
Zelden had Kalam zo”n voldaan gevoeld als toen de eerste zonnestralen hem die ochtend opwekten. Hij wist niet waar het gevoel vandaan kwam, van de aanraking door de stralen van Gûl of door het gevoel bij vrienden te zijn. Want vrienden waren ze nu allemaal geworden. O ja, de aanraking door de stralen van Gûl voelde wel anders dan ooit tevoren. Het leek alsof de stralen hem vertrouwder waren gewoden sinds zijn verblijf bovenop de berg. Alsof iets van de kracht van Gûl voorgoed in hem was gekropen. De gewone gevoelens van onzekerheid die hem hadden achtervolgd vanaf zijn vlucht uit Kana’an waren vervlogen. De stralen avn Gûl waren ook niet alleen maar warm, ze waren ook beter te verdragen dan de afgelopen tijd. Zijn lichaam had zich nooit goed kunnen wennen aan de hoge temperatuur in de nieuwe omgeving maar vanaf vandaag was er van dat lichamelijk onbehagen geen sprake meer.
Dicht naast hem en nog in diepe slaap lag A’akane. Zij ademde de rust uit die hij nu diep in zich voelde en langzaamaan kroop een herinnering in hem omhoog, een boodschap die hij aan zijn volk moest mededelen. Hij richtte zich half op en tuurde om zich heen. Bergen en bossen omzoomden de deernisweekkende plek waar ooit een dorp van de Kraj was geweest. Nog steeds zag het eruit als een plaats van onheil en dood. Nee, hier zou hij geen nieuw Kana’an kunnen stichten. Het waren de omgeving, de geur en de kleuren niet die pasten bij het beeld dat in zijn hoofd lag opgesloten van het nieuwe Kana’an. Natuurlijk was het de vraag: hoelang nog? Hoelang zou de tocht nog duren?
Langzaam stond hij op, achter hem lieten de stralen van Gûl zich nog steeds voelen maar vóór hem nam hij iets anders waar. Ver achter de bossen die hun slaapplek omringenden kringelden wal weer dikke, zwarte rookwolken op. Wat zou de toekomst brengen? Meer verbrande dorpen en verdreven volkeren? Kalam voelde een lichte siddering door zich varen omdat hij vreesde voor het alsmaar voortdurende geweld overal. Niet alleen in Kana’an maar ook onderweg had hij er veel mee te maken gehad en er leek maar geen eind aan te komen. Toch gebeurde er deze keer iets anders dan de andere keren. Deze keer draaide hij zich resoluut om en keek in de richting van Gûl waar de klucht schoon en helder was. Die richting zouden ze volgen. De weg van het “Reine Pad” zoals ergens in de Gamor Anth’em wasbeschreven. Die zouden ze gaan.
Kalam glimlachte. Bij de gedachte aan Gamor Anth’em viel hem opnieuw iets te binnen waaraan hij die ochtend al eerder had gedacht. Met een stok tekende hij de lange rij geheimzinnige tekens in de aarde onder hem. Voor hem waren ze niet geheimzinnig meer maar voor zijn volk zou het allemaal nieuw zijn. Die gedachte hamerde in zijn hersens met toenemende kracht en hij besloot zijn hoofd nog even op de K’awal te laten rusten. Hij had de ervaring opgedaan dat de spanning van binnen daardoor minder werd.
Toen Tugor hem daar zo zittend bij de K’awal vond, durfde hij hem niet te storen maar Kalam had hem al lang door zijn wimpwers heen gezien. “Kopm dichterbuij, vriend” zei hij zo luid dat hij de anderen niet wakker zou maken. “Ik moet een geheim met je delen.” Hij nam Tugor bij de arm en voerde hem mee naar de vreemede tekens die hij in de aarde had gemaakt. De bovenste ervan wees hij aan en hij liet een geluid horen dat Tugor in de oren klonk als “oooo”. Zo ging hij van teken naar teken en een hele reeks van klanken volgde hem. Deze keer kon Tugor hem niet goed volgen en hij keek zijn vriend verwilderd aan. Kalam lachte om de verwarring van zijn vriend. “Het zijn de tekens van Gûl”, legde hij uit. “Wie deze tekens in de toekomst ergens tegekomt, zal die klank erin herkennen. Ik heb ze “Gûlike” genoemd, de van Gûl gegevenen.” ”Meteen tekende Kalam een aantal van de tekens achter elkaar. ”Zeg eens na?” vroeg hij aan zijn vriend. Tugor aarzelde. Eén voor één noemde hij de klanken die zijn vriend hem had voorgezegd. “Oeaoo”, klonk het langzaam uit zijn mond. “Heel goed!” riep Kalam uit. “Oeaoo”, de “liefde”. Tugor knikte aarzelend en onbegrijpend. “Ja, en?” Opnieuw basrstte Kalam in lachenuit. Meestal was Tugor veel sneller met be3grip voor iets nieuws dan hij maar deze keer… Nou ja, hij had ook niet drie dagen lang zo dichtbij Gûl op een berg verkeerd. “Dit zijn de tekens van Gûl”, herhaalde hij. “Elke keer als ik ze gebruik, zullen het de woorden van Gûl zijn. Gûl heeft nu dekans om zijn boodschappen snel bekend te maken aan iedereen.”
De verbijstering was op Tugors gezicht af te lezen. “Maar daarvoor hebben we toch de klanken en stemmen die we kunnen opvangen. Waarom zou Gûl deze tekens moeten gebruiken?” Kalam knikte begrijpend. “Omdat niet iedereen die klanken opbvangt en soms zijn ze er helemaal niet. Door deze tekens ben ik in staat in mijn ééntje al;le boodschappen op te vangen en door te geven.” Tugor keek hem verbluft aan. Het klonk zo simpel en eenvoudig zoals Kalam het zei. In stilte dacht hij “maar dan moet ook iedereen die tekens kunnen begrijpen”. Even was het stil maar het duurde niet lang of Kalam had zijn gedachten geraden. “Iedereen moet de betekenis ervan leren kennen”, zei hij.
Het hele volk was nu opgestaan en de meesten poedelden kort in de rivier. Vooral de vrouwen waarvan nu duidelijk te zien was dat zij een kind verwachtten, hielden ervan om zich in het frisse maar koude water te dompelen. “Ik voel me vaak vies”, had A’akane al een paar keer tegen Kalam gezegd. “Het lijkt wel of ik dat gevoel veel vaker heb dan vroeger.” En Kalam ried haar aan zich vaak in de rivier te wassen, in elk geval zolang ze hier nog zouden zijn. Heel lang zou dat niet meer duren want hij wist nu zeker dat ze in de richting moesten gaan waar de zon elke ochtend opkwam.
Terwijl de vrouwen aan het badderen waren, raapten de mannen alles bij elkaar wat ze nodig hadden voor onderweg. Een groep jagers van Anth’en Kraj was het bos in gegaan om te jagen en vruchten te verzamelen. De jagers van de Anth’ waren verreweg het beste erin zich meester te maken van een prooidier maar de Kraj toonden zich veel behendiger in het vinden van vruchten. De mannen letten daarbij goed op elkaar en zo leerden de Kraj beter hun wapens te gebruiken en hun oog te richten en de Anth’ werden steeds slimmer in het vinden van vruchten en noten in het bos. Het was een rijk bos en de mannen bleven de hele ochtend weg maar toen Gûl op zijn hoogtepunt was, droegen zij gezamenlijk de hele buit naar de slaapplek.
De jagers en verzamelaars hielden hun pas in toen zij de grote, geheimzinnige tekens zagen die Kalam inmniddels op de grond had gemaakt. Het was niet direct dat zij de betekenis ervan wilden weten maar het leek hen iets om ontzag voor te hebben. Daarom legden zij hun prooi voorzichtig op de grond naast de tekens en begaven zij zich naar de plek waar ze die nacht hadden doorgebrcht. Ook de vrouwen liepen om de tekens omzichtig heen, bang om ook maar een kleinigheid te beschadigen. Zij zagen hoe sierlijk en met hoeveel nauwkeurigheid de tekens waren gemaakt. Daaraan zou je nooit mogen komen.
Het duurde niet lang of Kalam zag dat alle mannen en vrouwen waren teruggekeerd in het kamp. Hij liet zijn stem onmiddellijk scherp en helder klinken. Met een stok wees hij op de tekens. “Hier is een boodschap van Gûl, degeen die ons ons hele leven lang al verwarmt”, zei hij. Vooral voor de oorspronkelijke Anth’ was dat een belangrijke mededeling want warmte was in Kana’an altijd het grootste goed geweest. Ook de Kraj leken onder de indruk. Waren het niet de stralen van Gûl die ervoor zorgden dat bessen en noten aan de struiken groeiden?
Kalam voelde zich opnieuw sterk en tevreden toen hij de stilte in het kamp opmerkte. “Luister”, zei hij weer met dezelfde krachtige stem. “”Gûl draagt ons op dichter naar zijn huis te komen”. Bij die woorden liet hij de stok in zijn handen over de tekens gaan en hij sprak de weergegeven klanken langzaam en nadrukkelijk uit. “Hij wil ons dichter bij zijn huis hebben maar niet erin. Daarom zullen wij onze tocht voortzetten in die richting.” Deze keer wees hij met zijn stok naar de kant waar Gûl die ochtend was verschenen. “Vandaag gaan wij weer op reis.”
Terwijl de mannen van Kraj en Anth’ zich druk maakten om alle goederen bij elkaar te rapen zodat ze meegenomen konden worden, bewerkte Kalqam zijn stok met een steen. Hij sneed er mooie holtes uit, maakte er figuren in die deden denken aan de geheimzinnige tekens en helemaal bovenaan maakte hij een bolvormige ronding. ”Hier raken mijn hand en Gûl” elkaar fluisterde hij in zichzelf als moest hij zichzelf ook nog overtuigen. “Mijn handen zijn de handen van Gûl.”
De stoet zette zich langzaam in beweging. Kalam had aanwijzingen gegeven dat de vrouwen vlak achter de jagers voorop moesten lopen. “Zij hebben het nu het moeilijkst met lopen”, zei hij. “Zij moeten het tempo maar aangeven”, en zo liepen voor het eerst de vrouwen vrijwel voorop in de stoet. Alleen Kalam, zijn directe vrienden en een paar grootjagers liepen verder vooraan. “Als bescherming”. meende Tugor. “We kunnen onze vrouwen met hun kostbare vracht toch niet aan het gevaar van voren blootstellen?” En daarmee was Kalam het eens geweest.
“Kraj is niet meer onder ons”, merkte Foelar op. Terwijl hij een gevecht van leven en dood met hem had geleverd, was hij nu de eerste die hem miste. Hij kon niet gemakkelijk vergeten hoe de voorman van het vreemde volk hem zijn zwaard zo maar had overhandigd. “Hij zal ons volgen”, meende Kalam vol vertrouwen. “Kraj is niet iemand die het ongeluk aantrekt. Hij weet wat hij doet.” “Toch is het vreemd”, vulde Tugor nu aan. “Ik heb hem de hele ochtend al niet meer gezien.” Dat was voor Kalam toch wel een reden voor verwonedring en toen Foelar de laatste woorden noemde die Kraj hem had gezegd, liet hij stilhouden. “Heeft iemand Kraj gezien?”
Het viel iedereen op dat er geen paniek uitbrak onder de Kraj nu hun grote leider was verdwenen. Het bleef zelfs opvallend stil totdat een jong meisje zich naar voren drong. “Ik ben Tanara”, zei zij in de taal van de Anth’. “Ik heb veel van Kraj geleerd, ook de taal van de Anth’en ik heb hem als laatste gezien.” Even keek ze zwijgend de kring rond. Ze voelde zich niet belangrijker dan de anderen maar ze had wel een boodschap te melden, zo wist ze. “Kraj komt niet meer terug”, ging ze verder. “Kraj heeft zijn zwaard afgestaan aan Foelar en wil in zijn eentje leven, helemaal alleen. Hij wil alleen nog maar het gezelschap van Gûl. Hij heeft begrepen dat daar alle wijsheid igt. Dat is wat hij heeft gezegd”, het meisje leek zich huklpeloos te voelen en keek om zich heen alsof ze alleen maar vreemden zag.Een blik die meer te zien is in de ogen van mensen die een bijzondere boodschap hebben. “Dat is wat hij zei”, herhaalde ze en vlug dook ze weer weg tussen de vrouwen van haar volk.
Was dit de proef op de som? Moest hij nu tonen wat hij als leider waard was? Kalam voelde opnieuw een siddering door zich heen gaan. Het leek alsof elke beslissing fout zou zijn. Zoeken naar Kraj zou zeker resultaat opleveren maar het was maar elemaal de vraag of Kraj datw el op prijs zou stellen. Niet zoeken naar de man die zijn volk zolang had geleid, zou misschien onvrede opwekken. En toch…zijn nu fraai gevormde stok bewoog haast uit zichzelf in zijn hand en langzaam vertoonde zich een anatal tekens op de aarde. ”Laat hem”, was de boodschap en Kalam vertaalde het voor Anth’en Kraj. Haast ongemerkt zette de stoet zich weer in beweging, in stilte maar met goede zin en zich niet bewust van dat éne paar ogen dat hen volgde en de glimlach die daarmee gepaard ging.
Http://mythologie.wordpress.com
Service
www.vecip.com/default.asp?onderwerp=1335
De uitverkorenheid van Israel:
Door de groep kabbalisten van “Bnei Baruch”, 01.11.2000
Aan elke poging om ons met een ander volk samen te vloeien, om zijn wetten van het leven in ons te nemen, werden door een rivier van bloed en een uitbarsting van het antisemitisme op wrede manier een einde gemaakt. Wordt soms daarin het uitverkoren zijn van ons volk geuit? Waarom ontvangt een dermate minivolk – geniale hoofden, geleerden, de beste economisten en financiers, en niet te vergeten, de bron van alle religiën – in plaats van de erkenning en dankbetuiging, als antwoord de haat van alle volkeren, waarbij het geen mogelijkheid heeft voor rust en een normaal bestaan?