar links en de voorwielen rolden rakelings langs de rand van de diepte. Heel diep was het niet. Het hobbelige grondoppervlak vormde hier een grens met een gladde vlakte die hooguit een halve meter lager lag. De aarde was er nog steeds zo rood als bij Aldemundt maar kaler dan onderaan de bergen. Hier en daar groeiden struiken met lange en hoogopgaande wit-groene bladeren, verder naar het oosten doemden de contouren van een bos op. De grond was droog en hier en daar lagen grote brokken aarde. De chauffeurs moesten goed uitkijken want een botsing met zo’n brok aarde kon stevig aankomen en nog erger waren de gaten in de grond. Het leek wel of iemand brokken aarde uit de grond had gehakt om ze weer ergens anders neer te gooien. “Die kleine stukken raken verpulverd onder de wielen maar de grote omzeil ik liever”, zei Ramold. “Uitstekend”, antwoordde Berg. Hij stak zijn hoofd opnieuw uit het mangat en sprak door tegen zijn polstelefoon. “Ik wil vanmiddag zover mogelijk zien te komen. Het lijkt me een goed idee om de lunch over te slaan, als je honger krijgt kun je wisselen of eten en drinken achter het stuur. Er zijn gelukkig weinig tegenliggers. Als je toch van plan bent een keer te gaan stoppen, zet dan eerst vijf seconden het oranje knipperlicht aan. En denk erom, als je iets vreemds opvalt, rijd er dan niet overheen.”

“OK”, was het antwoord uit de jeep. “We hebben hier op het ogenblik een prachtige vlinder zitten. Het dier zit op de motorkap en lijkt wel gemaakt te zijn van een soort doorzichtig, oranje plastic.” “Hoe groot schat je het dier”? vroeg Berg nieuwsgierig. “Ik denk dat hij wel zo groot is als mijn hand. Het leuke is dat het dier zich helemaal niet schuw gedraagt. Het lijkt wel of hij het heerlijk vindt, zo op de motorkap.”. “Zo grot als je hand, dat is inderdaad een flink formaat”, meende Berg. “Ik zal het in elk geval melden aan Weemer. Kun je het dier nog meer beschrijven?” “Het is effen oranje maar ook een beetje doorzichtig. De bovenkant van de vleugels glimt en weerkaatst zelfs het licht van Osme. O, wacht even, hij stijgt eindelijk op. Hij gaat naar , hij gaat …. Het beest zit nu boven op mijn hofd”, klinkt de stem door de telefoon. “Niet toestaan”, is Bergs reactie. Jullie moeten van hem af, je weet niet wat hij gaat doen.” “Dat valt nog niet mee”, roept de chauffeur. “Het lijkt wel of het dier zich met een soort klauwen in Garmens haar vastklampt. Ik zet het licht op oranje.” Op de jeep begint een knipperlicht oranje te branden en even later staat de wagen stil. De hele stoet volgt het voorbeeld en mannen en vrouwen komen naar buiten om te zien hoe de chauffeur probeert de vlinder uit het haar van Garmen los te maken. De twee mannen in de bewakingswagen die vlak achter de jeep rijdt, komen te hulp. “Dat beest heeft ook al zes poten en aan elke poot zit een stevige klauw”, roept een van de mannen. “Maar wees voorzichtig, het dier is breekbaar.” Het is het werk voor fijne, soepele vingers. “Blijf stilzitten”, lacht Fiana Ettelbruuc die samen met Bonara Fap probeert het werk tot een goed einde te brengen. Met een verbeten gezicht houden ze de vlinder in de gaten. “Nog even en ik ga scheel kijken”, mompelt Fiana. Die woorden heeft ze nog niet gezegd of de vlinder stijgt op en fladdert weg. “En kijk eens”, roept Garmen. Hij wijst naar de lucht waar nu een hele zwerm oranje, blauwe groene en witte vlinders rondjes draait. De vlinder die zich van zijn hoofd heeft losgemaakt, vliegt naar het midden van de zwerm. De expeditieleden proberen het gewriemel van de honderden vlinders te volgen. De dieren snuffelen nu allemaal even aan de “vluchteling” en dan … als verjaagd door de wind zwermt de hele groep vlinders weer uit. Binnen een paar ogenblikken is er geeneen meer te zien. “Maar ik heb ze op magon”, grijnst Weemer van Hornhaaf. “We kunnen er zovaak naar kijken als we willen.” “Goede actie”, vindt Berg die nu met een verrekijker de horizon in alle richtingen afspeurt. Vergeefse moeite. De vlinders zijn weg en ze blijven weg. “Laten we gaan. We rijden nog een paar uur door en dan slaan we ons kamp op”, hij loopt terug naar zijn commandowagen en klopt Weemer een paar keer op de schouder. “Ik ben heel benieuwd naar die beelden.” Met grote stappen klimt hij op de wagen en even later laat hij zich door het mangat naar beneden zakken. Weemer komt haastig achter hem aan. “Het zou mooi zijn als we meteen een vergelijking met aardse vlinders kunnen maken”, vindt hij. Binnen in de commandowagen kruipt hij meteen achter zijn bureau. Eindelijk werk. Hij merkt niet eens hoe de stoet zich in beweging zet maar dat duurt niet lang. “Wat is dat voor herrie”, schreeuwt hij opgewonden. “Ik moet bijna mijn apparatuur vasthouden.” Berg wurmt zich vanaf zijn stoel naast Ramold naar binnen. “Het is verschrikkelijk”. Geeft hij toe. “Het lijkt wel of de grond hier uit allemaal bevroren golfjes bestaat. Het is een grot geribbeld plateau en de wagens rammelen bijna allemaal uit elkaar. Ik denk dat we hier niet verder komen dan zo’n 15 roden en het ziet er niet naar uit dat het beter wordt. We moeten er maar het beste …” Op dat moment bonkt de wagen verschrikkelijk en Berg stoot zijn hoofd tegen de gepantserde bovenkant. “Wat is dat nou weer”, roept hij maar zijn stem gaat verloren in een luid geloei dat nu van buiten komt. “De alarmtoeter van de jeep”, mompelt hij bezorgd. Hij legt zijn hand op Ramolds schouder. “Kun je zien wat er aan de hand is?” “Hmmm, een beetje”, antwoordt de jongen, zijn stem klinkt aarzelend. “De jeep staat stil, we moeten echt kijken wat er precies is gebeurd. IK geloof dat mevrouw Morgenthal deze kant op komt.”

Berg wringt zich achter het bureau van Weemer vandaan en hijst zich door het mangat. “Syfa”, roept hij. “Problemen?” “Nou en of”, de worden zijn alarmerender dan de klank van haar gebronste vrouwenstem. “Het hele landschap begint hier te hellen, we kunnen onmogelijk verder rijden. Garmen moet de wagen in de achteruit zetten maar dan moeten we allemaal ruimte maken want hij kan nu geen kant op en dat betekent op den duur dat hij naar beneden glijdt.” “Hoe erg is dat?” wil Berg weten. “We kunnen het niet zien. Het lijkt er op dat we plotseling aan de rand staan van een diepe afgrond. Dat was niet te voorzien.””Ik wil het zelf zien”, beslist Berg. “Maar laat iedereen inmiddels ruimte maken voor de jeep.” Hij kruipt door het mangat. “Alleen rijden als je plaats moet maken voor een ander”, beveelt hij Ramold. De jongen knikt. Hij bewondert de rust die nu van Berg uitstraalt. Het is duidelijk waarom hij leider van de expeditie is. Niets of niemand lijkt hem uit zijn evenwicht te kunnen brengen. Ramold laat de motor draaien en volgt met zijn ogen de beide expeditieleiders. Hij heeft geluk dat Berg en niet Syfa expeditieleider is. De hele familie Morgenthal was goed bevriend met de twee overleden jongens. Ze geven hem vast de schuld van de dood en beschouwen hem misschien wel als moordenaar. Het begint allemaal door zijn hoofd te spoken nu hij niets te doen heeft maar hij wil o zo graag van die gedachten af. Langzaam draait hij zich om naar Weemer. “Heeft u al iets moois kunnen ontdekken”, vraagt hij. De onderzoeker staart bijna bewegingsloos naar het beeld op zijn magon. “Misschien, misschien”, brengt hij er moeizaam uit. “Er kan nog van alles …. “Hij buigt zich dieper over de magon en laat de beelden een voor een voorbijflitsen. Met een hand wenkt hij. “Kom eens hier, kijk eens … “ Ramold voelt in zijn binnenste een gevecht opkomen. Voor zich ziet hij niets dan heen en weer rijdende en draaiende wagens terwijl achter hem Weemer misschien wel grootste ontdekkingen doet. Aan de andere kant kan hij zijn plaats nu niet verlaten. Elk moment kan het nodig zijn dat zijn wagen ook gaat rijden. “Ik kan ze nu niet in de steek laten”, zegt hij zachtjes maar Weemer haalt zijn schouders op. “Het is maar wat je belangrijk vindt.” Het klinkt kribbig. Even aarzelt Ramold maar een sterk gevoel om solidair te zijn met Berg Wamerhorn krijgt al gauw de overhand en dat blijkt maar goed ook. De pantserwagen vlak voor hem spuit plotseling snel naar achteren en maakt tegelijkertijd een grote bocht. Onmiddellijk laat Ramold zijn wagen in een schuine lijn naar links opzij rijden. Daar loopt het landschap iets omhoog zodat hij extra gas moet bijgeven maar op die manier kan hij een botsing voorkomen. Geschrokken zet hij zijn wagen aan de kant en zodra deze stilstaat hijst hij zich omhoog door het mangat. Met grote passen loopt hij naar de pantserwagen die de onverwachte manoeuvre uithaalde. Met een sprong staat hij op het spatbord en van daar schreeuwt hij door het mangat. “Waarom waarschuw je niet even voor je gaat rijden?” Uit het mangat verschijnt het gezicht van Paup Horn. “He, katelingetje”, roept hij. “Ik dacht dat een moordenaar niet zo gauw zou schrikken.”

Ramold voelt weer dezelfde woede in zich opkomen die hem ook overmeesterde op Demeravond maar vanuit een ooghoek ziet hij Berg die terugkomt van de voorhoede van de expeditie. Hij slikt zijn kwaadheid in en springt van de pantserwagen af. Berg zal hem niet dankbaar zijn als hij tijdens de expeditie ruzie gaat maken maar hij voelt hoe het bloed in zijn aderen kookt. Als het komende halfjaar steeds zo gaat verlopen, dan kan het nog leuk worden. Hoe moeten ze elkaar door de problemen helpen die vast nog wel gaan komen? “Goede actie van je”, klinkt de stem van Berg achter hem. “Je was er goed, alert bij. De wagens staan nu weer goed, we kunnen verder.” “Geen opnamen vanaf deze plek?” Ramolds stem klinkt verbaasd. Hij kijkt naar het landschap voor de stoet, de helling die plotseling weg lijkt te zakken in de aarde. “Onze opdracht is het in de eerste plaats om te kijken of er ook “mensen” op Mende leven”, zegt Berg. “We moeten onze magons niet te snel volladen en dan straks geen ruimte meer hebben voor bijzonderder gegevens.” Hij duwt Ramold lachend voor zich uit. “Kom op, we gaan rijden.” Ramold vindt het niet prettig dat Berg hem zo voortduwt maar hij zwijgt opnieuw, denkend aan een uitspraak van zijn moeder “zwijgen baart kunst”. Met een paar snelle sprongen is hij weer in zijn wagen. Hij kan het niet nalaten om even naar Weemer te kijken die nog steeds over zijn magon gebogen zit alsof er in de omgeving niets te zien is geweest. Er komt een grijns op zijn gezicht en fluitend Gaat hij achter zijn stuur zitten. Hij mag dan een kateling zijn maar een sobber zal hij nooit worden. Achter zich hoort hij Berg in de wagen springen en even kijkt hij de expeditieleider aan die hem nu heel begrijpen lijkt aan te kijken. “En route!” brult Berg. Ramold begrijpt de oude, vreemde taal niet direct maar het gebaar van Berg wijst erop dat hij wil rijden. Voor hem zet de stoet zich ok wbeweging. De wagens rijden nu langs de rand van licht- tot donkerblauw gesteente waarachter zich een mysterieuze afgrond lijkt te bevinden. Het meest bijzondere zijn de wolken die uit de afgrond boven komen drijven. “Ik denk dat we met een geiser te maken hebben”, Berg klopt Weemer op zijn schouder maar deze kijkt nauwelijks op of om. “Ja, dat kan”, zegt hij onverschillig. Berg haalt zijn schouders op. “Ik heb het gevoel dat we in een bijzonder gebied komen”, mompelt hij maar er komt weer geen reactie van Weemer. Ramold buigt zich inmiddels een beetje voorover want hij wil dor de wolken heen de bodem van de afgrond kunnen zien. Dat lukt niet al te best, het lijkt meer een bodemloos vat en daarin komt weinig verandering ook al buigt de rand nu naar rechts en bereiken ze een glooiende helling naar beneden. De grond blijft nog steeds ribbelig en hard zodat ze niet veel snelheid kunnen maken maar de wagens rollen nu duidelijk naar beneden. Deze keer gaat het niet meer om een scherpe rand die lodrecht naar beneden gaat, integendeel. Het lijkt wel of hier een wreg heeft gelegen als is het gladde oppervlak verdwenen. In een voortgaande flauwe bocht naar rechts dalen ze verder en langzaam aan trekken de wolken weg. Daarvoor in de plaats begint een heldere lucht te verschijnen waarachter zich reusachtige wanden van kobaltblauwe steen verheffen en niet alleen de wanden van het bodemloze vat zijn kobaltblauw. In de diepte ziet Ramold nu ook een vlakte in dezelfde kleur, of meer een platform. “Wat is dit mooi”, verzucht hij en even kijkt hij naast zich. Daar heeft Berg zijn plaats weer ingenomen. “Het is prachtig, ik denk dat ik helemaal naar beneden wil”, vervolgt hij. “Daar moeten we een stop maken. Ik weet niet of er “mensen” zijn maar het zou best een mensenwerk kunnen zijn.” Hij pakt uit de borstzak van zijn jas een klein rond apparaatje dat hij vervolgens tegen de onderste knobbel in zijn achterhoofd houdt, vlak boven de plaats waar hersens en ruggengraat met elkaar zijn verbonden.

“Een kypte”, lacht hij tegen Ramold die zo’n instrument nog nooit heeft gezien. “Het stimuleert mijn telepathische vaardigheden. Met zo’n kypte kan ik binnendringen in het denken van anderen zodat ik geen woord hoef te zeggen om mijn plannen om aan hen duidelijk te maken.” Ramold trekt een zuinig gezicht en tuit zijn lippen zodat hij een ongelovige uitdrukking in zijn gezicht krijgt. Telepathie, hij heeft er nog noit een bewijs van kunnen vinden en hij voelt nu ok de gedachten van Berg niet in zijn hoofd opduiken. “Ik merk er niets van”, zegt hij zachtjes. “Maar ik wel”, klinkt een stem achter hem. Verrast draait hij zich om waar in de priemende ogen van Weemer kijkt. “Vergis je nooit in de telepathische gaven van Berg”, waarschuwt Weemer. “Jij merkt niets omdat je de boodschap al kende, er kwam geen nieuwe informatie bij je naar binnen en dus beschouwden je hersenen het als overbodig. Of liever, je tweede lichaam wilde het niet opvangen.” Berg knikt. “Lang niet iedereen gelooft erin maar je zult zien dat de wagen voor je over enkele momenten gaat stoppen. We zijn namelijk bijna beneden.” Het kobaltblauwe plateau komt nu heel dichtbij.” Ramold had nu een enthousiast gezicht verwacht bij Berg maar het lijkt wel of diens gezicht even helemaal vertrekt van de pijn. Pas daarna komt er een brede glimlach op Bergs gezicht. “Hiervoor zijn we gegaan, mannen”, roept hij. De vor ste wagens komen nu allemaal tot stilstand ze zoeken een plekje naast elkaar op het plateau. Berg kruipt achter Ramold langs naar het mangat. Even blijft zijn hand op de schouder van de jongeman rusten. “Jij blijft bij mij in de buurt, voordat er problemen van komen.” Dan hijst hij zich dor het mangat naar buiten terwijl hij Ramold wenkt hem meteen te volgen. De jongen komt razendsnel in zijn spoor achter hem aan en daarachter volgt zuchtend en puffend Weemer. Ramold voelt een rilling door hem heen gaan. Meteen kijkt hij naar Berg en Weemer en ook zij lijken het te voelen. De hoge, blauwe wal voor hen straalt een vochtige kou uit terwijl aan de bovenste rand zich steeds weer nieuwe stoomwolken vormen. Minstens zo koud is de blauwe, bijna spiegelgladde vloer van het plateau. De vloer is opvallend glad in vergelijkign met de ruwte van de blauwe muur voor hen. “Het lijkt net alsof hier een grote bom is omgevallen die het hele wortelstelsel heeft meegetrokken.” De woorden van Berg klinken wel heel mysterieus. Het moet dan wel een heel grote boom zijn geweest want de blauwe wand zet zich zeker kilometers verder naar het westen en het zuiden voort. De expeditieleden staan daar, haast als vastgevroren aan de gladde grond. Het is bijna of alle nieuwsgierigheid uit hun lichaam is weggevroren. Berg is de eerste die een stap naar voren doet. “Ongelofelijk”, herhaalt hij. “Die ruige wand en die spiegelgladde vloer. Het is goed dat we goede laarzen dragen, anders zouden we nog onderuit gaan.” Zijn ogen speuren inmiddels de vloer van het plateau af. “Iets op deze plek moet het verleden van de planeet verraden”, meent hij.

Ramold begint nu ok verwoed over het oppervlak van de vloer te zoeken. Zou daar het geheim liggen en misschien is hij dan wel de eerste die een geheim ontdekt! Hi draait zich om, buigt zijn hoofd links en rechts en kijkt onder de meest vreemde hoeken. Plotselign klinkt een stem achter hem die hij goed kent. “Samen zoeken, dan vinden we misschien meer”, het is Belber Gondaan, zijn beste vriend. “He Belber, toen ik hier net stond, trok er een vreemde kou door me heen. Ik weet niet wat het was. “Dat hadden we allemaal, denk ik”, antwoordt Belber. “Het hoort bij deze plek. Ik kan me niet meer voorstellen dat op deze planeet geen mensen wonen, behalve wij en de mensen van Bixhoorn.” “Maar we hebben nog niets gezien”, Ramolds stem klinkt haast teleurgesteld maar ook een beetje wezenloos. Ieets anders heeft zijn aandacht getrokken. De vloer van het plateau is spiegelglad, maar misschien is het ook wel een soort spiegel. Hij laat zich op zijn knieën zakken. “Belver”, fluistetrt hij, “kijk hier eens.” Hij wijst naar een klein wit streepje op de vloer “Dit is, dit lijkt, waar heb ik dat toch eerder gezien?” Ramolsd kijkt zijn vriend vol verbazing aan want vlak onder het ovenste oppervlak staart hem een oog aan. Tenminste, het lijkt een oog. “Zulke tekeningen maakte het volk van de Pharaonen”, Belbers stem begint te trillen. Hij heeft het gevoel een grootste ontdekking gedaan te hebben. “De Pharaonen, ja”, knikt Ramold. “Ver voor de Holokosen, zo’n achtduizend aardejaren voor Arketan.” Hij heeft het gevoel dat hij Berg moet waarschuwen maar tegelijkertijd is hij bang dat het niets is, misschien lacht Berg wel om de vondst. “Zullen we het melden”? vraagt hij terwijl hij Belber vragend aankijkt maar deze krijgt geen tijd om te antworden. Een eind verderop stoot Syfa Morgenthal een gil uit. “Dit kan niet, dit is het, we zijn niet alleen”! roept ze bijna ontsteld uit. De andere expeditieleden komen nu naar haar toe rennen. “Dit kan geen toeval zijn.” Berg hurkt naast haar neer terwijl haar vinger over de blauwe vloer glijdt en een vorm maakt die duidelijk onder de bovenlaag te zien is. “Een pentagram”, Berg staat weer op en wenkt Weemer om dichterbij te komen. “Dit is voor jou”, lacht hij. Ramold heeft nu de pest in dat hij niet eerder heeft geroepen en zijn vondst als eerste heeft aangemeld. Nu gaat alle aandacht uit naar Syfa Morgenthal maar toch … hij zal het straks tegen de expeditieleider zeggen. “Straks, waarom nu niet?”vindt Belber. “Of zal ik het doen. Die Morgenthal kan me gestolen worden”, moppert hij. “Dat mens zit altijd iedereen dwars.” “Alleen ons maar, hoor, ons katelingen”, lacht Ramold. “En wij zijn een minderwaardige soort, we hebben geen geschiedenis.” Belber wordt rood in zijn gezicht. “Geloof jij in die onzin? Kom we gaan naar Berg, hij moet het weten. Straks loopt iemand anders er nog mee weg.” Ramold bijt zich op zijn onderlip. Aan die mogelijkheid had hij nog niet gedacht, het zou best kunnen dat een ander probeert hun vondst te stelen, iemand van de Morgenthals bijvoorbeeld. De familie is hier drie man sterk. “We doen het want deze vondst bewijst dat we wel een geschiedenis hebben en heel wat meer hebben gezien dan sommige mensen denken”, stemt Ramold in.

Zo onverschillig mogelijk slenteren de twee jongens naar Berg toe die nog steeds op zijn knieen bij het pentagram ligt en druk in gesprek is met Weemer. De jongens buigen zich nu ook over de afbeelding. Net als bij het oog lijken de witte strepen zich vlak onder het plateau te bevinden. “Dat is ook niet zo gek”, zegt Berg. “Ik weet bijna zeker dat dit geen steen is maar ijs. Het voelt koud aan en kijk eens …”Rondom zijn voeten en knieen beginnen zich plasjes te vormen. Belber laat zijn vinger door het vocht gaan en wil het drinken maar Berg houdt zijn hand tegen. “Pas op, niet drinken. We weten nog helemaal niet wat voor stoffen zich in dit water bevinden”, zegt hij. Belber laat zijn hand weer zakken en dan vertelt hij zijn verhaal aan de expeditieleider. Zijn stem klinkt zacht en gedempt alsof de andere expeditieleden niets mogen horen. “Waar”? wil Berg weten. Ramold wijst de plek aan waar ze het oog hebben gezien zegt hij zacht. Berg staat op en loopt vlug naar de aangewezen plek. De jongens vinden het feilloos terug. Deze keer komt er een volledig ongelovige uitdrukking op het gezicht van Berg. “Dit is te mooi om waar te zijn”, zegt hij. “Deze tekening is inderdaad volgens de stijl van de Pharaonen getekend. “Weemer”, roept hij weer. “Er is hier meer voor ons. Deze jongens hebben hier een schitterende afbeelding ontdekt. Dit kan geen toeval zijn. Er zijn hier dan misschien geen “mensen” maar in het verleden zijn ze hier wel geweest. Het is een plek om te onderzoeken. We slaan een kamp op.”

“Nou zeker”, deze keer is het Belbers stem die opgewonden over de omgeving klinkt. “Dat we dat niet eerder hebben gezien”, roept hij. Hij wijst naar de grote, blauwe wal. Met een hand houdt hij nu Bergs schouder vast. “Dit moet je zien.” De expeditieleider draait zich om en Belber zegt hem zijn vinger te volgen. Op de blauwe wand is een wonderlijk figuur afgebeeld. Een slangenkop kijkt Berg recht aan met twee lichtgevende ogen. Tot nog toe waren die verborgen gebleven achter de stoomwolken boven aan de blauwe wand. Daaronder is een slangenhals te zien met een mager lijf waaraan aan beide zijden een grote vleugel uitgespreid is afgebeeld. Onderaan het lijf is een staart als van een kangoeroe afgebeeld. De bek en de neusgaten van het wezen staan ver opengesperd en het lijkt alsof er uit de neusgaten een stof tevorschijn komt. Berg staat als aan de grond genageld. Hij weet zeker dat hier een belangrijke ontdekking te doen is. Het meer dan mansgrote wezen roept herinneringen bij hem op maar hij kan niet met zekerheid zeggen wat het is. “Weemer”, roept hij. “Kom kijken.” De onderzoeker spoedt zich nu naar de expeditieleider toe en volgt de van spaning trillende vinger van Berg. “Dat wezen, het zegt me iets. Hoe werd zoiets op aarde toch ook genoemd?” Weemers stem begint nu ook te trillen van spaning en verwondering. “Lang vor de Holokosen zijn er boeken geschreven”, zegt hij. “Daarin werd gesproken van vuurspuwende monsters die verslagen moesten worden. Draak werden ze genoemd. Maar het is een echt wezen van aarde, iets waarin mensen geloofden. De mensen moestebn de draak in zichzelf verslaan, hun angsten en twijfels. Dat was de eigenlijke bedoeling ervan. Het is een heel oud teken.” “Maar, in ’s hemelsnaam Weemer, hoe komt het dan hier op tien lichtjaren van de aarde?” Weemer verbergt zijn gezicht in zijn handen. “Het werk van Randa’s broer”? fluistert hij tegen zichzelf. “Maar waarom zou hij zijn tijd verdoen met het tekenen van een wezen dat hij waarschijnlijk nog nooit heeft gezien?” “Onwaarschijnlijk”, knikt Berg. Hij legt zijn hand op Weemers schouder. “Licht jij Syfa in. Ik ga de mensen bij elkaar roepen want we slaan hier ons kamp op. Wie weet wat we hier kunnen leren van de Mendlingen. Een ding is nu wel zeker, Weemer, ze bestaan.”


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën