Het pad steeg verder en dat niet alleen het werd ook met iedere stap steiler en smaller. Kalam en zijn vrienden moesten nu echt uitkijken niet uit te glijden want naast hun gaapte een steeds dieper wordende afgrond van ijs. Het was een weinig verlokkend vooruitzicht om daar naar beneden te vallen. Sneeuw was er haast niet omdat die steeds van de helling afgleed naar verdere diepten, vooral aangedreven door de harde wind.
Ondertussen was het wel die harde wind die hen ook de sneeuw en hagel zo nu en dan recht in het gezicht leek te smijten. Dat was extra ontmoedigend omdat de stem die hun prooi was van tijd tot tijd helemaal wegviel. Kalam vroeg zich geregeld af of ze wel op de goede weg waren. Alleen de flarden van wild geschreeuw wekten hem dan weer op om verder te zoeken.
De mannen stapten zwijgend verder en Kalam had vooral oog voor de bergkam. Het begon erop te lijken dat ze over enige tijd de top van de berg bereikt zouden hebben. En dan? Een wegslippende voet wekte hem op uit zijn gedachten. Als Zaltmann hem niet stevig bij de elleboog had gegrepen, was hij zeker gevallen en bij de eerste de beste bocht van het pad in de diepte verdwenen. Kalam was zó geschrokken dat hij niet eens een woord van dank kon uitbrengen. “Je kunt hier alleen maar heel goed op je voeten letten”, bromde Zaltmann met een zorgelijke stem. Kalam knikte haastig en besloot zich niet meer af te laten leiden. Overigens was het niet zo eenvoudig alleen maar op de voeten te letten want de bochten in het pad waren ook verraderlijk, zij het erg voorspelbaar. De weg draaide al een hele tijd alleen maar één kant op, in de richting van de bergtop.
Een harde gil en een schreeuw, gevolgd door zangerige woorden die Kalam stuk voor stuk moeilijk kon verstaan. De geluiden kwamen nu duidelijker en harder door dan eerder en Kalam keek verwonderd om zich heen. Nergens was een onbekende, mensdelijke figuur te zien en de kans dat sluipers hem voor de gek hielden, bestond nog steeds. Voorzichtig tuurde hij in de afgrond naar beneden maar ook daar was niets te zien. Het geluid leek trouwens eerder van boven te komen dan van beneden. “Bovenop de berg”, was het korte commentaar van Zaltmann. “Ben jij hier wel eens geweest?’ vroeg Kalam onzeker maar zijn oude vriend schudde zijn hoofd. “Nee, nooit, de berg ligt wel in ons jachtgebied maar wij blijven meestal beneden, we komen niet zo hoog. Hier zijn ook geen grote dieren.” Kalam trok een verbaasd gezicht. “Maar wie heeft dit pad dan gemaakt? Dit is toch niet helemaal door de wind ontstaan?” Zaltmann knikte. “Ik denk het toch wel, al kun je zien dat er wel eerder mensen hebben gelopen. Misschien waren het wagarden of Wolvermannen.” `Wolvermannen’! Kalam had al heel lang niet meer aan hen gedacht. “Wat nu als we in een kamp van Wolvermannen terechtkomen?” vroeg hij maar Zaltmann leek niet verontrust. “Dat zal niet gebeuren. We zullen het bijtijds weten”, verzekerde hij.
Nog harder klonk het geschreeuw dat nu meer begon te lijken op het zingen bij een dans. Een dans van de jagers of zoiets. Terwijl Kalam merkte hoe dichtbij het geluid nu was, viel hem ook iets anders op. Voor hem verbreedde het pad zich en veranderde het in een vlakte. Ze waren klaarblijkelijk haast op de top van de berg. Middenin de vlakte tekende zich een donkere vlek af. Het leek of iemand alle sneeuw en ijs had weggeveegd. Hij tikte Zaltmann nu op zijn schouder en wees voor zich uit en de oude jager knikte. “We moeten oppassen”, zei hij haastig. “Zo’n verandering kan gevaar betekenen.” Met één hand probeerde hij Kalam een beetje tegen te houden. “Langzaam verder gaan”, zei hij weer. Hij keek achterom en maakte met een handbeweging aan de andere duidelijk dat ze hun stap moesten vertragen.
