Gepost door: Kaj Elhorst | juni 8, 2008

De vondst

Ark

De schok van de onthoofding van Na’Anth had de mannen nu wel verlaten hoewel zij nog wel eens terugdachten aan de onbesuisde jongeman met zijn wonderbaarlijke ideeën. Vaak hadden Kalam en Tugor nog gesprekken over hem en probeerden ze zich voor te stellen hoe Na’Anth gereageerd zou hebben op woorden of gebeurtenissen maar heel vaak hadden ze daarmee grote moeite. Heel vaak mengden ook Darik, de zoon van een grootjager, Rannkark, Ranndog, beiden wagarde en Foelar en Sede, zonen van wijze mannen in het gesprek. Ja, de groep mannen die met elkaar praatte breidde zich uit al trok Oedar zich steeds meer terug. De mannen vormden in hun opgeslotenheid een vriendenclub maar de grote, oude wijze man leek het allemaal niet zoveel te kunnen schelen. Het werk in de steengroeve was voor hem ook eigenlijk te zwaar ook al namen andere mannen het graag van hem over.

“Hoe nu verder?” Ranndog verwoordde als eerste de vraag die allen bezighield zo duidelijk. “We blijven toch niet voorgoed hier?” De andere schudden hun hoofd. Daarvoor waren ze niet zover komen lopen. “Maar het zal niet meevallen om hier weg te komen”, begon Tugor. “Het doel van de Volgelgrijpers is duidelijk. Zij willen het blauwijs of hargra uit deze grot hebben om mee te bouwen. Wij moeten dat voor hen doen, samen met hen.” Hij wees op een groep mannen die al vóór hen in de groeve aan het werk waren geweest maar waarmee ze haast geen contact hadden omdat ze alles een andere naam gaven dan de Anth’ . Het was doodeenvoudig te moeilijk om contact met elkaar te hebben. En wat zou het opleveren? Misschien alleen maar meer gesprekken en geruzie ook en verder… “En dan is er nog iets”, ging Tugor verder. “We hebben geen contact met de vrouwen. Als we weggaan, moeten we hen meenemen maar hoe doen we dat als we elkaar nooit spreken?” “Daar komt bij dat heel veel van hen zwanger zijn. Dat zal het niet gemakkelijker maken”,  meende Kalam.

De mannen zwegen want géén van hen wist een oplossing totdat Foelar opstond. “Misschien heb ik een idee”, zei hij plotseling. Hebben jullie wel eens gezien hoe ons eten en drinken hier komt?” De andere mannen haalden hun schouders op. “Ja natuurlijk.” Foelar knikte tevreden.”Dan hebben jullie ook gezien dat ons water hier steeds in een grote bak in het midden wordt gezet zodat we er uit kunnen slobberen, net zoals de dieren bij de rivier doen?” Weer knikten de anderen. “Mooi zo”, Foelar werd nu enthousiast en zijn stem begon gehaaster en hoger van toon te klinken. “Nu heb ik gemerkt dat het heel gemakkelijk is om een kerf in het materiaal te maken. Stel je nu eens voor dat we een tekening in het materiaal maken, een afbeelding van Kana’an of zo? Of van een roofkop of een waterluiaard? Iets dat de Vogelgrijpers hier niet kennen. Iets dat alleen wij, Anth’ kennen? Rannkark keek Foelar onbegrijpend aan. “Ik snap nog steeds niet waar je naartoe wilt”, zei hij. Foelar knikte. “Je bent vast niet de enige, Rannkark, maar ik denk dat onze vrouwen in het dorp van de Vogelgrijpers de vaten schoon moeten maken en weer vullen.” Deze keer raakte Tugor vol onbegrip”"Hoe kun je dat weten?” Foelar grijnsde. “Wat zouden ze anders moeten doen? Wat zouden wij vrouwen laten doen als we ze gevangen hadden?” Tugor knikte. “Ja, misschien, maar zekerheid heb je niet.” Foelar fronste zijn wenkbrauwen om te laten merken dat hij het ernstig meende. “Nee, hoewel ik één van de bewakers wel eens zoiets heb horen zeggen.” Deze keer keken de anderen hem nog verraster aan. “Echt waar”, ging Foelar verder. “Op een keer hadden we onze etensbak maar half leeg gegeten. Toen zei één van de wachters. :”Nou, daar zullen jullie vrouwen van genieten.” Foelar maakte zijn vrienden duidelijk wat hij daaruit had opgemaakt. “Die bakken komen bij onze vrouwen terecht. Dat kan haast niet anders!” De anderen moesten nu toegeven dat het er de schijn van had. “Maar wat wil je ermee?” wilde Rannkark nu weten.

“Luister”, Foelar boog zich verder naar voren en fluisterde haast tegen de andere mannen. Ook de wagarden zagen dat en zij kropen dichterbij. Zij begrepen dat er een spannend gesprek gaande was. Ja, dat gesprekken spannend konden zijn, hadden zij van Na’Anth  geleerd. “Als wij een teken op de pot krassen dat alleen de Anth’ kennen, dan zullen de vrouwen dat misschien opmerken. Zij zullen begrijpen dat we contact zoeken en er een reactie onder tekenen, als ze kunnen. Zo kunnen we boodschappen uitwisselen en misschien afspraken maken. Ik denk dat A’akane bijvoorbeeld op zo’n teken van ons zit te wachten.”

Kalams gedachten dwaalden af naar zijn vrouw en de plek waar zij zich zou bevinden. Hij kon zich er niets bij voorstellen omdat ze als man bijna alleen maar in de grot waren geweest. Van de omgeving en van het dorp hadden ze weinig gezien. Toch kreeg hij het gevoel dat Foelar de waarheid sprak, het goed had gezien. Het idee van de jonge leraar zou wel eens hout kunnen snijden. “Ik ben er niet tegen”, begon hij langzaam, “Maar ik vind dat we het aan Oedar moeten vragen. Hij overziet de dingen vaak beter.” Tugor schudde zijn hoofd meteen. “Dat lijkt mij niet. Jij bent de uitverkorene, als jij het een goed idee vindt, dan moet dat voldoende zijn.” Hij draaide zich om en keek naar de oude, wijze man die alweer zat te slapen. “Ik weet het niet, Oedar is volgens mij te moe voor dit soort vragen.”

Hij had die woorden nog maar net gesproken of twee wachters met knuppels naderden hun kring. “Werken, werken”, schreeuwden ze woest en ze begonnen met hun knuppels maar vast te zwaaien. De wachters hadden meestal weinig geduld en sloegen eerder dan dat ze spraken. “Kom op, genoeg gerust. Als ze gaan slaan, hebben we geen kracht meer om hier weg te komen.”, meende Kalam. De mannen sprongen overeind en rekenden naar hun bijlen waarmee ze haast als razenden op de rotsen inhakten. Het leek wel of de nieuwe plannen ook nieuwe kracht hadden gegeven. De knuppelaars zagen het tevreden gebeuren en waren te lui om er verder op los te ranselen. Ze keerden terug naar hun wachtpost om opnieuw in een halve slaap te duikelen, drinkend van hetzelfde drankje dat de Anth’ op de eerste avond bij de Vogelgrijpers ook hadden gehad.

Het regelmatige gebeuk van de bijlen in de rotsen klonk Kalam haast als een aankondiging van de vrijheid in de oren ookal besefte hij dat er nog veel werk te doen was. Ze zouden zich de misdragingen van de Vogelgrijpers nog heel lang moeten laten welgevallen maar misschien kwam ooit de dag van de wraak. Hoewel het ging er toch ook alleen maar om hier weg te komen? Wraak, ach, eigenlijk keek Kalam daar niet zo naar uit. Het zou voor de Vogelgrijpers al genoeg tegenslag zij als de werkers in de grot weg waren en…Kalam was vast van plan om ook de mannen van het vreemde, onverstaanbare volk daarbij te betrekken.

Het leek of de grot instortte. Het geraas van steenblokken leek niet op te houden en temidden daarvan klonk het geschreeuw van Sede. Hij renden naar het midden van de grot en bloedde aan zijn hoofd en handen. Toch riep hij niet om hulp al klonk zijn stem smekend. Ze klonk bevelend tegelijk. “Kom kijken, kom kijken”, riep hij uit terwijl stof van neerdalend puin hem bijna aan het oog van iedereen ontrok. Het klonk als een feest maar ook als verwarring. Kalam en Tugor keken om zich heen om te zien of de wachters erg veel belangstelling voor hen hadden maar dat leek niet het geval te zijn. Ze keken op en uit hun gezichten sprak vooral verveling, iets als “o, die werkers hebben weer eens iets”. Ze waren stuk voor stuk te lui om overeind te komen. Dat was maar goed ook want op de plaats waar de ritswand was ingestort, tekende zich een groot gat af. Met gemak kon een man er doorheen als hij een klein beetje bukte. Opnieuw keken Kalam, Tugor, Foelar, Sede, Ranndog en Rannkark om zich heen. De wachters kwamen nog steeds niet in beweging en deze keer besloten de mannen door het gat te kruipen. Een groepje jagers en wagarden sloop achter hen aan maar Oedar toonde geen belangstelling. Hij sliep. 

Ze stonden in een andere grot, een grote ruimte zoals die ook was geweest bij de Zee van Hoop, alleen was hier geen water. Er was wel iets anders want bijna recht voor Kalams voeten stond een grote kist met vier handvatten. De kist was gemaakt van hetzelfde materiaal als de etensbakken waaruit de mannen elke dag aten, het bomenstof of “beak” zoals de Anth’ het noemden. Verwondering maakte zich van Kalam en zijn vrienden meester want hoe kwam die kist hier? Wat was het voor ding? De mannen knielden rond de kist en Kalam kon nauwelijks een schreeuw van verbazing onderukken. Midden op het deksel was een kop van een groottand uitgesneden. Met trillende handen wees hij het aan. Ondertussen veegden Tugors handen het stof van het deksel en daar verschenen tekeningen in het hout. Het donkere bruin van de kist werd er afgewisseld door geelachtige en witte kleuren. De mannen zeiden geen woord maar hun verbazing uitte zich in kreten want daar stonden afgebeeld Kana’an, een groep loopvoeters, vreemde mannen met zonnedieren, het gezicht van Kalams vader en van Rannhald en van Kalam. “Het is een heel verhaal”, meende Foelar. “We moeten dat gaan begrijpen maar ik zou ook willen weten wat er zich in de kist bevindt.” Ook Tugor trok een ongeduldig gezicht maar Kalam legde zijn hand op hun handen.  ”Wij zullen deze kist niet openen voordat we het verhaal begrijpen”, zei hij ernstig. Ongerust keek hij nog eens in de richting van de wachters die nu toch aanstalten maakten om overeind te komen. “Allereerst zullen we haar verbergen voor hen”, ging hij verder. Terwijl de wachters de grot nu binnenkwamen, tilden de mannen de kist aan de handvatten op en zij zetten hem weg in een donkere hoek achter het gat in de rotswand.

“Niet werken?” vroeg de hoofdman van de wachter dreigend en hij hoef zijn knuppel al op maar Tugor wees op Sede. “gewond”, zei hij snel. “We hebben stenen op ons hoofd gehad.” De hoofdman grijnsde alsof hij het een verdiend loon vond voor die “luie werkers”. “OK”, zei hij ten slotte. “Zorg ervoor en dan weer gauw aan het werk.” Dat beloofden de mannen en het leek erop of de wachters weg wilden lopen maar toen zag één van de mannen het gat in de rotswand. ”Hij slofte er op zijn gebruikelijke, slome manier naartoe, keek in de grot achter de wand en riep zijn hoofdman erbij.

“Het zal niet lang duren”, meende Tugor toen de wachters weg waren, “of die wachters gaan het gat dichtmaken. Ze begrijpen net zo goed als wij dat die grot hierachter een uitweg naar de buitenwereld betekent, voor ons.  We moeten niet te lang aarzelen. Wat gaan we doen?” Op Foelars gezicht kwam een sluwe glimlach. “Ik stel voor dat we allemaal in die achterste grot kruipen. We verschansen ons en als die knuppelaars door het gat binnenkomen, gooien we ze stenen naar hun kop. Ze hebben wel betere wapens dan wij maar daarvan hebben ze nauwelijks profijt in die smalle doorgang. Er kan maar één man tegelijkertijd doorheen.” “Goed plan”, meende nu Ranndog ook. “Ondertussen ga ik met een groep wagarden uitzoeken waar de uitgang is. Zodra we die hebben gevonden, laten we iets horen.”"OK, maar ik doe met jullie mee”, zei Sede die de wagarden nooit helemaal had leren vertrouwen. “Mij best”, bromde Ranndog, ” maar ik voer de wagarden aan.” “Nee, niet best”, meende Tugor nu. “We hebbenSede hard nodig om die Vogelgrijpers tegen te houden. We vertrouwen op jou, Ranndog”, zei hij. Sede wilde daartegen iets in brengen maar hij zag aan Kalams gezicht dat deze het eens was met Tugor en dus hield hij zijn mond. ”Eén ding”, zei Kalam. “Die kist gaat mee, hoe lastig ook.”  Het was vooral Sede die protesteerde maar zijn sten werd door de anderen niet gehoord. “O ja”, gooide Tugor nog in het midden. “Wat doen we met die vreemde mannen?” Alweer kwam op Foelars gezicht een slimme glimlach. “Het zou mooi zijn als die kerels de wachters een beetje voor de voeten liepen.”

Service

Volgens de Ethiopische overlevering bevindt de heilige Tabot, de oorspronkelijke Ark des Verbonds, zich in het bezit van de wachter.

Volgens deze wachter was de Ark in zijn bezit gekomen doordat de Ethiopische koningin van Sheba naar Jeruzalem was geweest en daar zwanger was geraakt van koning Salomo. Zij baarde in Ethiopië een zoon Menelik, die op twintigjarige leeftijd naar Israël reisde om het hof van zijn vader te bezoeken. De hovelingen drongen er bij Salomo op aan dat hij naar Ethiopië zou worden teruggestuurd. Salomo stemde daarin toe, op voorwaarde dat de oudste zonen van deze hovelingen met hem mee naar Ethiopië zouden reizen, In hun gezelschap was ook Azarius, de oudste zoon van Zadok, de hogepriester van Israël. Het was Azarius, niet Menelik, die de Ark des Verbonds uit de tempel van Jeruzalem heeft gestolen. Menelik kreeg pas onderweg over deze diefstal te horen, maar hij begreep dat Azarius en zijn vrienden nooit tot zo’n stoutmoedige daad in staat zouden zijn geweest zonder de hulp van God. Daarom stemde hij erin toe dat de Ark bij hen zou blijven. Zo kwam de Ark in Ethiopië terecht en zou daar sindsdien blijven.

www.home.hetnet.nl/~fm-ter-horst/Ark%20des%20Verbonds.htm

www.grenswetenschap.nl/permalink.asp?grens=489

www.purefantasy.nl

 

www.mythologie.wordpress.com

www.kajman.wordpress.com,

-


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën