Gepost door: Kaj Elhorst | juli 13, 2008

Het offer

Kalam haalde zijn wenkbrauwen op. Wist Kraj iets dat hij niet wist? En hoe kende hij de juiste woorden van de taal van de Anth’? Hij keek zijn nieuwe bondgenoot onderzoekend aan en deze glimlachte breed. “Jou al heel vaak gehoord”, zei hij wat krom. “Ken jouw woorden.” Kalam moest toegeven dat de vreemdeling veel meer van zijn taal begreep dan hij ooit had gedacht. Zelf was hij er niet in geslaagd wijs te worden uit het hopeloze gebrabbel van de vreemde mannen. Hij werd in zij overpeinzingen gestoord door het snorrende geluid van overkomende pijlen en door de woordern van Kraj. “Dit hier oud”, zei hij langzaam. “Offer of dood van pijl.” Bij het woord offer wees hij naar de plaats waar de mooie zangeres in het stralende licht had gestaan. Haastig moest hij zijn hand weer intrekken omdat opnieuw een pijl rakelings over hun hoofd zoefde. ”Wil je ze3ggen dat we niet verder kunnen, zolang er niemand is geofferd?” vroeg Kalam onzeker. Kraj gaf geen antwoord maar hij knikte wel.

De stilte werd nu alleen nog verbroken door overvliegende pijlen die trouwens niemand raakten zolang ierdereen achter de rotsblokken bleef zitten.Tussen het zoevende geluid door hoorde Kalam een ander geluid dat hem meer verontrustte en nog voordat hij iets had kunnen zeggen klonk Tugors stem door de ruimte: “Ik hoor loopvoeters!” Kalam begreep nu ook het geluid dat hij hoorde en het was geen goed teken. De enigen die hier over loopvoeters beschikten waren Amtros en zijn mannen. Zouden zij met loopvoeter en al de grot zijn ingegaan? Zouden zij er op uit zijn hun “slaven”desnoods aan de haren uit de diepe krochten terug te halen? Waarom wachtten zij niet doodgewoon bij de uitgangen totdat Kalam en zijn mannen naarbuiten kwamen? Er brak een glimlach op Kalams gezicht door. Hij drukte zich plat tegen de grond en kroop naar Tugor toe. Het was een gevaarlijke tocht want de boogschutters met puntoren hadden hem al gauw in de gaten. De pijlen scheerden aan alle kanten voorbij. Door afwisselend stil te liggen en dan weer verder te kruipen, kon hij steeds het gevaar ontwijken. De wond in zijn schouder begon hem daarbij trouwens wel steeds meer zeer te doen en het leek wel of ze opnieuw begon te bloeden maar Kalam besteedde er weinig aandacht aan.

“Het kan niet anders of het zijn de mannen van Amtros”, meende Tugor. “We zitten straks tussen twee kampen in. “Ja,” gaf Kalam toe. “Maar er is ook een lichtpuntje. Waarom komen ze ons achterna en waarom wachten ze ons niet op bij de uitgangen van de grot?” Tugor haalde zijn schouders op. Omdat ze boos en gekrenkt zijn”, zei hij somber maar Kalam schudde zijn hoofd. “Ik denk het niet. Ik denk dat ze zelf die uitgangen ook niet kennen. Ze denken dat we hopeloos in de val zitten maar daar geloof ik niets van. Hoe komen anders die puntoren ooit in en uit de grot? We hebben hen nog nooit eerder gezien, ook niet toen we nog zaten opgesloten. Ze moeten toch ergens een uitgang naar buiten hebben? ” Tugor knikte. “Ja, maar daar hebben we nu niet veel aan. We hebben al een opening gezien en daar zijn we nu voorbij. Ik ben zelfs bang dat Amtros er al gepasseerd is dus we kunnen er niet komen. Hoor…” Hij legde zijn vinger op zijn mond. Heel duidelijk waren nu de naderende stappen van de loopvoeters te horen. Tegelijkertijd leek het of de boogschutters aan de andere kant van het water pauze hielden. Tugor en Kalam keken elkaar aan. “We moeten het oude plan oppakken”, zei Tugor langzaam. “Maar ik kan niet beloven dat we er allemaal ongeschionden uit komen.” Hij riep Sede, Foelar en Rannkark bij zich. “We moeten vechten”, zijn stem klonk niet somber maar wel ernstig.

“Geen denken aan!” Oedar schudde zijn hoofd beslist. “Ik ga niet aan K’awal vragen of wij mogen vechten met de stalen bladen. Dat zou alle herinneringen in de war kunnen brengen en dan zijn we nog verder van huis. “Maar we hebben ze nodig”, protesteerde Kalam. “Amtros en zijn mannen zijn onderweg, vlakbij zelfs. We kunnen ze alleen maar tegenhouden met behulp van de stalen bladen, zwaarden zoals de Vogelgrijpers hen noemen. “Maar ik doe er niet aan mee”, Oedar trok een boos en onwillig gezicht. “Dan doe ik het”, besloot Tugor. Op handen en voeten kroop hij naar de K’awal terwijl Oedar probeerde hem tegen te houden. “Het zal je je leven kosten”, rioeep de wijze man maar Tugor lachte. “En als ik niets doe, gaat het ook verkeerd met me.” De jonge grootjager ging nu op zijn knieën zitten en hief een gezang aan dat Kalam eerder had gehoord en leek op de “Na Anth”. Niemand, ook Oedar niet, durfde Tugor nu nog te storen en daar had de grootjager op gerekend. Hij concentreerde zich nu op de beste woorden die hij ooit van zijn vader had gehoord over jeugd en nieuw leven, over Gûl en de jonge dieren. Eigenlijk was hij alleen maar van plan geweest een soort toneelspel voor de anderen op te voeren, alsof hij toestemming kreeg om de stalen bladen te gebruiken maar in zijn hoofd gebeurde het wonderbaarlijke. Hij voelde hoe een grote, zware deur openging en hij hoorde daarachter een stem klinken. “Doe het, doe het en vraag niet meer. Haast u!”

De contouren van de mannen van de Vogelgrijpers in het halfdonkerw aren nu duidelijk te zien. Ze naderden de Anth’en de vreemde mannen in een lange rij. Het pad bood net voldoende te voor één loopvoeter. “Mooier kan het niet”, siste Tugor in Kalams oor. “We pakken de bladen.” Kalam, Tugor, Sede, Foelar en Rannkark stelden zich nu op in een kromming van het pad, waar een rotsblok het zicht voor een groot deel wegnam zodat Amtros en de zijnen verrast zouden worden. Foelar had een plek gekozen zodat hij gemakkelijk bovenop het blok zou kunnen kruipen om van boven aan te vallen. Hij had zijn pijlen bij de hand. De anderen hielden ieder één van de meegenomen zwaarden vast.

De klap kwam hard aan. Tugor liet zijn zwaard met volle kracht op het hoofd van de voorste ruiter neerdalen zodat de loopvoeter van het pad gleed en naarbeneden stortte en de ruiter dwars over het pad bleef liggen. Een tweede ruiter probeerde nu over de man op het pad heen te stappen maar een pijl uit Foelars boog raakte hem in de nek. Zijn loopvoeter versperde nu het pad terwijl de man met een duizleingwekkende vaart in de afgrond viel. Een derde ruiter meldde zich maar hij moest afstijgen. Het was zo goed als onmogelijkde loopvoeter opzij te schuiven en dus probeerde hij het rotsblok daarnaast te beklimmen maar deze keer was het Rannkarks zwaard dat zijn hoofd tot aan zijn schouders doorkliefde.

Plotseling zoefde opnieuw een zwerm pijlen over Kalams hoofd maar deze keer vlogen ze verder, in de richting van de Vogelgrijpers en in het donker zag hij hoe een aantal ruiters in elkaar zeeg. Een vreemd ristelend en gierend geluid zwol achter hem aan en toen hij zich omdraaide zag hij hoe een grote groep figuren over zijn hoofd heen zich door de lucht bewoog. Ze leken op vogels met grote vleugels en puntoren en met een dodelijke lading want de figuren droegen allemaal pijl en boog en richtten die op Amtros en zijn mannen. Het was een lading dood en verderf die zij op de ruiters lieten neerdalen en opnieuw spanden zij hun bogen en legden zij aan, gewoon vanuit de lucht. Deze keer keerden de ruiters zo goed en zo kwaad als dat ging om, sommigen vielen met loopvoeter en al in de afgrond, anderen zagen kans de weg terug te vinden. Amtros was op de vlucht.

Kalam en zijn vrienden keken de zwevende boogschutters ongelovig na. Zij zagen hoe de figuren langzaam wegdreven in de richting van de opening bovenin de grot die vanaf de plek waar de Ant’ stonden niet meer te zien was. Haast als vastgenageld stonden ze, alsof zij nooit meer van hun plaats zouden komen maar dat veranderde toern een wanhopig gehuil tot hen doordrong. Die riep hen op tot onderzoek en nu verlieten ze de plek die ze met zoveel moed en kracht hadden verdedigd al bleef één van de jagers achter. Als wacht.

Kalam, Foelar, Sede, Tugor en Rannkark passeerden Kraj en de andere vreemde mannen en bereikten hun eigen kamp. Daar zat Oedar voor de K’awal op zijn knieën terwijl hij huilde en zijn haren uit zijn hoofd trok. “Wat doe je, wat doe je?” riep Kalam geschrokken terwijl hij naast de oude man op zijn knieën viel. Oedar gaf geen antwoord maar huilde en schreeuwde nog harder dan hij eerst had gedaan. Deze keer legde Kalam een hand op zijn schouder die Oedar heftig afweerde.  ”Ze hebben het gedaan, ze hebben het gedaan”, schreeuwde en huilde hij tegelijkertijd zo hard dat het door de hele grot klonk. Zelfs de vreemde mannen waren stil van het gedrag van Oedar. Zij begrepen heel goed dat de oude, wijze man een marteling in zijn hoofd onderging. Het geschreeuw van Oedar klonk Kalam in de oren als de geluiden die hij vroeger van nevelgarden had gehoord, stervende nevelgarden. Het kwam allemaal weer in zijn herinnering terug.

Eindelijk hield het op maar daarmee waren wanhoop en angst niet uit de grot verdwenen. Ze maakten langzaamaan plaats voor kwaadheid. “Jullie hebben de herinneringen van je voorouders gekwetst”, riep Oedar boos terwijl hij zijn vuist naar Kalam zwaaide. “Ik heb je geloofd, op je vertrouwd maar nu verkwansel je alles wat waarde heeft”, riep hij. Zijn stem begon een scherpe ondertoon te krijgen. Kalam had er geen antwoord op. Hij zat met zijn ogen neergeslagen en zijn armen slap langs zijn zij naast de oude wijze man. Het was Tugor die Oedar weerwoord gaf. “Wij hebben onze vijand verjaagd en hulp gekregen van een vreemde”, zei hij opgewonden. “Dat is toch het mooiste wat je kan overkomen?” “Niet”, gilde Oedar haast, “als die vreemdelingen sluipers zijn!”

Sluipers! Kalam had eraan gedacht maar tegelijkertijd hasd hij het kwaad er niet van gezien. Als de sluipers hen te hulp waren gekomen, zag hij daarin alleen maar een wending ten goede. Kon het niet zijn dat de sluipers de moed en de daadkracht van de Anth’  bewonderden en hadden besloten die te belonen?  Hij deelde zijn gedachten met Tugor maar deze haalde zijn schouders op. “Sluipers, sluipers? Ik denk dat die alleen maar in Kana’an bestaan, niet hier!” Aan die mogelijkheid had Kalam nog niet gedacht maar het klonk hem wel heerlijk in de oren.

Intussen was ook Kraj dichterbij gekomen. “Hij ziek?” vroeg hij aan Kalam terwijl hij naar Oedar wees maar Kalam schude zijn hoofd. “Oedar heeft een bijzondere manier om zijn vreugde te tonen”, lachte hij. “Laat hem maar. Kalam had geen zin om ook maar iets uit te leggen aan Kraj, niets over sluipers en andere wezens en ook niet over zijn verbazing rond de vliegende mannen. De vreemde mannen hoefden echt niet alles van hen te weten! Ze zouden het misschien alleen maar als zwakte zien.

Nu Oedar weer enigszins tot kalmte was gekomen, de Puntoren waren verdwenen en Amtros was verslagen, was er geen enkele reden meer om hier te blijven. Hoe eerder ze uit de grot weg waren, des te beter. Kalam gaf het teken en de stoet ging weer op mars. De Anth’ voorop en de vreemde mannen achteraan. Het pad bleef smal en er was nauwelijk ruimte genoeg om de K’awal mee te dragen. Soms konden er alleen dragers voor en achter de kist lopen en dan schoot de stoet maar heel langzaam op. Daar kwam nog bij dat het pad slingerde en steeds opnieuw omhoog en steil omlaag ging. Het was een zware tocht die er niet gemakkelijker op werd toen de weg met rollende, kleine steentjes was bedekt.

Bijna zonder dat ze het hadden gemerkt, had het pad dezelfde diepte bereikt als de waterstroom die hen al zolang begeleiddde. Hier en daar spoelde het water met kleine golfjes zelfs over het pad. bedreigend was dat niet. De dreiging kwam deze keer van een andere kant want net op het moment dat Kalam wilde roepen “licht” zag hij ook iets anders. Midden in het opdoemende licht van buiten verhief zich een vorm en de vorm werd steeds duidelijker een wezen, een wezen zoals Kalam en de zijnen nog nooit hadden gezien.

Http://mythologie.wordpress.com

 

Service

Athene, de godin van het verstand.

Van haar moeder Methis had Athena het verstand en de vindingrijkheid.

Ze was de schutspatrones van de Griekse hoofdstad Athene. Ook de god Poseidon begeerde die titel. Er werd overeengekomen dat die eer zou te beurt vallen aan de godheid die de stad het nuttigste geschenk zou aanbieden. Poseidon schonk de stad een paard en liet daarenboven een zoetwaterbron ontspringen. Athena schonk een olijfboom, die ze plantte op de Akropolis – die boom staat er op heden nog, in de nabijheid van het Erechteion  

www.marktplaza.nl/Verloren-onschuld-Nancy-Taylor-Rosenberg

www.hum.uu.nl/nieuws/archief/2007/070510CGtumult.htm

www.xs4all.nl/~rtolido/Articles/CGEY/Mama_wat_is_een_generatiekloof.doc


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën