Gepost door: Kaj Elhorst | november 30, 2008

Stevigheid

Foelar miste zijn vrienden. Hij merkte nu dat het zwaard van Kraj hem in de slag wel veel zelfverzekerdheid gaf maar als er niets te vechten viel, had hij er weinig aan. Zelfs als hij het gevest in zijn handen hield, ontleende hij er geen kracht aan. Voorzichtig probeerde hij zich te herinneren wat zijn vader hem altijd had verteld over volwassenheid en kracht maar het wilde hem maar niet te binnen schieten. iets weerhield hem om daarvoor zijn oor te luisteren te leggen bij de K’awal. Het leek hem een te klein probleem, de Anth’ herinneringen zouden er geen antwoord op geven, zo meende hij.

Natuurlijk had hij zijn vriendin, zijn vrouw, die hem kon troosten maar die ook teveel met haar eigen zwangerschap bezig was om al te diep op Foelars problemen in te gaan. Bovendien was zij niet een vrouw zoals A’akane, een wijze vrouw die contacten onderhield met de Anth’ uit voerige generaties. Dat maakte Foelar ook wel eens onzeker en eigenlijk was hij wel eens jaloers op Kalam en zijn uiterst begaafde vrouw. Aan de andere kant wist hij dat vrouwen met zoveel talenten meer heel weinig voorkwamen. Het was geen wonder dat ze meestal een verbond aangingen met de meest vooraanstaande mannen. Ook de vriendin van Tugor had niet de gaven die A’akane bij zich droeg. Dat nam niet weg dat hij wel eens iets in zich voelde bruisen, de wens om heel dicht bij A’akane te zijn, om voor haar ook heel bijzonder te zijn, niet gewoon één van de mannen. Tussen zijn wimpers door keek hij naar haar maar A’akane was heel druk in gesprek met haar vriendinnen. Ze had geen oog voor Foelar.

Zijn ogen dwaalden verder terwijl zijn gedachten bij A’akane bleven hangen. Hij zag de mannen, de jagers, de wagarden en de mannen van de buistense kring, de Kraj en de leraren en ze lieten hem op het ogenblik allemaal even koud. Toch voelde hij een weerbarstigheid opkomen die hem zei dat hij nu de verantwoordelijkheid droeg voor het volk en dat hij nu kon laten zien wat hij waard was, niet alleen op het slagveld. Vooral aan A’akane zou hij dat kunnen tonen. Misschien zou ze zelfs wel trots op hem worden. 

Met tegenzin stond hij op maar op den duur met steeds meer energie liep hij naar de mannen. Tot zijn verbazing zag hij hoe de jagers en leraren deze keer niet alleen maar aan het praten waren maar ook met hun handen in de aarde groeven. Van tijd tot tijd verdwenen ze met hun hele arm in de zee om een roodachtige drab tevoorschijn te halen. “Vis?” vroeg Foelar zo luchtig mogelijk maar de mannen schudden hun hoofd. “Nee, moet je zien”, zei één van de leraren die Foelar kende als Ma’aba. “Deze natte, rode stof droogt heel snel in de zon en dan wordt ze keihard.” Hij wees op verschillende hoopjes van het materiaal die over het strand verspreid lagen. “We proberen het al een tijdje uit. Het is echt wonderlijk.” Even keek hij uin de verte en toen wees hij naar de rode stad die daar lag. “Het lijkt wel of die hele stad ervan is opgebouwd.” Foelar koos nu een plaats om te zitten uit teidden van de andere mannen en keek naar een nieuwe hoop van het rode stof die ze op het strand hadden gemaakt. De bult was bijna zo hoog dat hij tot het middel van Foelar reikte.  De stof voelde klef en vochtig aan en het water parelde nog op de top maar de mannen hielden de bult onophoudelijk in het oog. Intussen gaven ze de zon de kans om volop op de bult te schijnen en het parelende water was al gauw verdwenen. Het duurde niet alng of de stof voelde droog aan en ze leek zelfs wel hard te worden, net zo keihard als de bultjes die op andere plaatsen op het strand lagen.

“Dat gaat snel”, zei Foelar. “De warmte van Gûl is machtig maar….als zijn warmte zo machtig is, waarom zouden we haar dan niet dichterbij halen?” De andere mannen keken hem onnegrijpend aan maar ze wisten dat Foelar de man was van de ongekende avonturen en nieuwigheiden en ze wisten dat Kalam hem als vriend had aanvaard. Dat betekende dat hij met krachten behept was die Kalam als goed beschouwde. Nieuwsgierig letten zij op wat Foelar ging doen.

