Gepost door: Kaj Elhorst | september 27, 2009

Open ogen

 Die avond klonken de stemmen van de mensen nog laat op het plein. Het was al lang donker maar de warmte hing nog als een stoofgordijn boven het dorp. Twee jongens hadden hun liodin tevoorschijn gehaald en speelden het ene lied na het andere. Sommige kon Randa meezingen, andere kende ze minder. Ze zat met haar rug tegen haar vaders schouder aan, op de grond. Zo nu en dan keek ze door het venster aan de voorkant van het huis naar binnen Daar vertoonde Ramold zich zo nu en dan eventjes. Hij wilde zijn vriendin niet bij zich binnen in huis houden/ “Ga maar, ik vermaak me hier binnen wel”, had hij gezegd. “Geloof me, er komt een tijd dat we weer samen buiten wandelen en zitten “Het komt goed met hem he, pap”, fluisterde ze tegen haar vader. De Moden knikte. “Met Ramold komt het goed”, zijn woorden klonken bijna als een belofte maar Randa wist dat hij die niet kon doen. Toch voelde ze zich gesterkt. Er waren zoveel vrienden en mensen die het goed met hen voor hadden. “Ik maak me meer zorgen om jou”, ging haar vader verder. “Wat bedoel je”, vroeg zij onzeker. Waarom maakte haar vader zich zorgen over haar? “Ik vraag me af wat je zelf verder van plan bent met je leven. Je hebt al een paar jaar geleden je school afgemaakt maar wat wil je nu? Ga je studeren of … “He bah, nee”, Randa trok een vies gezicht. “Pap, ben je naar Mende gegaan om je dochter te laten studeren?” “Nou daaraan is niets gek hoor”, viel haar moeder haar in de rede. Ik heb ook gestudeerd en ik heb er nog steeds plezier van.” Randa keek naar haar moeder die een eindje van haar vader met haar rug tegen de voorgevel van het huis zat. Ze breide. “Ja maar dat was op aarde, mam”, vindt Randa. “Daar was het leven al saai geworden en wisten mensen niets beters te doen dan te studeren. Maar hier, er is hier nog zoveel nieuws te ontdekken. Eigenlijk zou ik met Berg Wamerhorn mee willen, het onbekende tegemoet.”

Haar vader lachte. “Ik heb Berg moeten beloven dat je thuis zou blijven omdat Ramold meegaat. Hij wil geen moeilijk gedoe, geen extra strijd. Hij begrijpt dat je het moeilijk vindt maar hij kan de expeditie niet in de waagschaal stellen.” Randa kijkt haar vader diep in zijn ogen. “Zie je hoe alles wat mijn Hornich had moeten zijn, mij wordt onthouden? De man van wie ik houd mag niet bij mij zijn en ik ben gedoemd voor de rest van de tijd in dit dorp opgesloten te blijven.” Ze sloeg haar armen om zijn nek en legde haar hoofd op zijn schouder. “O papa, ik houd van je maar ik wil meer dan dit dorp. Er moet meer zijn.” Haar moeder trok een zuur gezicht. “Dit is waarvoor wij een groot deel van ons leven hebben opgeofferd en het is niet goed genoeg voor jou?” De Moden hief zijn hand op. “Ho, ho, ik begrijp Randa heel goed. Zij heeft haast niets van de aarde meegemaakt. Wij wisten hoe het daar was en wij wisten waarom we weg wilden maar Randa heeft eigenlijk nooit iets anders gezien dan het ruimteschip en dit dorp. We hebben haar horizon heel klein gehouden.” “Maar dat beschermt haar juist tegen verkeerde invloeden”, vindt haar moeder. “Mam, ik ben geen klein kind meer!”roept Randa nu uit. “Ik heb mijn eigen idealen en wensen. Misschien waren er goede redenen om niet op aarde te blijven maar ik heb genoeg van dit dorp, het is een gevangenis voor me. Ik wil merken dat ik leef en daarvoor is meer nodig dan alleen mijn directe, vertrouwde omgeving.” Haar moeder fronst haar wenkbrauwen. “” Ik heb altijd geleerd dat je eerst geestelijk volwassen moet zijn voordat je aan nieuwe dingen begint”, ze mompelt nu een beetje en kijkt met een oog naar haar man. “Het is niet goed om als maar van het ene naar het andere te renen zonder te beseffen wat je hebt.” De Moden knikt. “Dat is waar, maar ik denk dat Randa zolangzamerhand wel toe is aan iets nieuws. Het probleem is dat ik haar niet met Bergs expeditie mee kan laten gaan.” “Probleem!”de stem van zijn vrouw klinkt nu verontwaardigd. “Wil ji je dochter blootstellen aan allerlei onbekende gevaren?” Zij kijkt haar man ongelovig aan. “Nee, dat wil ik niet en het kan ook niet. We zullen iets anders voor haar moeten bedenken.” “O ja, pa,”Randa daagt haar moeder nu uit met haar stem. “Weet je iets spannends, iets nieuws, iets vol van gevaren?”

