De toegang tot de grot was nu helemaal dichtgesneeuwd en zelfs de jagers zagen geen kans meer om zich een weg te banen door de dikke lagen sneeuw. Toch was het in de grot niet kouder geworden. Integendeel, Kalam had het gevoel dat het er warmer werd. In het pikkedonker hoorde hij nu de zware stemmen van de mannen die de teksten van de Gamor Anth’ em opdreunden zonder de tekeningen te zien en de lichtvoetiger stemmen van de vrouwen die bij elke tekst hun gevoel leken te volgen, alsof ze op en neer gingen. ” Zakra’ anan” noemde Kalam dat in stilte: “De stem van de fluit”.
Intussen hoorde hij steeds meer en vaker een nieuwe stem in zijn hoofd, een stem die zich alsmaar vaker meldde. Een stem die hij ook wel kende, de stem van zijn vader maar deze keer kwam hi niet heel helder en duidelijk door. Toch was er een dringende boodschap van zijn vader, dat wist hij zeker maar deze werd steeds verdrongen door een zorg die hij had. De dichtgesneeuwde grot zou hem en zijn volgelingen de weg versperren naar voedsel en lucht. Kalam voelde heel duidelijk de behoefte om daarvoor een oplossing te vinden. Maar niet alleen, hij zou er Oedar, Hanake en Zaltmann over moeten spreken.
In het donker kon hij zijn meest vertrouwde vrienden niet zien maar hoorde hij hun stemmen wel. Ze bleven onophoudelijk de teksten van de Gamor Anth’ em uitspreken. Kalam durfde hen daarin niet te storen en dus liet hij de gedachten aan zijn zorg los, niet om nooit meer te voelen maar voor het moment wel. Het had geen zin om alsmaar dezelfde dingen te denken en in een kringetje rond te draaien. Beter was het om te doen wat mogelijk was.
De opdringerige stem in zijn hoofd werd nu gekruist door een tweede stem maar deze kwam van dichterbij, meteen naast hem. Hij voelde ook hoe een paar lippen tegen zijn oor werden gedrukt en de woorden verbaasden hem zo dat hij zich afwisselend warm en koud, stijf en ontspannen voelde worden. ” Je vader is in mij”, sprak de stem, de stem van Anth’ ike. ” Hij zegt mij dat we dichter bij de Gamor niet kunnen komen. Nooit zal er meer een band tussen ons bestaan dan nu. Hij fluistert mij nu in dat we de goede dingen moeten doen, nu, op dit moment. Hij vertrouwt op je inzichten, Kalam, mijn man.”
” Mijn man” , zo had Anth’ ike hem nog nooit genoemd. Er kwam een glimlach op Kalams gezicht. Hij begreep de boodschap, de boodschap die hem duidelijk maakte dat Anth’ ike zich losmaakte van haar ” Ha’aaraakittinaa”. Dat zij zelf iemand begon te worden, dat zij groeide naar de mensen van de middelste en de binnenste kring toe. Dat juist zij hem de boodschap van zijn vader bracht! Hij voelde opwinding en merkte hoe in het pikkedonker zijn ogen begonnen te schitteren alsof zij zonnedieren waren. Niet dat de anderen dat zouden kunnen zien maar voor Kalam was het licht er niet minder om.
Midden tussen het gedreun en gezang van de teksten verhief Kalam nu zijn stem. ” Er is een weg”, begon hij, ” een goede en veilige weg die ons zal leiden naar een beter land”, ging hij verder. ” Die ons niet laat wegkwijnen in deze dichtgesneeuwde grot van eenzaamheid maar die ons voert naar een beter bestaan.” De stemmen dreunden door. ” Dit is niet ons noodlot”, ging Kalam onverstoorbaar verder zonder ook maar even te twijfelen aan het belang van zijn boodschap. De dreunende stemmen ontmoedigden hem niet. ” We kunnen hier weg, ik heb het gezien. Ik heb een licht gezien dat diep in de grot een eigen pad volgde en nooit hierlangs is gekomen.”
De stemmen leken nu even te stokken. Het waren vooral de mannen die oplettender werden en er klonk voorzichtig geschuifel in zijn richting. ” Denk je dat we hier nog op tijd weg kunnen komen?” vroeg een stem waarin Kalam zijn grote held Zaltmann herkende. Zelfs hij had zijn vertrouwen dus bijna verloren en zich overgegeven aan de roes van de Gamot Anth’ em. ” Zou hij, de jonge ” hiksa wagarde” nu de weg kunnen wijzen aan de meest ervaren en vaardige grootjager van allemaal? Kalam slikte. Zou het waar zijn dat hij ” de uitverkorene” was of zagen de anderen hem alleen nog maar zo?
Hij slikte opnieuw. De gedachte dat hij leiding zou moeten geven aan mannen als Zaltmann, Oedar en Hanake leek hem ongerijmd. Altijd waren het de oudere, wijze en ervaren jagers en leraren geweest die leiding gaven, die wisten waar het met de Anth’ naartoe ging. En nu…” Mijn man, ik wil je zeggen dat je vader nog steeds tegen me spreekt”, fluisterde Anth’ike. ” Hij zegt dat je niet moet twijfelen, niet moet aarzelen maar dat je het ongeziene licht moet volgen.” Kalam voelde hoe hij warm werd van binnen en begon te begrijpen wat er gebeurde. Zij vader sprak tegen Anth’ ike omdat hij zijn eigen zoon, niet kon bereiken. Hij begreep het. hij zat vol met zorgen en twijfels. Anth’ ike was niet langer alleen maar Anth’ ike. Ze veranderde, ze werd iemand anders. Kalam voelde nog meer verwarring toeslaan, hij voelde zich misselijk en gelukkig tegelijkertijd en het leek zelfs even of hij geen adem kon krijgen.
” Ja, we kunnen wegkomen”, zijn woorden, zijn gedachten sprongen hem vooruit zoals een jonge ijsrat van zijn moeder kon vluchten, alsof hij ze niet eens vast had kunnen houden. Kalam merkte hoe er beweging kwam in de grote, sterke man die nu vlak naast hem was komen zitten. Hij voelde nu ook de zware, sterke hand op zijn schouder. ” Ik vertrouw op je”, zei hij zachtjes. Ik begrijp je boodschap. Als jij het zegt, moet het wel waar zijn.” Kalam had het gevoel alsof een blok vanuit zijn keel op de bodem van zijn maag neerviel en zijn lichaam daarna verliet. Hij haalde diep adem en wilde iets zeggen maar nodig was dat niet meer.
” Mannen en vrouwen van de Anth”, klonk nu de bulderende stem van Zaltmann door de grot. “Wij zijn de Gamor, wij hebben de Gamor in ons en we houden haar vast met al onze kracht. Mij trekt het gewicht van Kalam alsof de Gamor buigt naar een betere toekomst. Ik buig met hem mee.”
Het was stil in de grot. Het dreunen en zingen hield op. Kalam voelde de spanning, alsof iedereen een woord van hem verwachtte. Hij voelde opnieuw hoe de verstikking naar zijn keel opsteeg, alsof hij geen woord mocht uitbrengen. Hij vocht ertegen terwijl hij in zijn oren de stem van zijn vader steeds duidelijker hoorde. ” Mijn vader spreekt tegen me”, de woorden die hij niet zelf had gemaakt, rolden langzaam maar nadrukkelijk over zijn lippen.
Het bleef stil. misschien klonk hier en daar een zware zucht in de grot. ” Mijn vader spreek tegen me. Hij zegt me dat we nu met onze sterke Gamor nieuwe wegen moeten inslaan, niet meer kijken naar de wegen die voor ons zijn afgesloten. We zullen een nieuwe weg naar de K’ arath vinden, ja we zullen een heel nieuwe K’ arath ontdekken. Weg van deze grot en weg van Kana’ an. Of liever, een nieuw Kana’ an. We zullen vandaag vertrekken.”
Het bleef doodstil al kon Kalam de ademhaling van de andere horen. Zouden ze hem voor ma’ akat hiksa houden of… ” En ik volg hem ook”, klonk nu de stem van Anth’ ike. ” Ik volg hem zoals Zaltmann hem volgt want dit is de weg waarmee Kalams vader zijn vergissingen voor ons goed wil maken. Hij wil ons bevrijden uit de knoop waarin hij zijn volk heeft achtergelaten.” Zachtjes, heel zachtjes zette zij het gezang in van teksten uit de Gamor Anth’ em, teksten over zonnedieren en het land achter de ijsrand. Eerst zong zij alleen maar met steeds meer kracht en zekerheid volgden de andere vrouwen en toen voegde ook Zaltmanns stem zich erbij en die van Oedar en Hanake en van de andere jagers.
Het waren de wagarden die als laatste zich aansloten bij het lied dat de bewoners van de grot nu zongen. Zij waren de laatsten maar niet de minsten. Het gezang en gedreun zwol aan en aan. Kalam voelde hoe de mannen en de vrouwen in de grot zich verzamelden in zijn lichaam, in zijn navel, in zijn ” Gul an Tra” de ” Zon met de Aarde”.
Er kwam geen einde aan. De mannen en de vrouwen zongen en dreunden de teksten harder en steviger dan ze ooit gedaan hadden. Kalam hoorde alleen de stem van zijn vader daar tussendoor komen, nu hoorde hij zijn vader heel duidelijk. ” Het is nu aan jou om mijn volk op het juiste pad te leiden”, klonk de stem. ” Laat je niet weerhouden door je jeugd en je onervarenheid want ik ben bij je. Als je twijfelt zal ik je helpen door Anth’ ike die ik ” A’ akane” zou willen noemen ” Zij die wakker is geworden”. Kalam beet op zijn onderlip. Hij kreeg het gevoel alsof het water van een meer tot aan zijn mond reikte en verder steeg, zijn neus binnendrong en zich langzaamaan boven zijn hoofd sloot en toen…toch ook weer openging en zakte. Het water trok zich terug uit zijn neus en mond en hij kon weer ademhalen.
” We gaan” , zei alleen maar en hij stond op. Met zijn gezicht keerde hij zich naar de donkere diepten van de grot, het binnenste van de aarde misschien, het onbegrepene en het ongekende. Hij voelde een zware hand op zijn schouder, het was niet Zaltmann deze keer. Hij begreep niet waar de hand vandaan kwam maar ze gaf hem een duw in de richting van de duisternis. ” Wij banen ons een weg door de duisternis naar het licht”, zijn stem klonk helder en vastberaden alsof hij geen tegenspraak verwachtte. ” Geef elkaar een hand zodat we niemand kunnen verliezen in de donkerte van Tra. Wij komen samen in het licht of niemand zal er komen.” Kalam sprak die woorden zonder ze te kennen, zonder te begrijpen wat ze betekenden maar hij voelde zich er wel bij. Dit was het pad dat hij wilde gaan.
Achter zich hoorde hij een eindeloos geschuifel en in de nauwe gang die ze nu bereiken klonk het ademen van zijn volgelingen als het zuchten van de berg. Als voorste moest Kalam steeds zijn handen voor zich uitstrekken en voelen waarheen de onzichtbare ijswanden hem leidden. Hij voelde geen huiver van kou of angst. Hier in het binnenste van Tra leek het alsof alles warmer was en nooit eerder had hij zo’n sterke en stevige bodem onder zijn voetengevoeld. Ja zeker, ook zijn voeten tastten steeds de grond af. Was er een gat waarin hij en de zijnen onvermijdelijk zouden verdwijnen? Een kloof die hen verraderlijk zou verzwelgen? Van tijd tot tijd keek hij heel even achterom om te zien wie er achter hem liep en wie hem onmiddellijkvolgde. Hij zag geen gezicht. Het was hier zo donker dat hij zelfs de hand op zijn schouder niet kon zien. Hij zag zijn voeten niet en zijn eigen handen waren verslonden door het duister. Een schreeuw!
Hij kon haar niet vermijden. De grond zakte hier onverwacht onder zijn voeten weg. Het leek alsof hij met een voet in een grote leegte trapte, helemaal niets. De mensen achter hem duwde steeds meer naarvoren en Kalam kreeg het gevoel alsof hij in het gat gegooid zou worden. ” Stilstaan”, schreeuwde hij met een schrille toon in zijn stem. Demannenen vrouwen achter hem stopten maar zelfs die beweging was teveel. Kalam kon zijn val voorover niet stoppen. Hij merkte hoe hij aan de hand van de Anth’ achter hem ontglipte en gleed, hij tuimelde en draaide in een eideloze val… Boven zich, ver boven zich hoorde hij stemmen en schreeuwen en het leek alsof hij niet alleen viel. Links en rechts naast zich hoorde hij stemmen van mannen en vrouwen die naarbeneden leken te suizen terwijl boven in de verte de wanhoop alleen maar groter wred en zich uitte in geschreeuw en gegil. Hoe kon hij leiding geven aan …de stem van zijn vader kwam in zijn hoofd maar er was geen boodschap. Alleen de stem was voldoende om Kalam het vertrouwen terug te geven. Dit kon het einde niet zijn.
Met een harde klap smakte hij neer. Hij kon nog net voorkomen dat zijn hoofd de grond raakte. Links en rechts hoorde hij nu ook anderen neerkomen. Zijn armen, been en rug deden zeer maar niet zo erg dat hij niet verder zou kunnen lopen. Bijna lachend krabbelde hij weer overeind. ” Er zit hier een afgrondje”, riep hij zo hard hij kon naar boven. Hij benadrukte daarbij het ” je”. ” Laat je niet weerhouden. Je kunt beter springen dan vallen, ook de vrouwen.” Intussen tastten zijn handen en voeten de omgeving af. De gang was hier veel breder, heel breed zelfs. Ze zouden gemakkelijk allemaal bij elkaar kunnen komen. Ook andere stemmen moedigden de Anth’ die nog bovenstonden aan om te springen. ” Het is niet gevaarlijk maar je moet even springen”, klonken ze door elkaar en meteen daarna zetten zij het gezang van de Gamor Anth’ em weer in. De eerste sprong in het duister was overwonnen. ” Gamor an gamor”, de schakels zijn zo sterk als de keten, het eerste woord uit de Gamor Anth’ em drong zich aan Kalam op.
Http://mythologie.wordpress.com
Service
Sisyphus was het die Korinthe had gesticht en opgebouwd, en heerste nu als koning in de prachtige stad. Toen werd hij zo overmoedig dat hij het waagde om de wrevel van Zeus tegen zich op te wekken. Hij kreeg de taak een geweldig brok marmer een heuvel op te wentelen. Met onbeschrijfelijke moeite ging de veroordeelde aan het werk, zette zich met alle kracht schrap met handen en voeten en slaagde er werkelijk in de onbehouwen steen de hoogte op te torsen. Op het allerlaatste ogenblik rolde het weer naar beneden en zo gaat het alsmaar door.
www.blogcatalog.com/post-tag/vertrouwen
