Gepost door: Kaj Elhorst | februari 17, 2008

De lokroep van de bergen

sneeuwstorm.jpg

De ochtend was haast ongemerkt gekomen. Kalam merkte haar op tussen de wimpers van zijn half geopende ogen door. Het waren niet de eerste zonnestralen van de dag die hem op de ochtend opmerkzaam maakten, nee, het was de afwezigheid van de maan. Elke ochtend was er een tijd die zich duisterder voordeed dan de rest van de dag. Dan was de maan vertrokken en de zon nog niet verschenen. 

Het eerste wat hij hoorde, was  het geklater buiten. Kalam begreep dat er opnieuw sneeuwbuien waren losgebarsten maar de zwaarte van het geluid deed hem nog iets anders vermoeden. De sneeuw had zich waarschijnlijk vermengd met “ijsballen uit de hemel” zoals de Anth’ de hagel noemden. Dat voorspelde niet veel goeds want het zou niet eenvoudig zijn met dat soort weer ook maar enige vooruitgang te boeken. Het reizen zou haast onmogelijk zijn en zelfs het jagen werd door de ijsballen tot een beproeving gemaakt. Toch was er iets dat Kalam verleidde om op te staan. Het was alsof de stem die hij gisteravond al had gehoord, opnieuw tot hem doordrong.

Nu het weer zo slecht was, viel er geen reden te bedenken om met de hele groep vroeg op te staan en dus wilde Kalam niemand wakker maken. Hij huiverde toen hij de rooftandvacht waaronder hij meestal sliep, van zich af sloeg en overeind kwam. De stem liet zich nu vanuit de verte maar ook onmiskenbaar horen. Er was iemand in nood en de gedachte dat het een Anth’ kon zijn,  dwong hem er toe om op zoek te gaan.

De sneeuw en de hagel konden hem niet deren tijdens zijn speurtocht. Het grote nadeel was dat hij haast geen hand voor ogen kon zien. Aan de andere kant voelde hij dat niet als een al te grote belemmering omdat hij alleen op zijn gehoor behoefde af te gaan. Eenmaal buiten was de roepende stem  duidelijker geworden. Kalam meende dan ook dat hij buiten de grot moet zoeken. Het was een naargeestig gehoor, de ene keer klonk het haast smekend, de andere keer was het opgetogen alsof een ontdekking was gedaan. Dan al gauw daalde de stem weer af tot gejammer. Kalam kon zich niet herinneren ooit zo’n geluid te hebben gehoord. Het bezorgde hem meer kou dan waartoe sneeuw en ijs in staat waren. Voorzichtig maar ook gespannen volgde hij het geluid en het leek steeds dichterbij te komen totdat het even plotseling ophield als dat het was begonnen. Kalam stond stokstijf stil. Was het geluid opgehouden omdat hij misschien vlak in de buurt was? Even meende hij iets boven zich te horen en dan weer beneden zich. Waar hij ook keek, er bewoog niets. Het was nu doodstil, alleen de wind en de roep van een ijsrat die daarop meewoei waren te horen. De stem hield zich stil. Bevredigend vond Kalam dat niet. Als de schreeuw om hulp er net was geweest, dan zou ze er nu nog moeten zijn.

Stap voor stap ging hij verder in de richting waarin hij de stem het laatst had gehoord, hoewel het gaan steeds moeilijker werd. Sneeuw en hagel vielen in alsmaar dichter wordende stromen neer en de blokken ijs die uit de lucht kwamen, waren ook steeds groter. Kalam voelde ze nauwelijks door de dikke capuchon van bont die hij droeg en de zware mantel die hem tot op de enkels reikte. Alleen zijn gezicht werd zo nu en dan door sneeuwvlokken en een enkele hagelsteen aangeraakt. De laatsten sneden soms zijn huid open maar als jager was Kalam wel erger gewend. De vorst en de sneeuw deden trouwens elke wond bijna onmiddellijk weer dichttrekken.

Hij voelde nu hoe het pad omhoog ging en hij moest zijn voeten nog steviger dan eerst in de sneeuw zetten om niet naar benededen te glibberen. Met zijn handen probeerde hij steun te vinden aan de rand van de berg waarin Kalams gezelschap de vorige dag een grot had gevonden. Links en rechts leken wat kleine dieren weg te schieten maar verder deed zich geen geluid voor totdat de stem opeens luidkeels en hartverscheurend begon te krijsen. Deze keer was dat nog niet eens de oorzaak van de meeste onrust die Kalam voelde. Dat was meer de zekerheid dat er iemand onhoorbaar achter hem was komen staan.

Met een ruk draaide hij zich om. Het duurde een flits voordat hij het gezicht achter zich herkende. Zaltmann! “We zoeken hetzelfde”, glimlachte de oude jager. “Maar wie zal ons zeggen of dit niet de eeuwige wagarde is die al zoveel moedige jagers van huis heeft weggelokt? De stem die al zolang de Anth’ bestaan de moedigste jagers tot waanzin en onzinnige daden heeft gedreven?” Kalam keek hem onverstoorbaar aan. “Maar dit is de stem van een Anth’ in nood en ik moet hem redden. Dat zegt mijn Gamor.” Opnieuw glimlachte Zaltmann. “Ja, ik weet het maar de Gamor Anth’em zegt niets over die stem die jagers weglokt van huis en haard en hen de dood in drijft, op zoek naar hun heldendaad.” Kalam zweeg. Ooit had hij wel gehoord over de eeuwige wagarde maar doordat de Gamor Anth’em er niets over zei, had het hem altijd een onzinnig verhaaltje voor angstige jagers geleken. Moest hij nu geloven dat Zaltmann wel waarde hechtte aan het verhaal?

“Moeten we dan teruggaan?” vroeg hij zachtjes. Zaltmann fronste zijn wenkbrauwen. ” In dit weer zou het inderdaad het waanzin zijn om te gaan zoeken naar iets waarvan we niet zeker weten of het er is. Menige jager is de weg kwijtgeraakt in dit soort stormen en op die manier zou zelfs de eeuwige wagarde zijn geboren. Een jager die altijd en eeuwig door het landschap trekt zonder ooit nog zijn huis, Kana’an, terug te kunnen vinden.”

Kalam knikte. “Misschien heb je gelijk maar met ons is het toch anders. Wij kunnen Kana’an wel terugvinden maar we willen er niet naar toe.” Deze keer knikte de oude grootjager bevestigend. “Je zoekt je zekerheid, de zekerheid dat jouw zwerftocht niet zal eindigen in een eindeloos en wanhopig spoorzoeken in de wetenschap dat je voorgoed je huis bent kwijtgeraakt.” Kalam voelde een warme stroom door zijn lichaam trekken. Zaltmann leek hem volledig te begrijpen en te doorzien. Opnieuw werd hem duidelijk hoe erg hij de oude grootjager nog nodig zou hebben op zijn weg en hoe dankbaar hij moest zijn voor diens raadgevingen. Zonder aarzelen volgde hij zijn raadsman terug naar de grot. Geen stem liet zich nog horen. 

Het hield niet meer op. De storm nam toe en sneeuw en hagel gierden met steeds meer geweld over het landschap. Wie nu naar buiten ging, zou wel een heel goede reden moeten hebben. De grootjagers, wijze mannen en zelfs de gewone jagers kropen dichter bij elkaar en begonnen elkaar verhalen te vertellen over de jachtpartijen die zij hadden meegemaakt. In vrijwel alle verhalen kwam het voor dat één of meer jagers waren gedood door een rooftand of, een enkele keer, door een nevelgarde of groottand. In andere gevallen waren jagers hun kameraden kwijtgeraakt door het slechte weer en nooit hadden zij Kana’an teruggevonden. Het was gemakkelijker om te verdwalen dan om het juiste pad terug te vinden in het jachtgebied van de Anth’. Alleen in groepsverband maakten ze kans en daar legde de Gamor dan ook de nadruk op. Oedar wist de avonturen van de jagers te verduidelijken met teksten uit de Gamor Anth’em die anderen niet kenden of waarop ze nooit hadden gelet.

De vrouwen vermaakten zich intussen weer op een heel andere manier. Zij hadden de nagels en tanden van rooftanden, ijsratten en waterluiaards verzameld en schovendie in groepjes of apart over de grond totdat andere vrouwen zich er meester van maakten. Daarbij slaakten zij kreten die wezen op manlijke begeerten, jachtbuit, grootjagers en wijze mannen, kinderen krijgen en soms ook op wagarden. Kalam luisterde er met veel plezier naar en zag tot zijn grote genoegen dat A’anake een vooraanstaande rol op zich had genomen maar begrijpen deed hij weinig van de bezigheid. 

Na enige tijd werd zijn aandacht getrokken door de wagarden. De meesten lagen er een beetje verloren bij maar een paar waren bezig de sneeuw en het ijs weg te krabbelen voor één van de doorgangen achterin de grot. Wat de bedoeling daarvan was, stond Kalam niet meteen helder voor ogen maar hij was al lang blij dat de wagarden zichzelf een taak hadden gegeven. Meestal waren ze vooral bezig met ruzie maken en daaraan had hij in zijn gezelschap niet zoveel behoefte.

Weer drong zich een stem op, deze keer in zijn hoofd. Een stem die van de wagarden leek te komen. Het waren geen woorden die hem bereikten maar meer geluiden en gevoel. Gezamenlijk probeerden ze hem iets duidelijk te maken. “Geef ons een taak, laat ons iets belangrijks doen”, de boodschap kwam meestal vaag maar bij tijd en wijle ook weer heel duidelijk over. Plotseling trok ze weer weg en liet ze zich niet meer horen maar Kalams ogen bleven op de wagarden gericht. Tot nog toe had ook hij de wagarden beschouwd als een vrij nutteloos aanhangsel van zijn gezelschap, alsof ze hem alleen maar volgden omdat ze niets beters hadden te doen. De gedachte dat zij een nutitge bijdrage aan zijn zwerftocht zouden kunnen leveren, was nog niet eerder bij hem opgekomen. De vraag was wat dat zou moeten zijn.

“Luister”,  begon Kalam terwijl hij Zaltmann  en Oedar afwisselend strak in de ogen keek. “Ik heb me zitten afvragen of we de wagarden niet een nuttige taak kunnen geven, een echte bijdrage aan onze reis maar ik heb nog niets kunnen bedenken.”  Op Oedars verscheen een glimlach, iets wat Kalam maar zelden bij hem had waargenomen. “Een zinnige taak voor de wagarden”, herhaalde de oude wijze man. “Dat zal nog niet zo gemakkelijk worden. Om te beginnen moet je hen duidelijk maken dat ze zich nuttig kunnen maken, ze moeten ook stuur hebben maar misschien kunnen de jagers daarvoor zorgen. Zonder leiding zijn ze niets waard.” Het klonk nog al bruut maar Kalam wist er weinig tegen in te brengen en ook Zaltmann had er geen weerwoord op. “Wagarden kunnen meestal alleen maar onder toezicht werk doen met hun handen, ze zijn niet anders dan de mannen uit de buitenste kring die de Nad’ar onderhouden of de wanden van Kana’an of de doden naar hun toegangspoort voor de nevelen brengen.” Hij keek stil voor zich uit en tuurde langdurig naarbuiten waar de sneeuw- en hagelstorm verder aanwakkerde. “Ik weet niet hoelang we hier moeten blijven maar we zouden ze kunnen opdragen een beschutting van sneeuw en ijs te maken om de doorgang naar buiten een beetje af te schermen. Dat maakt het hier in de grot wel behagelijker. Misschien kunnen ze zlefs, onder leiding, zoeken naar heet water zoals de Nogûl die voortbrengt.” Kalam keek de grootjager geschrokken aan. “Denk je dat er méér bergen zijn die heet water bevatten?” vroeg hij verrast. Zaltmann knikte, “ik weet het zeker maar niemand maakt er ooit gebruik van.” Kalam keek nu naar Oedar en ook die leek tde mening van Zaltmannn toegdaan te zijn. “Dan moesten we daar maar eens werk van maken”, besloot Kalam met een stem waarin zekerheid en overtuiging doorklonken. “Wie weet hoelang we hier nog blijven.”

Zijn laatste woorden werden verstoord want opnieuw liet zich de verstijvende stem van buiten horen, de stem die om hulp schreeuwde en dan weer veranderde in een opgetogen gejuich. Deze keer keek Kalam onderzoekend naar Zaltmannn voordat hij opsprong. De grootjager stond al en hij schudde zijn hoofd. “Dit is niet de stem van de eeuwige wagarde”, verzekerde hij zijn vrienden. “Dit is een ander geluid. We moeten zoeken”, terwijl hij het zei begonnen zijn ogen te glinsteren. “Een mooie taak voor jagers en wagarden.”

Kalam gaf zijn orders nu snel en zonder haperen.  Een paar ervaren jagers en de hele groep wagarden zou op speurtocht gaan en hijzelf ook. Het verlangen om het geheim achter de stem te leren kennen was te groot om niet zelf aan de zoektocht mee te doen.

De mannen stelden zich op in groepen en Kalam koos de kleinste groep uit om er op uit te gaan. “We houden steeds de wand van de berg in het zicht”, zo drukte hij de mannen op het hart.
“Alleen op die manier kunnen we voorkomen dat iemand verdwaalt.”  Deze keer wilde Kalam doorzetten maar tegen Zaltmannn en Oedar zei hij: “Julie moeten hier blijven, ik kan de mensen niet zonder leiders achterlaten. Zaltmanns ogen straalden trots uit. De oude grootjager legde zijn hand op Kalams schouder. “Je bent op de juiste weg en ik weet zeker dat je zult vinden wat je zoekt”, zei hij.

Samen met zijn kleine gezelschap ging Kalam als eerste de grot uit en hij volgde daarbij de weg die hij die ochtend ook al had gekozen. Door de zware storm en de dichte hagel- en sneeuwgordijnen was het zoeken er niet gemakkelijker op geworden. Voorzichtig, stapje voor stapje liep hij opnieuw omhoog langs het pad dat langzaam maar zeker naar boven voerde. De schrille stem kwam nu met elke stap dichterbij en toch twijfelde Kalam. Het was nog maar de vraag welke groep uiteindelijk zou ontdekken wat de oorzaak van de hulproep was.

Service

Feng; in de Chinese mythologie de Phoenix en personificatie van de oerkracht van de hemel. Heerser van de hemel.

Feng heeft de kop en kam van een fazant en een pauwenstaart.

www.mythologie.wordpress.com 

www.frontpage.fok.nl/review/5384/1

www.nl.wikipedia.org/wiki/Opdracht_van_de_Godin

www.spirituelezoektocht.nl 


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën