Gepost door: Kaj Elhorst | mei 17, 2009

Het schip

 

 

 Het was nu 40 graden boven nul en geen Aldemundter kon zich een warmere dag in het dorp herinneren. De Osme-zomer brandde dit jaar wel heel erg op het land. En toch…niemand had er aandacht voor. In een lange stoet daalden de mannen vrouwen langs het bergpad naar het strand naar beneden. De handen op elkaar gevouwen alsof zij een brug vormden en de gezichten naar boven gericht. Voor hen uit droegen acht mannen de twee schepen die Trimmen en Weemer hadden gevouwen van doeken en lakens en waarin de dode lichamen van de twee jongenswaren verpakt. Lichamen? Randa durfde zich nauwelijks voor te stellen hoe de jongens er nu uitzagen. Ze keek met zich heen en ze zag dat er ook door anderen zo nu en dan een siddering ging. De mensen keken angstig en onwennig bij deze uitvaart. Letterlijk, een uitvaart of , Heleens, een merhaan. De Aldemundters waren gewend hun doden in een open kist naar het graf te dragen maar daarvan zouden ze in het vervolg af moeten zien. In plaats daarvan waren op de “schepen” schilderingen aangebracht van de jongens. Voorop liepen de familieleden van de jongens met de Moden, de usker, Weemer en Trimmen. De laatste had gewacht met zijn terugweg totdat deze droeve dag voorbij was. Hij was immers de aanstichter van deze gang van zaken en hij wilde daarvoor ook verantwoording afleggen als het nodig zou zijn. Randa dacht ook aan Ramold die als enige in het dorp was achtergebleven omdat hij niet uit zijn huis mocht komen. Bij deze uitvaart wilde hij liever al helemaal niet zijn want sommigen zouden hem opnieuw aanwijzen als moordenaar. Gelukkig, wist Randa, waren er nu steeds meer mensen die daaraan begonnen te twijfelen maar zijn onschuld, nee, die was nog bij lange na niet bewezen.De lucht was wolkenloos en hier en daar cirkelden vogels rond, vooral boven de zee om dan weer een steile duik naar het water te doen om een visje te pakken. In de verte, in het westen leek zich een wolkendek te vormen maar Randa wist dat die wolken weer zouden afdrijven, vooral naar het noorden. De Osme-zomer bracht Aldemundt steevast langdurig hitte. Daarom was het zo goed dat de dwijne en het andere graan nu van de akkers was verdwenen. Het zou er maar verkommeren. De voorsten in de stoet hadden nu het strand bereikt. Zij lieten zich de weg wijzen door Weemer en Trimmen. Op weg naar “het kanaal”zoals de smalle stroom verderop inmniddels in de volksmond heette. Plotseling keek Randa weer op. De wolken in de verte leken witter te worden dan eerder en ze leken ook steeds minder op wolken. Ze zagen eruit als schepen met opbollende zeilen. Het wit werd zilver en de contouren van de schepen zetten zich vast op Randa’s ogen. Zij zuchtte maar bracht geen geluid en zeker geen woord uit. Dit was niet het moment. “Gaat het nog goed?” Het was Syfa’s stem die zich bij haar gedachten voegde. “Zeker, het gaat goed”, Randa glimlachte flauwtjes. “Voor zover het goed kan gaan op een dag als vandaag. Im dacht even een beeld te hebben van het voorland van onze gestorvenen maar het zal niet meer zijn geweest dan een beeld.” “Elk beeld is werkelijkheid”, meende Syfa ernstig. “Als je ergens aan denkt, is het er al. Je moet het dan alleen nog maar naar je toe halen of van je afstoten. Het lijkt soms wel of dat hier op Mende nog meer geldt dan vroger, op aarde.” Ze hoorden nu van alle kanten steeds opgewondener fluisteren. Randa maakte zich los van de stem van haar vriendin en keek opnieuw voor zich uit. Het zilver was goud geworden en de schepen waren nu vlak onder de kust. Ook de anderen zagen de vloot liggen. Er ging een bewonderend gemompel door de stoet. Osme liet zijn stralen nu helder weerkaatsen op het water en op de zeilen. De zeilen flonkerden nog mooier dan het zonlicht vlak boven het wateroppervlak. Randa probeerde te zien of zij aan boord van de schepen ook figuren kon ontdekken maar er bewoog niets ook al bleven de zeilen bol staan. Zij voelde een wind die haar haren niet bewoog en waardoor ook geen jassen of rokken opwoeien. Maar zij wist het, ze was niet de enige die het zag. “”Mende toont zijn rijkdommen”, sprak de usker zachtjes. “Onze doden worden ontvangen door de planeet”, stemde de Moden in. “Wonderbaarlijk”, Trimmen keek met stralende ogen naar de zee en zag de gouden schepen naderen. “Dit