Gepost door: Kaj Elhorst | juni 22, 2008

Verbroken stilte

 

stilte

Het was merkwaardig stil rond Kalam. Weliswaar praatten en liepen de Anth’ en de mannen van het vreemde volk kriskras door elkaar maar Kalam hoorde er niets van. De stilte die tot hem doordrong vanaf de andere kant van de rotswand overheerste alles. Ook in zijn hoofd nam hij geen enkel geluid waar en dat was niet gebruikelijk. Kalam zat als een onverzettelijk rotsblok op zijn plaats. Zelfs toen Tugor hem meldde dat er een oplossing was voor de tocht met de stenensjouwers, bewoog hij zich niet.

Tugor besloot daarom terug te gaan naar de mannen waarmee hij de plannen had gemaakt. Het was Rannkark die zich had aangemeld voor de gevaarlijke tocht. “Zoek naar A’akane’, bond Tugor hem op het hart. “Zij zal proberen de vrouwen in het dorp zoveel mogelijk bij elkaar te houden, als ze daar tenminste de kans voor krijgt. Laat haar weten waar we mee bezig zijn en dat we waarschijnlijkeen uitweg uit de grot hebben gevonden. Ze moeten het weten. Als we iets doen, dan doen we het bij duistere maan. Dat geeft ons de beste kansen.” Rannkark knikte. “En als je wordt aangesproken, doe je alsof je niet kunt horen en spreken. Niemand mag erachter komen dat je de taal van de Vogelgrijpers of van de vreemde mannen niet spreekt.” “Ik snap het, en natuurlijk moet ik een boodschap van A’akane mee terugnemen?” Hij keek enigszins onzeker naar de ander maar die had zijn antwoord al lang en breed klaar. “Natuurlijk moet je dat. Als ze een boodschap voor ons heeft, willen we daar kennis van nemen.”

Tugor keek opnieuw naar de plek waar Kalam steeds had gezeten. De uitverkorene zat er nog. Zelden had hij hem zo onbewegelijk en onverstoorbaar gezien. Wat zou zich daar afspelen? Tugor wist dat hij bij die vraag niet lang kon blijven stilstaan. Er zou geen antwoord op komen en er was nog zo veel te doen. Misschien was het het beste om eens met Sede, Foelar en Ranndog afspraken te maken over de aanpak van de vlucht. Met duistere maan? Ja, maar zou het niet ook gewoon overdag kunnen en als er nu eens iets bij de Vogelgrijpers gebeurde, plotseling? Zo maar? Was het dan al niet veel eerder tijd om in te grijpen? Ze moesten overal op voorbereid zijn. Die boodschap moest Rannkark ook overbrengen. Tugor merkte hoe de ene na de andere gedachte zijn hoofd binnenkwam en hoe het leek of de gedachten helemaal zelfstandig met elkaar in discussie gingen. Het was alsof hij de greep op zijn eigen denken kwijt was. Opnieuw keek hij naar Kalam en hij benijdde hem om diens kalme onbewegelijkheid

Dat was maar schijn want net even tevoren was een overmacht aan boodschappen bij Kalam binnengekomen. Ze gaven hem niet eens de kans om zich te bewegen of om van zijn plaats te komen. Hij voelde zich eerder lamgeslagen door de ideeën dan dat hij er energie van kreeg. En het werd nog erger de boodschappen trokken nu als een wervelwind door zijn hoofd zonderdat er ook maar één rust vond. Bij tijden had Kalam het gevoel dat zijn hoofd uit elkaar zou barsten maar dat gebeurde niet en pijn deed het hem ook niet. Nee, het was alleen of een onophoudelijke storm door zijn hoofd blies. Zijn ogen, die konden zich nog losmaken van het helse kabaal van binnen en zij zagen Tugor die zo rustig en kalm de mannen om zich heen verzamelde voor een gesprek. Hij moest eens weten wat een geluk hij had dat hij niet de “uitverkorene” was! zo dacht Kalam.

Kalam had geen flauw idee of Oedar lang aan de andere kant van de rotswand bleef. Het drong zelfs niet tot hem door toen hij zijn ogen open deed en zag hoe de ochtend zon voorzichtig een weg zocht in de grot. De andere mannen lagen nog in groepjes bij elkaar te slapen en zelfs de wachters leken te slapen. Kalam wist dat dat niet waar was. Eén keer had een paar andere mannen geprobeerd ’s nachts uit te breken. Ze hadden hen nooit meer teruggezien. Nee, de rust bij de wachters was alleen maar schijn. 

Langzaamaan begon hij te beseffen dat Oedar al van voor zonsondergang tot na zonsopkomst aan de andere kant van de rotswand verbleef en dat hij nog niets van zich had laten horen. Tegelijkertijd voelde hij hoe de storm aan gedachten en ideeën in zijn hoofd een beetje was gaan liggen al trok er nog wel eens een flinke bries doorheen. Het leek of er wat kalmte in zijn hoofd was ontstaan en of hij weer helderder kon denken. Alsof het geluid van ver kwam, drong nu ook het geschuifel met brokken steen tot hem door. Oedar probeerde zijn weg terug te vinden.

Kalam verschoof van zijn plaats en wrikte nu ook aan de loszittende stenen terwijl hij de wachters voortdurend in de gaten hield. Er begon zich al een opening te vormen toen één van de Vogelgrijpers de grot in kwam. “Werken”, brulde hij. het was een woord dat alle Anth’ mannen waren gaan begrijpen. Toen wees hij op Kalam. “En wat zit jij daar te doen, bij die muur?” Hij kwam met grote stappen dichterbij. Hoewel Kalam geen woord van de woorden van de wachter had verstaan, besloot op te staan en een plek voor de nog maar net geopende doorgang in te nemen. Veel hielp het niet want de Vogelgrijper duwde mem met een bruut gebaar opzij. Onmiddellijk zag hij de opening. Onbegrijpend keek hij Kalam aan maar zijn onbegrip duurde net iets te lang. Een grote steen trof de wachter achter één van zijn oren zodat hij met een klap in elkaar plofte. Hij gaf niet méér dan een zucht en dat was het geluk van de Anth’ want de andere wachters waren niet gealarmeerd. Ondertussen zaten de Anth’wel met het lichaam van de wachters. Wat moesten ze ermee?

Tugor, die de steen had gegooid, had meteen een oplossing. “We maken de opening in de rotswand groter, laten Oedar erdoor en schuiven deze lelijkerd naar de andere kant.” Foelar en Sede waren het daarmee eens maar Kalam zag een probleem. “En als hij  nu eens de weg weet? Dan is hij eerder terug dan dat wij het gat dicht hebben gemaakt.” De mannen keken even nadenkend voor zich uit maar Tugor verbrak de stilte ook weer. “We moeten het risico nemen. Ik denk niet dat de Vogelgrijpers die andere grot echt kennen. Anders hadden ze ons nooit hier aan het bikken gezet. Ze hadden toch kunnen weten dat we op een goede dag in die andere grot zouden uitkomen?” Kalam gaf niet meteen antwoord. Hij wachtte af om te kijken of één van de geluiden in  zijn hoofd er iets over zouden zeggen maar daar kwam niet veel van terecht. Het bleef één grote verwarring in zijn hoofd. “Je hebt gelijk”, zei hij een beetje vermoeid terwijl hij wist dat die moeheid vooral uit zijn eigen hoofd voortkwam. Hij moest zijn vrienden daarvan niet de schuld geven maar zijn eigen gepeins. 

Het had gemakkelijker geleken dan het was. Oedar kwam zonder problemen naar Kalam toe maar de dode of bewusteloze wachter was zwaarder dan de mannen hadden verwacht. Bovendien werden de wachters bij de uitgang van de poort steeds argwanender. Ze misten hun vriend en zagen dat de Anth’ lang niet allemaal aan het stenen bikken waren. Zij kregen het gevoel dat er iets broeide en eindelijk stonden ze op om te kijken wat er aan de hand was. Dreigend, met hun zwaarden in de hand kwamen ze naar binnen terwijl ze probeerden de dusiternis van de diepste delen van de grot te doorboren met hun ogen. 

Was dit Tugors plan? In een onbewaakt moment was de lucht gevuld met rondvliegende stenen. Het leek een regen- of een hagelbui en ook Kalam, Oedar en de anderen moesten er voor wegduiken. De wachters schreeuwden en krijsten het uit en zwaaiden met hun zwaarden wild in het rond. Kalam merkte hoe gevaarlijk dat kon zijn want één van de zwaarden raakte zijn rechter bovenarm. Het bloed stroomde er uit en met moeite kon hij wegduiken voor een tweede slag. Intussen bleven de stenen komen. Kalam wist niets beters te doen dan door de opening in de achterwand weg te kruipenen Oedar met zich mee te slepen. Andere Anth’ volgden. Kalam zocht zich een plekje vlak achter de opening en luisterde en keek goed naar het verloop van het gevecht. Hij zag hoe de wachters één voor één in elkaar zakten en bewusteloos op de grond bleven liggen. Tegelijkertijd kropen steeds meer Anth’ door de opening en nu was het ook duidelijk we de stenen hadden gegooid. het waren de vreemde mannen met wioe Kalam nog nooit contact had gehad. Tugor wel. Na zijn eerste steen had hij het nieuwe plannetje bedacht. De wachters zouden vooral op de Anth’ letten zodat de vreemde mannen de kans zouden krijgen stenen te gooien.

De Anth’ waren nu bijna allemaal door het gat gekropen en sommigen hadden de tegewoordigheid van geest gehad om de zwaarden van de wachters mee te nemen. Ook de vreemde mannen hadden zich van die wapens meester gemaakt. Zij vluchtten niet door de opening die de Anth’ hadden gemaakt maar door de gebruikelijke opening van de grot. Kalam vroeg zich af of de vreemdelingen ook een plan hadden. Als zij zich gewoonweg uit de voeten zouden maken, zou het allemaal iet zo erg zijn. De kans bestond ook dat zij in het dorp van de Vogelgrijpers zouden binnendringen en dan waren de mannen in het dorp gealarmeerd. Dat zou het de Anth’ niet gemakkelijker maken om de vrouwen te bevrijden.

Intussen waren Sede, Ranndog en Rannkark druk bezig de opening te dichten. Voor het oog waren de Anth’ mannen nu verdwenen maar Kalam maakte zich grote zorgen. Wat zouden de Vogelgrijpers doen als zij merkten dat hun slaven waren vertrokken? De meeste vrouwen waren zwanger en verkeerden niet in de beste staat om zich te verweren. Zouden de Vogelgrijpers wraak nemen op de vrouwen? Kalam deelde zijn vrees met Foelar, Sede, Rannkark, Ranndog, Tugor en Oedar en de jonge mannen zagen de gevaren ook wel. Alleen Oedar glimlachte. “Ik denk niet dat je heel bang hoeft te zijn”, zei hij alsof er een voorspelling kwam. “De onrust in het dorp van de Vogelgrijpers is al verschrikkelijk. Zij zijn al in verwarring. Dat heeft de Anthamolan mij beloofd.” Heel even aarzelde hij: “Of liever de “K’awal.”

Ranndog proestte het uit. “De kist heeft het beloofd!”riep hij uit. “Nog even en we gaan ook af op de beloften van stenen en bomen of van wolken en regendruppels…” Hij wilde nog verdergaan maar Kalam kapte hem af. “Dat je geen idee hebt waar het hier over gaat, is niet zo erg”, zei hij boos. “Maar laat je eigen domheid niet zo merken.” Ranndog hield meteen zijn mond maar de blik in zijn ogen beloofde niet veel goeds.

“In het begin”, ging Oedar nu verder gerustgesteld door de steun van Kalam, “in het begin kon ik geen contact krijgen en toen heb ik iets gedaan dat uiterst gevaarlijk was. Ik heb gedaan wat ik Kalam had afgeraden en ik heb de Anthamolan geopend. het werd een heksenketel. Kalam moet het gemerkt hebben want de herinneringen vlogen kriskras in het rond en raakten iedereen aan die daarvoor gevoelig was”, bij deze laatste woorden keek Oedar die in de ogen van Ranndog die deze blik brutaalweg even hard beantwoordde. “Toen de stemmen in mijn hoofd zeiden  dat het kon, heb ik de Anthamolan weer gesloten. Ik kreeg de boodschap dat alle herinneringen van de Anth’ weer terug waren gekeerd. De naam van de Anthamolan zal nu “A’awal na K’awal” zijn: “de verbroken en weer eeuwig gesloten stilte”. Onthoud de naam “K’awal” want ze mag nooit meer geopend worden en ons ook nooit meer verlaten. Wie de K’awal bezit, zal ons volledig beheersen.” 

Ranndog kroop nu dichter naar Rannkark toe en fluisterde. “En dat bepaalt hij. het is alleen maar een manier om ons, wagarden en mannen van de buitenste kring onder de duim te houden.” Maar Rannkark duwde hem van zich af met de woorden. “Je zou eens moeten leren luisteren in plaats van steeds te spreken.” Het was Tugor die de onrust rond Ranndog opmerkte en hij besloot er iets aan te doen. Voorzichtig kroop hij steeds dichter naar de opstandige toe totdat hij dicht genoeg bij hem zat op zijn hand op zijn schouder te leggen.

“Luister”, zei Tugor zachtjes.”Wie zou ij eerder vertrouwen, iemand dieziet waar de weg naartoe leidt of iemand die verdwaald is?” Ranndog keek hem niet ebgrijpend aan maar Tugor legde het uit. “Jij wilt niet geloven maar ik zeg je dat geloven beter is dan niet-geloven want als je niet-gelooft, weet je niet welke kant je op moet. Het gaat er niet om of iets waar is en kan maar of je erin gelooft. Wie gelooft, is doelgericht.” Ranndog keek Tugor wantrouwend aan. “Na’Anth dacht er ook zo over”, sputterde hij tegen. Tugor knikte. “Na’Anth’ is onthoofd. Dat lijkt me geen goed voorbeeld”, zei hij kortaf. Tot zijn tevredenheid zag hij dat Ranndog hem leek te begrijpen. Daarom richtte hij zijn blik weer op zijn vrienden. Het ongeloof en de zonzekerheid in het binnenste van Ranndog voelde hij niet meer.    

Kalam, Oedar, Foelar, Sede en Tugor waren het er al gauw over eens dat het zaak zou zijn om steeds de K’awal mee te nemen of in elk geval precies te weten waar hij zich bevond, of liever “zij”. In de woorden van de mannen begon de K’awal steeds vaer de vorm van eenvrouw aan te nemen en zij noemden haar dan ook steeds meer “zij”.  “Ik weet in elk geval zeker”, zo zei Oedar. “dat ook A’akane boodschappen uit de Anthamolan heeft ontvangen. Het kan haast niet anders of zij heeft begrepen dat er grote veranderingen op komst zijn.” Zijn woorden stelden de anderen wel een beetje gerust maar niet helemaal. Ze bereidden zich voor op een lange weg om de uitgang van de grot te vinden en de vrouwen uit het dorp van de Vogelgrijpers te bevrijden. De dagen van de slavernij bij de vogelgrijpers waren geteld. Alleen…een stekende pijn in zijn bovenarm herinnerde Kalam aan een ander probleem. Bezorgd keek Kalam nog naar de wond. Pas nu merkte hij dat het bloeden nog niet over was.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Men zegt dat de oppergod Odin, die tevens de god van de dichters en van de oorlog was, eens verliefd was op de schone reuzin Grid, die in een grot in de woestijn woonde. Nadat Odin en Grid een nacht samen doorgebracht hadden, overtuigde de god haar ervan zijn vrouw te worden. Uit dit huwelijk kwam Vidar voort, een zoon die even sterk als stil was. Vidar werd gezien als de verpersoonlijking van de krachten van de natuur.

www.theosofie.nl/bibliotheek/documenten/ESO-15-Esoterie%20div.htm

www.digischool.nl/ckv2/romantiek/romantiek/inleiding/germaansemythologie.htm

www.spiritualiteit.com

www.blog.seniorennet.be/ongeloof

www.indeknipscheer.nl/phpBB2/viewtopic.php?t=623


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën