Gepost door: Kaj Elhorst | april 26, 2009

De grote roze wagen

 

Het zweet droop Randa tappelings van haar voorhoofd. Ze werkte aan en stuk door terwijl de andere meisjes uit haar groep liepen te schreeuwen en te lachen. De dwijne-oogst moest deze week echt binnengehaald worden anders zouden de broodbessen verdrogen onder de hete zon. Dat zou verschrikkelijk zijn want dwijne, de broodbes, was de meest geliefde graansoort van Aldemundt. Ooit hadden de mensen gewoon gerst gezaaid maar uit zommige aren was dwijne voortgekomen. Aan de aren zaten grote, witte bessen die je zonder bewerkign zo maar in de oven kon stoppen. Een beetje water erop en klaar was kees. Binnen een paar minuten bolden de bessen dan op tot complete broodjes, zo groot als bapaobroodjes. Je kon ze vullen met alles wat je lekker vond. De heerlijke geurige Mende-honing met zijn kruidige bijsmaak maakte de broodjes tot een lekkernij voor de zoetekauwen masar ook een vulling van vlees of kaas viel bij de meeste Aldemundters in de smaak. Natuurlijk, door de week aten de mensen meestal brood van frees, gombert of merkelbaert maar op de vrije dagen kwamen de broodbessen op tafel. “Hoi, ga je even mee, een beetje kodelij halen of iets frissers zoals zimmit?” een van de andere meisjes tikte haar op de schouders. “Het lukt echt wel om in de komende twee dagen de dwijne nog binnen te halen”, zei zij. “Moet je eens kijken hoe ver we zijn.” Randa knikte. “Je hebt gelijk, even deze stapel nog in de schaduw leggen. Dan loop ik mee.” De geplukte dwijne-aren mochten in geen geval in de zon blijven liggen. Na vijf minuten zouden ze helemaal verdord zijn. De andere meisjes bogen zich ook weer over het werk. “OK, nog even dan”, ze giechelden naar elkaar en raapten de losliggende dwijne-aren van het veld. Eenmaal klaar kwamen ze weer bij Randa staan. “Weet je waar Ramold is?”vroeg een van de meisjes. “Hij schijnt niet meer in de cel te zitten.” “Dat klopt”, antwoordde Randa meteen. “Hij zit weer thuis maar hij mag de deur niet uit.” “En hij heeft nog wel iemand vermoord”, zei het meisje weer. “Dat is nog helemaal niet zeker”, zei Randa weer maar iets in de stem van het meisje waarschuwde haar. Ze ging overeind staan. Er stond nu een kringetje andere meisjes om haar heen dan daar net. “Je denkt zeker met een moordenaar te kunne trouwen, he”, het meisje ging nu uitdagend voor haar staan. “Kijk wast ik doe”, ze tilde haar rok op, hurkte en begon te plassen, precies op de plaats waar de dwijne-aren nog maar net hadden gelegen. Er dromden nu meer meisjes om hen heen. Randa haalde haar schouders op en klemde de stapel aren steviger onder haar arm. Ze deed een paar passen in de richting van het schuurtje waar de dwijne werd opgeslagen maar het andere meisje ging weer voor haar staan. “Een van die jongens was mijn vriend”, haar stem klonk nu dreigend. “Wat heb je daar op te zeggen.” Randa deed weer een paar passen. “Ik ben er heel verdrietig over”, zei zij. “Maar ik kan niemand meer tot leven wekken.””Ik ben er heel verdrietig over”, bauwde het meisje haar na en ze begon aan Randa’s jurk te trekken. “Is dat alles wat je zeggen kunt, raakskuiken?” “Heb je geen spijt?” Randa ging nu rechtovereind staan en kwam wat dichterbij het meisje. “Ik ben er heel verdrietig over, dat is alle”.”Net toen het andere meisje uithaalde, stak Randa haar arm uit. Er klonk een gil. Met haar linkerhand greep het meisje naar haar rechter elleboog. “Je bent net zo gevaarlijk als dat vriendje van je”, beet ze Randa toe maar ze deed nu toch een paar stappen achteruit en haar vriendinnen volgden haar. “Kom”, zei een van hen. “We willen niets meer met dat mens te maken hebben. “Ik ben de dochter van de Moden”, kakelde een meisje nog. “Ik heb alles en jullie moeten je mond houden.” De groep meisjes rende nu schreeuwend van kwaadheid terug naar het dorp. Randa keek om zich heen. Het dwijneveld was uitgestorven. Het was op het heetst van dedag. Niemand werkte nog op het land. Even haalde ze diep adem terwijl ze vanaf de akker ver in de richting van de zee keek. Een paar ropenaren zweefden boven het water. Randa wist dat ze zonder enige moeite een half uur zo konden blijven drijven op de lucht maar zo nu en dan doken ze bijna loodrecht naar het oppervlak van de zee om even later met een spartelende vis in hun snavel weer omhoog te komen. Tenmisnte, Randa wist dat het zo ging maar ze kon niet precies zien wat voor dieren de vogels oppikten. Bij de ingang van het dorp stonden Syfa, Aquia en Bonara op haar te wachten. “Waar bleef je nou zolang? vroeg Syfa”verbaasd. “Weltje en Ralien waren vervelend”, mompelde Randa een beetje binnensmonds. “Weltje zei dat Ramold een moordenaar was en ze wilde me een klap verkopen. Toen heb ik haar elleboog uit de kom geslagen of zoiets.”Aquia begon te lachen. “Net goed, als ik haar tegenkom, zal ik het nog eeens een beetje over doen.” Álsjeblieft niet”, reageerde Randa vinnig. “Het is zo al moeilijk genoeg. Ik wil niet dat er nog meer ruzies ontstaan.” Bonara bromde instemmend. “Weltje was de vriendin van Garmen. Ik kan me best voorstellen dat zij van binnen kapot is.” “Jaaaa”, vulde Aquia nu aan. Nog erger is het dat Ralien meegaat met de expeditie. Nu is Weltje straks haar beste vriendin ook nog kwijt voor ene halfjaar. Ze zal nog onuitstaanbaarder worden dan anders.” “Gaat ze mee?” Randa’s stem klonk verbaasd. “En Ramold gaat ook al. Hoe moet dat samengaan? Kan Berg zoiets wel gebruiken?” “Als ze ruzie maken, dan zal mijn vader ze een lesje leren”, lachte Syfa. “Hij laat zich niet op zijn kop zitten door ruziende mensen.” “Dat kan best zijn”, vond Randa weer. “Maar hij heeft toch behoefte aan samenwerking, eenheid en vriendschap.?” “Laat dat maar aan hem over ..”verzekerde Syfa haar vriendinnen weer. “Maar horen jullie ook zo’n raar geluid.” De meisjes stonden nu stil. Ze waren doorgelopen tot aan de Hanebrood, de weg die naar Aldemundt velden voerde waar de koeien, schapen en larmen, die ondanks hub zes poten veel leken op schapen met een kleine slurf en horens, graasden. “Gewoon, een jeep of een grote wagen”, dacht Borana. Grote wagen was het dagelijkse woord in Aldemundt voor een pantserwagen. “Ze zijn vast aan het rondrijden met een wagen waar iets aan mankeert. Dat kunnen ze niet hebben als ze straks onderweg zijn.””Ja, ja, maar het ding klinkt anders dan onze grote wagens”, vond Randa. Haar ogen speurden nu de Hanebrood af. Het geluid leek aldoor dichterbij te komen achter de scherpe bocht die de weg verderop maakte. Ze hoefde niet lang te wachten want al gauw kwam de jeep van de veldwachter om de bocht en daarachter reed een grote wagen in de kleur roze. Randa en haar vrienden schoten onbedaarlijk in de lach. “Roze? Komt er een baby-grote-wagen aan?”gierde Bonara. “Dat moet ik zien.”De meisjes deden nu een paar passen naar de kant enn jieuwsgierig keken ze naar het opzienbarende voertuig. De bestuurder had het luik niet ver genoeg open staan om naarbinnen te kunnen kijken. “Kom, we gaan kijken”, lachte Randa en de meisjes renden achter de wagen aan. Langzaam aan kwamen meer mensen van de velden en uit de huizen of de bossen. Een roze grote wagen, dat was nog eens wat. Midden op het plein stond inmiddels Weemer van Hornhaaf een beetje zenuwachtig met zijn handen te gebaren. “Mensen, mensen, ga toch opzij. Het is gewoon bezoek voor mij.” Maar de meeste omstanders kwamen juist dichterbij. Zij wilden wel eens zien wat voor vreemd bezoek “hun” onderzoeker kreeg. De wagen stopte nu middenop het plein en Weemer liep al naar het portier aan de zijkant maar ook hij kwam bedrogen uit. Uit het mangat bovenin de wagen klom een roodharige man in een rood overhemd naar buiten. Ook zijn pofbroek was vuurrood en om zijn nek droeg hij een leren veter waaraan een grote vijfpuntige ster in rood en goud bungelde. “Hallo”, zei de man. “Ik ben een collega van Weemer en ik kom uit Bixhoorn. Mijn naam is Trimmen Hoferwenck. Randa en haar vriendinnen staarden de man aan alsof hij zon van een andere planeet, de aarde of zo, kwam. “Zijn alle grote wagens in Bixhoorn roze?”vroeg Syfa eindelijk. Trimmen glimlachte. “Ja, en de huizen zijn er paars met groene spikkels.”Hij wachtte even en keek of zijn publiek begon te lachen maar toen dat tegenviel ging hij verder. “Ik moet u teleurstellen, alleen mijn wagen is roze. Ja zeker, ik heb een eigen wagen en ik heb roze luximia gebruikt omdat ik er zin in had.”Met een soepele sprong belandde hij op degrond. Meteen omhelsde hij Weemer uitgebreid. Hallo, vriend, dat is wel heel lang geleden.””Ja zeker”, bracht Weemer er een beetje benauwd uit. “Wij hebben elkaar voor het laatst op aarde gezien”, tweeentwintig jaar geleden.” Hij draaide zich naar de omstanders om. “Trimmen was net iets te laat om met de Arketan mee te gaan en we hebben toen bij de ruimtetaxi afscheid genomen. Hij zwoer toen dat hij me na zou reizen en zo is hij in Bixhoorn terechtgekomen. De afgelopen jaren hebben we alleen maar naar elkaar gewixt maar nu zien we elkaar weer eens.” Trimmen keek met een grote glimlach de omstanders een voor een aan. “U bent allemaal heel aardig”, denk ik”, zei hij. “Maar ik moet nu even kennis gaan maken met uw Moden. Hij heeft er recht op te weten wie er in zijn dorp is.” “Niet nodig om je te haasten”, klonk een stem achter de kring mensen die nu uiteen week. De Moden kwam met grote stappen naar de bezoeker toe. “Ik zou wel ene heel slechte Moden zijn als je uw komst niet had opgemerkt.” Hij stak zijn hand uit en klopte de Bixhoornse gast op zijn schouder. “Weet dat u onze gast bent, van ons allemaal. Wij zullen erop toezien dat u hier een goede tijd doormaakt.” “Zeer vereerd”, antwoordde de onderzoeker. “I s er een plaats waar ik mijn wagen kan neerzetten”? De Moden knikte. “Dat kan geen probleem zijn. In de grot is vast nog wel plaats voor een wagen en bovendien, over een paardagen komt er ruimte genoeg.””Ik heb het gehoord”, de stem van de Bixhoorner klonk opgewekt en hard over het plein. “Wamerhorn gaat op expeditie, als ik het niet gedacht had.””U kent hem ook al?”vroeg de Moden verbaasd. “Nou en of, we hebben samen gestudeerd”, lachte Trimmen. “En alles wat daarbij hoort, dat hebben we ook samen gedaan.” Deze keer trok hij het portier van zijn wagen open. “Ik zal nu eerst mijn wagen parkeren en mij bij mijn goede vriend Weemer thuis gaan voelen.” “Ga uw gang”, stemde de Moden in. Hij deed een paar stappen achteruit en dat voorbeeld volgden de andere Aldemundters op het plein ook. Trimmen gaf gas en voetstaps volgde hij met zijn wagen zijn vriend Weemer die nu de weg wees naar de grot, nagest. Aard door de Aldemundters. Hier en daar mompelden de mensen hoofdschuddend over de roze grote wagen. “Zoiets kan toch niet. Zouden de mensen in Bixhoorn allemaal zo vrijgevochten zijn? En dan die naam, Trimmen Hoferwenck. Dat klinkt toch echt als een krul aan de tempeltoren!” Berg Wamerhorn zag er de humor wel van in. “Naast zo’n roze wagen zien mijn grijze wagens er toch wel heel wat beter uit”, lachte hij. “En vooral fatsoenlijker!” De naam Trimmen Hoferwenck vond hij heel wat minder belachelijk dan veel van zijn dorpsgenoten. “Zo heette hij ook al toen we nog in Helen woonden en toen lachte niemand erom. Een heel gewone naam dus”, hij riep het hoorbaarder over het plein dan anders. Misschien was hij ook wel een beetje aangestoken door het flamboyante gedrag van Trimmen. Maar ja, wat zou dat? “Wat een stel mufkuikens”, bromde Trimmen terwijl hij Weemer een stevige klap op zijn schouder gaf. “Ho, ho, het zijn wel mijn dorpsgenoten, vriend!”schaterde deze Mufkuikens, dat was een woord voor “dagelijks gebruik”. “Mij best, wat jij wil”, gaf Trimmen toe. “Laat me eens zien wat je hebt.” Weemer ging zijn vriend en collega voor naar het kale terras achter zijn huis en wees op de dode raak. “Nee maar”, Trimmen sloeg een hand voor zij mond en bleef stokstijf staan. “Daar heb je wat, Weemer”, mompelde hij. “Wat een lucht! Heb je daar helemaal geen last van?”De dode raak verspreidde de geur van een ouderwetse kruipruimte onder een huis. Vocht en bederf gingen erin samen. “Ik krijg het er behoorlijk benauwd van. Daarom laat ik het buiten liggen.””Het is nog maar de vraag of dat helpt”, bedacht Trimmen zich. “We moeten zeker weten dat het kadaver geen stoffen meer uitstoot. Ik heb een keer meegemaakt dat een lijk langzamerhand zichzelf deed opstijgen, in de allerkleinste stofdeeltjes. De gevolgen voor jou en omwonenden kunnen erger zijn dan bij hooikoorts. Koorts, jeuk, ademhalingsmoeilijkheden en zelfs longontsteking. In Bixhoorn zijn tweemensen ernstig ziek geraakt toen zij het kadaver van een larm, wij noemem dat trouwens een lerrem, te lang op het land lieten liggen. Het dier was op ene goede dag ineens dood terwijl de mensen op het land toekeken. Er was niets aan te doen, onherroepelijk.” ”En jij hebt dat onderzocht”? vroeg Weemer argwanend. “Ja zeker, samen met Born Gempelhorn ” zei Trimmen. “We hebben er samen aan gewerkt en daarbij kwamen we iets heel bijzonders op het spoor. Geef mij eens een natte doek om voor mijn mond te doen en bescherm je zelf daar ook mee. Op die manier kun je veel ellende voorkomen.” Opgewonden en haastig haaldeWeemer het gevraagde. Trimmen keek hem scherp aan. “Sluit je mond en je neus er voldoende mee af. Het is echt heel belangrijk”, waarschuwde hij weer. De beide mannen bogen zich nu over de dode raak. Trimmen tikte met zijn vinger tegen het dode lijf aan en meteen vloog een wolk van as weg. “Ik wist het”, hij knielde nu bij het dode dier neer en haalde een microscopisch vergrootglas tevoorschijn. “Kijk eens goed, Weemer, en vertel precies wat je ziet.” Nieuwsgierig knielde nu ook Weemer neer terwijl hij het vergrootglas vlakboven het verenpak van de vogel hield. Even leek het of hij bevroor. Er kwam geen woord over zijn lippen maar uiteindelijk veerde hij op en fluisterde hij. “Dat kan niet.” Trimmen keek hem lachend aan. “Ik ben bang dat het kan. Wat heb je precies gezien?” “Het leek wel of ik in ene grote berg van de kleinst mogelijke diertjes keek, je zou zeggen bacterieën.”Trimmen trok zijn vriend aan de mouw van zijn jasje mee en opende meteen de deur. “Je ziet wat ik ook al eens heb gezien. Het zijn bacteriën! Het zijn verschrikkelijke ziekteverwekkers. Ik ben bang dat sommige doden op deze planeet onmiddellijk het slachtoffer worden van een massa aan vraatzuchtige wezens, wezens die daarna de dood verder verspreiden.” Weemer keek hem verschrikt aan. “Sommige doden”? vroeg hij verbaasd. Trimmen knikte. “Ja mensen die gewoon overlijden vertonen deze verschijnselen niet. Het gaat steeds om wezens die zo plotseling dood neervallen en misschien is dat ook wel gebeurd bij de jongens waarover je het had in je wix. Ik ben er nog niet achter maar het lijkt erop dat er een soort bacterieconcentraties voorkomen op deze planeet. Ze ontstaan heel spontaan en als je ermee besmet raakt, is het niet best maar er is een geruststelling, je hebt er alleen last van als je er echt heel direct mee in aanraking komt. Wie er op een millimeter afstand naast staat, merkt helemaal niets. Dat is mijn idee. Ik heb die “wezens” “Amprosen” gedoopt naar Kerven Amprose, die bij me in de klas zat en waarmee ik altijd ruzie had.” “En was hij even onzichtbaar als de “wezens” waarover je het nu hebt?” vroeg Weemer in een poging om ontspannen te klinken. “Je hoeft niet ontspannen te doen, Weemer”, antwoordde Trimmen ernstig. “Ik ben doodsbenauwd voor ze want Kerven was zo breed dat ik hem al op hionderd meter aan zag komen. De Amprosen kun je niet zien”, horen of ruiken. Misschien kun je ze voelen maar dan is het te laat.” De mannen gingen aan tafel zitten en schonken zich een beker zafyr in. “Daar moet ik van bijkomen”, zuchtte Weemer. “Ik heb al heel wat onderzocht maar zoiets, ik weet niet of het waar kan zijn maar als je gelijk hebt, treft Ramold geen schuld.” ”Het lijkt