Gepost door: Kaj Elhorst | maart 9, 2008

Rulle sneeuw

groenland.jpg

Tugor was niet veel jonger dan Kalam. Misschien was hij zelfs wat ouder maar hij oogde jonger. Hij kon moeilijk stil blijven staan en tijdens de tocht op de eerste dag liep hij zo nu en dan zijdelings terwijl hij Kalam het ene na het ander verhaal vertelde. Deze man wilde Kalam steeds in zijn omgeving hebben, dat wist de uitverkorene zeker. Tugor vormde een niet eindigende bron van opborrelende ideeën en gedachten waarnaar niet alleen Kalam graag luisterde maar ook Tugors aloude vriend Na’anth Bagar. Met z’n drieën voerden ze de stoet van het volk aan. Oedar lette nauwelijks op Kalam omdat hij de hele weg bezig was met Ranntvik te praten en van tijd tot tij had hij succes. Het gegil en geschreeuw werd minder en Ranntvik leek bij tijd en wijle zelfs aandachtig naar de wijze man te luisteren.

Zaltmann had zich aangesloten bij de wagarden. Hij was vastbesloten hen enige technieken van het samenwerken bij te brengen. Sinds was gebleken dat er met de wagarden viel te praten, had hij het plan opgevat hen om te vormen tot een groep werklustige werkers. Geen jagers, nee, dat zou wat hem betreft beperkt moeten blijven tot de jagersgroep. ”Bij de eerstvolgende stop zullen de wagarden de rommers bouwen”, had hij Kalam beloofd. Kalam was benieuwd of het de oude grootjager zou lukken die belofte na te komen.

“Kijk, ginds”, riep Tugor uit. “De tand van de rooftand, de mond van de groottand, de gordel van de ijsrat en de als grootste van allemaal de vlucht van de nevelgarde.” Met die benamingen duidde hij de ijsrotsen, sneeuwbergen en en bergtoppen aan die sinds mensenheugenis de grens van het jachtgebied van de Anth’ hadden gevormd. Zij vormden samen de ijsrand waarachter de zon aan het einde van elke dag weer wegdook.

Kalam kon zich niet herinneren ooit zo dichtbij de ijsrand te zijn geweest. Hij kon niet alleen de hellignen zien maar ook de oneffenheden in de ijs- en sneeuwlagen, de openingen in de bergwanden en de dalen en heuvels. Zo bleek het spoor van de ijsrat te bestaan uit een langgerekte ronde sneeuwheuvels te bestaan terwijl de vlucht van de nevelgarde gevormd werd door drie hoge, scherp tegen de lucht afstekende ijspunten. Aan de voet daarvan lag een gebied dat niet wit of doorschijnend was maar meer een troebele, geelachtige massa vormde. Alsof een reus over de sneeuw had geplast, zo leek het Kalam. Of was het, opnieuw, een truc van de sluipers die immers ook al in de grotten hadden geprobeerd hem op het verkeerde spoor te brengen door wilde stemmen te laten horen? Als hij zich daardoor had laten leiden, dan was er van zijn groep weinig overgebleven, dat was zeker! Ondertussen betrapte hij zich erop dat hij de laatste woorden van Tugor nauwelijks had gehoord. Toch waren ze interessant genoeg.

Iets waarschuwde hem dat hij ze nog een keer moest horen. “Vertel het me nog een keer, Tugor”, zei hij slim. “Ik wil het goed tot me door laten dringen. Tugor herhaalde zijn laatste zinnen, zeker wetend dat hij iets belangrijks had gezegd. “Daarginds, achter de ijsrand, Kalam, daar vind je meteen al iets dat je verder zal brengen.” Kalam keek zijn nieuwe vriend onderzoekend aan. “Hoe weet je dat zo zeker? Ben je er eerder geweest?” Tugor glimlachte. “Je weet heel goed dat zoiets niet nodig is. Je kunt best iets weten over plekken waar je nog nooit bent geweest. Jij moet dat zeker weten.”

Kalam boog zijn hoofd om een beschaamde glimlach te verbergen. De boodschap was duidelijk. Niet alleen hij, de uitverkorene, maar ook Tugor hoorde klanken en stemmen in zijn hoofd die harmonieerden met de klanken die hij in zijn hoofd zo nu en dan zelf verzon. Bij elke harmonie wist hij dat hij het bij het juiste eind had.

De vlucht van de nevelgarde wierp nu al zijn eerste schaduwen over de groep maar over de toppen van het spoor van de ijsrat drongen nog steeds zonnestralen door. De tocht van deze eerste dag was tot nu toe goed verlopen. Kalam had goede moed dat ze de gele massa aan de voet van de vlucht van de nevelgarde op een gemakkelijke manier zouden kunnen passeren. De gele brij versperde hen zo op het eerste gezicht de heel weg. Hoewel Tugor’s mond sinds de ochtend niet stil had gestaan, had hij met geen woord erover gerept. Kalam besloot nu de raad in te winnen van zijn oude leermeester Zaltmann. Hij bleef stilstaan en riep de naam van de grootjager. Deze leek hem eerst niet te horen, zo druk was hij in gesprek met de wagarden maar bij de tweede keer keek hij toch op. Misschien kwam het ook doordat de hele groep langzaamaan tot staan was gekomen.

“Kalam, waarom staan we stil?” “Kijk hier”, Kalam wees op de gel drab die nu op nog geen pas afstand van hem lag. “Wat moeten we hiermee? Kunnen we veilig passeren?  Zaltmann kwam nu met zijn bekende grote passen naar voren maar hij beloofde de wagarden dat hij snel terug zou zijn.

De oude grootjager keek verwonderd naar de grond. Hij leek zich af te vragen ogf hij het verschijnsel eerder was tegengekomen. Voorzichtig deed hij een paar passen naar voren en zijn vinger boorde zich langzaam in de gele smurrie. ”Alsof een reus in de sneeuw heeft gepiest”, zei hij botweg. “En als dat het geval is, zou ik er omheen lopen.”Hij stak zijn vinger en zijn mond en spuwde iets van het gele meteen weer uit. “Dit smaakt niet naar sneeuw of ijs, dit smaakt anders, ik weet niet. Het is de smaak van de Zee van Hoop maar sterker, gemener, het brandt. ” Hij nam nog een klein beetje van “het gele” en meteen veranderde het in water. Een klein laagje poeder bleef in zijn hand liggen toen hij het water weggooide. “Sneeuw van de zon”, zo noemde Zaltmann de drab vanwege de kleur. “Soms heeft de vacht van een rooftand dezelfde kleur”, fluisterde hij haast tegen zichzelf. “Nee, we kunnen hier niet lopen.”

Als geoefende jager speurde hij meteen de hele omgeving af om te zoeken naar een plek die een doorgang bood. Hij snoof alsof hij die probeerde te ruiken. Even keek hij strak naar de open, blauwe lucht. Toen wees hij in de richting van de tand van de rooftand. “Het wordt een lange weg”, zei hij langzaam. “Maar we kunnen er langs.”

Kalam was teleurgesteld. Hij was bang dat ze de hele middag nodig zouden hebben om de doorgang te vinden. Misschien zouden ze tegen de avond nog niet eens de ijsrand voorbij zijn. Tegelijkertijd vertrouwde hij Zaltmann zonder te aarzelen. Als hij zijn geloof in de oude grootjager verloor, dan zou er nooit iets goeds uit zijn onderneming kunnen komen. Dat stond voor hem vast. “We gaan de weg die Zaltmann heeft gewezen”, besloot hij.

Ze moesten zelfs eerst een stuk teruglopen om de “Sneeuw van de Zon” te kunnen ontwijken. Bij Kalam kwam de gedacht op om alles wat de kleur van de zon had in het vervolg “zonachtig” te noemen zoals alles wat de kleur van de zonnehemel had, hemelig werd genoemd. Het “blauwe ijs” was daarvan een voorbeeld. De Anth’ hadden het gedachtenloos zo genoemd maar nu, hij Kalam, zou het met opzet gaan doen. Nieuwe dingen benoemen naar iets van vroeger. De gedachte wond hem op. Je kon alles heel gemakkelijk aanduiden door er de naam van iets anders aan te geven, iets dat je heel erg vertrouwd was. Hij wilde er net iets over zeggen toen de woordenstroom van Tugor hem opnieuw onderbrak.

“Hierlangs zijn al eerde mannen van Kana’an gegaan”, beweerde hij. Kalam schrok van die opmerking. Ging zijn nieuwe vriend hem vertellen dat er niets nieuws was aan zijn onderneming? “Maar we hebben nooit meer van hen gehoord. Het zijn de verdwenen wagarden.” Die laatste woorden herinnerden Kalam ergens aan. De vader van Tugor was immers op een raadselachtige manier ineens verdwenen? Nooit had iemand hem ooit nog teruggezien en ook de enkele wagarde die wel eens terugkeerde naar Kana’an had nooit iets over hem verteld. De verdwijning van Tugors vader was altijd een raadsel gebleven. Daarmee waren de Anth’ omgegaan zoals zij met alles omgingen dat ze niet konden verklaren. Ze hadden het raadsel ondergebracht bij de wijze mannen en die  hadden het op één of andere plaats toegevoegd aan de Gamor Anth’em. Kalam speurde het verhaal in gedachten af maar nergens dook een herinnering aan Tugors vader op. Misschien moest hij het nog een keer doen en nog een keer.

Het was nu de tand van de rooftand die schaduwen over de groep wierp en ook de toppen van het spoor van de ijsrat begon zich donker af te tekenen. De laatste zonnestralen deden nog een greep over de heuvels en verlichtten het pad van de reizigers maar het zou niet lang duren of ze zouden een onderkomen voor de nacht nodig hebben. Van tijd  tot tijd keek Kalam in de richting van de  Zaltmann. Tot zijn verbazing zag hij hoe de wagarden bijna in een kring om hem heen groepten en naar zijn verhalen luisterden. Zou het hem echt lukken uit de zwervers een bruikbare groep harde werkers te maken? Gekraak en geplons doorkruiste zijn bewondering voor de oude grootjager. Het geluid kwam uit de richting van “Het zonachtige Meer”.”Kalam kon een schreeuw niet onderbreken. Haast op armlengte afstand brak de kop van een rooftand door de gele drab en rondom het dier golfde water, water zoals ze het de laatste keer gezien hadden in de Zee van Hoop. Kalam trok meteen zijn kruisboog tevoorschijn en ook de jagers pakten hun wapens. Zij richtten maar het was te laat. De rooftand was minstens zo erg van de Anth’ geschrokken als andersom. Hij dook opnieuw onder en alleen aan de beweging van de gele drab was te zien in welke richtig het dier zich bewoog.  Veel verder weg kwam de kop weer boven de drab uit maar Kalam had toen zijn boog al weer opgeborgen. Het dier klauterde uit het meer tevoorschijn en ging er op een holletje vandoor. 

Zaltmanns keuze was terecht geweest. Op het Zonachtige Meer” konden ze niet lopen. Het bewijs was geleverd. De hele groep had stilgestaan om de bewegingen van de rooftand te volgen maar liep nu in een veel hoger tempo nog door. Kalam en zijn vrienden stonden nu aan de voet van de tand van de rooftand. Hier zouden ze moeten klimmen, er was geen gemakkelijk pad dat de ijsrand passeerde. “Laten we de ijsrand overgaan en daar ons kamp oprichten”, zei Tugor met nauwelijks ingehouden spanning. Hij deed al vast een paar passen in de richting van de heling, gevolgd door zijn vriend Na’anth maar Kalam stond stil. Hij zag hoe Oedar haast een wanhopige blik in de ogen had en uitgeput toonde na zijn lange gesprekken met Ranntvik. Hij keek over de jagers heen naar de vrouwen waar A’akane nog helemaal geen tekenen van vermoeidheid toonde en tenslotte zag hij Zaltmann en diens wagarden.

In gedachten wandelde Kalam langs de hele groep totdat hij stopte bij Zaltmann. “Passeren of stilstaan?” waren zijn enige woorden. “Passeren”, gaf Zaltmann als kort antwoord. Kalam knikte maar wees tegelijkertijd op Oedar. “We passeren”, zei hij zonder aarzelen, “maar kunnen je mannen de oude wijze man dragen?” Zaltmann grijnsde. “Eén voor elk been, één voor elke arm”, zei hij. Hij trok een paar sterke mannen naar zich toe. “Zij zullen de oude, wijze man dragen.” Zijn stem klonk beslist en de mannen volgden hem zonder een weerwoord. Nee, ze leken zelfs blij te zijn met de nieuwe opdracht. “Oedar”, zei Kalam nu plechtig. “Je krijgt een loopvoeter, een loopvoeter die bestaat uit een man voor elk been en voor elke arm.”Oedar keek zijn jonge vriend dankbaar aan. “Loopvoeter”, zei hij langzaam. “Zo noemen we dat in het vervolg. Eén voor elke arm en één voor elk been.” Kalam glimlachte. Het was tijd om te passeren, de nieuwe wereld tegemoet.

De aanblik was betoverend. Ze hadden het hoogste punt bereikt. Voor hen lag een onmetelijke vlakte van ijs en sneeuw. Alleen in de verste versten waren heuvels en toppen te ontwaren. Hier vonden zonnestralen nog hun weg terwijl het land van Kana’an inmiddels al in duisternis was gedompeld. Kalam riep Zaltmann, Oedar, A’akane, Tugor en  en Na’anth bij zich. ”Hier begint pas onze echte reis”, zei hij langzaam. “Wij zullen een land ontdekken waarvan we het bestaan niet mogelijk hadden gedacht. Een land zonder sluipers, zonder Rannhald, zonder rooftanden en nevelgarden maar met eten, zonnedieren en warmte in overvloed.” De anderen vielen hem bij al voelde Kalam één ogenblik een vlaag onvrede. Hij zag niet hoe Na’anth zijn hoofd schudde en dacht: `Nog meer sneeuw en ijs. Hier is geen nieuwigheid.’  

De afdaling ging snel en eeenmaal beneden voelden alle mannen even aan de sneeuw die daar lag. Ze was rul en zacht zoals de vacht van een rooftand, of liever van een ijsrat. Heel zacht. Mannen en vrouwen zakten er tot aan hun knieën in weg maar dat kon ze niets schelen. Dit was het begin  van een nieuwe wereld. Ze schreeuwden en dansten in het rond, ze gooiden sneeuw naar elkaar en lachten totdat Kalam ze bijeenriep. “We moeten een plek voor de nacht hebben”, zijn stem klonk krachtiger dan ooit tevoren. Het verbaasde hem nauwelijks dat een groep wagarden naar hem toe stormde. “Wij bouwen en bouwen”, riepen zij en sneller dan ooit zag Kalam hoe een rij machtige rommers aan de voet van de heuvels ontstond.  

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Sjamanisme: Kenmerkend voor de Siberische sjamanen was dat het overgrote deel zich kleedde in speciale kostuums waarop de hulpgeesten waren afgebeeld. Bij sommige volken, bijvoorbeeld de Yakut of Sakha, hingen de sjamanen soms tot wel tweehonderd gesmede ijzeren figuren en hangers aan hun leren jassen. Bij andere volken zoals de Soyot en Tofalar werden er vooral lange geborduurde slangen en stroken textiel aan een sjamaankostuum gehangen. (www.daanvankampenhout.com)

 www.dekoi.info/fosfaten.html

www.smartdmose.com/…/Nederlands/Wetenschap/Exacte_Wetenschappen/Aardwetenschappen/Vulkanisme

www.homepages.hetnet.nl/~fm-ter-horst/Nieuwe%20Wereld%20Orde%20in%20opkomst.htm

/ -  


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën