
Het bleef stil, heel stil, terwijl de gevederde figuur waarin Kalam een vrouw vermoedde onbewegelijk voor het grote, in felle kleuren geschilderde gebouw bleef staan. De ogen waren nu op de strak blauwe hemel gericht en de armen wijd uiteen gespreid met de handpalmen naar boven. Kalam spiedde ernaar door zijn half toegeknepen oogleden.
De roffel kwam toch nog verrassend en meteen zette de figuur in het midden van de vlakte zich in beweging. Met grote, haast glijdende stappen verdween ze in het gebouw terwijl het geroffel aanzwol en het sonore, aanhoudende geluid dat eerder te horen was geweest er opnieuw tussendoor gondsde. Het gedreun van de muziek en de trommels begon nu de hele omgeving te beheersen zodat Kalam de grond onder zich voelde trillen. Het geluid veranderde ook, het geluid van de trommels klonk sneller en opzwepender. Hoewel het gefluit van de vogels door het geroffel werd overstemd, veranderde er niet veel op het plein.
Uit zijn linker ooghoek zag Kalam hoe Amtros naar hem toe kwam. Hij droeg een grote mand die aan de bovenzijde was afgedekt met een doek van dezelfde bruine kleur als de kleding van de vogelgrijpers. Amtros liep op de maat van de trommelslagen ook al kwamen die nu heel onregelmatig. Vlak voor Kalam hurkte hij en plaatste hij de mand op de grond. “Fate”, klonk zijn onbekende woord terwijl hij een eetbeweging maakte. Kalam keek hem onbegrijpend aan en opnieuw maakte Amtros een eetbeweging. Daarop wees hij op de doek en duidde hij aan dat Kalam die weg moest trekken. Deze keer begreep Kalam hem goed. Nieuwsgierig en onzeker tegelijk, trok hij de doek weg. In de mand lag een platte en ronde plak met een lichtbruine kleur en witte vlekken. Hier en daar waren zwarte en groene brokjes in de plak te ontdekken. Moest hij dit eten? Het leek in niets op het vlees van een waterluiaard of ijsrat, zelfs niet van een vogel!
Achter zijn gevoel van onzekerheid hoorde hij een stem, een klank die hem een influistering van rust gaf. Langzaam bewoog zijn hand zich naar de plak in de mand maar een andere hand was hem voor. Het was Tugor die een stevige greep deed en zonder aarzelen een stuk van de plak afbrak. In een razendsnelle beweging propte hij het brok in zijn mond. Kalam keek hem verwijtend aan. “Het was aangeboden aan mij”, siste hij maar Tugor haalde zijn schouders op. “Je aarzelde zolang en het ruikt en het smaakt heel goed. Proef toch!” Kalam voelde zich betrapt. Had hij als leider sneller moeten reageren? Gek genoeg bezorgde die gedachte hem opnieuw een aarzeling maar eindelijk nam hij toch een stuk van de plak en langzaam begon hij te eten.
Het smaakte goed, Kalam zou niet kunnen zeggen waar het op leek maar lekker was het wel. Instemmebnd keek hij nu naar Tugor. “Wij moeten iedereen hiervan laten proeven”, zei hij. Meteen brak hij een stuk af om het voor te houden aan Oedar. Met enige tegenzin nam de wijze man het voedsel aan maar hij aarzelde ermee het in zijn mond te stoppen. Kalam stond nu op en ging langs alle Anth’, ook de wagarden, om een stuk van het voedsel aan te bieden. Nu de mensen zagen dat Kalam en Tugor er niet ziek van werden, besloten ze ook te eten.
Vanaf een afstand bekeek Amtros met een tevreden glimlach de kennismaking van de berehuiders met het voedsel dat hij en de zijnen “panda” noemden. “Berehuiders” was de naam die ze voor hun bezoekers hadden bedacht. Wat waren die mensen in dikke kleren gehuld, waar kwamen ze vandaan? En waar waren hun lippo’s, de dieren waarop hij en de zijnen zo behendig waren? En hoe kwam het dat zij zo onhandig met “Ur”omgingen? Zo onhandig dat één van hen erdoor verbrandde? Het waren raadselen waarop Amtros het antwoord niet zomaar wist te geven. Het zou ook niet gemakkelijk zijn om die antwoorden te krijgen want de vreemdelingen brabbelden geluiden in plaats van fatsoenlijk te spreken. Konden ze dat niet? Waren het wel mensen? Nou ja, dat leek toch wel…ze zagen er bijna hetzelfde uit als zij, de “Mensen van de Zon” zelf. Ja, ze hadden andere haren en de ogen hadden ook een andere kleur maar ze leken elkaar toch ook wel te begrijpen met wat geluid en gebaren. Amtros had dat eerder meegemaakt, met een ander volk dat nu op de velden van Amtros en de zijnen werkte. Goede werkers waren het, zouden de berehuiders ook goed kunnen werken?
Een bediende bracht hem bekers van ijzer en Amtros zette ze neer op de plaats waar Kalam en Tugor hadden gezeten. Deze kwamen net terug van het rondbrengen van het voedsel. Na’Anth had zijn stuk in twee happen weggekauwd en hij had om méér gevraagd. Ook de andere Anth’ hadden hun deel met smmaak opgegeten. Eigenlijk voelde Kalam ook de honger in zijn lijf omhoog kruipen maar hij durfde niet zo maar om meer te vragen. Hoewel, de gedachte dat zijn gastheren zich lieten regeren door ene vrouw maakte hem wel moedig. De tocht die hij was begonnen, had hem toch niet voor niets op hun spoor gebracht. Ze zouden de Anth’ laven en de weg wijzen naar een jachtgebied waar zij zich konden evstigen of…naar een nog veel beter land.
Hij schrok toen hij zag hoe Amtros nu met bekers met een vloeistof aan kwam lopen. Aan de bovenkant dekte een witte schuimlaag het drinken af maar daaronder zich een rood-bruine stof. De geur die er af kwam deed een beetje denken aan ghet voedsel dat zij net hadden gekregen maar…het gaf Kalam ook het gevoel dat hij een beetje begon te zweven. Was dit een volk van tovenaars? Gingen ze hem en zijn metgezellen betoveren om…? Voorzichtig proefde hij de drank. Het vocht streelde koeltjes zijn verhemelte. Dat was een weldaad in de warmte van vadaag. De bittere en prikkelende afdronk deed hem verlangen naar meer. Zorgvuldig gaf hij de beker door aan Oedar en toen aan Tugor en zo verder.
Het lopen viel zwaar. Misschien kwam het door de aanhoudende hitte die nu van alle kanten leek te komen. Kalam strompelde over het plein en hij zag hoe ook de anderen moeizaam voortgingen. Zijn argwaan begon weer te groeien. Hadden de vogelgrijpers een list bedacht om hen uit te putten en zouden ze hen dan gevangen nemen of misschien wel doden?
Voorlopig bleek daar niets van. Amtros en zijn mannen begeleidden de Anth’ naar een groot afdak achter het gebouw midden op het plein. Hier konden de Anth’ koelte en rust vinden. Het duurde niet lang of een groot deel van Kalams volgelingen was in een diepe slaap gevallen. Alleen Kalam zelf kon de slaap maar niet vatten en hij had het idee dat Na’Anth, geplaagd door pijn en onrust ook nog wakker was. Zijn ogen zochten de jongeman op zijn draagdoek maar viel in het halfduister moeilijk te ontdekken. In de verte hoorde hij ondertussen het getrappel van loopvoeters en het geschreeuw van mannen en vrouwen die hard aan het werk waren. Het leek hem alsof het zich allemaal mijlenver van hem afspeelde.
Hoelang hij daar onder het afdak had gelegen, wist Kalam zich niet meer te herinneren. Hij wist wel zeker dat hij lange tijd had geslapen want het zonlicht had zich grotendeels teruggetrokken. Om hem heen heerste rust. het gaf hem een goed gevoel te weten dat al zijn mannen en vrouwen nog steeds veilig om hem heen lagen. Tijdes zijn slaap was er niemand weggegaan of weggehaald.
Hij ademde nu de zuivere lucht in die ontstaat wanneer de zon een daglang op het bos schijnt. Alle geuren van planten en aarde bereikten hem nu en ze waren hem vreemd. Niet eerder had hij zo uitgebreid kunnen genieten van de lucht die een bosachtige omgeving te bieden heeft. Tijdens de tocht door het rivierdal en ook daarvoor, had hij de tijd niet gehad om de geur op te merken. Nu genoot hij ervan. Het maakte hem duidelijk dat de uittocht uit Kana’an niet voor niets was geweest. Er was wel degelijk een betere, warmere wereld met meer mogelijkheden. Hij genoot er nog even van totdat een vreemd geschuifel hem alarmeerde.
Gesnuif en geschuifel klonken vanuit een hoek die Kalam vanaf zijn plaats net niet kon zien. Het gesnuif veranderde in een vreemd geluid, geknor, dat Kalam nog niet eerder had gehoord. Daarom keek hij onophoudelijk naar de hoek waarvandaan het geluid kwam. Het duurde niet lang of een groot, harig beest met een opvallend brede neus kwam tevoorschijn uit de schaduw. Het knorrende geluid nam nog toe toen het dier zag hoe Kalam overeind kwam. Tegelijkertijd nam het dier een aanloop en stoof het weg totdat het achter de gebouwen in de omgeving was verdwenen.
Juist op dat moment verscheen Amtros met een paar mannen in Kalams blikveld. Met grote stappen kwam hij naar hem toe. Deze keer maakte hij een eet- en een drinkbeweging. Kalam trok zijn wenkbrauwen op. Alweer eten? Hij voelde dat zijn maag de vorige maaltijd nog lang niet had verwerkt. Toch begreep hij ook dat het geen pas had om te weigeren en dus probeerde hij uitstel te krijgen. Hij wees op zijn slapende gezelschap waarop Amtros begon te lachen. Hij maakte een beweging achter zijn rug met zijn hand en het geroffel en gebrom dat de hele middag had geklonken, begon opnieuw. Hij had succes.
Het plein lag niet langer meer verlaten in de zon. In het midden dansten de zonnedieren uitgebreid met elkaar. “Ur” noemden de vogelgrijpers dat, zo merkte Kalam. Een grote menigte van mannen en vrouwen had zich rondom verzameld maar twee plekken waren nog helemaal leeg. Amtros wees op één van de plekken en beduidde Kalam en zijn volgelingen dat ze daar moesten gaan zitten. Deandere open plek bleef nog leeg, nog even…terwijl het geroffel van de trommels weer minder werd. Een zacht, zangerig geluid werd hoorbaar achter het gebouw met de elle kleuren en de groottanden.
Http://mythologie.wordpress,com
Service
In de Griekse mythologie was Zeus de hemelgod, de beschermer van recht en moraal, van staat, huis en hof en van de gast.
www.martijnhulst.nl/weblog/pivot/entry.php?id=294
www.elim.nl/ned/lgs/gastvrijheid.htm
www.geocities.com/citaten/G/gastvrijheid.html
Categories:
Tags: Avonturenroman, Eten en drinken, Gastvrijheid, Het oordeel, Kaj Elhorst, Literatuur, Slavernij