De toorts met het zonnedier was binnen handbereik en Foelar hield het vuur nu zo dicht mogelijk bij de rode bult. Zo nu en dan likte het zonnedier zelfs aan de stof. Dan verschenen er wat sterretjes maar lang duurde dat nooit. De rode stof veranderde erdoor wel van kleur en werd wat meer blauw. De stof voelde dan meteen kurkdroog aan en leek zelfs een glans van water te gaan vertonen. Keihard werd ze en onwrikbaar. Foelar glunderde, zijn gevoel had hem niet bedrogen. “Mannen, ik weet wat we gaan doen”!” riep hij uit.

De anderen keken hem achterdochtig aan want Foelar mocht dan al een gewaardeerde vriend van Kalam zijn, hij stond ook bekend om zijn roekeloosheid, zijn overdadige enthousiasme bij elke nieuwigheid. Foelar liet zich er niet door weerhouden ook al zag hij de aarzelende blik in de ogen van de anderen. “We halen veel meer van die stof uit zee”, riep hij. “Dan maken we een groot zonnedier en gooien we die stof erin. Op die manier krijgen we blauwsteen en daar kun je muren van maken.” Zijn stem klonk nog opgewonden maar zijn enthousiasme sloeg niet meteen over op de anderen. “Misschien heb je gelijk maar waarom al die moeite?” vroeg één van de jagers. “We kunnen het spul toch ook laten drogen door Gûls kracht, net zoals zij hebben gedaan?” Hij wees daarbij in de richting van de rode stad.  Foelar grijnsde. “Dat kanw el maar we doen het niet. Dit is steviger, harder en beter”. De meeste mannen keken strak en nadenkend voor zich uit. Ze weilden ereerst nog eens goed over nadenken totdat Ma’aba zijn stem verhief. “Ik weet het niet”, zei hij langzaam. “We moeten de K’awal raadplegen. Als die instemt, kunnen we het proberen.” De andere mannen mompelden nu instemming. Foelar voelde kwaadheid in zich opkomen. Waarom zagen ze niet in hoe goed zijn idee was geweest? Aan de andere kant begreep hij maar al te goed dat Ma’ba’s idee misschien de enige mogelijkheid was om zijn plan doorgang te laten vinden. Of niet, het ging erom wie naar de K’awal zou luisteren. Foelar zelf? Hij was er niet helemaal zeker van dat hij daarvoor genoeg vertrowuen genoot van ed andere mannen. Maar Ma’aba..,.hij keek nog eens goed naar de man die zijn lessen altijd zo rustig aan iedereen uitdeelde. Ma’aba keek terug. Iets in zijn ogen zei Foelar dat hij de leraar kon vertrouwen. Ma’aba stond op. “Ik zal het zelf doen”, zei hij langzaam. “Iemand bezwaar?” Zijn sten klonk bijna dreigend. Alleen B’agar’, de grootjager liet zich horen. “Misschien is dat een goed idee, Ma’aba, maar ik wil ook luisteren.” Ma’aba liet niet merken dat hij zich daardoor wel een beetje beledigd voelde. Integendeel, hij gromde: “Dat is goed.”

De twee mannen liepen met grote,rtage passen in de richting van de K’awal, die tussen het vrouwenkamp en het kamp van de jagers was opgesteld. Hun rustige tred gaf de andere mannen de zekerheid dat zij zich bewust waren van hun verantwoordelijkheid. Luisteren naar de K’awal was niet iets wat de Anth’ heel gemakkelijk deden en meestal moest het toch gebeuren in de aanwezigheid van Kalam maar dit keer was dat onmogelijk.

Foelar hoorde nauwelijks wat zijn  vriendin tegen hem zei. iets drong wel tot hem door en natuurlijk ging het over de naderende geboorte ern eigenlijk had hij er wel meer aandacht voor willen hebben maar ziujn ongeduld was te groot. Hij trommelde met zijn vingers voortdurend op het natte zand en keek steeds weer in de richting van de K’awal. Zou het allemaal weel geod gebeuren en zou het wel goed gaan, zou de uitkomst goed uitvallen? Zelden was hij zo zeker geweest van de goede kanten van een idee dat hij had gehad. Als de uitslag zou zijn dat ze het niet konden doen zoals hij had gezegd…hij voelde zich van binnen hol worden en zijn moed suisde door die holte naar beneden. Hij vroeg zich af of leraren en grootjagers nog werl geschikt waren voor het leven in deze omgeving. Zouden de wagarden niet veel gemakkelijker nieuwigheden aanvaarden? Zij hadden zich immers nog nooit veel aangetrokken van de Gamor? Foelar schrok van zijn eigen gedachten. Was hij nu bezig te twijfelen aan het belang van de Gamor? Als hij daaraan begon te tornen, zou hij nooti meer een goede vriend van Kalam kunnen zijn.

De wagarden en mannen van de buitenste kring waren inmiddels ook wat dichterbij gekropen. De meesten durfden zich nog niet tussen de jagers en leraren te nestelen maar ze zatn er dan toch wel héél dichtbij. Ze hadden maar al te graag door dat er iets bijzonders aan de hand was en Foelar probeerde hen dat ook duidelijk te maken. Het waren vooral de leraren die probeerden de owinding iets te temperen. het was immers nog helemaal niet duidelijk wat de uitslag van het luisteren aan de K’awal zou zijn? Doordat de leraren alles weer een beetje minder opwindend maakten, begon de stemming wat te dalen en tegelijkertijd werd er toch ook wat minder gepraat. De mannen wachtten meer in stilte af wat er zou komen.

Ma’aba en B’agar kwamen eerder terug dan Foelar had gedacht. Was de K’awal zo gauw zo duidelijk geweest? Dat gebeurde toch maar zelden! Maar ja, aan de andere kant…Foelar was nog steeds overtuigd van het goede van zijn plan. Hoe zou er uit de K’awal een andere raad voort kunnen komen?

De grootjager en de leraar namen beide weer plaats in de binnenste kring van mannen en staarden een tijd lang zwijgend voor zich uit. Foelar kon zich nauweerlijks nog bedwingen en hij wilde net vragen wat er uit was gekomen, toen Ma’ba begon te spreken. “Het is niet gemakkelijk”, zei hij. “Vooral niet nu Kalam er niet bij is. “Waarom het niet gemakkelijk is, zal zo meteen duidelijk worden. B’agar, wil jij eerst je verhaal doen?” Opnieuw voelde Foelar hoe de moed hem bijna verliet. Zou het nu toch bijna allemaal voor niets zijn geweest? Hoe kon dat nou, hoe kon die….?  Hij durfde zijn gedachten niet af te maken want ze waren niet vleiend voor de K’awal. Foelar strafte zichzelf door alle gedachten uit zxijn hoofd te bannen maar dat kostte hem zoveel energie dat hij nauwelijks hoorde wat B’agar zei.

“De K’awal heeft mij afgeraden om het idee van Foelar uit te voeren. De stemmen zeiden mij datw e op die manier de wateren van de zoute zee tot vijand zouden maken, door hun schatten af te pakken. Dat zou erg zijn want juist die wateren hebben we hard nodig om ons te verweren tegen een groot gevaar. Welk gevaar dat was, hebben ze mij niet gezegd maar het klonk alsof het grootste onheil dat we ooit hebben meegemaakt over ons zou komen. Alleen het water kon ons redden.” B’agar schoof een beetje onrustig heen en weeer op zijn plaats alsof hij zijn eigen woorden niet geloofde. Toch sloot hij zijjn ogen twee keer en opende hij ze weer ten teken dat zijn verhaal klaar was.

Heel anders klonk de stem van Ma’aba. “De K’awal heeft mij aangeraden het plan van Foelar uit te voeren”, begon hij.” Maar daarbij moeten we ook nog iets anders doen.” Even was hij stil en de mannen in de kringen keken hem vol verwachting aan. Wat had Ma’ba  bedacht? “Van de takken en stammen van de spaarzame bomen hier, moeten we een groot vlechtwerk maken, een vlechtwerk waarmee je op het zoute water van de zee kunt drijven ook al zitten of staan er mannen op.” Er ging een aanzwellend geroezemoes op onder de mannen. Een vlechtwerk dat op het zoute water kon drijven? “Maar dat is onmogelijk”, riep één van hen maar zijn woorden gingen grotendeels ten onder aan een andere stem. “Kijk toch eens, op het water. Kijk eens wat je daar ziet!” Foelar en de andere mannen keken in de richting van de zee. Daar naderden vreemdsoortige mennen, staande op een soort vissenstaart, bovenop de golven. “De vissen komen in opstand!” schreeuwde een jager en hij richtte zijn boog maar Foelar weerhield hem te schieten. “Maar kijk dan toch”, zei hij. “Dat is het toch!”

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Het orakel van Delphi speelde in de griekse godsdienst een belangrijke rol en komt ook voor in de mythologie. De uitspraken van het orakel waren vaak verre van eenduidig of duidelijk. Zo moest Athene zich in de oporlog tegen de Perzen verdedigen met een muur van hout. Uiteindelijk bleek de stad zich inderdaad te verdedigen door de bouw van een grote vloot. Skeptici menen dat de aanhangers van vlootbouw het orakel hadden ingefluisterd een tekst uit te spreken die kon wijzen op de bouw van zo’n vloot.

www.spiritualiteit.nl

www.people.zeelandnet.nl

www.orakel.nl

www.orakelkaarten.nl/godinnen.html

www.nl-enu.nl/rubriek//Spellen/Rollenspellen/Live_Roleplaying/Fantasy/Nederland/–Nederland 

www.bibliomedia.nl

 

 


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën