
De droefenis over het nevelen van Zaltmann overtrof de nieuwsgierigheid. Langzaamaan drongen alle mannen en vrouwen rond het levenloze lichaam van de oude grootjager. Deze keer was er zelfs bij de wagarden iets van medeleven te ontdekken. Zij hadden Zaltmann leren kennen als een vriend, een man die hen wilde helpen, die hen ook waardeerde voor de kleine werkjes die ze konden doen. Ze voelden zich verlaten en eenzaam nu hun grote leermeester er niet meer was. Spontaan begonnen ze te graven, een plek te maken waarin het lichaam van Zaltmann kon rusten, veilig achter kon blijven.
Als er één was die de grootjager minstens zo erg miste, dan was het Kalam. Zaltmann was een trouwe steun voor zijn vader geweest en had ook steeds hem als een waardevolle vriend geholpen. Nooit had hij ook maar de minste neiging vertoond om hem te verlaten, ook niet in de periode toen Kalam zelf minder ontvankelijk was voor de adviezen van zijn oude leermeesters. Kalam zou hem missen en hij vroeg zich af wat voor gevaren hij nog zou moeten trotseren waarbij hij de raad van Zaltmann goed had kunnen gebruiken. Hij kon weinig méér doen dan toekijken hoe de wagarden aarde en brokken blauw ijs aansleepten bij gebrek aan ijs en sneeuw voor de bouw van een rommer.
Tugor gaf de wagarden ondertussen aanwijzingen. Dat was maar goed ook want de mannen waren nog steeds niet in staat om op eigen gezag een rommer te bouwen. Het viel Kalam daarbij wel op hoe rustig en vriendelijk Tugor met de mannen omging. Hij zag ook hoe zij zijn aanwijzingen onmiddellijk opvolgden en blij waren met elk resultaat dat ze bereikten. Het was goed te weten dat er opnieuw een jager was opgestaan die ook de wagarden op een goede manier kon aanspreken.
Er was een hele kring van blokken blauw ijs ontstaan. Aan één kant bleef tussen de blokken een wat ruimere opening zodat Anth’die het zouden willen nog bij Zaltmann in de buurt konden komen om een groet te brengen. De wagarden dekten de rustplaats af met het rulle dat op de grond lag, finstof, kluiten en groene wezentjes die zich tussen al dat stof prima bleken te voelen. Voordat de laatste rommer van Zaltmann helemaal was gesloten, liet Tugor zijn stem weer horen. “Wij kunnen hem niet terugbrengen naar de vlakten van sneeuw en ijs”, zei hij. “Maar hij zal hier rusten in een vreemde omgeving. We moeten hem iets meegeven op zijn weg naar de nevelen, iets dat hij herkent, iets dat onze band met hem weergeeft.”
De anderen waren stil. Kalam en Oedar beten zich op hun lip en vonden dat zij daar eigenlijk aan hadden moeten denken. “Er moet iets zijn waaraan hij herkenbaar is als Anth’”, stemde Kalam eindelijk in. Langzaam en met een plechtig gebaar pakte hij één van zijn halssnoeren met de botten en tanden van een rooftand. Voorzichtig kliet hij het sieraad door het laatste gat in de heuvel glijden. Daarna volgden de anderen. Eén van de mannen liet zelfs een zelfgemaakte Zakr’an achter. Het graf vulde zich met geschenken.
Het was niet de gewoonte van de Anth’ om lang bij een graf te blijven om te treuren. Daarvoor was hun leven altijd teveel verbonden geweest met het heden. Er was een dagelijske speurtocht naar eten nodig. Het rouwen om een verlies deed iedereen in stilte en soms ook helemaal niet. Zo voelde Kalam het ook en hij moest denken aan de zinnen die hij van Panak had geleerd.
“Het was nooit begonnen en nooit kon er aan begonnen worden en toch was het er. Het Gamor ziet er op toe dat niets is zoals het is begonnen en alles blijft zoals het eindigen zal.” Die woorden klonken hem vertrouwd in zijn hoofd maar hij merkte dat hij ze voor het eerst niet in de “verleden” vorm zei. Het klonk zo wezenlijk, op dit moment, alsof alles wat er ooit zou zijn zich nu afspeelde. De rommer waarin het lichaam van Zaltmann nu rustte, trok zijn gedachten haast naar zich toe alsof de oude grootjager alsnog probeerde bezit vabn hem te nemen. Maar nee, dat was het niet. Kalam voelde hoe gevoel en gedachten wervelend door elkaar speelden en heen en weer gingen tussen de rommer en hem. Eén grote maalstroom speelde zich in zijn hoofd af en hij had het gevoel dat iets hem langzaam de rommer in trok. Dan rukte hij zichzelf weer terug uit de wreedheid van die trekkracht en plotseling begreep hij het. Het waren de geschenken die de Anth’aan Zaltmann hadden meegegeven, die de grootjager ertoe brachten Kalams hoofd te vullen met ervaringen en inzichten. Dat was het laatste geschenk van de grootjager.
Een hoge, langgerekte toon wekte hem op uit zijn gedachten. De toppen van de hoogoprijzende wezens die hier uit de grond opkwamen, bogen zich. Sommige groene nagels lieten los en dwarrelden naar beneden maar ze schenen dat niet erg te vinden. Kalam keek nu op van de rustplaats van Zaltmann en en merkte hoe hoog de groene gevaarten waren en hoe zij als maar hoger leken, naarmate ze verder weg stonden. Aan de overkant van de waterstroom liep de grond steil omhoog en ze was dicht bezet met de hoge gevaarten. Over het water strekten zonnestralen zich steeds verder uit en de lucht was diep en strak blauw. In zijn dikke mantel van roofkoppenhuid kreeg hij het warm, erg warm. Er kwam zelfs de neiging op om de mantel uit te doen maar in Kana’an had hij geleerd dat zoiets alleen maar binnen de veilige muren van het grote huis mogelijk was.
Hij keek om zich heen en zag hoe de Anth’ langzaamaan van het graf van Zaltmann wegliepen. Ze hadden hun verdriet gehad en de toekomst lonkte. Misschien was het ook gewoon de zucht naar eten die hen verder dreef. Een paar jonge jagers hadden inderdaad hun mantels uitgetrokken maar dat bleek niet een echte bevrijding te zijn. Ze durfden de kleren niet weg te gooien en knoopten de loodzware vracht om hun nek. Dat gaf nauwelijks enige verkoeling.
Vragend keek Kalam zij beide vrienden, Oedar en Tugor aan en ook Na’anth voegde zich bij het groepje. “We moeten de weg volgen in de richting van Gûl was de mening van de laatste maar Oedar twijfelde en Tugor vroeg zich af of er wel een richting van de zon was. Gûl verplaatste zich immers de hele dag door en je zou op die manier in een kringetje kunnen gaan lopen. Het was de stem van A’akane die Kalam in zijn hoofd hoorde en die hem de weg wees. “Je vader heeft egzegd dat we het water moeten oversteken en de plek met zonnedieren moeten passeren”, was de boodschap. Kalam keek in de richting van zijn vrouw. Ze stond met haar rug naar hem toe en keek naar het water in de stroom. Nee, ze was niet bezig hem haar wil voor te schrijven. Het was een natuurlijke stem, zoals die zo vaak de goede oplossing had geboden. Hoewel, Kalam vroeg zich wel af of zijn vader in deze omgeving nog wel raad kon geven. Hij was immers alleen maar de velden van sneeuw en ijs gewend?
De stroom was niet diep en ze konden gemakkelijk door het water naar de andere oever lopen. Ze groepten nu samen, verdongen zich zelfs rond de plek waar nog heel kleine zonnedieren vlak over de grond kropen. Toen opnieuw een langdurige windvlaag voorbijkwam, leken de zonnedieren feller te kleuren en zelfs begon een aantal van hem te “dansen” zoals Na’anth het noemde en wat Kalam een leuk woord vond. ”We mogen dit mest niet verstoren”, meende Oedar. “Zonnedieren zijn niet te eten en we moeten ze laten waar ze leven.” Na’anth stootte Tugor aan. “Hoor hem, de oude man van ijs en sneeuw”, fluisterde hij. “We hebben toch wel eerder mensen gezien die zonnedieren met zich meevoerden? Waarom zouden wij dat niet mogen doen?” Tugor haalde zijn wenkbrauwen op. Ook hij twijfelde aan de woorden van Oedar maar hij wilde toch horen wat Kalam er van te zeggen had.
Hij zag in de ogen van Kalam een aarzeling opkomen maar de uitverkorene verhief zijn stem niet tegen de woorden van de oude, wijze man. “De zonnedieren zullen tot ons komen, als ze bij ons willen zijn”, merkte Oedar nog op en Na’Anth stootte opnieuw Tugor aan. “En daarom zijn ze hier op onze weg gekomen”, fluisterde hij maar deze keer wendde Tugor zich af. Het woord van Kalam was voor hem het laatste woord zolang hij de Anth’ op nieuwe wegen voerde. Hij schudde kribbig zijn hoofd. “Ik wil er niets van weten”, voor het eerst klonk zijn stem kribbig tegen Na’Anth maar deze hoorde dat niet. Nee, hij hoorde iets heel anders in Tugors opmerking.
Verbaasdd en verwonderd bleven de mannen en vrouwen nog een tijdlang naar de kleine zonnedieren staren. Ze verbaasden zich ook over de warmte en de blauwe nevel die er vanaf kwam maar ze raakten de hete wezens niet aan. Dat was niet aan te raden ook, hadden ze al gauw begrepen want er kwam meer warmte vanaf dan ze ooit hadden gevoeld. Wie heel dichtbij kwam, voelde zelfs pijn.
Kalam liep niet snel. In zijn hoofd worstelden nog steeds gedachten en inzichten met elkaar en van tijd tot tijd keek hij om naar de bult met zonnedieren die ze nu achter zich hadden gelaten. Was het wijs en verstandig wat ze hadden gedaan? Hadden ze niet beter tegen Oedars zin in een paar zonnediertjes mee kunnen nemen? Zouden ze hen niet goed kunnen dienen?
Een schril gekrijs en woest geschreeuw stoorde zijn gedachten toen hij bijna de bovenste rand van de helling had bereikt. Vlak voor hem daalde een vogel neer, kleiner dan een nevelgarde maar zeker zo grauw en met een kromme snavel in de kleur vande zon. Het dier keek hem met zijn kleine, zwarte ogen venijnig aan. Van tijd tot tijd klapperde het woest met zijn vleugels. Kalam was stil blijven staan en durfde zich nauwelijks te verroeren. Vlak achter de vogel verscheen een man, gehuld in een poepkleurige mantel. Hij had zijn hoofdhaar bij elkaar gebonden zodat het in een lange sliert over zijn rug naar beneden hing. Met éen hand greep hij de vogel bij zijn hals en sleurde hij het dier met zich mee. Had hij Kalam of één van de andere Anth’ gezien? Het leek er niet op maar Kalam kon de aanblik van de man met zijn pikzwarte haar niet snel vergeten.
De Anth’ waren stil op de wagarden na die rustig met elkaar liepen te praten omdat zij niets van de vogel en de man hadden gezien. Daarvoor liepen zij te ver achteraan. Het was Tugor die hen beduidde dat ze stil moesten zijn. Er heerste een doodse stilte terwijl Kalam en Tugor langzaam verder naar de rand van de helling kropen totdat hun ogen net over de rand heen konden kijken. Op nog geen vijf passen afstand zat een groep mannen, allemaal met dezelfde poepkleurige mantels en lange, zwarte slierten haar over hun rug. Ze droegen een soort bogen en hadden een bundel pijlen op hun rug, net zoals de jagers van de Anth’ gewend waren te doen. De mannen zaten rond een heuvel waarin een flink aantal zonnedieren dansten en boven de zonnedieren hingen botten en vlees van een dier. Er droop vocht uit en het vlees werd donkerder en donkerder. De vreemde mannen waren druk in gesprek en één van hen plukte de veren uit een grote vogel. Ze leken de Anth’ niet te hebben opgemerkt.
Kalam en Tugor lieten zagen het allemaal in één oogopslag en lieten zich toen weer zo stil mogelijk zakken. “Als we ons nu laten zien”, zei Tugor zachtjes. “Dan staan we op een smal stuk grond en hebben we alleen de helling achter ons. Als de vreemdelingen kwaad in het zin hebben, kunnen we onze kruisbogen niet eens gebruiken.” Kalam knikte. “Het is beter om een stuk langs de helling te lopen en een eind verderop pas boven te komen”, de mannen waren het met elkaar eens. Zonder al teveel woorden maar met een paar gebaren maakten zij de andere Anth’ duidelijk dat ze niet meteen over de rand zouden klimmen maar pas een eind verderop. De mannen en vrouwen leken onder de indruk al wisten ze niet precies wat er aan de hand was. Stil en terwijl zij voortdurend de rand van de helling in de gaten hielden, zetten ze hun weg voort langs een steeds steiler wordende helling. Niemand had hen nog opgemerkt want de vreemde mannen lieten zich niet zien, zo meende Kalam.
Http://mythologie.wordpress.com
Service
De Olympische vlam werd oorspronkelijk door de zon ontstoken in Olympia. Het vuur gold als suymbool voor de volmaaktheid en het streven naar overwinning. De fakkeltocht ontstond ook in de klassiek griekse tijd ook al en had plaats in Olympia.
www.veto.student.kuleuven.ac.be/jg25/veto2522/promethe.html
www.athensinfoguide.com/nl/olympic.htm