
De wond was dieper dan gedacht en Kalam wist zeker dat hij niet op eigen houtje een eind kon maken aan het bloeden. Hoewel hij zeker wist dat Oedar er een oplossing voor zou weten, draaide hij zich toch om naar Tugor om hem op de wond te wijzen. Hij schrok van het verontruste gezicht van zijn strijdmakker. “Die moeten we goed in de gaten houden:, zei hij strak. “Maar we hebben hier niet de middelen om er iets aan te doen, hoewel…”. Tugor zoekt de grond af. “Misschien is dit een goed idee”, hij nam hij een hand steengruis en gooide die op de wond. Voorzichtig drukt hij het materiaal aan. “Het bloeden zal stoppen”, meende hij maar Kalam keek hem ongelovig aan. “Ben jij de nieuwe Oedar?” vroeg hij maar Tugor antwoordde niet.
“Ik moet Ranndog in de gaten houden”, fluisterde hij zodat Kalam het niet kon horen. “Er klopt iets niet met die man.” De gedachte was in hem opgekomen op hetzelfde moment waarop hij het steengruis oppakte.Onrustig keek hij om zich heen maar Ranndog zag hij nergens. Ondertussen trommelde hij ook de andere mannen op. “We gaan nu, we kunnen niet treuzelen tot de volgende groep wachters komt”, zei hij steeds. De mannen begonnen zich te verdringen voor de nauwe doorgang in de rotsmuur die daardoor afbrokkelde en een steeds groter gat vertoonde. “Rustig, rustig”, riepen Tugor en Foelar tegelijk. “Rustig door het gat kruipen. iedereen kan erdoor, geloof me. Heeft iemand Ranndog gezien?” Op die laatste vraag kwam geen antwoord totdat een man zich meldde die Tugor kende als Rannsjak. “Ranndog, die heb ik zoëven nog hier gezien”, zei hij met zijn gebruikelijke, schorre stem. “Hij ging met Halkirk, Rannmak en Rannsik naar buiten, ze zijn de grot uit.” Tugor en foelar beten op hun lip. Die kerels waren willens enwetens de verkeerde kant op gelopen. Op die manier konden ze de hele onderneming in gevaar brengen. Was dat hun bedoeling misschien ook? Er met zx’n vieren vandoor, een paar vrouwen meenemen en de held uithangen?
Ranndog en zijn makkers hadden zich verstopt in het struikgewas zodra zij de stappen van loopvoeters hoorden. Zij begrepen dat het ging om mannen uit het dorp. Misschien was Amtros zelf wel in aantocht en die wilden ze niet tegenkomen. Niet voor niets waren ze gevlucht uit de grot en zelfs weggelopen van hun volk. De vier hadden geen enkel vertrouwen in het geloof in de K’awal van de anderen. Volgens Ranndog was het onzin om tijdenlang een onhandige kist met je mee te sjouwen die je niet eens open mocht maken. De andere waren het met hem eens geweest en zo besloten ze de benen te nemen voordat ze samen met hun vrienden door de Vogelgrijpers zouden worden overvallen. Nu zaten ze zelf in de problemen. Ze zagen de mannen op loopvoeters als komen maar die vormden niet hun grootste angst. De mannen hadden jankermaten bij zich. Jankermaten leken erg veel op jankermannen en maakten veelal ook hetzelfde geluid alleen…ze waren wat beter doorvoed en leken alles te doen wat de Vogelgrijpers van hen vroegen. Ze waren sterk en wie tussen hun kaken terechtkwam was reddeloos verloren. De mannen hadden ooit gezien hoe een lid van de “vreemdelingen” door een groep jankermaten uit elkaar was gescheurd. De dieren bezaten ook een erg goede neus en Ranndog had gezien dat ze precies het spoor van een mens konden volgen door te snuffelen.
De ruiters waren nu vlak onder hen en de jankermaten werden al onrustig. De dieren staken hun neus in de lucht en bleven in de omgeving van Ranndog en zijn vrienden ronddraaien. Dat de vluchtelingen in de bomen waren gekropen en vrijwel onzichtbaar waren, leek de jankermaten alleen maar meer op te winden. ”Er is hier iets niet goed”, meende Amtros die zijn loopvoeter met een geërgerde beweging stil hield. Zijn gebruikelijke rust was verdwenen alsof iets hem voortdurend ergerde. Met een ongeduldig gebaar wees hij twee van zijn mannen aan om in het struikgewas te gaan kijken. De mannen stegen af en drongen met hun jankermaten het struikgewas binnen maar er was niets te vinden. Dat nam niet weg dat de dieren onrustig bleven en steeds weer hun neus omhoog staken. Ze konden Ranndog en zijn vrienden bijna aanwijzen. De Vogelgrijpers keken steeds omhoog maar het dichte gebladerte onttrok Ranndog en zijn mannen aan het oog. De mannen keerden daarom onverichterzake met hun jankermaten terug naar de aanvoerder. Deze knikte begrijpend, steeg weer op zijn loopvoeter en gaf bevel om verder te trekken. Ranndog slaakte een zucht van verlichting.
Tot zover leek alles goed te gaan. Hij wachtte nog even en luisterde scherp maar er liet zich geen menselijk geluid meer horen. Toen liet hij zich snel langs de stam naar beneden glijden en zijn vrienden volgden. Nog even en zij zouden ver weg zijn terwijl Kalam en de zijnen met de K’awal gemakkelijk te grijpen zouden zijn.
Ondertussen waren de meeste mannen door het gat in de rotswand gekropen. Tugor verdweeen nu ook naar de andere kant en Kalam bukte zich om als laatste naar de andere kant van de rotswand te verdwijnen toen hij op het pad net even buiten de grot stappen hoorde. Ranndog en zijn vrienden? Kalam keek even achterom en zag nog net hoe de loopvoeters met Amtros en zijn mannen verschenen. Met dubbele energie wrong hij zich door het gat. “Stapelen”, beval hij de mannen die het dichtst bij de opening stonden. Het duurde niet lang of het gat was gesloten maar of Amtros van die activiteit iets had gezien, dat wist Kalam niet. Het maakte hem een beetje onzeker maar aan de andere kant kon hij een lichte glimlach niet onderdrukken. Het zou Amtros niet meevallen om te zien hoe zowel de Anth’ als de “vreemde mannen” waren vertrokken.
Ondertussen moest hij wel zijn eigen gezelschap weer bij elkaar brengen. Op het ogenblik liepen de Anth’ en de vreemde mannen kriskras door elkaar. Eén van hem was een brede man die ver boven Tugor en Kalam uitstak en ook veel breder was. Op zijn hoofd had hij een rode pluk haar die het meest aan een staart deed denken. Het haar hing hem bijna tot op zijn middel. De man kwam nu met grote passen op Kalam af en bleef op een paar passen afstand van hem stilstaan. ”Kraj”, riep hij zodat het in de hele grot te horen was en meteen wees hij met één van zijn dikke duimen op zichzelf. Hoewel de man er indrukwekkend uitzag, moest Kalam toch glimlachen. Om de één of andere reden boezemde de man hem geen vrees in. “Kalam”, zei hij en wees met één duim op zichzelf en daarna wees hij naar Tugor. “Tugor”, zei hij daarbij.
Kraj glimlachte breed. Hij begreep dat het moeilijk zou zijn om een gewoon gesprek te voeren en daarom besloot hij tot gebaren over te gaan. Met zijn lopende vingers en wijzende hand in een onbestemde verte, maakte hij duidelijk dat hij graag wilde vluchten maar geen idee had waarheen. Het was hem opgevallen, hij wees op Kalam, dat de Anth’ heel goed wisten waar ze heen wilden. Of ze zich mochten aansluiten. Het was vooral Tugor die de gebaren van Kraj voor Kalam vertaalde.
Sámen? Daarover had Kalam nog nooit nagedacht. Dat zich zo maar een groep mensen vrijwillig bij hem aan zou sluiten, was nooit in hem opgekomen. Hij had altijd gedacht alleen met de Anth’ de reis te ondernemen. Oedar waarschuwde hem op het verzoek niet in te gaan. De mannen van Kraj gedroegen zich waarschijnlijk heel anders dan de Anth’, gebruikten misschien ander eten en op den duur zou er ruzie ontstaan. Tugor was het daar wel mee eens maar volgens hem konden de Anth’ ook iets leren van de vreemde mannen. Ze woonden immers niet meer in Kana’an? Kalam hechtte nu de meeste waarde aan Tugors woorden en weer kwam in hem het gevoel naar boven dat Tugor de opvolger van Ooedar aan het worden was. Hij maakte duidelijk dat hij het een goed idee vond. Samen hadden de groepen waarschijnlijk meer kans tegen vijanden dan gescheiden.
“We doen het”, zei Tugor. “Maar ze moeten weten dat jij de baas bent en de weg aangeeft. Anders heeft het geen zin. En ze moeten niet mopperen over onze manier van leven. We blijven gewoon twee groepen die dezelfde weg volgen.” Oedar stemde daar met wat tegenzin mee in. Misschien was het tijd om de jongelui wat meer zeggenschap te geven. Bovendien was Kalam immers de uitverkorene?
Intussen vroeg die uitverkorene zich af of Amtros de verdwijning van zijn slaven al zou hebben opgemerkt. Hij keek vluchtig naar de plaats waar de losse stenen in de rotswand zaten maar daar bewoog nog niets. Dat kon een goed teken zijn maar ook een heel slecht. Misschien kende Amtros toch de andere uitgang van de grot en het kon best zijn dat hij met zijn mannen al vast naar die kant trok. “We gaan”, zei hij snel en met grote passen liep hij vooruit langzaamaan volgde de hele stoet: de grootjagers en leraren, de jonge jagers, de wagarden en mannen van de buitenste kring en daarachter volgden Kraj en zijn mannen. Een paar jonge jagers droegen de K’awal met zich mee. Pas toen de hele stoet al een tijdje onder weg was, klonken de eerste slagen tegen de losliggende stenen. Het geluid drong door in de hele grot. Voor Kalam was het een teken dat ze voort moesten maken.
De mannen van Kraj bleken goede wandelaars en de stoet schoot hard op. Kraj zelf hoefde geen moeite te doen om zijn volgelingen mee te krijgen. Alle vluchtelingen wisten maar al te goed dat het vandaag hun laatste kans was om weg te komen. In het beuin leek het daar niet erg op want de grot om hen heen werd eerst steeds groter en duisterder en later verengde zich de ruimte weer. Het plafond was niet ver meer boven hun hoofd en de doorgang was vaak maar net groot genoeg voor één man. Van tijd toit tijd stopte Kalam omdat hij moest kiezen tussen verschillende gangen maar steeds weer kreeg hij een klank door in zijn hoofd die hem de weg wees. Als ze stil stonden, probeerde hij ook te luisteren naar mogelijke achtervolgers. Er drongen geen verdachte geluiden door, het bleef stil. Kalam besloot daarvan voorlopig geen probleem te maken. Zijn eerste zorg was de weg door de duistere en haast eindeloze grot.
De weg ging hier langzaam omhoog en ze konden met twee mannen, niet meer, naast elkaar lopen. Het pad had ribbels die uitglijden voorkwam maar die ook aan één kant eindigden bij de afgrond. Die werd steeds dieper en dieper en in die diepte vertoonde zich een wonderbaarlijk schouwspel. Hier in de duisternis van de enorme grot stortte zich een massas water naar beneden, beschenen door licht in talloze kleuren. Ver, heel ver boven het hoofd van de vluchtelingen zag Kalam een gat dat uiterst klein leek maar dat genoeg licht doorliet eom een steeds groter deel van de waterval te tonen. Bovenaan de waterval zag Kalam nu iets dat hij nooit eerder had gezien. Er was een krans, haast een cirkel van witachtige en doorschijnende stenen waar het licht van bovenaf doorheen scheen en dan veranderde in een kleurenparadijs. Zo was de waterval nu weer eens blauw en dan rood of groen. Intussen begon de schouder van Kalam weer meer pijn te doen maar hij besloot zich daarvan niets aan te trekken. Hij hoefde immers alleen maar te lopen.
Een hoge gil weerklonk door de grot, of liever, het was alsof een vrouw in doodsnood het uitschreeuwde. Het geluid kwam niet van de Anth’ of de mannen van Kraj en dus deed Kalam verwoede pogingen om het duister verder te doorboren. Toen hij zich eenmaal had gerealiseerd waar het geluid vandaan kwam, ontwaardden zijn ogen aan de bovenrand van de waterval een bewegende figuur, een vrouw, slank en mooi, met lange haren en sierlijke armen. Het geschreeuw veranderde langzaam in een toon, een muziek, een zang die hem verdrietig en gelukkig maakte tegelijk.
De Anth’mannen bleven nu staan aan de rand van de afgrond en sommigen leken een duik te willen maken in het neergutsende water. Ook Kalam boog zich voorover omdat de stem van de vrouw en haar figuur hem onweerstaanbaar lokten maar vlak voordat hij sprong, grepen twee sterke armen hem beet. Het was Kraj die hem weerhield en hem met enige kracht zelfs voortssleurde totdat ze de waterval acher zich hadden. “Het is de “Gralima” zei hij somber. “Er zijn talloze verhalen over, over moedige mannen die zich hier te pletter lieten vallen.”
Zijn woorden waren nog niet koud of een regen van pijlen zoefde over de Anth’ en de vreemde mannen. De pijl;en kwamen vanuit het duister en Kalam kon de vijand nauwelijks zien. Ze leken zich te onderscheiden door lange puntoren maar veel tijd om zich daarover druk te maken, had hij niet. Een tweede zwerm pijlen vloog over. Deze keer waren ze beter gericht. De jagers en wagarden doken nu zoveel mogelijk weg achter losliggende rotsblokken en ook de vreemde mannen verscholen zich. De jagers spanden hun bogen en legden hun pijlen op maar Tugor beval ze af te wachten. Er zou geen pijl worden verspild,zo hoopte hij. Plotseling bekroop een onbehagelijk gevoel hem toen hij opmerkte dat Ranndog nog steeds in geen velden of wegen te bespeuren was evenals Halkirk, Rannmak en Rannsik. Tugor begon het ergste te vrezen maar iets weerhield hem er met Kalam over te spreken. En trouwens, een andere stem vroeg zijn aandacht. De boodschap kwam hakkelend en in kromme zinnen maar Tugor begreep hem. “Offer of dood door pijlen. Het is oud.” Het was Kraj die een plekje naast hem had gezocht.
Http://mythologie.wordpress.com
Service
De Aeneïs van Vergilius is een typisch patriottistisch werk; de Romeinen hebben een gigantisch rijk veroverd, maar stellen cultureel maar weinig voor. Hun oorsprong komt uit de legende van Romulus en Remus, die gezoogd worden door een wolvin. Zij worden groot en de ene broer vermoordt de andere (Een oud thema dat ook terug te vinden is bij Kaïn en Abel). De Romeinen krijgen te maken met beschavingen die veel ouder zijn dan de hunne. Ze gaan op zoek naar een mythologische oorsprong en vinden die in het verhaal van de Trojaanse Oorlog; de held, toevallig een zoon van Venus, Aeneas heeft de oorlog overleefd en duikt op in Italië als stichter van Rome.
www.africamail.blogspot.com/2007/12/de-gekwetste-gevoelens-van-een.html
www.donviona.wordpress.com/2006/06/24
www.uk.rug.nl/archief/jaargang32/13/08a.htm
www.gnostiek.nl/7stappenplan/7stappenP.html