Eén ogenblik stond Kalam stil. Heel even speurde hij in het rond langs de horizon. Hij kon zich niet herinneren ooit zo hoog in de bergen geweest te zijn. Veel plezier had hij er niet van want aan alle kanten heerste de schemerachtige duisternis waarin zij zelf nu ook al de hele tijd liepen. Heel in de verte viel hem een lichtstraal op die ook al weer gauw plaats maakte voor donkere wolken. Daar zou Gûl zich moeten bevinden, hij wijst het zeker. Nog een keer keek hij in dezelfde richting en weer was er een lichtstraal te zien maar die verdween ook weer even snel. Intussen steeg een hartverscheurend gekrijs op. Het geluid leek uit de zwarte vlek op de top van de berg te komen. Kalam deed voorzichtig nog een paar stappen voorwaarts en toen zag hij het. De zwarte plek voor hem was niets anders dan een groot gat. “Dit lijkt de zee van Nogûl wel”, fluisterde hij tegen Zaltmann en de oude jager stemde in. “Ja, maar hier zijn geen dampen, er is geen warm water”, was zijn commentaar. Oedar en de anderen waren nu ook dichterbij gekomen. “De berg heeft een gat in zijn hoofd”, zei één van de jagers. “Hij is lek”", grapte hij. Oedar hoorde de humor wel maar lachte niet. “Zijn naam zal No’dak zijn”, zei hij plechtig. “De lekke berg.”
Het geluid bleef opstijgen uit het gat in de berg en de mannen keken nu allemaal naar beneden om te ontdekken wie er beneden was maar daarvoor was het te donker. “Er is een pad”, riep één van de jagers plotseling. “Kijk eens”, hij rende gevaarlijk dicht langs de opening en wees naar beneden waar inderdaad afgebrokkelde brokken “blauw ijs” een soort trapje hadden gevormd. Hoewel Kalam het “blauwe ijs” absoluut wantrouwde en hij zich afvroeg of het wel stevig zou zijn, meende hij toch dat het de enige mogelijkheid was om naar beneden te gaan. “Op gevaar af dat we weer in onze eigen grot uitkomen”, mopperde hij, denkend aan de lange weg die ze langs de buitenkant van de berg hadden afgelegd.
De trap van “blauw ijs” was niet veel breder dan dat twee mannen net naast elkaar konden staan en de treden waren soms zo hoog dat ze eerst moesten gaan zitten om zich vervolgens naar beneden te laten glijden. Als deze trap al gemaakt was door iets dat op mensen leek, dan moesten het reuzen zijn geweest of..het was een pesterij van sluipers. Die mogelijkheid hield Kalam nadrukkelijk open. Die gedachte bleef hem vooral begeleiden omdat hij net als in het binnenste van Nogûl overal onverstaanbare stemmen hoorde. Onwillekeurig keek hij steeds naar boven om te zien of er ook hier nesten van nevelgarden waren. Dat was niet het geval. Ondertussen wist hij nu wel zeker dat ze op de juiste weg waren want de kreten en het geschreeuw kwamen als maar dichterbij.
De treden waren er nog steeds maar ze stonden nu niet meer los middenin een open ruimte. De trap liep langs een koude wand van “blauw ijs” waaraan Kalam zo nu en dan steun zocht met één hand. In het begin was er nog enig licht op de treden gevallen en dat gebeurde nu ook nog van tijd tot tijd. in het dak van de berg bleken meer gaten te zitten die een flauw schijnsel van buiten door lieten. Soms kon Kalam zelfs de ijskoude wind dwarsdoor die gaten om zijn hoofd voelen waaien.
De treden waren ook veel minder hoog geworden en ondanks de donkere schemering kon Kalam de volgende trede al onderscheiden. Ze werden ook breder, wat aanmerkelijk gemakkelijker liep. Van tijd tot tijd keek hij even omhoog om te zien of zijn vrienden goed volgden. Een paar, zoals Oedar, gaven er de voorkeur aan om op handen voeten te gaan, achterstevoren van de trap af. Het was en bleef een hachelijke onderneming. Plotseling was er geen trede meer. De vloer liep hier vlak in een helling naar beneden en Kalam voelde onder zijn voeten ribbels. Dat was goed want daardoor gleed hij niet uit. Voor hem zag hij helemaal niets dan duisternis en … op stijgende dampen. Het was alsof ze aan de zee van Nogûl stonden waar ook de hele dag warme dampen opstegen. Maar dit hier, was diep in de berg, verborgen voor het oog van de gewone voorbijganger. Ergens achter de dampen was nog steeds het geschreeuw en gegil te horen. Kalam schuifelde nu voetje voor voetje voorwaarts maar een brandende pijn in zijn voeten liet hem stilstaan en zelfs een paar passen terugdoen. “Pas op, we kunnen niet zo maar verder”, waarschuwde hij
Toen hun ogen aan het donker en de dampen begonnen te wennen, zagen ze zuiverder. Voor hen lag een plas, een zee of een meer van kokend heet water waaruit dampen opstegen. Er was bovendien voortdurend beweging want op veel plaatsen verschenen steeds weer kleine en grote bellen.
Zaltmann en Oedar keken elkaar zwijgend aan. Ze waren zo dicht bij het doel en nu leek een ondergronds meer hen de weg te versperren. Zeker, de grootjagers en wijze mannen waren in staat om zich ook in het water voort te bewegen, hoe diep het ook was. Zij hadden geleerd boven water te blijven en vooruit te komen maar…dit water was veel te heet. iedereen zou hierin verbranden en bovendien, de gewone jagers verstonden die kunst van het “waterwandelen” niet. “Er is maar één oplossing meende Kalam. “We moeten langs het water lopen en onderzoeken of er een weg is die naar de andere kant van de plas leidt. Ook bij de zee van Nogûl kun je rondom lopen, misschien is het hier ook zo.” De anderen waren dat wel met hem eens. Niemand voelde ervoor dezelfde weg terug te gaan zonder het doel bereikt te hebben. Ze werden extra aangemoedigd door een nieuwe schreeuw en gekrijs dat langzaam overging in hardop praten. Alsof de eigenaar van de stem met iemand in gesprek was.
Kalams groep liep nu langs de oever van het ondergrondse meer. Eerst was er een lange, rechte lijn maar plotseling begon het water te wijken. De oever beschreef nu een ronding als was die in het duister niet goed waarneembaar. Kalam merkte dat ze steeds een bocht beschreven in dezelfde richting, een bocht die ook steeds scherper werd. In het begin waren ze alsmaar verder van de eenzame stem verwijderd geraakt maar nu leken ze er recht op af te gaan. Met een schok stond Kalam stil. Hij legde een vinger op zijn mond als teken dat de anderen stil moesten zijn ook al wist hij dat ze hem niet konden zijn. Gelukkig was er niemand in het gezelschap die praatte. Het was nu duidelijk te horen.
Daarginds in het donker klonken stemmen, het waren er nu méér dan één. Kalam ging nu vlak naast Zaltmann staan. “Ik moet iets roepen”, fluisterde hij waarbij hij de neiging had om steeds harder te praten omdat sluipers door zijn woorden heenschreeuwden. Zaltmann was het met Kalam eens. “Hier is Zaltmann”, riep hij meteen zodat het de hele ruimte leek te vullen. “En hier zijn de jagers”, klonk een stem uit het donker. “Wij hebben de stem gevonden.”
Het kostte Kalam en zijn mannen niet veel tijd om de groep jagers te naderen. Ze stonden rondom een man die Kalam niet kende maar die hij wel herkende als een Anth’, mogelijk en Zagarde zelfs van Rannhald. Kalam kwam dichterbij en keek de man recht in het gezicht. Diens ogen rolden vervaarlijk in het rond en er stond schuim op zijn lippen. “Roar, Roar is Rannhald geworden”, gilde hij uit. “Roar is Rannhald geworden en ik ben de rooftand van morgen.” De man sloeg nog meer verwarde taal uit waaruit Kalam en zijn vrienden toch wel iets konden opmaken. Hij was nog niet zolang geleden uit Kana’an vertrokken. Misschien zou hij iets kunnen vertellen over het leven daar van de laatste tijd. “Maar voorlopig niet”, meende Oedar. “De man is volledig ma’akat hiksa.!” Daarbij wees hij op de staaf die de man krampachtig zin zijn hand hield. “Dat is een staaf zoals ze bij de zonnedieren horen. Alleen het zonnedier is vertrokken.”
Al gauw bleek dat de jagers een veel kortere weg naar het meer hadden gevonden. Zijw aren door de smalle openignen achterin de grot gegaan en hadden een wandeling door het binnenste van de berg gemaakt. “Daarbij hoorden we wel steeds hoe we dichterbij de stem kwamen”, zei de grootjager die de groep had aangevoerd. Hij stelde voor om de weg door het binnenste van de berg terug te nemen maar Kalam had een ander idee, “We moeten de anderen vragen om hier te komen. Hier, aan de rand van het meer is het beter toeven dan in gindse kleine grot.” Zo besloten ze.
De jagers, wagarden en vrouwen druppelden al gauw allemaal in kleine groepjes binnen en iedereen moest even een blik werpen op de vreemde, eenzame man die de oorzaak leek te zijn van de raadselachtige stem die ze zolang hadden gehoord.
Het duurde niet lang of een wagarde meldde zich bij Kalam. “Ik ken hem”, zei hij zachtjes. “Het is geen beste. Hij is hoofd van de Zagarden geweest, zijn naam is”, even aarzelde hij. “Zijn naam is Ranntvik.” Kalam keek de vreemde man nadenkend aan. “Op het ogenblik lijkt hij in elk geval niet erg gevaarlijk. We moeten hem eerst maar eens tot rust laten komen. Wie weet wat hij te vertellen heeft. Even legde hij zijn hand op de schouder van de wagarde. “Maar het is goed dat je ons dit vertelt.”
“Wat nu?” Zaltmann keek Oedar en Kalam vragend aan. De drie mannen stonden in de opening van de grot die hen eerder tot onderdak had gediend. “We kunnen onmogelijk verder trekken”, meende Kalam. De wind was nog harder gaan waaien en in de verte klonk een geluid als of een kudde groottanden alsmaar dichterbij kwam. Tussen de wolken door leken zonnestralen zich een weg te banen. Ze sloegen zich als slangen om de donkere schepen van sneeuw en hagel. Van tijd tot tijd trok de lucht even open maar dat was steeds maar kort. “De strijd tussen Gûl en de schepen van sneeuw en ijs is losgebarsten”, zei Oedar. “Uiteindelijk zal Gûl overwinnen maar voor die tijd kunnen we niet op reis.” Kalam keek nu van Zaltmann naar Oedar en weer terug maar de mannen staarden in de verte alsof ze wachtten op zijn beslissing. “Goed, best, besloot hij uiteindelijk. “Voorlopig blijven we hier. We moeten eens even kijken hoe we ons leven hier gaan inrichten.” De mannen keerden terug naar de grote grot met het meer middenin de berg. Het leek een goede vervanging van Kana’an te zijn.
Http://mythologie.wordpress.com
Service
De draak speelt in de Chinese mythologie een belangrijke rol maar zijn herkomst is nauwelijks duidelijk geworden, ondanks naspeuringen. Zeker is dat de draak bij de Chinezen al belangrijk was voordat zij konden schrijven.
www.spirituele-wereld.nl/chinese%20astrologie/draak