erop.” Trimmen beukte met zijn vuist op tafel. Het is alleen de vraag hoe je dit aan de Aldemundters wijsmaakt, aan die mufkuikens. Hoe moet je die mensen in ’s hemelsnaam iets wijsmaken? “ Weemer kon niet anders dan zijn vriend gelijk geven en het leek hem dan ook beter om Trimmen’s verhaal voorlopig nog niet bekend te maken. “Bedenk een ding”, vervolgde Trimmen. “Als je dorpsgenoten je lief zijn, moet je die raak heel snel zien kwijt te raken.” En hoe doe ik dat? Uitstrooien over zee?” “Weemer”, begon Trimmen. “Je bent een echte wetenschapper. Verdrinken is inderdaad het beste. Wij hebben het voordeel dat ons dorp aan een delta ligt. Ik heb het materiaal met een stofzuiger opgezogen en in een forse, poreuze verpakking gedaan en zo in het water gegooid. Het dreef toen snel weg naar zee en raakte helemaal doordrenkt van water. Het vreemde waswel dat het pakket na een honderd meter plotseling begon te branden. Er bleef helemaal niets van over. Ik heb niet kunnen ontdekken wat daarvan de oorzaak was.” “Dan moet het ding maar in zee, van de kliffen rechtstreeks naar beneden. “Ik zou het pakket voorzichtig in het water laten takelen. Als het tegen iets aanstoot, gaat het open en dan heb je een nog veel groter probleem”, vond Trimmen. “En trouwens, je hebt me ooit gewixt dat de kinderen hier graag naar het eilandje Baalder of zoiets zwemmen. Daar mag dat pakket zeker niet in de buurt komen want ik ben bang dat het water er lange tijd door vergiftigd raakt. Bij onze rivier geeft dat niet zoveel omdat het water allemaal zeewaarts stroomt maar ik durf je niet voor te stellen om het hier in de Fluus te gooien. Het zou ergens aan de oever kunnen blijven hangen en als het met de stroom meegaat komt het in Bixhoorn terecht of in Navringen.” “Er is een probleem. Hoe krijg ik het materiaal ongemerkt bij het strand? De mensen zullen zich afvragen waarom we zo ingewikkeld staan te doen met dat dode beest.” “En niet alleen met het dode beest”, vult Trimmen aan. “Wat denk je te doen met de overleden jongens? Je kunt ze echt niet gaan begraven, hoor, dat levert besmetting op. Het zal niet meevallen om dat duidelijk te maken aan de mensen hier.” Weemer schrikt door de woorden van zijn vriend op uit zijn gedachten. Daaraan had hij al helemaal niet meer gedacht! “Een ramp, hoe heb je het in Bixhoorn gedaan?” Trimmen begint een beetje zenuwachtig te trekken met zijn neus. “Een slimmigheidje … of eigenlijk een truc. We hadden geluk dat Born niet veel familie had. Hij was een zonderling en niemand kende zijn voorkeuren precies. Ik heb toen met de Moden, Agbert Radeluck, afgesproken dat we Borns laatste wens zouden voorlezen voor de hele bevolking. Volgens die wens wilde hij niets liever dan op de oude Noormannenwijze naar het land over de horizon reizen. De mensen hebben dat geaccepteerd maar als de Bixhoorners ooit ontdekken dat het een opzet was …ik weet niet, ze zullen het Agbert nooit vergeven dat hij eraan heeft meegewerkt. Op zijn minst moet hij dan zijn baantje afstaan en natuurlijk ben ik dan ook mijn goede naam kwijt.”Weemer begint schamper te lachen. “Goede naam?” maar Trimmen knikt. “Nou en of, de Bixhoorners zijn trots op mij en mijn werk. Ik denk dat je er eens goed over moet praten met Paup Telgenheert. Je kunt zijn steun niet missen.” Weemer gaf geen antwoord maar hij kreunde veel betekenend. Geen haar op zijn hoofd voelde ervoor om een soort afspraak met de Moden te maken. Weer voelde hij die twijfel in zich opkomen, Paup Telgenheert als Moden. Het was niet zijn keus. Nasar zijn gevoel was de Moden bezig het rustige dorp uit te verkopen aan Mende terwijl het dorp hem zo lief was. Straks zouden er invloeden komen uit andere delen van het continent, misschien wel van andere volkeren. De kans dat er Mende-mensen op de planeet leefden was allesbehalve onaannemelijk. Hun gewoonten en tradities zouden zeker de rustige sfeer van Aldemundt gaan verstoren. De enige plek die de reinheid en onbevlektheid van een nieuw begin bevatte, zou teloor gaan. “Wat ben je stil, Weemer”, begon Trimmen weer. “” Ik denk heus dat je in overleg met Paup Telgenheert een oplossing kunt vinden.” “Ik heb die Telgenheert niet nodig”, het hoge woord was eruit. Trimmen schrok terug voor die uitbarsting. Hij begreep de plotselinge woede van Weemer niet. Onderzoekers en bestuur konden het over het algemeen goed vinden, tenmiste … dat was in Bixhoorn het geval. Wat was er voorgevallen tussen die twee mannen? “Bij de begrafenis heb je de Moden waarschijnlijk wel nodig en het probleem is dat je voor je terugkeer niet de werkelijke doodsoorzaak kunt noemen. De Moden zal daarvoor begrip hebben, lijkt mij. Je wil het toch niet allemaal in je eentje regelen?” Weemer kijkt zijn bezoeker aan. Ja, een bezoeker. Eerst zag hij hem als vriend, als medestander en als begripvolle collega maar nu lijkt het allemaal minder vanzelfsprekend. Is er dann iemand die ziet waar al deze roep om uitbreiding en grootsheid toe zal leiden? “Zijn er bij jullie ook al plannen voor een expeditie?” vraagt hij onzeker. Trimmen lacht breed. “Op het ogenblik niet maar er zijn er een paar die graag met Barg Wamerhorn mee willen, ik denk een stuk of zes. De barriere is de afstand tussen Bixhoorn en Aldemundt. Niemand kan van Barg vragen om een route langs Bixhoorn te kiezen. “Nee, dat kan niemand en het is ook niet nodig”, Weemers stem klinkt nu nog somberder dan eerst. “Misschien is het maar goed ook, waarom zou Bixhoorn zijn horizon willen uitbreiden. Je weet dat er altijd ellende van komt.”Trimmen schiet nu in de lach. “Kom, kom, niet zo somber. Wie in zijn huisje blijft zitten, wordt er op den duur ook niet vrolijker op, Weemer. Laten we eens een kijkje buiten gaan nemen, een wandeling langs het strand misschien. Dat brengt ons vast op nieuwe ideeen.” Weemer spring tovereind van zijn stoel;”Ja, misschien moeten we ons eens laten doorwaaien, wie weet. Hoewel, veel waaien zal er niet bij zijn. Het is hier in de Osme-zomer altijd erg heet. Soms mis ik de frisse buien van aarde.” “Nou, volgens mij kan het hier ook flink spoelen, vooral tijdens de Werolden, toch?” Weemer knikt. “Ja, maar dat is altijd maar kort. De Osme-zomer is heet en de Zame-zomer koel en aangenamer. Er valt in die tijd ook meer regen, hoe is dat bij jullie. Trimmen loopt nu langzaam de gang in en zet de buitendeur open. “Laten we gaan, in Bixhoorn komt het in de Osme-zomer niet boven de 30 graden uit en in de tijd dat Zame heerst, niet meer dan achttien of twintig graden. Dan staat de delta nog al eens blank, het is voor ons de beste tijd om te zaaien.” Op het plein staan al weer drie pantserwagens om in een goede luximia-kleur te worden geschilderd. “He, Berg”, roept Trimmen. “Ik wilde je even wat vragen.” Berg geeft twee manenn aanwizjingen voor het spuiten en komt dan met een holletje naar Trimmen toe. “Luister”, zegt de Bixhoorner onderzoeker. “Niet alleen Aldemundters zijn nieuwsgierig. Een zestal Bixhoorners zou best met jullie mee willen maar hoe krijgen we dat voor elkaar en … kan het wel?” Berg fronst zijn wenkbrauwen. “Je komt er wel erg laat mee, het lijkt me een probleem. Ik zie het niet zo maar zitten.” “Maar”, gaat Trimmen enthousiast verder. “Kunnen weer dan tenminste over praten, vanavond of zo?” Ondertussen dringen de Aldemundters om hem heen. Een anatal van hen wil in elk geval even de Bixhoorner aanraken. “Ja, ik ben een mens”, lacht Trimmen. “Net als jullie, ik kom zelfs van dezelfde planeet.” “Kom mensen”, roept |Berg nu. “Laat onze gast even met rus”.”Zijn natuurlijke overwicht laat de mensen terugdeinzen en ze laten de Bixhoorner los. “Dank je”, lacht hij. “Ze zijn niet veel gewend”, Berg kijkt een beetje verontschuldigend. “Er komen hier nooit vreemde mensen, de laatsten waren Pomert Randing en Rodin Helten die met jullie schip zijn meegekomen maar hier kwamen wonen. “Ja, ja”, Trimmen herinnert zich de “Bixmundters” nog wel. “Overlopers vonden wij dat.” “Ja, ja, ja”, lacht Berg. “Jullie wel, maar in ons kleine dorp is iedereen welkom. We zijn maar met 478 mensen en daarvan gaan er straks 21 op expeditie en 21 voor twintig jaar met de Arketan op reis. Mijn expeditie blijft minstens een half jaar weg maar het kan ook nog wel een jaar worden. Ik weet immers niet wat we tegenkomen. Maar mensen uit Bixhoorn mee, nee ik weet het niet. Het is onze expeditie en ik denk dat de Aldemundters het ook graag zo houden. Trouwens, er zijn ook praktische problemen, het is allemaal kort dag.” “Denk erover na, Berg”, de stem van Trimmen klinkt bijna smekend. “Zes mannen vrouwen, meer niet.” Hij draait zich met een ruk om en duwt Weemer een eindje voor zich uit. “Vooruit naar het strand”, galmt zijn stem over het plein. “Om te zingen, Weemer. Ik wil zingen, tegen het geklots van de zee in.” Berg kijkt de twee mannen lachend en hoofdschudded na. Dan roept hiuj de twee mannen bij de pantserwagens. “Paup, Fode, kijk, zo wil ik jullie straks ook aan de gang zien, weken, ja maandenlang.” De jongens grijnzen. “Ja baas”, zegge ze braaf en ze geven elkaar een stoot met de elleboog in de zij. “Trouwens, deze drie wagens zijn klaar.” “Mooi zo”, roept berg met zijn donderende stem. “Haal dan maar drie andere tevoorschijn. Als die zijn geschilderd, zijn we klaar.” “Wat is het hier heet”, Trimmen blaast en wuift zichzelf koelte toe terwijl hij het smalle pad langs de kliffen naar beneden volgt. “Heet, heet, zo hebben we dat in Bixhoorn niet.” “Je went er nooit helemaal aan”, vindt Weemer. “Het is hier gemiddeld vijf graden warmer dan vroeger in het zuiden van Helen. “Daar was het ook warm”, weet Trimmen nog. “Ja, dat klopt”, geeft Weemer toe. “Maar ik heb de boeken in de bibliotheek er nog eens op na geslagen. Volgens de beschrijvingen was het daar echt een stuk minder. Maar goed, hier op de klif wordt het helemaal erg warm. Die stenen weerkaatsten erg veel hitte. Zelfs beneden op het strand merk je dat nog. Het is maar goed dat daar altijd een beetje wind is.” De laatste paar meters naar beneden leggen ze zwijgend af. Eindelijk voelt Trimmen het mulle zand onder zijn voeten. “Nou, dat hebben we bij ons ook, maar geen kliffen, er zijn alleen maar vrij kale duinen.” Toen ik hier naartoe reed, heb ik de duinenrij echt honderden kilometers gevolgd. Dat was een redelijke wegwijzer. Pas na vier dagen, zo’n 800 roden, ben ik naar het zuidwesten gereden. Saai landschap, gras met hier en daar een boom en soms een plukje bomen bij elkaar. Niets aan.” “Het is goed dat je hier bent, ik heb hier niet zoveel mensen om verstandig mee te praten”, Weemer reageert niet op het verhaal van Trimmen. “Kijk, recht voor je ligt de Baalder, een klein eilandje waar onze kinderen graag naartoe zwemmen. Wat mij betreft houdt daar het rijk van Aldemundt op. Aan de andere kant ligt de grens bij Aldemundter velden. Nationale staten moeten klein blijven om niet ten onder te gaan.” “Nationale staten?” Trimmen kijkt hem verbaasd aan. “Daar komt toch alleen maar herrie van? Vind je niet dat we met onze drie dorpen en enen stad heel nauw samen moeten werken? Om die reden ben ik nu toch ook bij je? Wetenschap heeft nieuwe indrukken en samenwerking nodig.” Weemer knikt. “Dat is waar, maar een stam heeft innerlijke kracht nodig en die krijg je door je kennis in harmonie te delen. Daarvoor is een nationaal bewustzijn nodig.” Trimmen maakt een korte sprong in de lucht en laat zijn rode haarbos een flink schudden. “Het is hier heerlijk, dat snap ik”, zegt hij. “Maar je hebt toch ook het idee dat wij, als mensen, elkaar moeten steunen in deze vreemde omgeving? Je weet niet wat je nog tegenkomt en straks heb je anderen hard nodig om oplossingen te zoeken.” Weemer trekt een gezicht vol vertwijfeling. “Maar begrijp je dan niet dat gelijk gestemdheid veel beter is dan het voortdurend najagen van oplossingen? We zijn hier toch naartoe gegaan om een nieuw geluk te vinden, om onze kennis te gebruiken om onszelf en degenen die we liefhebben te sterken. Je kunt beter sterk sterven dan in vertwijfeling naar oplossingen zoeken.” Met een ruk blijft Trimmen staan. “Waarvoor ben ik dan hier gekomen? Als je er zo over denkt, kan ik beter weer gaan. Wij als onderzoekers zoeken samen een oplossing voor de eerste uitdaging die we tegenkomen, de amprosen. Daar kun je niets tegen ondernemen als je niet de steun van je medemens hebt. Communiceren, denken, actie ondernemen, daarin zijn we elkaar allemaal gelijk. Het is nog maar helemaal de vraag of je op dezelfde manier kunt omgaan met de wezens die je op deze planeet zeker zult aantreffen. Volgens mij zit het hier vol met de meest ongelofelijke verschijnselen. Goed voor je inzicht en kennis maar niet om mee te werken.” “Dat zal nog blijken”, zegt Weemer stug. De mannen lopen nu langs een stuk klif waar ook hij nog niet eerder is geweest. “We komen steeds verder naar het zuiden”, zegt hij. “Eigenlijk zou ik hier al iets verwachten dat ik nog niet ken.” Zijn ogen dwalen oplettend in het rond. “Dus nieuwsgierig ben je nog wel”, merkt Trimmen op die plotseling stil blijft staan. “Dit zou een ideale plek zijn”, zegt hij. Een inzinking in het strand heeft een mui gevormd waar het water ongeveer heupdiep in staat. Vanuit de inkeping stroomt het water voortdurend regelrecht naar zee Trimmens ogen speuren nu de rode, afgebrokkelde steen van het klif af. Een dikke bos takken met groengrijze schubachtige bladeren onttrekt een deel van de steenmuur en juist daar lijkt water uit de bergwand op te borrelen, water dat zich op het strand wildstromend naar zee verplaatst “Ideaal”, zegt hij weer. Hier kun je de “pakketten”met de stoffelijke overschotten gemakkelijk in het water laten zakken.” Weemer tuurt in het rond. Het eilandje Baalder ligt nu ver achter hen en in het westen strekt zich alleen maar de onmetelijke oceaan uit. “Als de stroom maar niet in de richting van het eilandje gaat”, zegt hij. “De Baalder mag niet besmet raken. Het moet een veilige plek voor de kinderen van het dorp blijven.” “Ja, ja, lekker knus in eigen huis, he”? mompelt trimmen maar Weemer hoort het niet. Hij schrikt van een luid gepiep aan de rand van de steenwand. Het is niet de roep van een kiola, maar wat dan wel? Even denkt hij erover om |Trimmen te waarschuwen maar het zou toch te mooi zijn als hij nu een nieuwe ontdekking deed, juist nu zijn vriend aan zijn behoefte aan onderzoek twijfelt. Hij knijpt zijn ogen tot een spleet. Weer dat gepiep! Met een oog houdt hij |Trtimmen in de gaten. Deze schijnt vooral de waterstroom te onderzoeken. Hij zit de gehurkt aan de rand van het water en steekt een vinger in het water om te proeven. Weemer speurt snel verder. De zon schijnt ook zo … daar, aan de rotswand. Twee rode wezentjes klauteren razendsnel naar boven en wat voor wezentjes. Weemers mond valt haast open. De wzens zijn niet groter dan zijnn duim maar ze hebben een hoofd dat erg veel op een mensenhoofds lijkt. Nog meer op een mens lijken ze doordat ze twee achterbeentjes en tweearmen hebben. Geen poten met klauwen maar kleine armpjes en beentjes. De wezens klauteren nog sneller naar boven. Ze houden Weemer in de gaten met opvallend grote, en bolle zwarte oogjes. Al piepend verdwijnen ze in een spleet in het gesteente. In de verte hoort hij nu de stem van Trimmen. “Kom eens, Weemer, het is echt een uitgelezen plek. Het waterstroomnt hier met een enorme vaart naar zee, ook in de onderstroom. De pakketten zijn weg voordat je het weet.” Weemer staat nog na te denken over de ontdfekking die hij zojuist heeft gedaan. “Jaaaa”, zegt hij langzaam en onwillekeurig dfwalwen zijn ogen weer af naar de steenwand. “Als het maar geen bedreiging vormt . We zullen eerst met een ruimtetaxi boven de zee moeten vliegen om te ontdekken hoe de stromen lopen.”, verzucht hij. “Maar eerst moeten we een reden verzinnen waarom er zoveel werk van gemaakt moet worden. Ik kan de doodsoorzaak van die jongens niet bekendmaken voor we terug zijn van de expeditie….”de laatste lettergreep spreekt hij wat langer uit. “Moet je eens kijken wat daar aankomt’”, hij trekt een verschrikt gezicht. Trimmen kijkt nu om. In de verte komt een lange stoet mensen aan lopen. “Ze hebben ontdekt dat het hier ook leuk is”, zegt hij lachend. “Laten we maar teruggaan, voordat ze iets gaan denken.” Even kijkt hij stil voor zich uit alsof iets hem op een overweldigende manier bezighoudt maar dan klinkt zijn stem weer heel ontspannen. “Ik weet wel een oplossing, ook al is die niet gemakkelijk.” De stoet mensen komt nu dichterbij en gezichten worden herkenbaar. “Maar misschien moeten we nu maar even net doen alsof we alleen maar aan een ontspannende middagwandeling bezig zijn. We kunnen hier niet over praten waar iedereen bij is.” “Leuk he”, begint Syfa Gammerhaan. “Zo’n wandeling langs een stuk onbekend strands. Ze wappert met haar lange, blonde haar in de richting van Weemer en verspreidt een nadrukkelijke geur. “Het is net een expeditie. O, ik vind het echt zo fantastisch dat de jongens straksd op expeditie gaan. Weet je dat mijn beide zoons ook meegaan?”Ze kijkt Weemer nu recht in zijn ogen. “Dat zal best, mevrouw Gammerhaan, maar wilt u ons nu even met rust laten?” “Nou, nou”, kirt Syfa weer. “Ik wisdt toch niet dat je boos werd. Ben je met een spannend onderzoek bezi”?”Deze keer is Trimmen sneller dan zijn vriend. “Dat kun je wel zeggen, we hebben een stof ontdekt die op aarde niet bestaat en die onas nog veel hoiofdbrekens gaat kosten”, zegt hij glimlachend “O, dat is zeker spannend, kunnen we er straks ook lipstisck of nagellak van maken”, giechelt ze. Trimmen schudt zijn hoofd. “Ik denk dat uw lippen dankzij deze stof er nog interessanter uit gaan zoen dan ze nu al zijn. Als i niet zo’n haast had, zou ik ze willen kussen.” Syfa bloost, ze voelt zich heel diep blozen. Die man uit Bixhoorn is er wel eentje. “Nou, u moet beslist eens langskomen”, lascht ze namaak verlegen. “Langskomen kan altijd”, antwoordt Trimmen met een buiging. Deze keer schiet zelfs Weemer in de lach. “De contacten tussen Bixhoorn en Aldemundt kunnen hem niet goed genoeg zijn. Misschien kunt u uw voordeel ermee doen”, op het eind klinkt z\ijn stem toch weer zuur en Syfa laat zich gierend van het lachen meezeulenb door ene vriendin. “Nou, wij gaan weer verder hoor, met onze expedissie”. Ze wuift de beide onderzoekers nog even na en laat daarna haar ogen weer rond gaan, alsof ze alles als een nieuwigheid beleeft. “In elk geval hebben we de mensen nieuwsgierig gemaakt, Weemer”, merkt Trimmen op. “Dat kan nooit kwaad. Wat ze met die nieuwsgierigheid doen, is een andere zaak.””Niet veel goeds, vrees ik”, moppert Weemer. “Als gewone mensen nieuwsgierig worden, verandert alles in een stuk sensatie.” “Je moet toegeven dat de sensatie groot is. Ik denk dat iedereen die naar Mende reisde ook een gevoel voor sensatie had. Of niet?” Weemer glimlacht flauwtjes. “Mijn grootste sensatie zou het zijn geweest als zulke wezens als Syfa niet op deze planeet rondliepen. Ik had gehoopt verlost te zijn van het allerdomste volk.” “Het spijt me”, Trimmens stem klinkt spottend. “Ik moet je teleurstellen. Ja, ik moet je zelfs nog een boodschap overbrengen van iemand, een vrouw.” Weemer fronst zijn wenkbrauwen. Hij heeft al bijna een kwarteeuw nauwelijks gesprekken en bijeenkomsten met vrouwen. Zijn belangstelling ervoor is sterk gedaald sinds hij de kans kreeg naar Mende te gaan. Hij blijft met een ruk staan en trekt een argwanend gezicht. “Wie dan?” Trimmen haalt zijn schouders op. “Ze zegt dat ze je goed kent en dat je blij zal zijn van haar te horen. Ze woont alleen in een huisje in Bixhoorn, het lijkt wel of ze op je zit te wachten. Ik moet eerlijk zeggen, ze is uit Navringen naar Bixhoorn verhuisd dus ze is vrij laat naar Mende gekomen. “Maar wie is het dan?” herhaalt Weemer. Zijn argwaan begint te veranderen in oprechte nieuwsgierigheid. “Het is Syfa Hermondt-Degelaar”, Trimmen laat de naam uit zijn mond vallen alsof hij een zware last met zich meedroeg. “Nee, dat kan niet, dat mag niet”, Weemer schreeuwt het uit. “Hoe haalt dat mens het in haar hoofd om me achterna te komen. Denkt ze nou echt … .” Trimmen glimlacht opnieuw. “Zoiets had ik wel verwacht”, zegt hij. “Ze heeft me verteld dat je in eerste instantie afwijzend zou reageren maar volgen haar zou dat allemaal bijdraaien.” “Het is niet waar!”Weemer heft zijn handen ten hemel. “Hoe kan er ooit een schepsel zijn gemaakt dat zo krom kan denken!” Trimmen heeft oeite niet in de lach te schieten. Alleen het ernstige gezicht van Weemer laat hem daarvan afzien. “Dit is echt verschrikkelijk, dat mens is gestoord!”gaat zijn vriend verder. “Ik heb haar gekend toen ik achttien was en zij zeventien en ze heeft een jaar lang achter me aangelopen. Echt, je gelooft het niet, het was je reinste archtervolgingswaanzin. Overal waar ik liep, stond of zat, daar was Syfa ook in de buurt. Meer dan eens is ze uit de struiken tevoorschijn gesprongen en heeft ze me uitgenodigd een man te zijn. Elke keer weer heb ik haar duidelijk gemaakt dat ik niets van haar moest hebben en dat ik zeker niet op haar wensen in zou gaan.`Maar goed, laten we het over de zaak hebben. Hoe zullen we het verder aanpakken?” Trimmen maakte een wanhopig gebaar met beide armen in de lucht. “Weemer, als het om persoonlijke zaken gaat, ben je een moeilijke man” Weemer keek zijn vriend aan maar gaf geen antwoord. “Het lijkt me het beste als we straks naar de Moden gaan en de plannen bespreken.” Trimmen knikte. “O ja, zeker, die uitvaart moet zo snel mogelijk plaats hebben. Ik ben bang datde bacterieen zich op een goed moment helemaal gaan verspreiden en dan zijn we veel verder van huis. We weten immers niet wat voor ziekte ze opwekken. Het kan heel gevaarlijk worden voor ons allemaal.” Het dorpsplein lag er verlaten bij in de gloeiende zon. De pantserwagens hadden weer allemaal een plekje gekregen in de grot en de Aldemundters waren elkaar grotendeels gevolgd bij de strandexpeditie. “Maar ik denk dat de Moden wel thuis is of in het tempelgebouw. Hij zal zijn post niet gauw verlaten. Dat moet ik hem nageven”, zei Weemer. De mannen zochten bij hun wandeling over het dorpsplein de schaduwkant op maar het huis van de Moden lag helemaal in de volle zon. “De werolden”, pufte Weemer, “de Osme-zomer is hier echt moordend. Dat wisten we toch echt niet toen we hier eindelijk voet aan land zetten. Ik denk trouwens, ik weet zeker dat we in de zame-zomer zijn geland, of nee, het was lente, echte lente, dat is waar ook. De zame-zomer ging over in de Osme-zomer. Maar ja, wat wisten we toen … . ” “Ja niks”, Trimmen wil een heel verhaal beginnen over zijn eerste ervaringen op Mende maar zijn woorden worden afgebroken door destem van de Moden. “Goedenmiddag, geleerde heren. Komt u binnen”, zijn stem klinkt deftig maar ook gastvrij. “Trek in een glas gome of pommeran?” Trimmen likt zich langs zijn lippen. “Pommeran graag”, zegt hij gauw. “Fris en sprankelend, wat wil een mens nog meer met dit weer?” Weemer kiest gome, het klinkt bijna opzettelijk na de bewonderende woorden voor pommeran van Trimmen. “Akkoord!”stemt de Moden in. Hij is wel gewend aan de wat zure toon van Weemer. “Komt u met een belangrijke boodschap?” Weemer kijkt somber uit zijn ogen. Natuurlijk komt hij met een belangrijke boodschap! Hij gaat toch niet bij de Moden langs voor een lolletje! “Ik zou het denken”, zegt hij voorzichtig. “Onze ontdekking is echt van het grootste belang voor het voortbestaan van Aldemundt. De Moden laat zijn gasten binnen in zijn werkkamer en schenkt voor ieder ene gals in. Voor zichzelf zet hij ook een glas pommeran neer, aangestoken door de opwekkende taal van Trimmen. “Wel, zeg het eens”, begint hij. Zonder onderbreking luistert hij naar het verhaal van Weemer dat bij tijd en wijle wordt onderbroken door Trimmen. Deze geeft voorbeelden en zo nu en dan gaat hij wat dieper op zijn eigen onderzoek in. Tenslotte komt Weemer tot zijn conclusie. De Moden staat op en ijsbeert ene paar keer door zijn kamer. Die gewoonte heeft hij altijd gehad als er ene groot probleem opdoemde. “Dat is verschrikkelijk. Bent u helemaal zeker over dit verschijnsel? Betekent het dat we allemaal dagelijks op onze hoede moeten zijn? Hoe komt het dat het twaalf jaar lang niet is voorgekomen in deze buurt?” “Dat laatst weten we niet zeker”, merkt Weeemer razendsnel op. “We hebben het alleen nog nooit zo duidelijk onder ogen moeten zien. Er zijn nog nooit menselijke doden bij gevallen maar dat zegt niks.” De Moden knikt. “Maar als u gelijk heeft, dan zou deze omgeving nu misschien al helemaal vergiftigd moeten zijn”, zegt hij. Ïk moet er niet aan denken.” Weemer voelt eindelijk weer eens een beetje sympathie voor deze man die zo’n verantwoordelijke taak heeft in het dorp. “Dat zou heel goed kunne maar het is bijna onbegonnen werk om de hele bodem om te spitten.” “Dat is ook niet nodig, als jullie weten waar de doden zijn begraven. We zouden eerst daar moeten kijken. Maar een directer van belang is nu de uitvaart van de beide jongens en de vogel. Die moet snel plaatshebben. Op die manier kunnen we dat kwaad tenminste de baas worden. “Dat betekent dat ik een heel slechte boodschap moet brengen”, denkt de Moden. “Ik moet veel mensen teleurstellen, verdriet doen.” Weemer haalt zijn wenkbrauwen op. “Wat moet, dat moet”, zegt hij kortaf. Zijn sympathie ebt al weer weg. “En heeft u al over een mogelijke boodschap nagedacht?”gaat de Moden verder. “Ja zeker”, Trimmen is er deze keer het eerste bij. Hij doet zijn list uit de doeken. Het lijkt mij de enige manier om paniek te voorkomen.” De Moden woelt met zijn linkerhand door zijn baard maar zegt niets. Zo nu en dan kijkt hij met een wat hulpeloze blik naar Trimmen. “Ik begrijp best dat het voor u moeilijk is om uw mensen zo erg een beeld voor te spiegelen”, zegt hij eindelijk. Üw geweten en de praktische noodzaak zullen een fel gevecht aangaan. Eerlijk gezegd had ik er in Bixhoorn minder moeite mee maar ik had ook niet uw verantwoordelijkheid.” De Moden blijft vlak voor Trimmen staan. “Je hebt gelijk, ongetwijfeld heb je gelijk maar je hebt ook gelijk over mijn gevoelens. Ik zeg je, we doen het!” Even kijkt hij van Weemer naar Trimmen en weer terug. “Vanavond spreek ik u weer, ik hoop dat u me nu even alleen wilt laten. “ Trimmen staat op en Weemer volgt zijn voorbeeld. “Veel sterkte”, Trimmens stem klinkt zacht maar welgemeend als hij de deur uitgaat. Even welgemeend is het zwijgen van Weemer.


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categories