De Moden lacht niet. “Je moeder heeft niet helemaal ongelijk. Een eenzame tocht over deze onbekende tocht houdt veel gevaren in. We weten nog niet eens welke, denk maar eens aan wat er de afgelopen fdagen gebeurfd is. Daar begrijpen we nog niets van” “Maar Trimmen Hoferwenck, die mag het wel he? Die is niet jullie zoontje dus hij mag best gevaar lopen.” Meteen slaat ze haar hand voor haar mond. Hun zoon, daarover kan ze beter niet praten. Welten, haar broer, is drie jaar geleden kwaad het huis uitgelopen en nooit meer teruggekomen. Niemand weet waar hij is. Haar vader doet net of hij de plagerige opmerking niet heeft gehoord. “Trimmen. Dat is een meer dan volwassen man en bovendien een ontembare. Hij is nieuwsgierig zonder grenzen en kan zelfs nog lachen als hij sterft omdat hij nieuwsgierig is naar het leven na de dood. Trimmen heeft ooit eens tegen mij gezegd dat hij jaloers was op een vriend die overleed. “Hij leert nu een wereld kennen waarvan ik geen weet heb”, zei hij toen. Kan jij dat ook? Heb jij ook zoveel nieuwsgierigheid in je?” Randa slikte. Het was haar een beetje te machtig aan het worden. “Ik ga naar binnen”, zei ze eindelijk. “Ramold zit de hele tijd alleen.” “Dat is goed”, knikte de Moden en hij knipoogde naar zijn vrouw. “Ze gaat een nieuw inzicht opdoen”, fluisterde hij.

Trimmen was nu precies drie uur onderweg. Het landschap werd hier glooiender en er waren meer kleine beekjes die zijn wagen overigens zonder problemen “nam”. Sinds zijn vertrek uit Aldemundt had hij onafgebroken gereden maar nu begonnen zijn armen, nek en benen zeer te doen. Hij gaf een zwaai aan zijn stuur en liet de wagen stoppen naast een groep wit-grauwe bomen en struiken met een schubachtig soort stam. Trimmen had ontdekt dat deze bomen en struiken vooral in de buurt van Aldemundt voorkwamen. Het dorp lag hoogstens honderdzestig roden verder naar het zuidwesten. Bij Bixhoorn waren bomen en struiken meer groengrijs en ze hadden naalden zoals een den of een spar. “Kom op Obdoelkil”, zei hij zachtjes. “We gaan een eindje wandelen en een hapje eten.” Hij draaide zich om met kwam met zijn gezicht meteen terecht in de onontwarbare wolbaal die de kop van de tamer bedekte. Het dier likte hem als een hond in zijn gezicht. Met een forse klap stootte Trimmen het luik van de wagen open en hij hees zichzelf door het mangat. Obdoekil kwam meteen achter hem aan. Het dier legde zijn voorpoten op de bovenkant van de wagen liet toen zijn middenpoten volgen en gaf zich zelf met zijn achterpoten een duwtje omhoog. Het zag eruit als de bewegingen van een marionet: stijf en harkerig. Obdoekil stond nu naast zijn vriend bovenop de wagen. Trimmen was in twee grote sprongen beneden op de grond maar de tamer liet zich meer als een soort rups naar beneden glijden. Dat ging trouwens behoorlijk snel en Trimmen verbaasde zich erover dat ze bijna tegelijkertijd beneden stonden. Hij rekte zich eens goed uit en te zien aan de bewegingen, deed Obdoekil zijn baas na. Tevreden keek Trimmen om zich heen. Hij was gestopt op een stille plaats waar struiken en grassen groeiden en allerlei diertjes heen en weer vlogen. Trimmen nam aan dat ze net als op aarde op zoek waren naar stuifmeel. Het was benauwd en Trimmen trol zijn dikke overjas uit. De zon had een tijdlang recht op het platteland om hem heen geschenen maar nu begon ze toch weer naar de horizon in het oosten te zakken. De schaduwen werd wat langer maar het licht was hier wel heel fel en bleek. Een tijd lang liep hij rondjes, niet te ver weg van zijn wagen. Hij wilde het ding in het zicht houden, dat was een van zijn stelregels. Lange tijd keek hij alleen naar de strakblauwe lucht totdat een raak het beeld vertroebelde. De vogel vloog over en was duidelijk op zoek naar voedsel. “”Kom, Obdoekil, we gaan terug”, zei hij snel. Hij wilde liever geen prooi worden van een grote roofvogel. Samen met zijn trouwe kameraad besloot hij een lui plekje te zoeken dat half onder de wagen was. Zo zou het dier hem niet als prooi zien maar als onderdeel van de wagen. De raak cirkelde nog even boven hem en kwam een paar keer verder naar beneden maar gaf de jacht. Trimmen keek weer iets opgewekter om zich heen en plotseling schoot hem iets in het oog. Het gras was hier veel grauwer en bruiner dan in de omgeving en er bewoog iets, iets dat groter was dan een insect. Ja zeker, er bewogen Weemers. De aapjes waren hier met een grote groep neergestreken en vraten het hele grastapijt kaal. Niet de hitte maar hun geknaag had het gras aangetast. Trimmen bleef een tijd met zijn hoofd op de grond liggen zodat hij de beestjes kon volgen tijdens hun sloopwerk tussen de grasstengels. Het viel hem nu op dat de diertjes inderdaad handjes hadden zoals mensen en ook voeten. DE schedeltjes leken ook meer op een menselijk hoofd dan op een apenhoofd. Het voorhoofdje was naar verhouding erg hoog. De diertjes hadden opvallend lelijk dikke buikjes. Misschien was dat het gevolg van hun vraatzucht maar dat weerhield ze er niet van drukdoenerig verder te kauwen en ondertussen rare grimassen naar elkaar te trekken. ‘Beestjes om van te houden”, dacht hij maar de liefde duurde niet erg lang. Hij voelde ineens een stekende pijn in zijn rechter duim. Een van de mannetjes zag het waarschijnlijk voor een grasspriet aan. Hij probeerde naar het mannetje te slaan mar dat had niet het gewenste effect. Integendeel. Er klonk een hevig gesis in het gras dat Obdoekil snel deed opspringen en Trimmen zag al gauw waarom. Een grote groep Weemers stond rondom zijn gezicht en kwam dreigend dichterbij. Hij besloot het voorbeeld van zijn tamer te volgen want hij herinnerde zich plotseling hoeveel moordlust een groep mieren kon tentoonspreiden. Misschien was dat met weemers ok wel het geval. Hij stond overeind en de aapjes probeerden langs zijn broekspijpen omhoog te klimmen. Met zijn handen klopte hij de pijpen uit. Hij kreeg het gevoel dat snelheid geboden was. “Kom Obdoekil”, riep hij terwijl hij zo snel mogelijk op zijn wagen klom maar dat was niet meer nodig. “Ervaring he”, lachte Trimmen. De tamer zat al lang bovenop de wagen en was dor het mangat naar binnen gekropen. Trimmen volgde dat voorbeeld. Hij schroefde het luik op het mangat stevig dicht en schoof het venstertje voor zijn uitkijk ook dicht. De aapjes kropen nu al over de motorkap heen en weer maar Trimmen voelde zich niet meer bedreigd. Hij startte de motor en dat was de meeste wezentjes teveel. Ook al was het alleen maar het geruis van een elektromotor, voor de Weemers was het teveel lawaai. De wezentjes sprongen in groepen tegelijk van de wagen af. “Kom Ob”, zei Trimmen joviaal terwijl hij zijn arm om de nek van zijn tamer legde. “We zoeken een betere plaats.”

Door de vooruit van zijn wagen keek hij om zich heen. Osme stond nog boven de horizon en haar licht zou de omgeving nog lang overspoelen. Ze konden nog uren rijden. Trimmen haalde uit het kleine koelkastje een fles gome en hij pakte een glas dat al dagenlang in de houder bij zijn stuur stond. Hij blies in het glas en een stofwolkje dok eruit op. Hij liet een klein beetje gome in het glas stromen en kieperde daarna de inhoud over de vloer van zijn wagen uit. Veel andere mogelijkheden had hij nu niet. Het mangat openen was weemertjes lokken! Deze keer schonk hij het glas vol met gome en hij liet het koele vocht dor zijn keel stromen. Ondertussen keek hij voor zich uit. “Recht vooruit”, zei hij tegen zichzelf. Nog even keek hij om naar Obdoekil maar die had zich al weer in alle rust op de bodem van de wagen neergevlijd. Trimmen startte de motor en liet de wagen langzaam naar voren rijden. Met een bocht werkte hij zich een weg vanuit het struikgewas nar het kalere deel van de omgeving. Hij had zich voorgenomen helemaal door te rijden naar de noordkust. Voor alle zekerheid hield hij de bergen waar Aldemundt lag aan zijn linkerhand. Ze waren hier spitser ren kaler dan bij Aldemundt. Op die manier moest hij uitkomen bij het strand aan de noordkust van het continent. Juist dat strand interesseerde hem. Bijna niemand wist iets af van de kust en de zee. De laatste slok gome gutste uit zijn glas toen hij dwars over de bedding van het zoveelste beekje reed. Trimmen lette er niet op. Als hij eenmaal weer thuis was, zoude wagen aan een grondige schoonmaakbeurt toe zijn, dat was zeker. Terwijl de wagen met een kalm gangetje verder zoemde, veranderde het landschap opnieuw. Het werd vlakker en steniger. Nog steeds beheerste de rode steen van Aldemundt het landschap maar het leek net of de wagen nu over een soort grote parkeerplaats reed. Trimmen gaf extra gas en de wagen schoot een stuk vooruit. Hij kon hier aanmerkelijk harder rijden dan in het eerste stuk. Het was niet alleen vlakker mar ook kaler. Struiken stonden er nog wel maar de bomen waren zo goed als helemaal verdwenen. Ondanks de schrale grond scharrelde een grote kudde larmen. De dieren trokken de spaarzame slierten gras venijnig uit de grond. Ze gingen er vandoor in een golvende beweging toen Trimmen met zijn wagen voorbij kwam. De dieren waren heel duidelijk niet gewend aan verkeer ook al zoemde de motor maar zo’n beetje. Het waren er veel. Geen honderd of driehonderd maar waarschijnlijk meer dan duizend. Hun snerpende geluid vulde de lucht. De dieren waren doodsbenauwd voor het vreemde wezen dat hun passeerde. Een gevaar voor Trimmen betekende dat niet want ook de mannetjes-larmen gingen er in hoog tempo van door. De onderzoeker gaf nog meer gas en weer trok de wagen op. In de verte leek een nog grotere kudde larmen te grazen. Trimmen begon zich gelukkig en thuis te voelen. Hij was nooit opgewekter en vrolijker dan op het platteland. De natuur had altijd al zijn grote belangstelling gehad. Zo nu en dan passeerden ze opnieuw een beekje. Hij had geen reden om er te stoppen want zijn voorraad water was nog onaangetast maar de schaduwen groeiden en Trimmen wist dat het geen zin had om in de duisternis verder te rijden. De lampen aan de voorkant van de wagen waren weliswaar sterk maar licht- en donkerwerking kon op den duur heel verraderlijk werken en de ogen vermoeien. Liever zou hij het boek raadplegen in zijn …………… om een na te kijken wat er precies bekend was over het strand van de planeet. Hij besloot zijn gewoonte van de heenweg te volgen en een plek te zoeken die de wagen enigszins aan het oog van dieren en, wie weet, mensen onttrok.

Op een kwart rode afstand ontdekte hij twee rijen naaldbomen waartussen zich een opening bevond. Er was waarschijnlijk net voldoende ruimte voor de wagen, een ideale plek dus. Langzaam koerste hij op de uitgekozen bestemming af. Ondertussen merkte hij op hoe steeds meer vogels zich in de lucht verzamelden, alle soorten door elkaar. Er waren erbij waarvan hij nog niets wist zoals de knalrode vogels met gele kruisbek en de blauwgroene. Even nam zijn nieuwsgierigheid bezit van hem en drong zich de behoefte op de vogels met een verrekijker te bespieden maar hij bedacht zich dat het heel gauw donker zou zijn. Het zou niet veel opleveren. De wagen hobbelde nu naar zijn plaats tussen de bomenrijen en Trimmen drukte voorzichtig op het rempedaal. Een al te abrupte stop kon soms voor oncontroleerbare slippartijen en wendingen voeren op deze ondergrond. De planten die de grond bedekten vormden dan een appelstroopachtige substantie die alleen nog maar glibberig was. Hij duwde nu het luik van het mangat open en stak zijn hoofd naar buiten. Een zwoelige lucht met een frisse avondbries vermengde zich, Op aarde zou het een goede avond zijn geweest om in de tuin buiten te zitten. Even dacht Trimmen aan die onvergetelijke avonden die hij vroeger met zijn ouders en vrienden of vriendinnen had doorgebracht. Veel tijd kreeg hij daar niet voor want Obdoekil wrong zich stukje bij beetje door het mangat. Trimmen maakte nu plats voor hem en zijn trouwe kameraad mangat gleed soepel nar buiten en naar beneden totdat hij de grond had bereikt. “Je zult wel wat kwijt willen”, lachte hij. Hij voelde zelf ook de behoefte opkomen om even rond te lopen. Het was nu zaak om niet te ver van de wagen weg te dwalen. Voor alle zekerheid liet hij een klein lampje op de voormalige geschutskoepel branden. Het bleek een baken te zijn in de pikdonkere nacht. Vol bewondering keek hij naar de sterrenzee die op aarde zo zelden te zien was geweest. Andere sterren maar het waren er veel. Even gleed zijn blik af naar onzienbare verten in de richting waarvan hij wist dat de aarde er moest staan. De blauwe planeet was niet te herkennen. “Obdoekil”, riep hij. Niet hard want de stilte en de nacht hadden indruk op hem gemaakt. Het vertrouwde sleperige geluid van zijn vriend bleef uit. “Obdoekil”, herhaalde hij iets luider maar het leek of zijn stem op een mat pak van bladeren en mos viel. Hij trok een grote looplantaarn van de buitenkant van de wagen en liet het licht aanflitsen. Het verblindde hem eerst maar al gauw hadden zijn ogen zich gewend. Het dier was niet te zien. Hij deed nu een paar stappen tussen een van de bomenrijen door, verder weg van zijn wagen dan hij eigenlijk van plan was geweest. Misschien moest hij ook de etensbak van zijn maatje halen om mee te rammelen. Hij liet het licht van zijn lantaarn nu helemaal rond gaan en even meende hij een onbekende gedaante tussen de bomen te zien. Zijn lantaarn draaide terug maar de figuur was verdwenen. “Obdoekil”, herhaalde hij. Meteen hield hij zijn adem in om elk geluid uit de omgeving te kunnen opvangen. Er klonk een jankerig geluid als van een huilende zeehond. Op het gezicht van Trimmen kwam een glimlach, het dier leek meer op een hond dan hij had kunnen denken. Hij deed nu een paar passen in de richting van het geluid en riep opnieuw “Obdoekil”. Deze keer zag hij opnieuw een figuur in de straal van zijn lantaarn en meteen scheen hij op dezelfde plek. Het was Obdoekil die op zijn achterpoten stond. Met zijn midden- en voorpoten leunde hij tegen een bom en zijn ogen keken verlangend omhoog. Trimmen liet nu de lichtbundel omhoog gaan. Net buiten het bereik van de voorpoten van de tamer hing reen grote, zwarte bol in de bomen. Het leek sterk op een bijenkorf zoals die vroeger op aarde in gebruik waren geweest. Obdoekil had er klaarblijkelijk zijn zinnen op gezet. Trimmen liet het licht van zijn lantaarn rond de grote bol gaan maar hij hield er meteen mee op toen hij een steeds duidelijker gezoem uit het gevaarte hoorde komen. “Nu niet, Obdoekil, ik ga geen onderzoek plegen in de pikdonkere nacht.” Hij pakte het dier bij zijn hoofdvacht en trok hem met zich mee. “Kom, we gaan naarbinnen”. Hij wees naar boven waar het luik van het mangat nog steeds open stond. Onwillig en langzaam kroop de tamer tegen de wagen omhoog. Even aarzelde hij om meteen naar binnen te gaan. Misschien was het mogelijk om aan de andere kant weer van de wagen te springen maar de stem van Trimmen deed hem anders besluiten. Gehoorzaam klom hij naar binnen. Trimmen volgde hem en sloot het luik onmiddellijk goed. Gelijktijdig deed hij het binnenlicht aan en de buitenverlichting uit.

Hij voelde zich thuis en zag met plezier hoe zijn tamer zich oprolde vlaknaast zijn hoofdkussen. Veel ruimte was er niet. De slaapzak raakte bijna de hoofer******* Het was bepaald geen plaats om lange tijd met Randa te verblijven, een vrouw. Hij begreep zelf niet goed waarom Randa in hem opdook, Het jonge meisje had wel wat anders aan haar hoofd dan om te gaan met een veel oudere “wilde”man. Ze had Ramold, de onschuldige, jonge en smoorverliefde kateling. En toch … hij had het gevoel dat Randa en hij iets gemeenschappelijks hadden. Met een glimlach op zijn gezicht zette hij een bakje met larmsvlees, loderij en merkels in de regnator en daarna zocht hij onder zijn bed naar de etensbak van Obdoekil. Een lekkere larmsbot zou het dier zich niet laten ontgaan. Even later zaten de beide wagenbewoners ieder heerlijk te smikkelen en te drinken en liet Trimmen zijn ogen gaan over de informatie in zijn magon over de noordstranden van Mende. Veel was het niet en de slaap kwam gauw.

Randa woelde in haar bed. Ze lag te piekeren over de woorden van haar vader en over die van Ramold. Zou zij net zo nieuwsgierig kunnen zijn als Trimmen? Uit een behoefte aan weten en kennen geen angst voor de dood voelen? Ramold had daarop voor zichzelf wel een antwoord. Hij was te jong, zo zei hij, om veel over de dood te denken en er misschien zelfs een beetje van te houden. Natuurlijk, hij wilde alles weten over Mende maar dan vooral om op de onbekende planeet te leven. Het liefst wilde hij leven met Randa, dat had hij haar ook gezegd. Ze voelde zich daar wel een beetje huiverig voor want leven met een ander, dat zou zeker veel verantwoordelijkheid geven en veel gebondenheid. Ze rolde weer om in haar bed. Maar doodgaan, nee, eerst wilde ze weten hoe het leven in een echte wereld was. Tenslotte kende zij ook alleen nog maar een eng en bekrompen dorp en het ruimteschip. Van de aarde had zij geen herinneringen. Langzaamaan had ze het gevoel dat haar hele lichaam begon te kriebelen. Het was warm en benauwd in de slaapkamer en ze zou nu het liefste de geur van Ramold om zich heen hebben. Hem aan kunnen raken en tegen hem aan liggen. Weten dat er nog een toekomst was maar haar moeder wilde dat voorlopig nog niet toestaan. “Niet onder mijn dak”, zei ze steeds hoewel ze wist dat ze bij haar volwassen dochter niet veel te willen had. Toch gaf Randa toe aan de wens van haar moeder, ze voelde zich onzeker over haar eigen toekomst. Soms vroeg ze zich af of een leven met een ander samen voor haar wel mogelijk was, of het wel zo leuk zou zijn als het leek. Er was zoveel meer. Ze stond op en liep eerst een keer door haar kamer heen en weer. Daarna opende ze de deur van haar kamer en op haar tenen ging ze de trap af. Bijna viel ze in de hal over Sikke. Het dier begon enthousiast aan haar blote benen te likken. Randa glimlachte. Nu naar buiten? Misschien was het nog niet eens zo’n gek idee, het gaf haar een vrolijk gevoel en bijna huppelend ging ze de trap weer op. Een broek en een hemd, het was genoeg want zelfs de nacht was zwoel en heet. Twee tellen later liep ze weer naar beneden, riep ze Sikke en met haar kleine metgezel liep ze de voordeur uit. Dat ging gemakkelijk want deursloten waren in Aldemundt onbekend. Wie zou er inbreker willen zijn? Het leek of de lucht in het dorp bijna stil stond, alleen een zacht briesje doorbrak de zware hitte. Sterren en de vier manen beschenen de omgeving”Randa wees ze van links naar rechts aan: “Munke, Razebol, Endeman en Grik”, of was het Grik en Endeman”? Ze kom het nooit helemaal goed onthouden ook al had haar vader het tientallen keren verteld en had Ramold dat nog eens dunnetjes overgedaan. De namen waren afgeleid van de vier grote godenbeelden die een van de belangrijkste toegangswegen van Merkelborg, de hoofdstad van Helen, markeerden.

In de herinnering van de Helenen hadden deze beelden een legendarische betekenis en de legende van de vier goden was opgenomen in de Halden fan Gerinhaan. Randa had het verhaal honderden keren gehoord en ze voelde zich er goed bij. “Let goed op mij”fluisterde ze terwijl ze naar de manen keek. Haar voetstappen verbraken de nachtelijke stilte. De mensen hadden het dorpsplein verlaten na middernacht zodat zij morgenochtend het feest weer konden oppakken. Randa vond haar nachtelijke wandeling een feest. Zo alleen, zo stil, ze kon nu doen wat ze wilde. Niet ver van het huis van Weemer van Hornhaaf dwaalde ze van het pad af. Ze passeerde de buitenste straat van het dorp en naderde de oostelijke berghelling. Ze had nog nooit gehoord van vriendinnen die deze route hadden gekozen. Waarom eigenlijk niet? Goed, aan de westkant van de bergen lokte de zee maar aan de oostkant lokte haar nu een bos. Een bos dat ze al twaalf jaar kende en nog nooit had betreden. Het maanlicht speelde met de donkere boomstammen. Het was een wonderlijk spel doordat schaduwen en lichtstroken elkaar kriskras kruisten en verstoorden. Die wilde verstrengeling van licht en schaduw werkte betoverend, merkte ze nu. Het leidde af van details. Vlak voor haar voeten sprong een diertje weg. Juist door de betovering van licht en donker schrok ze ervan en bijna verzwikte ze haar enkel in een wilde poging om om te draaien. “Lafaard”, hield ze zichzelf voor. “Je wilt op ontdekkingsreis, ga dan!” Ze volgde nu de grote, bolle ogen van het diertje dat een spitse staart had en een lange staart met stekels. Het diertje was van haar niet erg geschrokken, het bleef in elk geval aandachtig naar haar kijken. Plotseling verdween het met een sprong in een boomstam waar het razendsnel omhoog kroop. “Een nachtboomstekel” lachte ze tegen zichzelf. Een ingewikkelde naam, het moest iets anders worden. Verder liep ze nu. Ze was drie rijen bomen gepasseerd en ze merkte hoe de grond onder haar voeten begon te hellen. Zou het hier snel bergafwaarts gaan? De duisternis voor haar bewees dat er een flinke schaduw lag en dat kon op een steile helling wijzen. Het begon hier nu echt riskant te worden want ze kon niets zien. Plotseling schuurde er iets langs haar wang. Het voelde zacht en toch stevig aan en het zwaaide vervaarlijk heen en weer. Dat kon ze horen aan het geritsel in de takken. Weer raakte iets haar gezicht. Met een hand voelde ze nu aan de linkerkant naast zich. Ze tastte met haar vingers. Het zwaaiende voorwerp leek op een grote boodschappentas, een ruwe bolster waarbinnen zich een zachte inhoud bevond die bewoog. Langzaamaan konden haar ogen het gevaarte onderscheiden. Het had de vorm van een bijenkorf en was donker van kleur. Een aanzwellend gezoem leek het zwaaien te begeleiden. Randa huiverde. Een ontmoeting met een volslagen onbekende, middenin de nacht. Wat zou haar vader doen, Ramold of Trimmen? Van de laatste wist ze het niet zeker maar de twee eersten zouden rechtsomkeert maken en dat deed zij nu ook. Steeds sneller begon ze te lopen en toen ze de aangestampte aarde van de buitenste straat weer onder haar voeten voelde, holde ze bijna. Ze passeerde het huis van Weemer van Hoirnhaf en keek achterom maar achter haar was nu niets meer te zien dan bomen en een paar huizen. Ze begon weer een beetje rustiger te lopen en langzaam aan begon ze zich weer op jhaar gemak te voelen. Waarschijnlijk was het niets bijzonders geweest! Teruggaan? Ze aarzelde maar dat duurde niet lang. In de deuropening van het huis van haar ouders stond iemand naar haar te kijken. Het was Ramold. “Randa, wat ben je aan het doen?” riep hij verbaasd. “Ach, ik kon niet slapen”, lachte het meisje en ze liet zich in zijn armen vallen. “Ik moest alsmaar denken aan al die nieuwe dingen die je straks gaat ontdekken.” “Je wilde mee’, lachte Ramold. “We gaan zeker een keer een tocht maken, met z’n tweeën”, beloofde hij. “Zo gauw mogelijk als ik terug ben.”Als je terug bent”, op Randa’s gezicht verscheen een angstige uitdrukking. “Dan krijgen we het hele gedoe nog en het ge … “Ramold legde zijn hand op haar lippen. “Dat komt goed, denk eraan”, hij sprak het uit als een belofte. “Laten we “nu eerst maar eens gaan slapen. “Nog een paar benen en we zijn op weg, net als de eerste koelere bries zich weer bij de stralen van Osme voegt.”

Randa knikte maar voor ze op haar tenen naar boven sloop, kuste ze Ramold lang, heel lang. Ze wilde voelen dat ze bij hem hoorde. Plotseling rende ze weg en ging ze de trap op. Die nacht droomde ze en één gezicht dook steeds weer op: Trimmen. Het waren de allereerste zonnestralen die

Trimmen ontdekte toen hij voor de vijfde keer door het venster voorin zijn wagen naar buiten keek. Hij had slecht geslapen. Steeds weer was er een stem opgedoken die hem onrustig maakte. Heel onrustig want zelfs Obdoekil had een plekje in de wagen opgezocht waar hij ongemakkelijker lag maar war hij ook minder last had van Trimmens bewegingen. Maar nu begon Osme terug te keren en Trimmen kon het niet laten om te fluiten. Er begon een nieuwe dag. Vandaag zou hij een belangrijke ontdekking doen, hij wist het zeker ook al kon hij het slaperige gevoel moeilijk kwijtraken. Hij keek nog eens goed door het raam naar buiten en probeerde het landschap beter te verkennen dan gisteravond. Hopelijk was er een beekje in de buurt war hij zich kon wassen. In dit gebied was het meestal een groot netwerk van beekjes en kleine riviertjes. Het heldere en meestal erg koude water van de stroompjes zou hem snel weer wakker maken. Een flinke kop kodelij zou zeker ook helpen. Hij keek naar Obdoekil. Het arme dier had zich helemaal achterin de wagen tussen het mellet en de konserber opgevouwen. Het was duidelijk, de middenpoten waren geen belemmering voor het dier om zich behaaglijk te voelen in een krappe ruimte. De middenpoten lagen tussen de voorpoten gevouwen en namen geen extra plaats in beslag. Trimmen liep weer naar voren en keek voor de tweede keer door het venster. Hij had zich niet vergist, precies voor de motor van de wagen stroomde een beekje. Niet groot maar er was genoeg water voor een wasbeurt. Osme begon het beekje inmiddels te verlichten en het water deed het zonlicht fonkelen alsof er een gouden band door het gras lag uitgestrekt. “Kom Obdoekil”, riep Trimmen. “We gaan even een kijkje buiten nemen. Uit een kastje onder zijn bed haalde hij een handdoek tevoorschijn. Hij trok zijn slaaphemd en -broek uit en kroop in zijn onderbroek dor het mangat naar buiten. Een beetje stijfjes en wankel stond hij boven op de wagen en hij wreef zich de ogen uit. Met een schreeuw als van een aap begroette hij de nieuwe ochtend en alleen een paar kleine dieren vluchtten weg van het water. Zespotige dieren met lange oren en een enkele had een uiterst lange neus of een hoge pluim op zijn kop. “Jullie ga ik ook nog eens goed bekijken”, beloofde Trimmen. Hij keek Obdoekil aan maar het dier had geen belangstelling voor de praatjes van zijn baas. Zoals gewoonlijk bewoog hij zich gracieus en soepeltjes naar beneden langs het pantserstaal. Trimmen sprong heel wat houteriger van de bovenkant op de motorkap en plofte daarna hard op het gras neer. Hij raakte zelfs even met zijn knieen de grond. “Hard is het hier zeg”, schreeuwde hij uitgelaten. Met twee stappen was hij bij het beekje en met zijn hand maaide hij door het water. Zoals hij al had gedacht, voelde het ijskoud aan en hij brulde opnieuw toen de eerste druppels over zijn rug en navel liepen. Steeds sneller schepte hij het water op en met steeds grotere hoeveelheden tegelijk liet hij het over zijn schouders plenzen tot zijn huid van de kou begon te tintelen. Daarna rende hij een rondje en daarbij trok hij zijn knieen hog op onder het zingen van een tekst uit een aards liedje over een rendier dat zijn moeder hem ooit had geleerd. Zij had hem verteld dat het liedje lang geleden werd gezongen bijeen belangrijk feest in het hartje van de winter, hoewel sommigen het lied ook in de zomer zongen. Het stamde uit tijden ver voor de Hornich. Trimmen vond het een leuk liedje omdat het zo gemakkelijk was om op de maat rond te dansen. “Rudolf was een mooi rendier, met een grote, natte neus”, zong hij. Eindelijk had hij genoeg van zijn rondedans en hij voelde dat hij nu echt moest opschieten. Obdoekil stond hem al van vanaf de bovenkant van de wagen aan te kijken en piepte zo nu en dan onbedaarlijk. De baas moest nu echt komen. “Maf beest”, Trimmen zwaaide naar zijn tamer terwijl hij zich afdroogde. Met zijn handdoek als een vlag in zijn hand sprong hij op het spatbord van de wagen en toen begon de moeizame tocht langs allerlei uitsteeksels weer. Hij gaf zijn tamer een duw en het dier kroop gehoorzaam naar binnen. Trimmen volgde hem snel en even later had hij zijn plaats achter het stuur al weer ingenomen. Daar kleedde hij zich meestal aan.

“Een kop kodelij”, schoot het door hem heen. Hij draaide zich naar achteren en maakte in zijn kleine pantry de drank klaar. Al gauw zat hij weer op zijn plaats. Hij duwde de stok in de klem die bij het mangat zat. Even vroeg hij zich af of het tijd was om te eten of om om te rijden. “Rijden”, beslot hij en meteen startte hij de motor. “Op naar het strand”, beval hij zichzelf. Hij liet het luik van het mangat openstaan en daardoor kwam er steeds een heerlijke, frisse windvlaag naar binnen, Trimmen vond dat een prima begin van een heel lange dag die voor hem leek te liggen met een uitzicht op nog veel meer larmen. Ja zeker, de Mendse schapen stonden in enorme kudden die zich tot in de verte uitstrekten. Trimmen dacht dat het er nu wel zo’n honderdduizend moesten zijn “Larmen, dat is het enige waarvan deze planeet beslist een overschot heeft”, maakte hij zichzelf wijs. “Een handvol mensen in Bixhoorn en Aldemundt is alles. Het lijkt wel of er hier niets is dat ook maar een beetje op ons lijkt. Ik weet niet of ik daarom blij moet zijn. Met een paar duizend mensen op deze planeet zou het wel eens heel erg eenzaam kunnen worden Aan de andere kant, voor de planeet zou het wel goed zijn, natuurlijk. Geen vervuiling, geen onnodige jacht, geen wreedheden …”, hij slikte een paar keer om te bedenken wat de andere voordelen zouden zijn. “Maar wees niet bang”, zong hij op een zelfverzonnen melodie. “Voordat er miljarden zijn, duurt het niet lang.” Grijnzend keek hij even boven het mangat uit. De frisse ochtendwind recht in zijn gezicht voelde heerlijk aan. Wat een onbedorven brok natuur! Er kroop een gevoel van intense tevredenheid in hem naar boven. Een gevoel zoals hij het op aarde nooit had gekend of … was hij dat vergeten? Het binnenland van Helen vertoonde toch ook een weldadige rust. Zijn gedachten verlieten de aarde weer en hij keek uit over het glooiende landschap waar de larmen zich te goed deden.

Een paar uur doorrijden zat er op die manier wel in of… niet ver voor hem uit strekte zich een gebied uit waar de witgroene kleur van het gras plaats had gemaakt vor een zwart-bruine kleur. Het leek een soort stip op een vlekkenloos tapijt wsant verderop hernam het gras zijn lichte kleur weer. Wat was hier aan de hand? Trimmen schoof iets naar voren op zijn stoel om de plek beter te kunnen bekijken. De weemers doken in zijn gedachten op maar hij kon de kleine aapjes nergens ontdekken. Zonder ernaar te kijken pakte hij de verrekijker van het dashboard voor hem. Hij tuurde door de beide glazen naar het gras maar er was geen beweging te zien. Geen weemers! Onwillekeurig draaide hij de kijker om zodat hij nu de kleine lenzen naar voren gericht hield waardoor alles kleiner maar scherper werd. Alles? Er was niets. Hij keek uit om een grijszwarte mist, volledig ondoorzichtig. Onbegrijpend liet hij de kijker weer zakken maar nu was er niets te zien alleen, de vlek leek zich uit te breiden en kwam steeds dichter bij zijn wagen. Plotseling begon er zich een ongerustheid van hem meester te maken. De grens tussen bruin-zwart en wit-groen naderde steeds sneller. Ongetwijfeld had hij hier te maken met een van de bijzondere verschijnselen van Mende, iets dat op aarde niet bestond en het verschrikkelijke van die gedachte werd hem maar langzaam duidelijk. Er was een amprose in opmars en het ding kwam razendsnel naar hem toe. Opnieuw keek hij dor de kleine glazen van zij kijker en de zwart-bruine mist was duidelijker dan ooit.

Zonder zich te bedenken trapte Trimmen op de rem. Hij liet de kijker vallen en schakelde in de achteruit. Meteen daaropp trapte hij het gaspedaal helemaal in. De wagen schoot achteruit. Eeven leek het of hij zich verwijderde van de bruin-zwarte vlek maar al gauw breidde deze zich nog sneller dan voorheen uit in zijn richting. Zelfs met vol gas kon hij de vlek niet voor blijven. Trimmens hersenen begonnen kortsachtig te werken. Moest hij zijn wagen hier aan de vraatzucht van de amprose obverlaten of was er nog een uitweg? In het uiterste geval moesten hij en Obdoekil de wagen razendsnel verlaten maar Trimmen hoopte dat zijn slimmigheid hem niet in de steek zou laten. In een opwelling gaf hij een stevige ruk aan het stuur naar links. De wagen reageerde langzaam maar makte toch in een flinke vaart een bocht naar links. De vlek leek hem niet meer te volgen mar Trimmen wachtte de gang van zaken niet af. Hij trapte opnieuw het gaspedaal diep in en dat was het ebste wat hij had kunnen doen want de vlek begon nu toch weer in zijn richting te kruipen. Onrustbarend snel ging het en Trimmen gaf opnieuw een ruk aan het stuur naar links. De neus van zijn wagen stond nu weer in de richting van Aldemundt. Trimmen schakelde snel in de vooruit en schakelde op terwijl hij gas gaf. De wagen maakte een scherpe boncht naar rechts en reed nu in de richting van de bergen. Hij hield het honderd meter vol en stuurde opnieuw naar rechts, na enkele meters weer naar links en nog een keer naar links en vol gas reed hij nu in de richting van de bergen totdat hij een heftige ruk naar rechts gaf. Hij hoorde hoe de vering kraakten en piepten. Een pantserwagen is geen skelter! Nieuwsgierig keek Trimmen nu over de rand van het mangat. In de richting van de vlek. Hij zag nu op een halve rode afstand het bruin-zwarte gras liggen maar het leek wel of de uitbreiding tot staan was gebracht. De amprose, wat het dan ook mocht zijn, was in verwarring. Dat was het gevoel dat Trimmen erbij had en hij moest ondanks de spaning hard lachen. “Een amprose verneukt”, schreeuwde hij zo hard hij kon. Obdoekil werd er wakker van. Trimmen hoorde het dier achter hem geluiden maken en hield draaide zich naar hem om. Voor het dier lag een dikke hoop braaksel. Het dier was misselijk geworden en staarde de baas wanhopig aan. “Ja, ja, wanhoop, die ken ik ook. Sorry, Obdoekil, we ruimen de zaak zo meteen op.”

Hij zuchtte want de zure lucht van het braaksel begon de wagen te vullen. Hij gaf opnieuw vol gas. “Eerst weg van die amprose!” en in stofwolken gehuld schoot de wagen opnieuw naar het noorden.


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën