Gepost door: Kaj Elhorst | februari 3, 2008

Onbreekbare banden

life.jpg

“Het was de bedoeling mij te doden”, Zaltmanns stem klonk somber. “Daarbuiten zijn onze vijanden en zij zijn met velen. Ik hoorde tal van voetstappen.” Kalam zweeg en probeerde scherp te luisteren maar het lukte hem niet de stemmen van de wind te scheiden van andere geluiden. Het moest de ervaring en oefening van Zaltmann als jager zijn. Hij keek zijn oude leermeester verontrust aan en volgde het voorbeeld dat hij eerder had gegeven want hij was nu gaan begrijpen waarom in de zucht op elke rommer zulke brede spleten zaten, behalve bij de vrouwen. Ze konden erg goed dienen als schietgat en om de omgeving af te spieden. Hij schrok, niet ver van de rommer doemde een groot aantal mannen op. Nog een paar passen en ze zouden bij de ingang zijn.

Een pijl scheerde rakelings langs zijn hoofd en trof één van de naderende mannen in zijn benen. Een volgende raakte de man daarnaast in het hoofd. Een verschrikkelijke schreeuw klonk op. Meteen daarna hoorde Kalam naast zich de keiharde schreeuw van een nevelgarde. Het was Zaltmann die de pijlen had geschoten en nu de hulp inriep van de jagers in de andere rommer. Opnieuw verliet een pijl het schietgat en weer was zij raak maar er kwamen meer mannen en ze leken de rommer verder in te sluiten. Kalam pakte nu ook zijn boog en richtte maar hij merkte hoe zijn handen trilden en zijn eerste pijl ging mis. Achter zich voelde hij hoe Oedar en de oude Hanake hun plek innamen en hun bogen spanden en ook de andere grootjagers zochten een plekje bij de zucht. Ze zaten dicht op elkaar gepakt en het was onmogelijk om allemaal tegelijk te schieten. Weer raakte Zaltmann een aanvaller en deze schreeuwde het uit en danste in het rond terwijl te zien was hoe de pijl dwarsdoor zijn schouder was gegaan.

De kreet van de nevelgarde kwam terug. De jagers in hun eigen rommer waren gewekt door het lawaai. Ze begrepen al gauw wat er aan de hand was en de pijlen vlogen nu als een sproeibui uit de zucht naar buiten. Kalams bezorgdheid betrof dan ook niet de rommers van jagers en van de wagarden maar wel die van de vrouwen. Als de vreemde aanvallers zich daarvan meester zouden maken, zouden de kansen van zijn vijanden sterk toenemen. Hij noch zijn vrienden zouden de vrouwen willen offeren. Hij speurde dan ook naar de rommer van de vrouwen en de vijand leek zich ook vooral daarop te willen richten. Ze merkten dat er van de rommer geen gevaar uitging. 

Zaltmann had het gevaar ook opgemerkt maar hij kon er ook weinig aan doen. De rommer van de jagers benam het vrije schootsveld. “We moeten de jagers waarschuwen”, zei hij. “Iemand van ons moet hen zien te bereiken.” De mannen keken elkaar afwachtend aan, het leek uren te duren voordat iemand zich meldde. “Ik merk de aarzeling”, sprak Hanake. “Laat mij maar gaan, ik ben niet zo zuiver van schieten maar ik onderken de gevaren als geen ander.” Zaltmann schudde zijn hoofd. “Ik heb liever dat een jongere man die taak op zich neemt, een grootjager”, weer keek hij de kring rond maar nog voordat iemand iets konz eggen, hoorden ze geschuifel bij de opening van de rommer. Kalam zag nog net hoe Hanake’s benen naar buiten verdwenen. De oude man kroop op zijn buik en onderarmen door de sneeuw. Het leek of hij weer jong was geworden zoals jeugdige jagers bij de zonnespelen die bij het begin van de lichte tijd weer gehouden zouden worden. Hij trok sneller dan van een oude man verwacht mocht worden een spoor door de haast ongerepte sneeuw.

Kalam volgde hem gespannen. Zo nu en dan keek hij ook in de richting van de vijand. Het zwermde daar nog van de mannen en er was een flinke kans dat ze Hanake zouden ontdekken. Hij richtte zijn kruisboog op de vreemdelingen die probeerden een wig te drijven tussen de rommer van de jagers en zijn eigen onderkomen. De vreemde mannen waren nu nog maar op een paar passen afstand van Hanake. Elk moment kon hij … Kalam schoot. Welke pijl was het eerste? Kalam sloot zijn ogen en deed ze pas weer open toen hij een felle kreet “de vrouwen”  hoorde scheuren. Er klonk een plof en hij zag hoe een vreemde schutter in de sneeuw neerviel. Raak!  Het gevaar was voor even geweken en meteen draaiden zijn  ogen naar Hanake. Die lag nog steeds onbewegelijk vlak naast de rommer van de jagers. Te onbewegelijk, te stijf. Kalam voelde hoe tranen in zijn ogen opwelden en meteen drong hij ze ook weer terug. Het was nu geen moment voor tranen. Hij zou een heldere blik moeten houden op de omgeving. Straks zou er tijd zijn voor verdriet of…nooit meer.

Eern zwerm pijlen verliet nu de rommer van de jagers en de aanvallers bij de rommer van de vrouwen vluchtten ervoor weg of bleven liggen. Kalam haalde opgelucht adem en keek opzij naar zijn trouwe leermeester maar die leek het allemaal niet gezien te hebben. Samen met de andere grootjagers schoot hij de ene na de andere pijl af. “Het zal niet lang meer duren of ik ben er doorheen. Dan moet ik naarbuiten en het uitvechten met knuippel en mes”, verzuchtte hij zonder echt iemand aan te spreken. “Misschien niet”, Kalams stem klonk nu hoopvol en hij wees in de richting waarvandaan de vijand steeds gekomen was. Het zonnedier dat over de aanvallers gewaakt  leek te hebben, was verdwenen. Pas  nu ook hoorde Kalam het gejuich in de rommer van de jagers opklinken.

Hadden zij een belangrijke slag geslagen, een overwinning behaald? Het had er de schijn van. Uit de opening van hun rommer kroop de ene na de andere man tevoorschijn. Ze volgden elkaar en renden in de richting van de vijand terwijl ze hun pijlen afschoten. Verbaasd keek Kalam naar Zaltmann. Die had zijn boog neergelegd. “Het gevaar is geweken”, zei hij langzaam. “Tenminste, zo lijkt het. We blijven nog even binnen.”

De jagers keerden terug en zij sleepten een paar mannen met zich mee. Ze praatten opgewonden maar niet vrolijk met elkaar. Zaltmann knikte alsof zijn verwachtingen waren uitgekomen. “Jeugdige overmoed”, bromde hij haast onhoorbaar maar Kalam verstond hem maar al te goed.

Op Zaltmanns gezicht was geen vreugde te lezen en Oedar keek somberder dan Kalam ooit had meegemaakt. Achter elkaar kropen de grootjagers nu uit hun rommer en Kalam volgde als laatste. Met grote stappen zocht hij de plek op waar hij Hanake het laatst had gezien. De oude man lag er nog steeds in dezelfde houding, alsof hij een poging deed door de zucht naarbinnen te kruipen. Een paar jonge jagers stonden om hem en enkel dode kameraden heen. “Verjaagd”, het was Zaltmann die het durfde te zeggen maar meteen liet hij erop volgen, “de vijand is verjaagd maar wij zijn verslagen.” Hij wees op de lichamen van Hanake en de twee jonge jagers. “Het was erger dan een aanval van de wolvermannen.”, zijn stem klonk alsof hij tegen zichzelf sprak. “We moeten op een goede manier afscheid nemen van Hanake en de jagers”, besloot Kalam.

“Er is eten genoeg”, de stem van een jonge jager klonk haast juichend maar de jongen hield meteen strak zijn mond dicht toen Kalam hem bestraffend aankeek. “Met jagen had dit niets te maken.” Toch keek hij onwillekeurig in het rond en inderdaad, een groot aantal gedode rooftanden lag verspreid tussen de rommers en verder in het veld. Wat had die rooftandenfamilie hier gezocht? Hadden ze hem en zijn kameraden willen verrassen?

Terwijl de eerste zonnestralen weer voorzichtig over de ijsrand heenklommen, kwamen nu ook de wagarden en de vrouwen uit hun rommer.Het waren vooral de eersten die zich nauwelijks bekommerden om de gedode vrienden. Zij wilden zich op de grote voorraad rooftandenvlees werpen maar Kalam verbood het hun. “Eerst zullen we onze vrienden gedenken”, beval hij. Intussen vroeg hij zich af wat Hanake had bezield. De wijze man had hem altijd met zijn raad terzijde gestaan. Hij had hem ook het meest geholpen met de tekeningen in de grot. Hanake kende de Gamor Anth’em het beste en het vlotste uit zijn hoofd. Kalam zou hem maar moeiijk kunnen missen, zo meende hij. Welke tekst uit het gamorlied had hem tot zijn daad gedreven?

Een stem drong zich onweerstaanbaar aan hem op. Het was alsof hij Hanake in zijn hoofd hoorde spreken. “De wijze, oude man weet wanneer de nieuwe tijd is aangebroken. Hij zal de poorten openen en naarbuiten gaan Aan gene zijde van de ijsrand zal hij zijn  huis weer vinden, vertrouwder dan ooit.” Verward keek Kalam om zich heen. Dat was een lied uit de Gamor Anth’em dat altijd werd gesproken bij het sterven van de A’ake. Naast hem zag hij A’akane. Was zij het die hem de woorden had ingefluisterd? Sprak ook Hanake via deze vrouw met hem, met Kalam? Was die tussenkomst er altijd en zou ze altijd blijven? Hij sloeg zijn arm om A’akane en trok haar tegen zich aan. “Hoe zou ik mijn weg kunnen vinden zonder jou?  Die woorden bonkten in zijn hoofd en deze keer sprak hij ze in haar oor. Ze keek hem met éen oogopslag recht aan. “Wij zijn en blijven”, zei ze zachtjes. Dat was genoeg. Kalam voelde een warme stroom door zich trekken. Hij had zijn vrouw voorgoed gevonden.

Hanake legden de jagers in de vacht van een rooftand en zo schoven zij hem in de rommer van Kalam en de wijze mannen naar binnen. De twee jonge jagers kregen een plek in de rommer van de jagers. Oedar neuriede een strofe uit de Gamor Anth’em en de vrouwen zongen met hem mee. Daarop begon Oedar de woorden te zeggen die Kalam in zijn hoofd had gehoord. ”De wijze, oude man weet wanneer de nieuwe tijd is aangebroken. Hij zal de poorten openen en naarbuiten gaan. Aan gene zijde van de ijsrand zal hij zijn huis weer vinden, vertrouwder dan ooit ” En daarna, “ik had willen gaan, onbezonnen en jong als ik ben maar voor mij mocht de poort nog niet open gaan”.

Oedar was onbezonnener, roekelozer en kritischer dan Panak of Hanake. Dat was waar maar die gedachte bleef in Kalams hoofd en bevroor er. Hij keek in de verte en zag het land waarvandaan de vreemdelingen waren gekomen. Verspreid in de sneeuw lagen vele mannen. “Laten wij nu onze vertrokken vijanden opzoeken”, zei hij. De anderen knikten instemmend en niemand sprak meer van Hanake. Hij was gegaan en verdwenen.

Een koude wind sloeg Kalam om het hart toen hij een gedode aanvaller omkeerde. Het was een man uit Kana’an. Dat zag hij meteen aan de kleding en de hanger die de man om zijn nek droeg. “Het zijn mannen uit Kana’an”, riep hij vertwijfeld. “Wagarden of mensen uit het huis zelf?” “Kom kijken”, klonk de stem van Zaltmann somber. “Dan krijg je hier het antwoord. Hij zat op zijn hurken en boog zich over een dode man in de sneeuw. “Je zult het antwoord hebben”, herhaalde hij met een nog triester stemgeluid dan eerst. Kalam wist dat er slecht nieuws op komst was en zijn benen voelden zwaar toen hij in Zaltmanns richting liep. 

Plotseling weigerden zijn voeten en zijn adem tegelijk. Hij voelde hoe hij langzaam door zijn knieën zakte. Op een afstand had hij het al gezien. Daar, iets verder dan zijn arm kon rijken, lag Ranndok. Een bleek gezicht dat naar de lucht staarde alsof hij lag te dromen over de toekomst. Alleen de pijnlijke trek op zijn gezicht verried dat hij geen vrede had gevoeld toen hij stierf.

“Waarom heb je mij verlaten?” vroeg Kalam wanhopig terwijl hij zich deze keer niet tegen zijn tranen weerde. Tranen die bedoeld waren als geschenk, anders dan ijs waren zij warm. Zij vormden de warmte die hij zijn vriend wilde meegeven op zijn reis naar de andere kant van de ijsrand: zo sprak de Ganor Anth’em in hem.  ”Waarom heb je mij verlaten? Samen hadden wij een nieuwe wereld kunnen zoeken! Maar je moest het beter weten en je had geen geduld, hè?” schreeuwde hij kwaad terwijl hij in de sneeuw bonkte met zijn handen. “Mijn vriend, ik was jij en jij was ik, het zonnedier had ons samen moeten verwarmen”, hij schreeuwde harder dan een nevelgarde kon. Het klonk zo beangstigend dat zelfs de wagarden hun hebberige blikken in de richting van de dode rooftanden afwendden. Even leken ook zij gevoel te kunnen opbrengen voor vriendschap en liefde. Al duurde dat niet lang en was het alleen Kalams voorspelbare woede die hen ervan af hield om de rooftanden uit elkaar te scheuren. 

Kalam liep wanhopig rond de rommers en het lijk van Ranndok en trok aan zijn haren. Zijn stappen leken op dansen terwijl hij verwarde woorden uitschreeuwde tegen de lucht en tegen de aarde, voor zich uit en rond hem heen. Zaltmann en Oedar deden hun best om de andere mannen rustig te houden maar toen Kalam niet tot bedaren kwam, stapte Zaltmann op hem af. “Hij zal altijd bij je zijn”, fluisterde hij terwijl hij zijn arm om Kalams schouders sloeg. “Ik weet het, nu zijn lichaam niet meer is, kan hij je niet meer verlaten.”

Kalam voeld hoe zijn hart ophield met bonken. Hij bleef staan in het midden van het kamp. “Leg hem zij aan zij met Hanake. Als je gelijk hebt”, zei hij. “Dan is dat de plek waar zijn lichaam hoort te zijn.” 

Service

Kama is inde inidische mythologie de god van de zinnelijke liefde. Zijn vrouw is Rati welke naam “wellust” betekent.

Kama zie je meestal als knappe, jongeman op een mus

of papegaai.

Bij de Boeddhisten is Kama of Mara de tegenstander van Boeddha 

www.wonderwandeling.wordpress.com/category/kringloop/

www.forums.marokko.nl/archive/index.php/t-736205-p

www.tonvanderkroon.nl/jericho/2007/02/de_staf_van_moz.html


Reacties

  1. Welkom bij Wonderwandeling. Hartelijke groet, Christine


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën