Voor de tijd van het jaar stond de zon nu op haar hoogste punt. Tussen de vlokken van het dichte sneeuwgordijn door waren de andere mannen en vrouwen van het gezelschap voor kalam nog net te zien. Of liever, hun silhouetten want het was te donker om gezichten te onderscheiden.
Vanaf de bevroren bergrand waar hij nu stond, kon hij de vlakte beneden enigszins overzien. Sneeuw en ijs hoopten zich aan alle kanten op en zelfs rooftanden lieten zich nauwelijks zien hoewel ze altijd honger hadden. Nu, op dit uur van de dag was het een goed moment om een onderkomen voor de nacht te vinden. Kalam wist het maar al te goed. De mensen hadden rust verdiend maar erw as een andere gedachte die hem maar niet losliet.
Vanaf het moment dat ze de grot met de tekeningen van de Gamor Anth’em hadden verlaten, hadden anderen steeds de beslissingen genomen. op geen enkel moment had hij zijn eigen inzichten gevolgd. Steeds waren er de adviezen van de grootjagers en wijze mannen geweest en zelfs van A’anake. Toch wist hij zeker dat het hele gezelschap uitsluitend hem zou blijven volgen. Ze beschouwden hem als de uitverkorene ook al wist hij zelf nog steeds niet of die opvatting wel klopte. Als hij het af zou laten weten, dan zouden zijn vrienden zich niet direct raad weten. Misschien zouden ze wel met hangende pootjes terugkeren naar Kana’an, gewoon omdat ze geen idee hadden.
Hij, Kalam, was de enige die wist waarheen hij wilde. Hij zag in zijn hoofd de landen achter de ijsrand liggen met meer zon, meer dieren, meer warmte en nog veel meer opzienbarende wezens. Bovendien waren daar ook de zonnedieren te vinden waaraan iedereen ineens zoveel behoefte scheen te hebben. Natuurlijk, hij voelde die behoefte zelf ook en die behoefte was ook aangewakkerd doordat hij de zonnedieren had gezien. Maar hij wist zeker dat hij de enige was die ze voor het volk van de Anth’ zou kunnen vinden. Zou het niet veel gemakkelijker zijn als hij in het vervolg adviezen en raad liet voor wat ze waren en gewoon deed wat hijzelf goed vond?
Met een ontevreden innerlijk ging hij de gezichten langs van Oedar, Hanake en vooral van Zaltmann. Ze hadden toch echt lang genoeg geprobeerd de baas over hem te spelen maar wie was er nu eigenlijk de zoon van de echte A’ake?
Kalam vocht met zijn gedachten. Hij kreeg het gevoel dat ze werden binnengebracht door sluipers, dezelfde die hij in de grote grot al gehoord meende te hebben. Ze probeerden hem te verwijderen van zijn vrienden en van de mannen waarin hij altijd vertrouwen had gehad. Mannen ook waarop zijn vader eindeloos had gebouwd. Hij zou ze toch niet zo maar opzij kunnen zetten? En dan A’akane, het was toch niet voor niets dat zijn vader via haar tot hem sprak?
“Kom Kalam”, het was de stem van Zaltmann die hem uit zijn woest worstelende gedachten deed ontwaken. “We moeten nu echt een plek voor de nacht gaan zoeken.” Iets in Kalam maakte hem onrustig. Weer was het Zaltmannn die hem voor leek te schrijven wat hij moest gaan doen. Deze keer wist hij zijn opstandigheid ook snel weer onder controle te krijgen. In stilte mompelde hij verwensingen in de richting van de sluipers zodat Zaltmann vroeg wat hij zei. “Nee, helemaal niets, ik moest even iets..”, hij keek Zaltmann dromerig aan. “Laat maar, het was niets”, zei Kalam langzaam. Zaltmann trok een bezorgd gezicht. “Het gaat toch wel goed met je?” vroeg hij en Kalam knikte. ”Heel goed!” antwoordde hij.
Zoals altijd liep hij vooruit terwijl A’akane en zijn vrienden volgden. Helemaal achteraan liepen de wagarden. Het pad ging behoorlijk steil naar beneden en op de glibberige ondergrond was het goed uitkijken geblazen. Wie hier onderuitging, kon zo maar een eindeloos schijnende val naar beneden maken. Plotseling hield Kalam stil en hij legde één vinger op zijn lippen. Hij wees naar een plek recht naar beneden waar schaduwen van de berg het spaarzame zonlicht volledig wegnamen. Ondanks de duisternis en de sneeuw hadden zijn ogen daar beweging gezien en nu hij stil bleef staan, werd die alleen nog maar duidelijker. Haast onzichtbaar tekenden zich in het donker de omtrekken van een rooftand af. Zaltmann smakte met zijn lippen. “Dat zou een goede vangst zijn”, meende hij. “Zeker voor vanavond want iedereen is hongerig en een rooftand levert veel vlees.” Kalam knikte en ook de andere jagers gaven een instemmend gebrom ten gehore. De rooftand leek dat opgemerkt te hebben want het dier stond stil en snoof luidruchig de hele omgeving af. “Als we hem willen hebben, moeten we snel toeslaan”, meende Zaltmann en hij schoof haast onhoorbaar zijn kruisboog van zijn schouder. “We moeten nu toeslaan.” De jagers stelden zich in een soort halve cirkel op waarvan Zaltmann het midden vormde. De mannen legden onhoorbaar aan, althans Kalam hoorde hen niet maar…de oren van de rooftand waren beter.
Het dier stond plotseling rechtovereind en met zijn éne klauw maaide hij in de richting van de jagers. Hij sprong een paar keer omhoog in een poging op de richel te komen maar steeds glibberde hij weer terug. Op die manier was hij voor de jagers niet te raken. Integendeel, de mannen moestenn steeds een paar passen naar achteren doen om niet geraakt te worden. en met een geweldige sprong draaide de rooftand zich om. In een hobbelende galop verdween hij achter duisternis en sneeuw. Een paar pijlen volgden hem maar er klonk geen geluid zoals een getroffen rooftand maakt. “Niet meer schieten”, riep Zaltmann. “Deze was toch niet voor ons bedoeld.” Kalam beet zich op zijn onderlip. Had hij niet zelf de leiding moete nemen? Hij voelde nu al een hongerige en koude nacht naderen. Het eten dat ze hadden meegnomen was nauwelijks voldoende voor het gezelschap. Er zou binnenkort toch iets gejaagd moeten worden.
Langzaam daalden de mannen en vrouwen verder af. Nog niet de kleinste grot vertoonde zich. In Kalams hoofd begonnen al weer gedachten die hij zelf niet wilde toelaten de overhand te krijgen. Geen eten, geen onderdak, de tijd van de oude mannen moest nu toch echt voorbij zijn. Het was tijd dat de jongeren de leiding in handen namen. Weer beet hij zich op zijn onderlip en mompelde hij woorden die de sluipersgedachten uit zijn hoofd moesten jagen. Dit keer ging het wat moeilijker dan de vorige keer. Zou het zo blijven, zouden die gedachten steeds maar toenemen en sterker worden totdat… Kalam keek van opzij naar Zaltmann en voelde hoe een rilling door zijn hele lichaam trok. Nee, hij wilde van zijn oude vrienden eenvoudig weg geen afstand doen.
Terwijl de laatste zonnestralen weer achter de ijsrand verdwenen, trok Kalam met zijn mensen verder door de sneeuwvlakte. Ze waren nu beneden. Hier vandaan zou Kana’an te zien moeten zijn maar het uitzicht erop werd weggenomen door duisternis en sneeuw. In Kalams hoofd ontwikkelde zich een nieuw idee. De kans dat ze een grot zouden vinden, was nu zo goed als voorbij. Was het niet beter om een rommer te bouwen, één grote of een paar kleine? Grinnikend besefte hij nu dat Kana’an ook niet veel meer was dan één héél grote rommer. Hij besloot zijn zorgen en gedachten te delen met Hanake en Oedar maar die verwezen hem allebei naar Zaltmann die veel meer ervaring had op dat gebied. Met lichte tegenzin legde hij zijn idee nu ook aan de grootjager voor.
“Ik hoopte al dat je op het idee zou komen”, lachte deze. “Ik wilde niet dat het een plannetje van mij zou zijn. Het moest van jou komen want jij bent de leider van deze groep. Ik ben er meteen voor te vinden.” Kalam voelde zich een beetje terechtgewezen, alsof Zaltmann zijn opstandige gedachten had gelezen. Het zou kunnen maar… Hij wilde er nu niet over denken. Beter was het om zijn plan nu aan de groep bekend te maken. “Het gemakkelijkste lijkt het mij om een aantal kleine rommers te bouwen waarin steeds een groepje onderdak kan vinden”, zei hij plompverloren.
Het scheen dat de hele groep op die woorden had gewacht. Mannen en vrouwen stonden bijna allemaal tegelijkertijd stil. Alleen de wagarden hadden niet meteen door wat er aan de hand was zodat de voorsten tegen de achterste vrouwen opbotsten. Toen begrepen ook zij dat het gezelschap halt had gehouden al wisten ze niet meteen waarom. Zij kregen Kalams boodschap door de jagers toegefluisterd en knikten gehoorzaam “ja” want zij vatten het voorstel op als een bevel.
De vrouwen kregen de taak de wacht te houden. Elke beweging moesten zij onmiddellijk melden bij Zaltmann die zou beoordelen of er een prooi in aantocht was. Onderdak was nu eenmaal de belangrijkste behoefte en eten kwam op het wensenlijstje meteen daarna. De mannen sloegen hard aan het werk om de blokken ijs en hopen sneeuw die nodig waren voor zoveel rommers bij elkaar te rapen. Het was goed werk want hoewel het koud was, kregen de mannen het er toch heel warm van. Sommigen meenden zelfs dat ze hun bontvellen wel uit konden trekken maar dat verbood Zaltmann nadrukkelijk. Het zou de sluipersziekte aantrekken, een ziekte die zorgde voor pijn in de keel, een soort dikke sneeuw in keel en neus en en zwak gevoel. Dat ging dan gepaard met hevige hoestbuien. Volgens een oude overtuiging van de Anth’ brachten sluipers de ziekte vooral in het donkere deel van het jaar naar de mensen toe. Alleen maar omdat het kon en omdat ze het grappig vonden!
Behalve het hijgen en de schuifelden voetstappen van de mannen, bleef het stil. Alleen een paar nevelgarden die zich haastig naar hun nest begaven, verstoorden nog de rust. Andere dieren lieten zich niet zien en dat was jammer omdat het vrijwel onmogelijk was om een nevelgarde te schieten. De vogels vlogen te snel en waren meestal met één pijl niet neer te halen.
Flonkerende sterren en een heldere maan verlichtten de hemel toen de rommers klaar waren. De sneeuwbuien waren voorbij en de lucht was zo goed als wolkenloos. Kalam merkte ook dat het kouder was dan de dagen daarvoor maar de anderen leken zich daarvan weinig aan te trekken. Uitgeput lagen zij bij elkaar in hun rommer en knabbelden zij aan de weinige stukjes ijsrat en waterluiaard die nog in voorraad waren. De vrouwen waren verdeeld over een paar rommers, de wagarden hadden enkele in beslag genomen, de jagers beschikten ook over een eigen rommer en Kalam met de wijze mannen en grootjagers hadden er één voor zichzelf. Het werd langzaam stil. Bij Kalam doken weer sluipersgedachten op maar ze konden hem niet eens meer uit de slaap houden.
“Stil als ijs” was een uitdrukking die de Anth’ wel gebruikten voor de rust en stilte waarin geen geluid meer te horen viel, waarin alleen het suizen van het bloed in eigen oren nog een hinderlijk lawaai vormde. Kalam had er last van. Hij was wakker geschrokken nadat een beeld van een zonnevlam hem met veel gedonder had gewekt. Hij keek stilletjes om zich heen of zijn vrienden ook wakker waren geworden van het geluid maar er kklonk overal een regelmatige ademhaling van mannen in rust. Kalam had de zonnevlam wel herkend. Het was dezelfde die hem lang geleden had bestraft omdat hij zijn “Gamor Anth’em” niet had uitgesproken voor het slapen gaan. Nu was daar geen sprake van. het was onmogelijk om zoiets belangrijks te vergeten in het bijzijn van grootjagers en wijze mannen. Kalam vroeg zich dus af waarom hij deze keer was gewekt totdat een geluid van buiten hem opviel. Het leek een zware voetstap, een voetstap van één enkele man, één jager of wolverman. Geen groep.
Op zijn rug schoof Kalam naar de opening van de rommer toe todat hij een klein stukje van de wereld buiten de rommer kon zien. En niet alleen zien maar ook horen. Plotseling drong het onmiskenbare gesnuif van een rooftand in zijn oren door. Dat maakte dat Kalam op zijn hoede was. Nog iets verder schoof hij op zodat hij met zijn ogen net buiten de rommer keek. Daar ontmoetten zijn ogen rechtstreeks de ogen van een rooftand die op zijn achterpoten stond en haast verbaasd naar de rommer staarde.
Nog stiller dan eerst schoof Kalam weer naar binnen maar deze keer tikte hij voorzichtig Zaltmasnn op zijn schouder. Omdat hij niet mocht schreeuwn hield hij al vast zijn hand op diens mond. Het enorme lichaam van zaltmann schoot bijna overeind door het dak van de rommer. De grootjager keek zijn jonge vriend met grote, geschrokken ogen aan. Kalam legde zijn vinger op zijn mond en fluisterde voor alle anderen onhoorbaar: “Een rooftand, buiten.”
Zaltmanns ogen schitterden en deze keer was het zijn beurt om onhoorbaar naar de openign van de rommer te schuiven. Met één oog keek hij naar buiten. “Niet één maar een hele familie”, merkte hij op. “Dit is onze kans.” Zonder geluid te maken haalde hij zijn kruisboog te voorschijn. Ondertussen stootte hij één van de andere grootjagers aan terwijl hij Kalam gebaarde zijn hand boven diens mond te houden. Zo wekte ze de ene na de andere grootjager. De vraag was alleen hoe ze in staat zouden zijn méer dan één dier te schieten. Kalam wees daarbij op de openingen in de zuchten en de mannen besloten die aanpak te volgen. Schieten op een teken van Zaltmann was de boodschap…
Er klonk een zoevend geluid en plotseling leek het of links en rechts, aan alle kanten de projectielen neerploften. De beren vielen stuk voor stuk getroffen om of renden hulperloos rond de rommers om even verderop door hun poten te zakken. Pas toen merkte Kalam het zonedier in de verte op en de naderende voetstappen. “Wolvermannen?” vroeg hij fluisterend maar Zaltmann haalde zijn schouders op. Hij wrong zich een weg door de toegang van de rommer en voordat hij het wist schoot een pijl rakelings langs zijn gezicht. Wie het ook waren, ze toonden zich geen vrienden.
Service
Volgens de griekse mythologie was Helena de mooiste vrouw ter wereld en dus werd erover geruzied. Het was Aprodite, de godin van de liefde, die met haar twistappel het conflict tot zijn hoogtepunt bracht. De Trojaanse oorlog was het gevolg,, zo zegt de mythologie. Meer psychologisch is dit verklaard als de overwinning van het verstand over het gevoel.
www.gedachtenboek.nl/wiki/Over%20ambitie
www.users.belgacom.net/citaten/verstand.htm
