Ze daalden nu verder af en het pad werd steeds breder terwijl de kuilen en keien plaatsmaakten voor kleine steenkorrels. Gevaarlijkw as dat wel want de ene na de andere Anth’ en Kraj gleed uit op de korrelige ondergrond en roetsjte een eind naar beneden. Vooral voor de zwangere vrouwen kon dat bedreigend zijn. Kalam makate zich daar niet alleen zorgen om, hij had ook besloten vlak naast A’akane te lopen en een stevige arm om haar middel te leggen. Zo gaf hij het voorbeeld voor de andere mannen die het aarzelend of niet opvolgden. Niemand zou de dood van zijn eigen kind op zijn geweten willen hebben.
Intussen werd het landschap aan één kant van het pad steeds vlakker terwijl de diepte aan de andere kant alsmaar minder werd. Vóór de Anth’ en Kraj strekte zich een vlakte uit die met één blik niet te overzien was. Een groene vlakte, zover als het oog reikte en middenin die vlakte viel de reusachtige hoge toren van rode steenbrokken meteen op. Bovenop de toren bewogen zich mannen, mannen met een kleding die schitterde in het licht van de zon. “De mannen van Gûl”, fluisterde Tugor tegen zijn vriend en deze knikte. “Het lijkt er wel op”, gaf hij toe. “Zou dit hun land zijn?”
Er ging nu een poort aan de onderkant van de toren op en drie ruiters op loopvoeters kwamen naar buiten. Ze reden met drieën naast elkaar de Anth’en Kraj tegemoet maar stopten toen ze de gezichten van de andere duidelijk konden herkennen. De middelste herkende Kalam onmiddellijk als Primus alleen leek zijjn gezicht jonger maar daar dacht Kalam niet al teveel over na. Hij liet A’akane weer los nu de weg zo vlak liep dat uitglijden geen gevaar meer opleverde en liep meteen naar voren, gevolgd door Tugor en Foelar. Kalam was inmiddels gewend geraakt aan kennismaking met vreemde volkeren en wees op zichzelf. “Kalam”, zei hij rustig en hij wees met zijn linker duim op zichzelf. De middelste ruiter tegenover hem maakte een lichte buiging maar bleef op zijn loopvoeter zitten. Ook hij wees met zijn linkerduim op zichzelf en zei: “Primio.” Geen Primus dus en nu viel opnieuw het jongere gezicht van de ruiter op. Primio wees nu met dezelfde duim op zijn beide begeleiders: “Dario”, zei hij terwijl hij naar links wees en daarna boog hij zich naar rechts: “Avario.” Daarop wees hij met uitgestrekte hand naar het landschap achter zich en maakte hij een gebaar waarmee hij duidelijk maakte dat de Anth’ en Kraj door konden lopen. Met zijn beide vrienden stelde hij zich aan het hoofd van de stoet.
“Wat een landschap!” fluisterde Foelar. Hij wees op de struiken en bomen die aan beide kanten van de weg hoog opschoten. Eén van de Kraj wees op de gekleurde vruchten die aan de bomen en struiken hingen en vroeg zich af of er van geteten kon worden. Het was alsof de drie ruiters vooraan zijn gedachten hadden geraden want plotseling hielden zij stil. Dario en Avario stapen af en liepen langs de zijkanten van de weg om vruchten te plukken. Eerst waren de vrouwen aan de beurt om te proeven en pas daarna de mannen. De Anth’ en Kraj stonden in het begin wat onwennig met hun handen vol fruit en keken elkaar aarzelend aan maar Primio draaide zich om naar de groep en nam een grote hap uit een rode vrucht terwijl zijn vrienden een groene en een gele vrucht begonnen op te eten. Kalam grijnsde. “We kunnen het proberen”, zei Tugor. “Als we niet proberen, bereiken we nooit iets. Kalam kon weinig anders doen dat toegeven en hij nam een grote hap uit de groene vrucht die hij in zijn hand had. “Ze smaakt alsof ze rechtstreeks van Gûl komt”, zei hij smakkend met zijn lippen. De anderen lachten en deden het hem na. Ze proefden ook de vruchten van degenen die naast hen liepen en zwe awaren allemaal even goed: zoetm zurig, soms wat bitter maar altijd heel sappig en zacht. Kalam gaf zijn volgelingen nu opdracht om alle vruchten dankbaar aan te nemen, als ze nog meer zouden krijgen en dat gebeurde. Ze kregen zoveel fruit dat het meeste op de meegebrachte loopvoeters geladen moest worden.
Goed voorzien van fruit zette de stoet zich weer in beweging en de verwondering werd onder de Kraj en Anth’ alsmaar groter. Hier en daar zagen zij mannen lopen die de beste vrienden leken te zijn met een soort jankermannen, jankervrienden zoals de Anth’ ze al gauw noemden. Bij de Vogelgrijpers hadden ze ook wel zoiets gezien maar niet zoveel en ook niet zo vriendschappelijk. De dieren speelden met de mannen, liepen er omheen, blaften soms wat en een enkele keer had zo’n jankervriend zich echt tegen een man aangedrukt terwijl deze op de grond zat of zich had neergevlijd. Het leek de Anth’en Kraj dat niemand in dit land ook maar iets te kort kwam. Juist daardoor voelde Kalam zich behoedzaam worden. Hij had geleerd dat in een land nooit alles mooi en leuk kon zijn. Er was altijd wel iets te wensen.
De tocht ging verderen het pad werd smaller. Ze hadden nu al een hele tijd bijna zonder rust getrokken toen de struiken en bomen begonnen te wijken. Alleen hier en daar stond nog een boom of een struik en voor hen lag een vlakte die bijna de kleur van ijs had maar bestond uit kleine korreltjes van steen en daarachter lag een meer, zó groot dat het water de horizon bereikte. Kalam keek links en zag ook aan die kant een meer dat zich eindeloos leek uit te strekken. Het water klotste met schuimende golven tegen het witte gesteente aan. Hij keek rechts en ook daar strekte zich het meer eindeloos uit. De golven werden er alleen onderbroken door een waterstroom die vanuit het land kwam en zijn einde vond in het grote meer.
De drie gouden mannen reden naar de plek waar waterstroom en meer elkaar ontmoetten en daar bleven zij staan om te wachten op de Anth’ en Kraj. “Dit zal een bijzondere plek zijn”, meende Tugor. “Waarom brengen zij ons anders helemaal hierheen? Hij keek om zich heen of er iets bijzonders te ontdekken viel maar…in de verte, niet al te ver van het meer zo leek het…tekende zich een hoge, ronde heuvel af en bovenop die heuvel leek een grote verzameling rode bouwwerken te staan. Tugor kon het niet goed zien maar Foelar, die wat scherpere ogen had, zag er duidelijk gebouwen en huizen in. “Een stad”, zei hij ingetogen. Misschien waar de mannen van Gûl wonen?
Intussen waren de Anth’ bij de uitmonding van de rivier aangekomen. Daar hadden zij een goed uitzicht over water en land. Het was Primio die hun aandacht vroeg door zijn zwaard te trekken en daarmee op zijn gouden kleding te slaan. Het geluid drong tot alle Anth’ door. Daarop sprong hij van zijn loopvoeter met het zwaard nog steeds in de hand. Foelar klemde nu zijn hand steviger om het zwaard van Kraj maar zijn waakzaamheid was niet nodig. Primio drukte de punt van zijn zwaard in de grond en begon een streep te trekken. Een lange streep die vanaf het meer landinwaarts ging, een flink stuk van de bomen en struiken omvatte en daarvandaan weer terug ging naar de rivier. Langs de oever van de rivier liep hij weer terug naar het meer. Daar steeg hij op zijn loopvoeter en doorwaadde hij met het dier de rivier. Daarbij reikte het water haast tot aan zijn knieën. Aan de over kant stapte hij opnieuw van zijn loopvoeter af en maakte hij ook al zo’n streep. Toen hij eindelijk daarmee klaar was, kwam hij terug en reed hij naar Kalam. Vlak naast de leider van de Anth’ steeg hij opnieuw af. Deze keer pakte hij Kalams hand en duwde hem zijn zwaard in de vuist. Terwijl hij Kalam nog steeds bij de hand hield liep hij naar midden van het omlijnde stuk land. Daar duwde hij Kalams hand met het zwaard recht opmhoog zodat de punt van het zwaard naar de hemel wees. Hij stootte een kreet uit en liet Kalam daarna alleen achter.
Er was verwarring bij de Anth’. Hadden ze een stuk grond van de mannen van Gûl gekregen? Ze keken elkaar in verbazing aan maar Tugor riep hen op toch vooral naar Kalam te kijken. Deze stond een tijdlang onbewegelijk met het vreemde zwaard omhoog. het leek alsof hij niet meer van zijn plaats zou kunnen komen en een enkele Anth’ vroeg zich al af wat er met de uitvberkorene was gebeurd. Die verkeerde inmiddels in onbegrip, iets wat bij een uitverkorene niet thuishoort. Hij geloofde de vele stemmen die nu door zijn hoofd trokken niet meer. Ze zeiden hem dat dit de plek was die hij altijd had gewild en langzaamaan vertrokken zijn gedachten weer naar Kana’an en de gedachten die hij dáár had gehad’. Er trok een schemer en een duisternis aan hem voorbij en voor zich zag hij opnieuw het oude Kana’an en de grot waar hij de tekst van de Gamor in tekeningen ooit had achtergelaten. Het leek alsof zij nu het licht van Gûl doorlieten, een licht dat alle kleuren weergaf doordat het dwarsdoor de ijsmuur van zijn tekenwerk heendrong. Een paar tekeningen kleurden daarbij heviger dan de andere. En ja, het waren de tekeningen die aangaven wat het doel van de uiverkorene zou zijn. Was het waar, was het einde van de reis aangebroken?
Hij glimlachte en zag hoe de glimlach op zijn mond nu ook een glimlach aan de binnenkant van zijn hoofd weerkaatste. Er trok een warme gloed door hem heen en zelfs de zonnevlam die hem ooit had bedreigd, trok zich nu terug op een klein plekje in zijn hoofd. Kalam zag de binnenkant van zijn schedel, hij was er zeker van em eindelij barstte hij uti in daverend gelach en zijn benen en armen begonnen vanzelf te bewegen. Hij danste. Had het lang geduurd? Kalam dacht dat het allemaal in een oogwenk had plaatsgehad.
Tugor had ademloos naar de uitverkorene gekeken en hij zag hoe ook Foelar zwijged en bewonderend keek naar de man die hij zolang had gevolgd. De twee mannen maar ook de andere Anth’ hadden zwijgend en gespannen toegekeken. Wat ging hier gebeuren? Ze voelden de grond haast onder hu voeten trillen en daar was een goede reden voor want de lucht betrok en donkere wolken pakten zich samen terwijl de wind aantrok. Er waren bliksemschichten en het knetterde in de lucht maar de “vonken van Gûl” raakten het zwaard niet. Zo snel als de bui was gekomen, was ze ook weer vertrokken en daar stond Kalam nog steeds met zijn zwaard en plotseling begon hij te zingen en te juichen. Was dit het teken? En wat niemand opmerkte was dat Primio en zijn twee vrienden stilzwijgend waren vertrokken naar de stad met de rode gebouwen. Zo zeer waren ze in beslag genomen door alles wat er met hun uitverkorene gebeurde.
Die avond zaten alle Anth’ in een kring rond Kalam terwijl hij uitlegde hoe hij hier, op deze plek zijn nieuwe Kana’an zou bouwen. En hoe het meer hun vriend zou zijn net als de bomen en de struiken en de fijne steenkorrels op de grond die hij aanduidde als “zand”. De Anth’ waren stil en hoorden de stem van hun uitverkorene die zo nu en dan meegedragen leek te worden op de vlagen van de wind. Het was alsof zij uitwaaierden over het meer, de bomen, struiken en het zand en of zij zich door geen bergen zouden laten tegenhouden. Iedereen zou het weten: het nieuwe Kana’an was verschenen.
Terwijl de laatste stralen van Gûl zich in een rode kleur hulden en langzaamaan aan het eind van het grote meer naarbeneden begaven, stond Kalam met zijn tenen in het klotsende water en doopte hij het ” Meer van Gûl” en noemde hij het “zee”, de onuitputtelijke. En de andere Anth’ zaten nog steeds aan zijn voeten en luisterden hoe zijn woorden zich vermengden met het klosten van het water en zij wisten dat zee en leven altijd hetzelfde zouden zijn. Even, héél even, kwam het bij Kalam op om op dit moment zich te buigen over de K’awal maar het was Foelar die hem daarvan weerhield. “Nu zijn het niet de herinneringen maar is het de horizon van de Anth’ die van belang is”, zei hij. “Stel je vragen uit tot morgen’”, en Kalam besloot die wijsheid te volgen.
Http://mythologie.wordpress.com
Service
In de Griekse mythologie gaat het verhaal van jason en het Gulden Vlies over de zin van reis en einddoel.
www.studiegids.leidenuniv.nl/index.php3?m=1111&c=1514&garb=0.10775593077308676
www.di-janne.blogspot.com/2005/06/mythologie-goden.html
www.kameraadharko.blogspot.com/2007/04/zalig-pasen.html