heb ik in Bixhoorn niet zien gebeuren.”Hij stootte Weemer aan maar deze gaf geen antwoord. Hij voelde zich vertwijfeld. Op aarde hadden hij en talloze anderen al lang afscheid genomen van het bestaan van wonderen en nu … hier leek ineens iedereen erdoor te worden aangeraakt. “Op vallend”, ging Trimmen verder. “Wij komen van de aarde war we de wonderen hebben afgezworen en hier weten we allemaal zeker dat ze zich aan ons voordoen. Ik vraag me af … is het de onbekende omgeving, de geheime planeet die ons gevoelig maakt voor dit soort verschijnselen?” Het antwoord kwam deze keer van de Moden. “Waar wij op aarde soms moeite deden om verwondering te voelen, daar dient ze zich hier uit zichzelf aan. Wij hebben nog geen verklaringen gevonden voor dat wat zich aan ons voordoet en zie … we zijn meteen bezig met verklaringen te zoeken. Het zou mooi zijn als we tevreden konden zijn met de verwondering zelf.”Dat kon Trimmen niet ontkennen maar hij voelde in zich de drang om te verklaren. “Ik ben onderzoeker, wetenschapper. Ik wil kunnen indelen en onderbrengen, desnoods in het land der fabelen. Maar een verklaringloos aanschouwen. Dat is mij niet gegeven.” “Het gaat erom”, mengde Weemer zich nu in het gesprek. “Het gaat erom of een verklaring gewenst is. Je kunt niet waardenvrij verklaren en als de waarde geen belang vertegenwoordigt, moet je de verklaring nalaten.” De Moden glimlachte begrijpend. “Daarvoor is wel erg veel discipline nodig, Weemer. Het is de vraag of mensen dat ooit kunnen op brengen.” Ze stonden nu aan het “kanaal”. Het was nu tijd om de “schepen” in het water te zetten en ze naar zee te laten afdrijven. De Aldemundters richtten zich nu weer op de beide “schepen” en zij luisterden naar de stem van de usker. “Vaar wel en voegt u nu bij de vloot die de uwe is.” Zijn woorden klonken zo wonderwel toepasselijk. Had hij ze nu net ter plekke bedacht? De beide rollen dobberden over het water en de Moden gaf beide met een roeispaan een duw in de richting van de zee. Langzaam leken zij naar het diepe water te worden toegetrokken. Het was alsof de gouden vloot zich weer van de kust verwijderde maar Randa wist zeker dat vanaf elk schip een gouden draad liep naar de bundels waarin de jongens waren verpakt. Steeds sneller dreven ze naar de zee en eindelijk bereikten ze het open water. Daar begon op beide een vlam te branden, een vlam die groeide en groeide totdat hij de hoogte van een volwassen man had gekregen. Randa keek nu naar de ouders van de jongens. Zij hadden geen betraande gezichten meer en hun ogen straalden geen droefenis meer uit. Zij wuifden naar de bundels die nu verder op zee verdwenen terwijl de vloot weer van goud naar zilver kleurde. Het leek bijna of zij blij en opgetogen waren maar dat was natuurlijk niet zo. Toch had de verschijning van de gouden vloot een groot deel van hun onzekerheid en hun gevoelens van eenzaamheid verjaagd. Hier op Mende zou de dood nooit eenzaam zijn. Zij liepen nu met vlotte pas tussen de andere Aldemundters door en zij keken elke dorpsgenoot dankbaar aan. De Moden, de usker, Trimmen en Weemer volgden en zo begon de hele stoet aan haar terugtocht. De Moden zocht nu de ogen van Berg Wamerhorn. “We hebben afscheid genomen. Misschien was het nodig om op een goede, onbevangen manier kennis te gaan maken”, zei hij. “Je bedoelt natuurlijk de expeditie”, reageerde Berg. “Ik denk wel dat we vandaag allemaal iets hebben geleerd en daarvan kunnen we op onze reis heel veel voordeel hebben.”Hij keek opnieuw naar de zee. In de verte was alleen nog een wit wolkendek te zien dat langzaam afdreef naar het noorden. “Maar de boodschap is duidelijk. Morgen moeten we weer gewoon zakelijk aan het werk gaan en de dingen doen die hard nodig zijn. Morgen zal er geen gouden vloot zijn, tot op de dag dat we weer iemand naar zee brengen.” “Misschien”, meende de usker. “Misschien was dit wel de eerste en de enige keer dat we zo’n gouden vloot te zien kregen. De eenmaligheid van een verschijnsel maakt het niet minder waar dan de herhaling ervan.” “Hmm”, Weemer kwam nu dichterbij lopen. “Dat zou jammer zijn want eenmaligheid verplicht tot jet vastleggen van waarden en alleen daardoor al zal het licht verbleken.” “Nou”, begon Trimmen. “jullie klinken wijs maar ik zou vooral graag willen weten waar dit verschijnsel zijn oorsprong vond.” Weemer grijnsde. Hij had er een idee van maar het was veel te vroeg om daarover iets te zeggen. Randa had het gevoel dat ze zweefde toen ze bij Ramold aan de deur klopte, alsof ze de hele tijd in een droom had gelopen. Nog bovenaan het klif had ze over de zee uitgekeken maar de wolken weg. Tot ver aan de horizon reikte niets dan een effen, blauwe lucht. Ranold deed zelf de deur open en trok zijn vriendinzachtjes naar binnen. “Ik hoop niet dat iemand me ziet”m fluisterde hij. Randal glimlachte verlegen. “Wat zeg je //?”Ramold zag dat zijn vriendin er met haar hoofd niet bij was. Hij herhaal;de zijn opmerking niet. “Zal ik een glas pomeran voor je inschenken?”vroeg hij zachtjes. Randa knikte langzaam. Ze ging aan de grote, ronde tafel in de achterkamer zitten en liet haar hoofd op haar handen rusten. Haar lange haar hing nu langs haar schouders recht naar beneden alsof het een gordijn was. “Het was prachtig, Ramold, je moet me geloven. Ik weetr dat je er niet over wilt praten maar ik moet het kwijt. Het was zo schitterend. De manier waarop die beide “schepen” vanuit het “kanaal” naar de zee toe dobberden en toen … .” Ze slikte moeilijk. “Ja, en toen>” Ramold kwsam nu met een glas met dezelfde zoete drank naast haar zitten en nam een slok. “En toen?”Randa keek hem met een oog zijdelings aan. “Je moet me beloven dat je me gelooft en dat je niet gat lachen.”Ramold legde zijn arm om de schouders van het meisje. “ Er valt in deze hele zaak voor mij weinig te lachen”, zei hij zacht. “Vertel op, wat is er gebeurd? Ik geloof je, ik geloof je altijd. “”Eerst leken het de gewone witte wolken die ’s middags wel eens naar het noorden afdrijven maar nu was het anders. Het wit werd zilver en de wolken namen de vorm van zeilschepen met bolle zeilen aan. Langzaam veranderde de kleur en het zilver werd goud. WE zagen het allemaal, Ramold, echt alle Aldemundters en zelfs Trimmen hebben het gezien. Ja zelfs Trimmen, die is toch behoorlijk ongelovig wat dat betreft. Hij kon zich er niet aan onttrekken. Het leek net of de gouden schepen de scheepjes met de doden uit het kanaal met zich meetrokken, ver de zee op.” Randa nam een slok van haar pomeran en draaide haar gezicht naar Ramold toe. “Toe zeg dat je het gelooft. “ Ze voelde zijn aarzeling maar zee bleef wachten tot het antwoord kwam. “Je hoeft niet zoveel uit te leggen”, zei hij. “Ik heb alles gezien. Terwijl jullie op het strand stonden, keek ik vanuit de zolderlamer over de zee uit en ook ik heb de gouden schepen gezien. Ik dacht eerst dat er iets mis was met mijn ogen maar ze werden steeds duidelijker en scherper omlijnd. Ja heus, ik de scptische Ramold, heb die dingen ook gezien. Ik zag ook hoe ze weer langzaam verdwenen en ik heb het lict gexzien dat flitste toien het laatste zeil in de lucht leek op te gaan. Het was wonderbaarlijk,m het was een wonder,. Verklaren kan ik het ook niet. Misschien raken we zolangzamerhand gewend aan dingen die we vroeger niet kenden. Het lijkt wel of daardoor ineens alles kan wat vroeger onmogelijk was. Ik heb me in elk geval voorgenomen nooit meer te lachen om iemand die mij iets zegt over een wonder.” Randa keek haar vriend nu ernstig aan. “Ik ben zo bang geworden ook al kreeg ik even hoop toen die gouden schepen kwamen.” “Ook ik ben bang”, gaf Ramold toe. “Ik heb geen idee waar dit allemaal zal eindigen maar ik geloof in ons.” Hij trok Randa dichter tegen zich aan en kuste haar langdurig. Ze gingen zo in elkaar op dat ze niet zagen hoe de kamerdeur even openging. De ouders van Ramold keken om de hoek. “Ik denk dat we beter even boven kunnen gaan zitten”, zei zijn vader tactvol. “Het voordeel is dat we daar nog even over de zee kunnen uitstaren en denken aan het beeld dat we vandaag hebben gezien. Wat mij betreft is Mende een bijzondere planeet. Ik ben blij dat we 22 jaar geleden hebben besloten de grote stap te wagen.” “En anders ik wel”, gaf zijn vrouw toe. “Dat was het dan”, Trimmens stem klonk opgewekt. “Ik ben hier al weer langer dan ikm eerst van oplan was. Het wordt hoog tijd dat ik weer op pad ga.” Hij keek naar de stralende lucht. “En waarom zou ik niet eens midden op de dag vertrekken.” “Jammer”, vond Weemer. “Ik had graag nog eens wat langer met je gesproken over een planeet met karakter.””Ach ja”, meende Trimmen. “En planeet met karakter, dat is de aarde ook maar een karakter is altijd het mooiste als we het aan het ontdekken zijn. Ik ga vanmiddag, Weemer. Denk je dat ik nog wat te eten kan krijgen in de winkel hier.”? Weemer maakte een wijds gebaar. “WE zijn hier geen achterggebleven gebied. In de winkel is alles wat je nodig hebt, vlees, graan, fruit, noem het maar op.” “Ik moet spullen hebben voor een week, denk ik. Tegen die tijd ben ik wel weer thuis.” “Doe je er zolang over”m Weemers stem klonk verbaasd. “Ja zeker”, stelde Trimmen vast. “OP de terugtocht mmaak ik een omweg. Ik ga eens op het strand kijken. Misschien kom ik nog wel meer van die duimgrote wezens tegen of misschien nog wel iets heel anders. Ik ga eens even kijken of ik nog een paar raadselen kan ontmoeten. Dan heb ik weer iets te doen als ik thuis ben.” Weemer keek hem onbegrijpend aan. “Maar het grootste raadsel zijn toch al die mensen die op een nieuwe planeet wonen. Hun gedrag, hun denken, alles verandert. Daarmee wil ik me in de komende tijd eens wat meer bezighouden. Waar komen al die veranderingen toch vandaan.” Trimmen antwoordde razendsnel. “Ik hoop dat ze veranderen want op aarde hebben ze er maar een beetje een potje van gemaakt. Het beste wat ze ooit hebben gedaan, is dat ze ons hebben laten gaan. Voor de rest was het allemaal niet zo bijzonder. Ik zou graag zien dat het hier wel iets moois wordt.” Het vrij kleine gebouw lag een beetje verdrukt tussen de tempel en de grote schuur aan de andere kant. Aldemundters haalden er dagelijks alles wat ze nodig hadden. “Waarmee moet ik eigenlijk betalen?”vroeg Trimmen maar Weemer stelde hem meteen gerust. “Ik denk dat jij helemaal niet hoeft te betalen. Je hebt vreselijk veel voor Aldemundt gedaan. Hier in het dorp betalen we trouwens nooit. Iedereen zet zich in voor de samenleving en hij kan in de winkel halen wat hij nodig heeft. De winkelier zorgt ervoor dat er voor elk steeds in voorraad is wat hij nodig heeft.” Trimmen keek er niet erg verbaasd van op. In Bixhoorn was de dagelijkse gang niet veel anders al spraken ze in de Modaal wel en over de invoering van een soort geld. Bixhoorn was tenslotte ook drie keer zo groot als Aldemundt. Tot nog toe hadden ze toch nog geen geld nodig want iedereen kende al zijn dorpsgenoten. Snel was hij klaar. Voor een week had hij in zijn entje niet veel nodig maar hij kocht wel veel verschillende dingen. Broodbessen, freesbrood,….melk en -kaas, vlees van de …., merkels*** , garonade****, zes flessen gome en gaddering en pollendop***** Weemer hielp hem de etenswaren naar zijn wagen te brengen. In de centrale grot haalden ze ook nog twee jerrycans met vijftig liter water. “Ik heb nog …….. aan boord. Het lijkt em dat ik het onderweg zo goed uit kan houden”, zei hij tevreden. “Zodra ik thuis ben, wix ik je. Als het meezit neem ik een paar van die kleinduimpjes mee. Ik wil beslist eens weten wat het voor wezens zijn en of ze met een mens kunnen samenleven. Misschien zijn het wel leuke dieren voor kleine kinderen.” Weemer lachte breed. “Je ziet het helemaal voor je he, een tafel vol met die apen.” Het woord was eruit Weemer was ervan overtuigd dat de duimkliene mannetjes en vrouwtjes een soort aap waren. “Apen, ja wie weet”, zei Trimmen langzaam. “Je zou best eens gelijk kunnen hebben. NMaar aan de andere kant, ik denk dat de dieren hier echt anders zijn dan op aarde, zelfs al lijke ze wel eens veel op een vogel of een hond.” Bij het laatste woord keek hij door de voorruit van het huis van Weemer. “Kijk, Obdoekil zit rustig op me te wachten. Hij komt nu naar het raam toe want hij heeft me herkend. Hij gedraagt zich vaak als een hond maar het is er geen. Welke hond knaagt er nou op wortels?” De mannen gingen het huis van Weemer binnen. Er hing nog de lucht van de dode raak die ij middenuin de nacht al eerder naar zee hadden gebracht. “Toen waren er geen goude”n schepen”, merkte Weemer op. “Toch vreemd, vroeger zei de RK-kerk dat dieren geen ziel hadden. Zou dat er iets mee te maken hebben.” Trimmen schudde wild zijn hoofd. “Ga nou niet de gebeurtenissen hier gebruiken om het gelijk te bevestigen van een kerk die zelfs op aarde al lang dood en begraven is omdat de mensen ziek werden van alle vooroordelen. “Mijn bet-bet-bet-over-overgrootvader was RK”, merkt Weemer zuur op. “In het jaar 2067 is hij overleden.” “Mooi”, haakt Trimmen daarop in. “En met hem stierf dat oubakken geloof van hem.” “Bijna wel”, geeft Weemer toe. “Honderd jaar later was het vergeten en versleten. Hij was eenn van de laatsten die er lange tijd aan vast hield. Tot op zijn allerlaatste dag.” “Hoe kun je dat wete”?”vraagt Trimmen nu. “Uit brieven en trouwens, Jorwert van Hornhaaf wordt in de geschiedenisboekjes genoemd…als handhaver van het pauselijk geloof. Ooit klom hij met een fakkel in de vorm van een kruis op de woning van de Paus, het Vaticaan. Onder het uitroepen van de kreet “eternitate vos peritis”, voor de eeuwigheid zullen jullie vergaan. Daarmee doelde hij op alle vijanden van het geloof en dat waren er vele in die tijd.” Trimmen lacht schor. “Ik begin langzaam aan heel veel van je te begrijpen, Weemer.” De Aldemundter keek hem argwanend aan maar ineens lichtten zijn ogen op. “O ja, en noem mijn naam niegt tegenover Syfa Hermondt-Degelaar want dan zal die spreuk ook voor jou gelden.” Trimmen laat nu een bulderende lach horen. “Maar ze zal naar je vragen.” “Zeg dan maar dat ik getrouwd ben en heel gelukkig.” Het antwoordt schiet als een pijl uit een boog op Trimmen af. “Mij best, maar het is een ondernemede dame. J hebt zomaar kans dat ze op een goede dag voor je duer staat.” “Als jij haar dan maar niet de weg wijst”, houdt Weemer vol. “Ook goed, wat je wil”, vindt Trimmen. Hij roept zijn tamer en draait zich langzaam om. Ik geloof niet dat ik nog kleren bij je thuis had liggen”, zegt hij. “Volgens mij ligt alles in mijn wagen. Ik zal straks nog even bij de Moden langs gaan om afscheid te nemen en dan ga ik.” Hij omelst zijn vriend stevig en kort en draait zich om. “Kom Obdoekil, we gaan weer op reis.” De grote, zware tamer lijkt zijn kop te schudden en kijkt zijn baas aarzelend aan. “Zolang aarzelde hij niet toen hij op een goede dag ineens voor mijn deur stond. Dat is nu drie jaar geleden”, lacht Trimmen. Hij wilde en hij zou beslist bij me naar binnen komen en toen heeft hij meteen mijn woonkamer in beslag genomen. Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Hij kan soms vreselijk veel herrie en drukte maken maar meestal ligt hij aan mijn voeten “ Ook Weemer moet nu lachen. “Hier in het dorp heeft alleen Randa een tamer. Het is maar een klein beestje. Ze heeft het diertje gevonden toen ze een wandeling langs het Hanebrood maakte. Het dier had daar een goed heenkomen gezocht en liep onmiddellijk met haar mee. Ze gedragen zich wel een beetje als de aardse honden maar ze zijn ook heel erg nieuwsgierig en van meet af aan aanhankelijk, geloof ik.” Trimmen knikt. “Dat kun je wel zeggen en soms zijn ze ook veel luier dan een hond. “Kom op, Obdoekil, de baas wil gaan.”Hij geeft het dier een stevige por aan de bovenkant van zijn middelste linkerpoot. Deze keer staat hij langzaam op en begint hij de hand van zijn baas te likken. Zwenkend over de hele lengte van zijn lijf sloft hij achter Trimmen aan. “Als hij eenmaal op gang is, hoef ik hem niet meer aan te sporen. Zodra ik wil gaan zitten, kijkt hij me weer aan of dat nou echt nodig is.Ik denk dat hij eigenlijk niet van verandering houdt.”” “Dat is nog nuiet zo’n gekke”, mompelt Weemer half-luid. “OK, Weemer, we wixen!” “Ja zeker”, bevestigt hij. “Maar over een dwindel ben ik op pad. Op zich is dat niet zo erg want ik ben waarschijnlijk gewoon via de wix bereikbaar, alleen zal ik niet altijd meteen antwoorden.” Trimmen steekt zijn hand nu omhoog en pakt de tamer bij een oor. “Even naar de Moden en dan gaan we weer, jong.” Even, ja, ja, dat had Trimmen gedacht. De Moden was deze keer in zijn kantoor dat meteen aan de tempel grensde aan het werk. Met grote stappen ging Trimmen naarbinnen. Dat ging gemakkelijk want de voor deur stond open en de Moden wenkte hem en zijn tamer. “Ik moet eindelijk eens wat papierwerk wegwerken”, zei hij. Hij hurkte bij Obdoekil neer en gaf hem een alachkoekje. Het dier slobberde de lekkernij weg en keek alsof hij nog veel meer verwachtte. “Papierwerk?” vroeg. Trimmen. “Zet nu niet alles vast op de magon******?” “Ja zeker wel”, gaf de Moden toe. “Maar ik noem het papierwerk. Dat heb ik zo geleerd. Ik ben een man van de oude stempel.” “Ja maar papier”, lacht Trimmen. Dat materiaal zien we normaal alleen nog maar in musea voor de oudheid.” “Het is de oude adel in mijn botten”, lacht de Moden weer. “Je moet weten dat ik vrij nauw verwant ben aan de prins. Ik ben tot nog toe het enige lid van zijn familie dat naar Mende is verhuisd. Maar. Vertel me eens, wat zijn jouw indrukken van Aldemundt?” Trimmen had die vraag niet verwacht en keek even de kamer rond. “Denk maar even na een neem een glas gome, dat vind je geloof ik lekkerder dan pomerans. “Klopt”, glimlacht Trimmen. Hij neemt een stoel, schuift dichter naar de tafel en krult zijn lippen. “Aldemundt is wel een beetje wat ik ervan had verwacht”, zegt hij langzaam. “De oudste nederzetting van Helen op Mende, u zei daarnet al, echte oude adel. Wel een beetje stijfjes en erg deftig. Niet echt mijn keuze.” De Moden knikt. Hij zet een glas gome voor Trimmen neer. “Ik kan je goed begrijpen. We moeten hier erg voorzichtig omgaan met de gevoelens van mensen. Natuurlijkw aren het oorspronkelijk allemaal avonturiers maar toen ze eenmaal voor het eerst voet op de bodem van deze planeet zetten, was er veel bravour vanaf. Niet de hoop is ons ontschoten maar de moed is wel een beetje weggevloeid. Veel mensen hebben hier nog steeds het idee dat we hier in een soort isolement leven, alsof er verder niemand is. Dat geeft een gevoel van eenzaamheid en het wekt achterdocht op. Wat voor noodlot hangt ons boven het hoofd?”Trimmen wil de Moden nu in de rede vallen maar deze blijft doorspreken. “Er zijn ook mensen die zich verheven voelen boven alles wat zich hij er aan onverwacht levende wezens zal kunnen voordoen. Voor zulke gedachten zijn vooral de katelingen gevoelig. Zij hebben immers geen vergelijkingsmateriaal, alleen de mensen en dieren aan boord van de Arketan. Het is mijn hoop dat de expeditie van Berg Wamerhorn daaraan het nodige veranderen. Het zal het gevoel van isolement vast en zeker doen verdwijnen.” Trimmen kijkt de Moden onderzoekend aan. “En uzelf?” De Moden staat op en loopt naar het raam. Het lijkt of hij geen antwoord wil geven en bijna wil Trimmen iets zeggen om de reactie te bespoedigen maar dat is niet nodig. Langzaam draait de Moden zich om. “Ik ben er een van het Huis van Telgen-Nespel”, zegt hij. Hij kijkt zijn bezoeker langdurig aan. “Een volle neef van prins Paup van Helen. Misschien wist u dat niet.” Trimmen knikt om aan te geven dat hij daarvan niet op de hoogte was. “Mijn vrouw is obdoelin Syfa van Ferdersveldt, hoge adel. Wij Telgens hebben ons nooit erg op onze afkomst laten voorstaan al zien mensen ons als helden. Dat is altijd een bindend element geweest en dat was voor mi en mijn vrouw ook een reden om naar Mende te gaan. We zijn niet beter dan andere mensen maar we hebben altijd wel meer kansen gehad om ons te richten op de Hornich en op de taak die ons erfelijk was toebedeeld, voorspreker en bindende persoonlijkheid zijn in een land vol wijze mensen waar toch ook verschillen bestaan. Paup is daarvan een goed en levendig voorbeeld. Ik heb mijn neef altijd op handen gedragen. Hij is vijf jaar ouder dan ik en was lange tijd een voorbeeld voor me. ”Trimmen wil de Moden nu in de rede vallen maar deze maakt een afwerend gebaar. “Ik heb nooit veel op gehad met onze erfelijke positie, dat was het grote verschil tussen mij en Paup. Logisch ook, hij is opgevoed als troonopvolger maar het verschil tussen hem en mij is niet zo groot. Ik ben wel heel erg doordrongen van het belang van een lange familietraditie. Als die goed is, kan ze staan voor goed leiderschap. In dat opzicht ben ik een echte aristocraat al probeer ik dat hier zoveel mogelijk te verheimelijken. Ik kan de mensen hier moeilijk beschouwen als mijn “onderdanen”Deze planeet is niet meer van mij dan van hen. Het is trouwens nog maar helemaal de vraag of dat “meer”op aarde wel bestaat maar daar wil ik het nu even niet over hebben.” De Moden leegt zijn glas nu in een teug en kijkt Trimmen vrolijk lachend aan. “Het is een hoop ernst bij elkaar terwijl er vrolijkheid hoort bij het afscheid van iemand die je graag mag want dat feest is het symbool voor de hoop op terugkomst. Je zult je afvragen waarom ik je dit allemaal vertel.” Trimmen drinkt met kleine slokjes zijn glas leeg want hij heeft al lang begrepen dat het geen zin heeft om de Moden in de rede te vallen. “Ik ben eigenlijk bang, Trimmen. Ik loop niet dagelijks rond met veel angst maar ik ben wel bang. Ik heb het gevoel dat Aldemundt ooit de ambitie krijgt om zich te ontwikkelen als de eerste en dus de enige echte vestiging van aardlingen. Dat er hier mensen zullen zijn die de rechten en behoeften van andere mensen op Mende zullen ontkennen. Dat er een superioriteitsgevoel ontstaat. Aldemundt is welsiwaar de kleinste van alle nederzettingen maar het gif kan zich heel geleidelijk over andere dorpen gaan verspreiden. Aldemundt mag geen heiligdom of middelpunt van de mensen op Mende worden. Juist Aldemundt niet. De mensen zouden gaan denken dat daarin rechtvaardigheid zit omdat we hier de eerste mensen op Mende waren maar darain zit geen rechtvaardigheid. Er zit een waandenkbeeld in.” De Moden pauzeerde nu even en Trimmen voelde de kans om te reageren. “Maar bent u daarvoor dan echt bang? Zijn er Aldemundters die de gedachte aanhangen?” De Moden stond op en begon opgewonden heen en weer te lopen door de kamer. “Ik hoor niet alles en ik zie niet alles maar …ik voel. Dat is mij als loot van het huis van Telgen-Nespel gegeven. Het komt met flitsen alsof er iemand berichten naar mijn hersens wixt. Nee, ik heb nog niemand erover horen spreken maar ik zie het aan de ogen van sommigen. Ik kan er niet eens meteen namen aan hangen maar het is een algemeen beeld dat blijft hangen en het maakt me bang, meer bang nog dan bezorgd. Bezorgd word ik pas als ik daadwerkelijke acties van mensen in die richting zie.” Weer pauzeert hij even: “Ik vertel het jou omdat ik wil dat er iemand buiten Aldemundt weet dat het gevaar bestaat. Dat er waakzaamheid geboden is, geen agressie maar waakzaamheid. Er moeten mensen zijn die goed luisteren en vooral goed begrijpen wat er gebeurt met ons mensen op Mende.” Hij kijkt Trimmen nu van de andere kant van de tafel zorgelijk aan. “Ik heb geen voorspellende gaven en ik ben niet helderziend maar ik voel wat er leeft onder de mensen die om mij heen leven. Jij kunt ermee doen wat je wilt. Je hoeft me niet eens te vertellen of je er iets mee gaat doen maar als je er iets mee doet, doe het dan goed.” Plotseling bekruipt Trimmen het gevoel dat de Moden hem een boodschap wil overbrengen waarvoor hij geen bewijzen heeft, Het is best mogelijk dat de Moden wel namen in gedachten heeft maar dat er nergens bewijzen voor bestaan. “Vreest u de ontwikkelingen binnenkort?” vraagt hij nu geïnteresseerd. De Moden kan aan hem zien dat hij zijn belangstelling heeft. “Deze ontwikkelingen hebben altijd heel snel en sluipend plaats. Je kunt zelden zeggen of het morgen komt of overmorgen. Ik denk dat het nog wel enige tijd zal duren, eerst moet zich een belangrijke gebeurtenis voordoen, bijvoorbeeld de terugkeer van Bergs expeditie en misschien ook iets anders.” “Verdenkt u Berg van zulke plannen?”vraagt Trimmen. Hij begint nrustig op zijn stoel heen en weer te schuiven. Zou het misschien ook nog de Moden zelf kunnen zijn die hem in een val probeert te lokken? De Moden glimlacht. “Berg? Er zijn geen mensen op wie het kwaad geen vat heeft maar als er een is die zich daartegen kan verzetten, dan is het Berg. Aan de andere kant weten we niet wat hij op zijn expeditie tegenkomt. Het kwaad zal zich vermoedelijk ook op deze planeet in de een of andere vorm ophouden. Ik denk niet dat Berg ermee wordt besmet maar anderen zijn er naar mijn idee gevoeliger voor.” “Misschien ik wel”, lacht Trimmen. “Ik ga straks via een omweg terug naar huis en ik weet ook niet wat ik tegenkom.” De Moden gaat weer zitten en schenkt de glazen gome en pomerans nog eens in. “Dan loop ik het risico voor duivelsoren te hebben gesproken maar die kans neem ik. Vertrouwen ligt aan het begin van elk succes.” Trimmen laat nu een half glas gome achterelkaar door zijn keel glijden. “U weet wel hoe u van iemand afscheid moet nemen”, grinnikt hij. “Maar ik kan niet zeggen dat ik het onaangenaam heb gevonden. Ik deel uw vrees gelukkig niet maar dat betekent niet dat ik uw raad niet zal opvolgen. Ik zal uiterst waakzaam zijn en als in Bixhoorn het kwaad opduikt zoals u het heeft geschilderd, dan zal ik me uw opmerkingen des te sterker herinneren. U heeft een bondgenoot.” Trimmen staat op en steekt zijn hand uit. “Het spijt me, ik moet nu gaan maar uw streven is me duidelijk en ik kan me daarin heel goed vinden. De wix is er goed voor en een uitstapje naar Aldemundt is geen gekke gedachte. Ik heb trouwens nog een brief voor u bij me.” Hij haalt een brief uit de binnenzak van zijn zware bruine buitenjas. De Moden trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op maar neemt de brief graag aan. Voorzichtig maakt hij het lintje om de papierrol open om vervolgens de brief open te rollen. “Een brief van Agbert Radeluck!” er klonk iets vrolijks in zijn stem, alsof hij voor het eerst weer een mens zag. “Moden van Bixhoorn, nou daar hebben jullie een goede aan!” “Dat hebben we zeker”, Trimmen hoorde dat hij een licht verbazin g over zoveel vrolijkheid niet kon onderdrukken. “Wist u niet dat hij Moden van … “ “Ja, ja, ja, natuurlijk wel”, viel de Moden hem in de rede. “Maar we hebben nooit contact gehad sinds hij hier is. Hij vraagt of ik een keer naar Bixhoorn wil komen met een aantal Aldemundters. Maar natuurlijk wil ik dat. Trimmen, wil je een boodschap voor me aan hem overbrengen?” “Zonder meer”, reageerde Trimmen. “Zeg hem dan dat ik graag kom als de expeditie terug is en nadat we kennis hebben genomen van de eerste bevindingen van Berg. Ik denk dat het over een dikke halve chroon zover is.” “Uitstekend”, zei Trimmen weer. Deze keer dronk hij zij gome op en draaide hij zich om. “Als ik nog een beetje plezier wil hebben van het daglich, dan moet ik nu gaan.” De Moden begeleidde hem naar de deur. “Het ga je goed en laat wat van je horen”, zei hij nog op de drempel staande. “Dat zal ik zeker doen”, beloofde de onderzoeker die nu fluitend naar zijn grote, roze wagen terugliep onder de uitroep “ik kom er aan Obdoekil.” De roze wagen trok opnieuw veel bekijks. De mensen kwamen uit hun huizen en zelfs op de akkers stonden de laatste werkers nog te wuiven. Veel waren er niet meer want de granen waren bijna allemaal binnen. De Aldemundters wilden hoe dan ook toch allemaal nog die gekke, roze wagen zien vertrekken. Het viel niemand op dat Weemer niet langs de route stond om zijn collega uit te zwaaien. De Aldemundter zat in zijn werkkamer en boog zich over iets kleins, iets dat hij net uit zijn jaszak had gehaald en dat verschrikkelijk piepte. “Wees maar niet bang, ik zal je heus niet opeten hoor. Nee, daarvoor ben je mij veel te bijzonder. Maar ik zou je wel in aanraking kunnen brengen met een amproos. Misschien kun jij ze wel zien en ik niet, wie weet. Je moet toch ergens goed in zijn.” Hij rolde het kleine wezentje op zijn rug onder luid gepiep en plotseling voelde hij een scherpe pijn in zijn vinger. Het bloed stromde er uit. “Wat krijgen we nou? Doe jij dat, mormel? Het mormel rende inmiddels op twee pootjes luid krijsend over de tafel. Weemer moest kiezen tussen een druppel legeringszalf of een poging om het wezentje te vangen maar dat laatste ging hem niet goed af terwijl het bloed maar bleef stromen. “Ik zal het moeten stelpen”, riep hij woest uit en hij gooide een mes in de richting van zijn kleine opponent. Zonder veel succes. Met grote stappen liep Weemer naar zijn badkamer waar hij ook zijn medicijnen bewaarde. Zo miste hij het vertrek van zijn collega die breeduit zwaaiend naar de Aldemundters langzaamaan het Hanebrood afreed, op weg naar huis. Zijn roze wagen volgde de bocht naar links die het Hanebrood bijna aan het eind al zo’n elf jaar maakt en daarna was hij verdwenen. Randa was nog een eind achter de wagen aan gerend en zo zag zij de bezoeker als laatste achter de bomen verdwijnen. Ze zag nog net hoe hij een vlag uit de koepel van zijn wagen uitstak. Een groot blauw doek met een wit oog en zwarte pupil in het midden. Wat een kerel! Het bezoek van Trimmen had haar goed gedaan. Eindelijk had ze het idee gekregen dat Aldemundt niet de enige plaats zou zijn waarmee zij in haar leven te maken zou krijgen. Er was meer op Mende te beleven. De jaloezie die zij altijd tegenover haar ouders had gevoeld, week een beetje. Haar leven zou zich niet afspelen in een gevangenis zonder tralies en muren. Ongemerkt begon ze te neuriën. Het zou goed komen met haar en met Ramold, dat wist ze nu zeker. De eerste die ze op het dorpsplein zag staan was Berg Wamerhorn. Haar hart maakte opnieuw een huppeltje en ze had hem wel om de hals willen vliegen maar toch hield ze zich in. En toch, Berg Wamerhorn zou haar hoop verder waarmaken. Er was nog veel meer te beleven op Mende dan ze ooit had gedacht! Dat zou zijn boodschap zijn, ze wist het zeker.


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën