Gepost door: Kaj Elhorst | september 14, 2008

De opening

Kalam voelde zich die dag verder verre van lekker. In zijn maag draaide iets rond dat er maar niet uit wilde en honger had hij ook niet. Het was niet dat de gerechten niet heerlijk roken en ze zagen er beter uit dan wat hij ooit in Kana’an had gezien. Trek had hij niet. A’akane drong er steeds weer op aan dat hij iets zou eten maar Kalam weigerde elke hap. Van tijd tot tijd keek hij met een zuur gezicht naar Tugor en langzaamaan begreep hij dat zijn beroerde gevoel niet uit zijn maag kwam maar uit zijn hoofd, Het was wat Tugor hem had gezegd: “je kunt pas uitverkorene zijn als de mensen je zo zien. Daar moet je je best voor doen.” Maar was zijn uitverkorenheid dan niet aan hem af te lezen? Hij herinnerde zich hoe de mannen en de vrouwen van de buitenste kring in Kana’an hem al als uitverkorene beschouwden toen hij er zelf nog niets van wilde weten. A’akane was één van de eersten geweest die het hem had gezegd. Moest hij er met haar over praten? Hij kreeg het gevoel dat zijn tong in zijn mond vastgroeide op het moment dat hij daaraan dacht. Een discussie met A’akane over zijn uitverkorenheid leek hem een belediging op zich.

Hij werd in zijn gedachten ruw gestoord door Tugor en Rannsjak. De eerste vroeg zijn anadacht voor een plan van de tweede en het kostte Kalam enige moeite om zich los te maken uit zijn gedachten. Het ratelende stemgeluid van Rannsjak kwam daardoor bij hem binnen als een donderbui die steeds dichterbij kwam.  “We kunnen elkaar dan beter begrijpen en met elkaar omgaan. Ik heb al wat dingen verzameld”, zei Rannsjak. “Een vuurdier” noemen zij bijvoorbeeld “pir” en een boom heet “tir”.  Als we die woorden onthouden, dan kunnen we met ze praten.” Tugor ondersteunde het verhaal van Rannsjak steeds door instemmend te grommen alsof hij een roofkop was. “Ik heb ontdekt”, voegde hij ten slotte aan Rannsjaks verhaal toe, “dat Rannsjak heel goed is in het onthouden van woorden. Misschien moeten we hem opdracht geven woorden te verzamelen.”

Kalam keek zijn vriend ontevreden aan. Hij besloot niets te zeggen over het gemak waarmee Kraj de taal van de Anth’ sprak. Het zou alleen maar een extra reden zijn om het plan uit te voeren en Kalam had vandaag nergens zin in. Hij wilde denken, hij wilde met niemand iets te maken hebben. “Ga weg”, riep hij boos. “Ik heb belangrijker dingen aan mijn hoofd. Ik heb geen tijd voor deze onzin. Ga weg, ga weg.” Hij beende met grote stappen van zijn vrienden vandaan en liep in de richting van de bergen die het verbrande dorp omringden. Tugor en Rannsjak liet hij verbluft achter en hen niet alleen. Foelar, Rannkark, A’akane en Rannkark kene hem allemaal na, zijn lange wapperende haren en zijn losse hemd dat door de wind wild heen en weer werd geblazen. Het leek hen alsof Kalam regelrecht op Gûl af stapte. Zonder aarzelen klom hij omhoog, hoger en hoger langs de bergwand.

“Ik kan hem toch niet helemaal alleen laten weglopen?” vroeg A’akane aan de andere vrouwen en daarna wendde zij zich tot Tugor. “Jij, zijn  beste vriend, laat jij hem zo maar gaan?” Tugor schudde zijn hoofd. “Ik weet niet wat er met hem aan de hand is”, zei Tugor terwijl hij de woorden stuk voor stuk en heel nadrukkelijk uitsprak. “Maar ik heb het gevoel dat ik hem nu beter niet kan volgen.” Nog steeds probeerde hij zijn vriend te ontdekken op de bergwand maar Kalam verdween langzaamaan in de bossen en het struikgewas dat op de hellingen van de berg groeide. Misschien was hij straks weer te zien, daar waar de berg kaler werd.

De Anth’ zaten besluiteloos bij elkaar. Terwijl de Kraj nog bezig waren hun laatste danspassen uit te voeren om daarna één voor één uitgeput op de grond te vallen, verroerden de Anth’ juist geen vin. Van tijd tt tijsd staarden ze naar de berghelling maar van Kalqam was nu niets meer te zien. Niet alleen bomen en struikgewas onttrokken hem aan het gezicht. Het waren ook de wolken die steeds meer het dal binnentrokken en alsmaar lager kwamen te hangen. Gûl was voor een groot deel al achter de laaghangende bewolking verdwenen en de wolken verkleurden van wit naar grauw. Het mooie, warme weer zou al gauw plaatsmaken voor regen en kou, zo meende Rannkark. Hij onderzocht intussen of er een plek was waar het volk zou kunnen schuilen tegen het slechte weer maar dat was moeilijk. Het afgebrande dorp van de Kraj bood geen enkele bruikbare ruimte meer en grotten waren er niet in de buurt.

Rannkark keek al bijna wanhopig naar boven toen hij zag hoe bovende bergen nog een deel van Gûl zich liet zien. Het zonlicht had de vorm aangenomen van een grote vogel en verrast en blij riep Rannkark: “Het zonlicht zal naar ons toe vliegen!” Het was A’akane die met die hoopvolle boodschap alle groepen van de Anth’ langsging: “Gûl daalt naar ons af en allw olken zullen verdwijnen”, zei zij. In haar hoofd hoorde zij opnieuw een stem die een mooie, goede toekomst voor de Anth’ voorspelde. Het was alsof een oude bekende tot haar sprak, Kalams vader.

De wolken hadden de berg die zij nu al “Ka’Gûl” noemdem, het “Huis van de Zon”, helemaal omhuld. A’akane voelde zich van binnen bang over het lot van Kalam want hij kon ik in mist en wolken gemakkelijk de weg kwijtraken en naarbeneden vallen. Wat moest zij dan en wat moesten de Anth’? Tegelijkertijd hoorde zij steeds vaker en sterker de stem van Kalams vader die haar verzekerde dat hij terug zou komen.

Gûl ging en Gûl kwam en Gûl ging weer en kwam en dat deed hij nog een keer en A’akane voelde steeds meer de twijfel aan haar knagen en ook Tugor en Foelar begonnen de moed te verliezen. Die ochtend bekroop A’akane meteen al het gevoel dat zij Kalam nooit meer terug zou zien en zij begon zichzelf en haar volk al te prijzen omdat regen en kou nog steeds uitbleven. Alleen dat al was voor haar nu een troost. het leek alsof zij zich er al mee had verzoend dat Kalam niet meer terug zou komen toen er middenin de groep Anth’ en Kraj plotseling een druk gejoel en geschreeuw op ging. Dat was opvallend omdat de laatste dagen over de mensen alleen een soort berusting en moedeloosheid had gehangen. Dat had dagenlange stilte en rust met zich meegrbacht. De Kraj waren bovendien nog moe van het dansen en toch…

A’akane en Tugor keken elkaar verontrust aan. Zij hadden niets gezien en gehoord dat tot opwinding aanleiding kon zijn maar het geschreeuw en gejoel bij de Kraj en de wagarden kwam maar niet tot een eind. Tugor besloot daarom een kijkje te gaan nemen. Als er gevaar dreigde, dan moest hij alle beschikbare jagers en wagarden groeperen om het volk te verdedigen. Het duurde niet lang of Tugor zag wat er aan de hand was. Kraj en Foelar waren druk met elkaar in discussie, in de taal van de Anth’. Nu pas merkte Tugor hoe goed Kraj die taal had leren kennen. “Kalam komt niet terug, nooit meer”, brulde Kraj terwijl hij zijn machtige armen ten hemel hief en wild met zijn zwaard in het rond zwaaide. “Kalam is opgegeten door Gûl omdat die wil dat ik het volk ga leiden. De tijd is aangebroken voor nieuwe leiders.” De wagarden geloofden hem maar al te graag ookal probeerde hun vriend Foelar ze te overtuigen van het tegendeel. “En deze, deze Kraj”,  riep hij uiteindelijk, is nog te slap en te laf om met mij het zwaardgevecht aan te gaan. Dat komt doordat hij leugens vertelt. Leugenachtig en bedriegelijk heeft hij zich ene plekje bij jullie verworven en nu misbruikt hij het. Geloof me, Kalam komt terug, machtiger en sterker dan ooit.”

“En zo is het”, riep Tugor daar overheen maar zijn stem ging bijna verloren in het gebrul dat Kraj nu aanhief terwijl hij met zijn zwaard op Foelar toe rende. Foelar haalde zij zwaard nu onmiddellijk tevoorschijn maar zorgde dat het dicht bij hem bleef. In plaats van er mee in het rond te meppen,, zoals Kraj deed, hield hij zijn zwaard recht voor zich. De ene na de andere slag van het machtige zwaard van Krqaj ving hij daarmee op. Hij voeld wel hoe zijn zwaard hem bij iedere dreun dreigde te ontglippen maar hij begreep ook dat hij geen schijn van kans maakte door zo wild uit te halen als zijn tegenstander. Die was veel sterker en zwaarder en zijn wapen reikte veel verder. Foelar wilde niet te dicht bij zijn tegenstander komen zolang die nog over veel kracht en macht beschikte.

Tugor en de anderen hielden hun adem in en langzaamaan waren ook A’akane, Rannsjak, de vrouwen en de jagers dichterbij gekomen. Wat was hier aan de hand? Was Kalam er nog maar geweest, dan zou zo’n gevecht nooit hebben plaatsgehad, zo meenden de meesten als zij al durfden te spreken. De meesten keken zwijgend naar het gevecht dat zich voor hun ogen voltrok.

Met zijn wilde gemaai drong Kraj zijn tegenstander steeds verder in een hoek en Foelar begon te begrijpen dat hij een uitweg moest zoeken. Hij moest een uitval doen of een plek vinden waar hij zich veilig kon voelen, op een rotspunt of op een berg puin die van het Krajdorp was overgebleven. Hij voelde zich ook wel erg moe worden maar hij voelde nog steeds dat hij door moest vechten. Opgeven was er niet bij. Opnieuw trok hij zich verder terug en hij stond nu bijna met zijn rug tegen een rotswand. Ondertussen viel het hem op dat ook het woeste gezwaai van Kraj minder werd. Hoelang kon hij het nog volhouden? Met één oog keek hij opzij en daar stond Tugor. Hij zag hoe zijn vriend moeite had zijn eigen zwaard niet aan te raken en hem te hulp te schieten maar dat was nu eenmaal niet toegestaan. Een tweegevecht was een tweegevecht en niets anders.

“Daar is hij”! riep Foelar terwijl hij wegdook voor de zoveelste maai met een zwaard van Kraj. “Kijk daar!” Hij wees in de richting van Tugor maar dan verder weg, zijn vriend voorbij. Tugor, A’akane, de jagers keken om en ook Kraj was afgeleid. Hi keek in de richting die Foelar wees. Daar naderde een man, de man waarop het heel volk had zitten wachten. Kalam kwam dichterbij, hij leek groter en krachtiger dan ooit tevoren. Zij haren wapperden wijder uit en zijn stappen waren forser maar hij zweeg

Hij hoefde ook niets te zeggen want het geecht tussen Kraj en Foelar was meteen vergeten. A’akane, Tugor en de anderen dromden om Kalam, de uitverkorene en verlorene heen. Ze wilden hem aanraken, en zijn warmte voelen. Ook de Kraj staken hun handen naar hem uit alsof ze niet konden geloven dat hij terug was gekeerd. Alleen Kraj stond verwonderd middenin de menigte en zag de mensen aan zich voorbij trekken. Hij begreep niets van Kalams terugkomst. Hij had toch duidelijk begrepen dat iemand die in de nevelen verdween volgens de Anth’ nooit meer terug zou komen. “Nevelen”, was het woord dat hij zo vaak had gehoord en nu bleek er niets van te kloppen. “Hij is niet alleen de uitverkorene maar ook de teruggekeerde”, mompelde hij. “Uit de nevelen teruggekeerd.” De wagarden die om hem heen stonden herhaalden die woorden en dezelfde regels herhaalden zich keer op keer.

Kalam glimlachte. Uit de nevelen teruggekeerd, ja dat is waar, zo echt en zo waar als ik hier voor jullie sta”, zei hij weer. “En ik ben blij weer terug te zijn en jullie weer te kunnen leiden. Ik ben er wijzer en beter van geworden. Ik heb met Gûl gesproken en met mijn vader en met zijn vader. Ja zeker, die komen bovenop de berg naar je toe. “Ka’Gûl” herhaalden de Anth’ en de Kraj zeiden het hen na. Verbouwereerd, teleurgesteld maar ook gegrepen door Kalams terugkeer, vormden zelfs Krajs lippen die woorden. Zelden had hij zich zo verbonden gevoeld met Kalam en zijn Anth’. Het kostte hem geen moeite om een plekje te vinden naast Foelar en zijnhand op zijn schouder te leggen. “Vriend, deze heb ik niet meer nodig.” Hij legde zijn zwaard voorzichtig maar zonder aarzeling in Foelars handen. Het ging de jongeman te snel. Verwonderd keek hij op toen hij de stem van Kraj hoorde maar toen hij opzij keek om hem te zoeken, was deze al verdwenen. In de dichte groep mensen rond Kalam kon hij zij oude tegenstander niet meer vinden.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

De grootste held uit de Griekse mythologie is zonder twijfel Herakles. Zijn vader was niemand minder dan de oppergod Zeus himself. Zijn moeder Alkmene was eveneens van zeer hoge afkomst: zij was de kleindochter van de held Perseus, die door Zeus werd verwekt bij Danaë. Een betere stamboom bestaat waarschijnlijk niet.

www.gestaltschoolbolt.nl/info_mythe_meer.htm

www.mythologie.wordpress.com/2008/07/06/de-wond

www.templeoftheancientgods.com/forumNL/viewtopic.php?f=124&t=3092

www.geocities.com/area51/zone/1075/open.html

 


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categories