
De hele dag hing er een gespannen sfeer in de lucht. De vrouwen van de Vogelgrijpers schreeuwden harder en gemener naar elkaar dan anders en ze liepen zenuwachtiger heen en weer terwijl ze minder deden. Ze joegen A’akane en haar vriendinnen ook meer op dan op andere dagen en de jonge mannen hadden er deze keer plezier in hen te pesten, expres tegen ze op te lopen als ze met een bak water sjouwden zodat ze opnieuw aan het werk moesten en zo ging het maar door.
Het bracht de mannen niet thuis. Een paar vrouwen van de Vogelgrijpers stonden bij de hoofdpoort van het stadje op de uitkijk maar het verlossende woord klonk niet. Ondertussen verzamelden de vrouwen en een deel van de jongemannen zich op het plein rond de tempel in afwachting van de komst van de Vederaar. Het viel A’akane in het voorbijgaan op dat Mefista nergens was te bekennen. Ook in huis was zij niet. Dat betekende trouwens niet dat A’akane het nu veel gemakkelijker had gekregen want de dochters van de vrouw des huizes gingen als feeksen tekeer en schreeuwden en gilden tegen de “dienstmeiden” alsof ze zelf de baas waren. Ja, het leek wel of ze meer hun best deden dan anders. “De vrouwen zijn erg in de war nu de mannen wegblijven”, fluisterde A’akane eerst in zichzelf en later tegen Ira, Toat’ en M’aga. Ze lette vooral op hoe Ira reageerde maar veel reactie kwam er niet. het leek of het haar koud liet hoewel A’akane een zachte toon in haar hoofd hoorde die afgestemd leek te zijn op de hare. Ze glimlachte verwachtingsvol. Misschien kon ze met Ira toch nog een soort bondgenootschap sluiten. Misschien wilde ook Ira niets liever dan weggaan, vluchten van hier…
De reacties van M’aga en Toat’ waren heel wat opgewekter. Vooral Toat’ leek er meteen een kans in te zien om meteen de poort uit te wandelen. “Dat zou ik liever niet doen”, meende M’aga. “De kans is groot dat we de Vogelgrijpermannen tegen het lijf lopen en dan zijn we pas echt de klos.”’A’akane was het met haar eens. “Als we hier weggaan”, fluisterde ze weer. dan zal het op een moment zijn dat we er goed over hebben nagedacht.” Eigenlijk hoefde ze niet te fluisteren want de vrouwen van de Vogelgrijpers waren allemaal het huis uit. Ze waren naar het tempelplein vertrokken. Toch hield A’akane haar stem gedempt want Ira moest nog ergens door de gangen waren, soms klonken haar voetstappen overal in huis en helemaal te vertrouwen was ze vast niet. Natuurlijk, ze zou de taal van de Anth’ nauwerlijks kunnen verstaan maar het geheimzinnige geklets met elkaar zou haar misschien argwanend maken en wat zou ze dan doen? A’akane wist nog niet goed wat ze aan Ira had.
Het werd laat en de sterren stonden al heel lang aan de hemel toen de vrouwen van de Vogelgrijpers thuiskwamen. Alleen…A’akane, M’aga en Toat’hoorden het gestommel terwijl ze nog bij elkaar zaten en zonder een woord te zeggen. haast geruisloos verlieten ze elkaar. Alleen een zachte windvlaag over de vloer was te horen, gemengd met zacht getik van tenen op de grond. De Vogelgrijpervrouwen zelf waren heel wat minder geluidloos. Ze bonkten en stampten door het huis, lieten soms een schelle lach horen om vervolgens weer wat woeste woorden naar elkaar te schreeuwen maar lang duurde dat niet. Al gauw was het hele huis in rust en zo hoorde A’akane elke tik en ieder geschuifel in het huis. Geschuifel was er altijd door de trippelende diertjes die ’s nachts uit hun holen en holletjes kropen en probeerden iets te eten te vinden.
Het bleef lang stil die ochtend maar voor A’akane was dat geen reden om in bed , of tenminste op haar berg stro, te blijven liggen. Zij wist wat er van haar werd verwacht en dacht dat het niet erg verstandig zou zijn om nu misbruik te maken van de rust in het huis. Eenmaal uit bed merkte zij al gauw op dat Ira al lang op was en…dat zij in gesprek was met de oudste dochter van Mefista. Klaarblijkelijk verstond zij de taal van de Vogelgrijpers heel goed. A’akane besloot zich niet te laten zien maar haar oren goed de kost te geven. Mefista’s dochter gaf Ira de ene na de andere opdracht en steeds zei zij erbij: “Maar je hoeft het zelf niet te doen hoor. Laat die doofstomme vreemde vrouwen zich maar uitsloven. Ze zijn hier niet voor niets met zoveel.” Ira had alleen maar geknikt om aan te geven dat ze de opdrachten begreep. Was het de bedoeling tweedracht te zaaien tussen Ira en de Anth’vrouwen? A’akane was blij dat ze op haar tellen had gepast in haar contacten met Ira.
“Je kunt meesteres van het huis worden”, ging de dochter van Mefista verder. “Dan hoef je niets meer te doen, alleen maar op het lagere volk, die gekke wijven, te passen. Is dat ook niet eigenlijk wat je wil?” Ira knikte opnieuw maar ze zei geen woord. “natuurlijk moet mijn moeder het allemaal goedkeuren maar ik denk dat het goedkomt. Pas dus goed op de meiden en vertel het ons als er iets aan de hand is”, besloot het meisje en weer knikte Ira trouw terwijl ze in de taal van de Vogelgrijpers “Dankuwel” uitbracht. “ga nu maar”, de stem van Mefista’’s dochter klonk nu weer even koel als anders en Ira keerde zich om. Nog voordat ze de kamer van het meisje had verlaten, had A’akane zich uit de voeten gemaakt maar al na een paar stappen hield ze in. Misschien was het goed om duidelijk te maken aan Ira dat ze in de buurt was. Ira zou gaan twijfelen of A’akane iets had gehoord en wat ze ervan had begrepen. En bovendien…op A’akane’s gezicht kwam een onheilspellend pesterige glimlach en in een snelle beweging draaide ze zich om. Met snelle en haast onhoorbare voetstappen liep ze Ira tegemoet. Ze keek de jonge vrouw recht in haar gezicht en vroeg zachtjes “Mefista?” maar Ira schudde haar hoofd, sloeg haar ogen neer en schuifelde zo snel ze kon verder. Ze sprak geen woord met A’akane en wisselde geen blik uit. Ze was vervuld van onzekerheid, schaamte misschien, wat zou het zijn? A’akane kon er niet meteen een naam aan hechten maar ze wist zeker dat Ira voorlopig zoveel mogelijk gemeden moest worden. Er stond haar daarom nog één di8ng te doen: de anderen waarschuwen. het was nu zaak aan Ira niets te verklappen.
“Waar blijven die kerels toch”, vroeg Toat’ ongerust. “Zou het vaker voorkomen dat ze zolang wegblijven?” “had je een lekker ding ontdekt?” kon A’akane niet nalaten om haar te pesten maar Toat’ schudde haar hoofd. “dat is het niet maar als de mannen zolang wegblijven, dan is nu misschien…”A’akane legde haar vinger op haar mond. “Nee, dat is het niet! We weten nergens van, alles is onzeker, dat is niet het goede moment. We kunnen nu juist beter proberen het vertrouwen van de Vogelgrijpervrouwen te winnen en…laat niets blijken aan Ira. Ze is niet te vertrouwen. Snel vertelde ze wat ze die ochtend had gezien en gehoord. “M’aga moet dat ook weten. Ik denk ook dat het beter is als we niet teveel gesprekjes met elkaar hebben, deze dagen. Laten we eerst maar eens afwachten wanneer die mannen terugkomen.”
Mefista liet zich de hele dag niet meer zien en ook haar oudste dochter, Horna, vertoonde zich niet. Het was M’aga die ontdekte hoe dat kwam. De vrouwen verbleven het grootste deel van de dag in en rond de tempel. De vrouwen die naarbuiten kwamen hadden zich getooid met pijl en boog en ze voerden een loopvoeter met zich mee. Zouden de vrouwen nu ook ten strijde trekken. nu de mannen niet meer terugkwamen? Aákane vond het moeilijk te voorspellen. Meestal weigerden de klanken, tonen en stemmen in haar hoofd en ze begreep dat het enige wat ze doen kon, bestond uit goed opletten. Goed kijken wat er gebeurde en dat was ook de taak van M’aga en Toat’. Met Ira hadden ze weinig contact al had de laatste wel een paar keer geprobeerd orders uit te delen. De Anth’ vrouwen hadden om haar gelachen en waren gewoon doorgegaan met het werk dat Mefista hen had opgedragen.
Van tijd tot tijd keken A’akane en M’aga even uit het raam en zo zagen ze hoe de vrouwen onder aanvoering van de Vederaar de poort van het dorp uit trokken. Ook al weg! Moesten ze de mannen te hulp komen? was er oorlog? Hoe dan ook, A’akane besefte dat ze nu alleen nog de jonge vrouwen en mannen als oppas hadden. Ze vroeg zich even af of ze het tot een gevecht zou laten komen maar uiteindelijk leek haar dat toch niet handig. De jonge mannen hadden vast wel wapens bij de hand, al waren het maar knuppels. het zou een moeilijk gevecht worden en misschien wel een nederlaag. Nee, als ze aan de Vogelgrijpers wilden ontsnappen dan moest het succes een zekerheid zijn. Daarbij hadden ze de hulp van de mannen nodig en die waren op dit moment nergens op voorbereid. Het was zaak om contact met hen te zoeken.
Opnieuw viel de duisternis in. Het was A’akane al eerder opgevallen hoeveel sneller dat hier ging dan vroeger in Kana’an. Daar was altijd een hele tijd halve duisternis geweest maar dat kende het land hier haast niet. Daar kwam bij dat Gul ook wel heel snel achter de bergen in de omgeving verdween. Dat werd alles al veel donkerder. A’akane sloot het op in haar geheugen. Elk detail kon in de toekomst van belang zijn, zeker nu haar gevoel voor stemmen en geluiden het al zolang liet afweten.. Hoe meer ze wist, des te beter zou ze straks de vlucht kunnen uitvoeren. Ze voelde zich er bijna tevreden over op het moment dat ze in slaap viel.
Het was middernacht toen ze wakker werd van hoefgetrappel, stemmen en gerammel van wapens. Die geluiden maakten haar onrustig want in Kana’an was ze er altijd bang voor geweest, met het idee dat de wolvermannen het huis hadden ingenomen. Langzaam werd ze wakker genoeg om op te staan en toen zag ze ook dat Toat’ naar buiten stond te kijken. Ze had een lijkbleek en tegelijkertijd een onbegrijpend gezicht. “De vrouwen en de mannen zijn terug maar het lijkt wel of de mannen door de vrouwen gevangen Zijn genomen”, zei zij zachtjes. A’akane kwam naast haar staan en inderdaad…ook zij zag mannen zonder wapens die omringd waren door vrouwen met pijlen en boog en zelfs zwaarden. “Het zijn wel de mannen van het dorp”, merkte zij op. “En het lijkt weel of ze het allemaal niet zo erg vinden.” Peinzend keek ze door het raam naar buiten. “ik snap het niet.” De stoet bewoog zich nu naar het tempelplein, daar groepten inmiddels jonge mannen en vrouwen rond met grote zonnedieren en in het midden van het plein staken steeds grotere zonnedieren de kop op. “Ik ga kijken”, zei Toat’ zachtjes maar A’akane hield haar tegen. “Waarom? Je hebt daar niets te zoeken, het zijn onze zaken niet.””Elk detail dat we kennen zal onze vlucht vergemakkelijken”, herhaalde Toat’ nu haar eigen woorden en A’akane beet zichzelf op haar onderlip. “”Je hebt gelijk maar wees voorzichtig. Ze mogen je niet ontdekken. Je weet wat de prijs is.” Toat’ knikte en sloop de kamer uit.
Service
“Amazones” vormden een volk van vrouwelijke krijgers te paard waarmee Odysseus tijdens zijn omzwervingen te maken kreeg.
www.koxkollum.nl/mythologie/mytha20.htm
www.books.google.nl/books?isbn=9065506152