Gepost door: Kaj Elhorst | januari 20, 2008

Sluipers

 

p1000978_middel.jpg 

 Het geluid van neerploffende mannen en vrouwen ging nog even door. Kalam hoorde ze stuk voor stuk. Er klonk nog maar zelden een schreeuw van pijn want iedereen wist wat hem te wachten stond: een forse sprong. Ook de vrouwen, die toch niet erg gewend waren aan zulke inspanningen, ging dat goed af.

Eindelijk klonk er geen plof meer. Kalam schreeuwde naarboven: Wie nog boven is, moet zich nu laten horen.” Er klonk geen stem, al was het alsof in de verte iemand zijn woorden na zei. Dat verbaasde Kalam wel maar hij dacht er niet te lang over na. “Anth’ike of liever, A’akane, volg mij”, zei hij zodat iedereen het horen kon. “Mijn vader zal via jou spreken en ik moet je dus steeds in de buurt hebben.” Hoewel A’akane in het pikkedonker niets kon zien, vond ze Kalams hand op het gevoel. “Ik ben naast je”, zei ze zachtjes en ze legde haar hand in de zijne. Kalam hoorde haar woorden nauwelijks want een ander geluid trok zijn aandacht. Voetstappen dicht in de buurt. Gespannen probeerde hij met zijn ogen de duisternis te doorboren maar dat lukte met de beste wil van de wereld niet. Zachtjes zei hij in de duisternis: “Horen jullie die voetstappen ook?” Onmiskenbaar was het Zaltmanns stem die antwoordde. “Ja zeker, en ik denk te weten wie het zijn.”  Niemand kon de geschrokken uitdrukking op Kalams gezicht zien maar die was er wel. “Het zijn de wagarden”,  meende Zaltmann. “Zij zijn niet gewend om op anderen te wachten maar trekken altijd verder.” Kalam beet zich op zijn onderlip. Hij had niet gedacht aan de eigenzinnige wil van de “losgeslagenen”. Dat zij meetrokken met hem, Kalam, wilde niet zonder meer zeggen dat ze ook op hem wachten. Toch was hij niet van plan de groep zwervers  kwijt te raken. Hij voelde er niets voor om zijn gezelschap alsmaar kleiner te laten worden. “Wagarden!” riep hij. “Wacht waar u bent totdat wij er allen zijn.” De voeten schuifelden rustig door. Deze keer onderbrak Zaltmann hem. “Misschien moet je ze aanspreken met “mannen van Kana’an”, zei hij. “Ze worden liever geen “wagarden” genoemd.” “Maar ze zijn het wel”, hield Kalam vol. Deze keer was het A’akane die hem in zijn hand kneep en fluisterde: “Als je ze wilt behouden, moet je Zaltmanns raad volgen.”

Kalam voelde weerzin in zich opkomen. De wagarden hadden immers zelf gekozen voor de afzondering. Zij waren toch geen mannen van Kana’an? Toch was er iets bevelends in Zaltmanns stem dat zijn bezwaren tegensprak. Hij slikte zijn tegenzin weg en riep opnieuw. “Mannen van Kana’an, wacht op alle anderen. Dan zullen we gezamenlijk verder trekken.” Deze keer nam het geschuifel af, het geluid verminderde en eindelijk stonden alle voeten stil. Kalam zuchtte diep. “Laat één van u roepen zodat we weten waar u bent, dan sluiten we ons aan.” Een stem klonk brommend en dreunend door de duistere ruimte. “Heel goed, en houden zo!” riep Kalam weer en opnieuw verbaasde hij zich over de stem die hem in de verte leek na te praten. Had de berg een eigen stem en zat hij hem te pesten? “Geef elkaar opnieuw een hand”, zei hij nu tegen de anderen. “Het is hier ruim en groot, juist daarom is het belangrijk dicht bij elkaar te blijven. We mogen niemand kwijtraken.” Hij greep de hand van A’akane stevig vast en de anderen volgden totdat zij een lange keten vormden.

Kalam had het gevoel dat een stevige, koude wind langs zijn voorhoofd streek maar hij wist dat het niet het geval was. Uit de windvlaag volgde een toon, een zuivere klank die zich steeds meer opdrong en uiteindelijk zijn hele hoofd leek te beheersen. Misschien de klank van de uitgang?  dacht hij en hij deed opzettelijk een paar passen in tegengestelde richting. En werkelijk, de klank nam af en af en werd bovendien schriller. Dat was het teken, hij was op de verkeerde weg. Hij zou het geluid in zijn hoofd moeten vasthouden en probeerde nu de juiste richting te vinden. Daar waar het geluid het helderste en sterkste was, daar lag de weg die hij gaan moest. Dat was de weg die hij door de duisternis moest volgen.

Zijn onzekerheid maakte nu plaats voor opwinding al bleef er iets aan zijn gevoel van zekerheid knagen. Er waren naast die ene klank teveel andere geluiden in de ruimte. Soms leek het of grote groepen mensen door elkaar heen spraken en zelfs schreeuwden. Kalam twijfelde of hij over die stemmen zou beginnen tegenover zijn vrienden. Als de anderen niets hoorden, zouden die stemmen geen onrust kunnen veroorzaken maar…er drong zich een zekerheid op dat er voor de stemmen een oorzaak moest zijn. Waren het wolvermannen die in de grot hun toevlucht hadden gezocht? In dat geval hadden ze het voetgeschuifel van Kalam en zij gezelschap al lang gehoord. Of…misschien kwamen de stemmen af van sluipers? Kalam had geen idee wat hij in dat geval moest doen. Hoe zouden de sluipers zich manifesteren? Zouden ze verschrikkelijke vijanden en pestkoppen blijken te zijn of juist vrienden? De verhalen die hij vroeger van Panak had gehoord waren heel verschillend Daarin kwamen sluipers niet alleen maar voor als vijanden van de Anth’.

Niemand sprak, niemand liet zich horen, alleen het voetgeschuifel klonk in de ruimte die erg groot moest zijn want van tijd tot tijd was het of de wind er vrij toegang had. Van alle kanten leek de lucht rond het gezelschap te stromen en van tijd tot tijd had Kalam het gevoel dat luchtwezens hem bij zijn haren grepen en zelfs probeerden weg te sleuren van zijn vrienden. Dan kneep hij hard in de hand van A’akane zodat hij niet los kon laten.  Het was de zoveelste onzekerheid naast de door elkaar kakelende stemmen en de stem van de berg die hem een onplezierig gevoel gaf. Het kwam voor dat hij een lichtheid in zijn hoofd voelde die hij nog nooit eerder had opgemerkt en zelfs verstapte hij zich een paar keer omdat zijn voeten een andere weg leken te willen gaan dan zijn hoofd. In zijn maag kwam het gevoel op dat ze zich naarbuiten wilde keren zoals hij wel eens eerder had gehad na het eten van grote hoeveelheden ijsrat. Klaam voeold hoe zijn ademhaling versnelde en hoe een prikkelend gevoel zich meester begon te maken van zijn borst. Eén ding was zeker, zó zou hij de tocht niet kunnen volbrengen. Hij had het gevoel te willen braken maar in plaats daarvan fluisterde hij iets in A’akanes oor.

“Ik hoor vele stemmen en ik voel me daarbij niet goed. Heeft mijn vader je iets gezegd?” Zelfs, al was het pikkedonker, Kalam kon bijna zien dat A’akane haar hoofd schudde. “Nee, je vader heeft mij niets gezegd over vreemde stemmen. Ik hoor ze ook maar ik geloof volledig in de weg die je volgt en daarom ben ik er niet bang voor. Misschien zijn het sluipers of wolvermannen. Zolang ik bij jou ben kunnen ze mij niet deren.” Kalam blies lucht tussen zijn lippen door. Van A’akane viel op dit moment niets te verwachten. Iets harder riep hij nu de naam van Zaltmann die vlakbij hem zou zijn en ook aan hem stelde hij dezelfde vraag. Vreemd genoeg kreeg hij van de grote jager het antwoord dat A’akane hem ook had gegeven. Was het bij iedereen zo? Vertrouwden al zijn vrienden blindelings op hem? Iets in hem zei niet verder te vragen. Hij zou de stemmen voor lief moeten nemen en …

Hoog boven zijn hoofd verscheen een nevelgarde. Het dier zweefde in een eindeloos lijkende wenteling naar beneden. Langzaam kroop er begrip in Kalams hoofd. Als hij de vogel kon zien, dan moest er ergens licht zijn. Zijn ogens speurden de omgeving af. Hij zag nu hoe hoog de ruimte was waarin ze rondtrokken. Donkere, koude en onverzettelijke ijswanden leken hem en zijn vrienden te omgeven. De wanden straalden een blauwachtige kleur af, het soort ijs waarin je geen tekeningen kon maken, dacht hij. En eindelijk stopten zijn ogen bij een flauw schijnsel dat van achter een uuitstekende punt in de wand tevoorschijn was geslopen. Het schijnsel bevond zich nu nog hoog boven zijn hoofd maar nu merkte Kalam ook pas hoe de bodem hier begon te stijgen. Het pad werd steil en links en rechts lagen grote brokken blauw en wit ijs, losgeslagen van de wanden. Kalam zag nu ook dat er niet maar één nevelgarde in de grot was. Nog veel hoger dan waar het licht in de grot binnendrong, zat een hele rij van de grote vogels op een smalle rand. Het gaf hem geen gelukkig gevoel. Nevelgarden hadden zelden levende mensen aangevallen maar als ze met zo’n grote groep waren, Wat zouden ze dan doen?

De dieren krijsten wild door elkaar heen en het was duidelijk dat ze de rondtrekkende Anth’ al heel lang hadden gezien. Een sterke geur vulde de ruimte hier. Kalam wist meteen waar die vandaan kwam. Het was de poep van nevelgarden. De dieren verbleven hier waarschijnlijk al heel lang. Maar er was nog een andere geur die hij veel onaangenamer vond.

“Kijk hier”, het was Oedars stem die zelfs boven het geschreeuw van de nevelgarden uitkwam. Oedar klonk verschrikt en onrustig. Sinds tijden zag Kalam de armen en benen van de oude raadsman weer en met één arm wees hij naar een hoek van de grot die middenin het schijnsel lag. Kalam volgde de hand met zijn ogen en hij stopte pas toen een berg botten en schedels voor hem opdoemde. “Hier liggen de overblijfselen van Anth’ merkte Oedar nu zachtjes op. “Misschien wel wagarden of mannen die na de jacht nooit terug zijn gekomen. Dat is vaker gebeurd dan we denken.” Kalam liet nu de hand van A’akane los en liep naar de hoge stapel geraamten en losse botten. Zouden hier wagarden in de sneeuwstorm hun toevlucht hebben gezocht en zouden ze zijn aangevallen voor nevelgarden? Onrustig keek hij weer naarboven waar de vogels alsmaar drukker schreeuwden en heen en weer liepen met hun merkwaardige, schommelende gang. 

Vanaf deze plek zag hij de opening. De buitenwereld was nog maar een paar stappen van hen verwijderd maar boven hen loerde de kolonie nevelgarden. Buiten was het schemerachtig en het zag er naar uit dat de sneeuwstorm nog niet was geweken maar alles was beter dan een einde te vinden in de snavel van een nevelgarde. Wat te doen? Naarbuiten rennen of juist rustig doorlopen totdat ze de buitenwereld hadden bereikt?

“Laat je niet door je angst leiden”, klonk nu de stem van Zaltmannn die de aarzeling van Kalam had opgemerkt en hem begreep. “Wie aan een rooftand wil ontkomen, moet niet wegrennen maar stapje voor stapje gaan.” Een rooftand, ja een rooftand, dacht Kalam. Maar zou het bij nevelgarden misschien anders zijn? “Bedenk”, ging Zaltmann verder. “dat dieren altijd sneller zijn dan wij. Bij de jacht moeten we het hebben van onze slimheid, niet van onze snelheid.” Zaltmann had gelijk, de vogels zouden hen meteen hebben ingehaald als ze nu begonnen te rennen, tenminste als ze het op hen hadden voorzien.

“Niet praten of schreeuwen”, besloot Kalam nu. “Wij lopen langzaam door, alsof het hier nog steeds pikkedonker is. De nevelgarden zullen onze traagheid niet begrijpen en ons laten gaan.” Hij pakte opnieuw A’akanes hand en daarmee trok hij zijn vrienden langzaamaan achter zich voort.

Terwijl het gekrijs van de nevelgarden aanzwol en de vogels steeds meer door elkaar begonnen te lopen, gingen Kalam en zijn gezelschap haast voetje voor voetje naar buiten. De zon liet een flauw schijnsel zien dat gloeide van ver achter de ijsrand en de sneeuwstorm wakkerde nog iets aan maar zelden begroette Kalam de buitenwereld met zoveel plezier. Ze hadden de tocht volbracht en waren ontstnapt aan de grotten van Nogul. Onwillekeurig keek Kalam naar boven en daar zag hij de top van de berg, daar was het niet het licht van de zon maar een licht dat uit de mond van de berg leek te komen dat de hemel bescheen.

Het geluid, de glasheldere klank was uit zijn hoofd verdwenen. Ze waren de berg uitgeleid en nu leek het alsof ze de rest van hun weg zelf maar moesten vinden. “Laten we om te beginnen een veilige plek zoeken waar we kunnen uitrusten”, stelde Oedar voor. “We kunnen niet teruggaan in de grot maar misschien heeft de berg nog wat meer, kleinere gaten waar we beschut zijn tegen de sneeuw.” Kalam knikte. Hij keek de mannen en vrouwen van zijn gezelschap één voor één aan. Langzaamaan kreeg hij er vertrouwen in dat ze elke beproeving de baas zouden kunnen worden.

www.mythologie.wordpress.com

 

Service

Fenris is de wolf uit de Edda, die telkens opnieuw probeert de ondergaande zon te verslinden. Deze ‘monsterlijke zwarte wolf  staat afgebeeld op een reusachtig schilderij dat in de hal van Breidablick hangt. Fenris symboliseert de dreigende ondergang van de wereld.

www.air.nl/vertrouwen/vertrouwen.html

www.boekrecensie.com/9023910575

www.autsider.net/maatschappij/dagelijks_leven/faq-zelfstandigheid.htm

www.lekkerlezen-malmberg.nl

/


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën