Gepost door: Kaj Elhorst | december 23, 2007

In het vuur van de strijd

0506fcg_vol_20.jpg

Bang was Ranntvik nog nooit geweest, zolang hij zich kon herinneren maar deze dag maakte daarop een uitzondering. Nu, voor de tweede keer, stroomde er een gevoel door zijn lichaam dat zijn keel samenkneep en zijn buik ondersteboven leek te keren. Hij kreeg het gevoel dat dit het was wat anderen wel eens angst hadden genoemd. Voor zich zag hij hoe de zonnedieren een roodachtige gloed over een groot deel van de buitenste kring verspreidden. De dieren stonden op hun staken terwijl de vreemdelingen nog zittend op hun loopvoeters er omheen stonden en leken te slapen. Daar in het midden van de groep leek het licht hem erg sterk te zijn. Daar was geen duisternis die een Zagarde zou kunnen beschermen ook al was het soms of de duisternis met hen meebewoog als ze dichterbij de zonnedieren kwamen. Als Ranntvik vanuit zijn gehurkte houding overeind kwam, rees ook meteen een reusachtig, donker wezen op langs de wanden van Kana’an. Het leek op een wezen zoals hij zich altijd de sluipers had voorgesteld. Of was het misschien toch dezelfde “andere Anth’” die altijd met je meeging en soms ook weer verdween als je in het zonlicht liep? Ranntvik durfde er niet op te gokken. Tegen sluipers wilde hij het niet opnemen. En toch…Rannhalds opdracht was heel duidelijk geweest: ” Neem mij een zonnedier mee en draag het zelf!” Waren het de sluipers of was het Rannhalds stem die hem de meeste angst inboezemde? Ranntvik kon het niet zeggen en hij aarzelde.

” Gaan we nu de zonnedieren pakken?”  klonk een stem uit het halfdonker achter hem en de vraag werd meteen herhaa;d door anderen, in alle mogelijke klanken die mannenstemmen kunnen hebben. In Ranntviks hoofd klonken ze als de stemmen van veel, gevaarlijke sluipers die van alle kanten opdrongen. Hij moest, hij wist het, hij moest het gevecht aangaan. ” Blijf laag, vlak op de vloer”, commandeerde hij zijn mannen. ” Pas als je dichtbij bent, probeer je de vreemdelingen van hun loopvoeters te trekken.” Ranntvik hoopte dat de donkere figuren op de wanden van Kana’ an op die manier weg zouden blijven en dat hij niet ook nog tegen hen behoefde te vechten. Langzaam en geluidloos bewoog hij zichzelf vooruit, op handen en voeten, met zijn gezicht haast over de grond. Hij had gelijk, er doken nu geen sluiperachtige figuren op in de omgeving van het vreemdelingenkamp. Langzaamaan begon hij de de cirkel te bereiken die door het licht van de zonnedieren werd beschenen. Het gevoel bekroop Ranntvik dat de vreemdelingen hem nu al duidelijk konden zien maar er bewoog niets. Verder kroop hij terwijl hij snel over zijn schouder keek om te zien of zijn mannen hem volgden. Hij zag de kronkelende beeweging van de groep in het halfduister achter hem. Misschien nog een armlengte scheidde hem van de voet van de vreemdeling. Hij moest nu wachten tot zijn mannen hem hadden ingehaald want het zou geen zin hebben als hij als eerste een man van zijn loopvoeter trok. Er moest verrassing zijn en overrompeling. Ze waren in de meerderheid en de strijd kon dus worden gewonnen.

Links en rechts van Ranntvik verschenen nu de gezichten van Zagarden. Hij hoefde maar met zijn tong de klakken, dat zou het teken zijn. Nog even keek hij achter zich, de mannen lagen klaar voor de aanval…een dreun deed de vloer van Kana’ an schudden. Verschrikt keek Ranntvik weer voor zich. De vreemdelingen hadden hun loopvoeters naar hem en de zijnen toegekeerd. Ze waren gezien! Ranntvik beet zich op zijn onderlip. Hij wilde zich de prooi niet meer laten ontgaan en haarzuiver mikte hij met zijn kruisboog op een van de loopvoeters. De pijl schoot zoevend en trefzeker op zijn doel af. De klap waarmee de loopvoeter op de grond viel veranderde in Ranntviks oren in een donderslag. Tegelijkertijd voelde hij hoe de angst uit hem wegvloeide. Hij stortte zich met twee pijlen in de hand op de vreemdeling die naast zijn loopvoeter lag. De Zagarden kwamen nu allemaal overeind en vielen de vreemdelingen aan, zwaaiend met hun knotsen en stekend met hun messen van het waterluiaardenbot.

De jagers sleepten een bundel waterluiaards en ijsratten achter zich aan. Zelfs in deze donkere periode met haar sneeuwstormen hadden zij nog een goede jachtbuit kunnen binnenhalen. Kalam voelde zich opgelucht. Honger zouden ze niet hebben al zou het bijna onmogelijk zijn vlees te koken in het water van Nogul. Tevreden ook keek hij naar de tekeningen achter zich. Hij had de reeks voortgezet op het witte ijs naast de eerste tekeningen en zolangzamerhand naderde hij het einde van de Gamor Anth’ em.

Het was Zaltmann die hem op zijn schouder tikte en een reeks van tekeningen aanwees. Kalam volgde de vinger van de jager die hij het meest bewonbderde van allemaal. De jager waaraan hij altijd een voorbeeld had willen nemen. Hoe meer hij naar diens  aanwijzingen keek, des te meer zag hij ook de enorme aantallen zonnedieren in het verhaal. Hij had daaraan nooit gedacht. Bij het opnoemen viel het minder op dat de zonnedieren zo’ n belangrijke rol in het verhaal speelden. Nu hij alles voor zich zag, was dat veel helderder. Hij zag ook, hij voelde ook hoe het verhaal vertelde van volkeren achter de ijsrand. Volkeren die in weelde en luxe leefden, dicht bij Gul. Daar was het leven mooier en beter dan hier, zo leek het hem nu. Het was een gedachte die hem meer en meer begon op te winden. Het geluk van dit volk ligt achter de ijsrand, herhaalde een stem in zijn hoofd zichzelf. Of was het de stem van Zaltmann die hem haast onhoorbaar iets influisterde?

Minder gelukkig voelde hij zich met Ranndok en zijn volgelingen. Zij zaten nog steeds bij de opening van de grot en bewaakten hun zonnedier alsof het alleen hun eigendom was. Alsof niet het hele volk hen de kans had gegeven het zover te brengen. Hij zag ook hoe Ranndok zo nu en dan met haast vijandige blikken naar hem zat te loeren.

” Nu we het zonnedier binnen ons bereik hebben”,  zo merkte Hanake op, ” moeten we misschien een deel van het vlees eraan offeren. We kunnen een stuk vlees aanbieden en het laten opeten”, zo vervolgde hij. De jagers om hem heen, de vrouwen en ook de wagarden knikten instemmend. De meeste mannen en vrouwen zaten nog steeds met grote schrikogen naar het zonnedier te kijken, in de angst dat hij zich zou veranderen in een zonnevlam. Een offer kon hem tot hun vriend maken.” Goed idee”, sprak Anth’ ike. ” Een offer is altijd op zijn plaats.” Ook de wagarden rond Ranndok knikten. Alleen Ranndok zelf aarzelde. Hij hield de staak met het zonnedier stevig vast en was niet van plan het af te staan aan een ander. ” Wie zegt dat het zonnedier vlees wil eten?”  vroeg hij. Hij keek de kring rond en de wagarden die bij hem zaten knikten opnieuw. Ja, daar had Ranndok ook wel weer gelijk aan. ” Ik”, de stem van Hanake was overal duidelijk te horen. ” Ik zeg dat het altijd beter is te offeren dan om niet te offeren. Het vlees is het beste wat wij hebben. Het zonnedier zal dat beseffen. Laat het nemen wat het wil en laat het niet nemen wat het niet wil.” De jagers mompelden hun goedkeuring, de vrouwen smeekten erom en de wagarden keken gespannen naar Ranndok en wat hij zou besluiten.

Het gegil en geschreeuw van de vreemdelingen en de zagarden, het wanhopige geluid van de loopvoeters vulde de buitenste kring. Mensen die zaten te poepen, te eten of die de stem van hun lusten volgden, strompelden of schuifelden naar het helse kabaal in de buitenste kring. Nooit, zolang iemand zich kon herinneren was er zoveel beweging en drukte in Kana’ an geweest. Zelfs Panak kwam uit zijn huis in de middelste kring naar de onheilsplek kijken. ” Zo moeten de gevechten met de wolvermannen eruit hebben gezien”, zei hij tegen andere wijze mannen zoals Zombak en A’ ane.

Plotseling sprong een loopvoeter met vreemdeling en zonnedier overeind en al gauw volgde er nog een en nog geen en in volle vaart renden zij door de buitenste kring in de richting van de Poort van de Jagers. ” Houd hen tegen”, schreeuwde Ranntvik terwijl hij het bloed van zijn ogen, neus en lippen wegveegde en likte. De Zagarden zetten de achtervolging in terwijl Ranntvik triomfantelijk een vreemdeling nog een pijl in zijn buik stootte en het laatst overgebleven zonnedier vastpakte. ” Daar heb je je lot, vijand van de Anth’”, schreeuwde hij de stervende man op de grond tegen. ” Mogen de sluipers je verscheuren!” De man keek hem niet aan maar sloot zijn ogen en bewoog niet meer. Van Ranntviks vloek had hij niets begrepen.

Ranndok hield het zonnedier op zijn staak stevig vast ook al had hij het geveol dat het dier er zo nu en dan vandoor wilde gaan. Ondertussen was het Oedar die een stuk vlees van een waterluiaard had uitgezocht en hij hield het tegen het zonnedier aan. Het dier siste hard en sterretjes spoten in het rond. ” Kijk het vlees verkleurt, net als mijn wang”, riep Ranndok. ” Het wordt zwart. Hij zuigt de levenssappen eruit”, meende Hanake. ” En kijk, het wordt kleiner”, Anth’ike kon met haar stem nauwelijks boven de opgewonden uitroepen uitkomen. ” Hij eet het!”  Hanake keek triomfantelijk en tevreden voor zich uit. ” Pas als hij zijn offer heeft gehad, zal hij van ons zijn”,  meende hij. ” Van mij”, zei Ranndok zachtjes maar voor iedereen hoorbaar.

” Gered uit de handen van de sluipers”, lachte Ranntvik terwijl hij de staak met het zonnedier bij Rannhald binnenbracht. ” We hebben de slag gewonnen.”  Rannhald knikte bedachtzaam en leek niet echt tevreden. ” Maar er zijn er ook ontkomen, heb ik begrepen”, zegt hij langzaam. ” O ja maar uw opdracht was dat ik zelf een zonnedier zou brengen en dat heb ik gedaan.”  Ranntvik schrok van de blik die heel even over de ogen van Rannhald trok maar al gauw was het gezicht van de A’ ake weer een en al vriendelijkheid. ” Dat is waar, we zijn nu bezitters van het zonnedier en misschien wel heel gauw van meer.” Hij liep in steds kleiner wordende cirkels om het zonnedier heen. Diep in zijn binnenste voelde Rannhald zijn hart kloppen en in zijn middel kromp iets samen maar hij joeg die gevoels met nauwelijks uitgesproken woorden er weer uit. Hij wilde niet bang zijn voor het onbegrijpelijke wezen dat zich niets leek aan te trekken van de macht van hem, de wakkere. ” Wij zijn de A’ ake”, herhaalde hij steeds tegen zichzelf. ” Wij zijn de zoon van zon en bliksem.” Eindelijk stopte hijen zijn gezicht kreeg weer zijn gewone, koude uitdrukking. ” Bedankt, Ranntvik, al had ik een loopvoeter ook graag gehad. Je kunt gaan.”  Hij hield de achterdeur van zijn kamer open en de hoofdman van de Zagarden verliet de ruimte, onzeker en angstig over wat zou volgen.

De mannen en vrouwen van de buitenste kring hadden zich verzameld om de loopvoeter. Ze sneden en rukten stukken vlees uit het nog ademende dier en zetten hun tanden in het warme en sappige voedsel. En ze prezen Rannhald terwijl het bloed hen om de mondhoeken liep. De niuwe A’ ake bracht hen inderdaad warmte en voedsel, zoals hij zo vaak had beloofd. Sommigen konden niet in de buurt komen van de loopvoeter omdat de eerstaangekomenen hen wegjoegen, sloegen en scholden. Zij zetten hun tanden direct in het lijk van de vreemdeling die naast zijn loopvoeter lag. Hij ademde niet meer maar het bloed en het vlees waren nog warm. De mannen en de vrouwen aten en zagen niet hoe iemand zich voorzichtig wegdrukte tegen de wand van Kana’an en met haastige stappen het ijspaleis verliet. En al hadden ze de man gezien, het zou hen niets hebben kunnen schelen want nooit tevoren waren ze zo tevreden geweest terwijl hun boeren door heel Kana’an weerklonken.

” En nu”, zei Ranndok met luide stem, ” nu is het moment van de waarheid aangebroken, Kalam. Ga je met me mee naar Kana’an om Rannhald te verdrijven en word je A’ ake, of blijf je hier in je grotje?”  De laatste woorden kwamen er wat spottend uit, een spot die nog werd vergroot doordat Ranndok het verkleinwoord ” grotje” gebruikte. Kalam keek hem verbaasd aan. ” Ooit waren wij vrienden, Ranndok. Waarom bespot je me nu? Ben je al die tijd bevriend geweest met de verkeerde en heb je er nu spijt van? Kun je jezelf nog wel hoogachten?” Hij keek Ranndok recht in de ogen. ” Als het zo is, vriend, dan scheiden onze wegen zich hier. Ik zal zeker niet met je gaan want ik ken een beter rijk, waar zonnedieren en de zon dichterbij zijn”,vanuit een ooghoek keek hij naar Zaltmann die hem bemoedigend toeknikte.

“Mooi”, riep Ranndok. ” Dan is nu bewezen dat Kalam een lafaard is die de strijd niet durft aan te gaan. Wie niet bang is voor het gevecht, volgt mij om Rannhald te verslaan en te verjagen. Kana’an gaat een beter tijd tegemoet.” ” Ja, ja”, kan Oedar niet nalaten te roepen. ” Dar heeft Rannhald ook beloofd maar het heeft alleen maar moord en dood opgeleverd, strijd en verdriet.” Ranndok kijkt hem verontwaardigd aan. ” Maar ik strijd niet voor mezelf, als ik Rannhald heb verslagen, zal ik Kalam halen om hem tot A’ ake te maken.”  Kalam kijkt op naar zijn vroegere vriend. ” Helaas, Ranndok, je zult me niet vinden als het zover is.”

Ranndok verzamelde nu de wagarden en een paar jagers om zich heen. ” Het ga u allen goed”, riep hij en met zijn zonnedier in de hand verliet hij de grot. Kalam en zijn vrienden keken hen met verdriet, wanhoop en woede na en de vrouwen begonnen de Gamor Anth’ em van de ijsmuur na te lezen en bij elke afbeeldingen gebruikten zij een toonhoogte die hoorde bij hun gevoel. ” As’ tan’ as’em”, noemde Kalam dat. ” De stem van het beeld”. Het zingen van de vrouwen hield Ranndok en de zijnen niet tegen. Zij waren vastberaden. Toen de laatste de grot had verlaten, riep Kalam zijn weinige getrouwen bij elkaar. ” Ook wij gaan op reis”, zei hij en hij wees op de ene na de andere afbeelding in het ijs.  

www.mythologie.wordpress.com

Service

Polyphemos is de naam van de cycloop (eenogige reus) die wordt verslagen door Odysseus. Deze ziet kans de reus zijn oog uit te branden maar de andere cyclopen kunnen hunsoortgenoot niet te hulp komen. Odysseus heeft zich bij Polyphemos voorgesteld als ” Niemand”. Als de andere cyclopen vragen aan Polyphemos wie hem zo kwelt, dan zegt de cycloop: ” Niemand”. 

 www.theosofie.net/sunrise/sunrise2002/septokt2002/diefstal.html

www.veto.student.kuleuven.be/jg25/veto2522/promethe.html

www.denieuweweg-rotterdam.nl

www.mijnspiritualiteit.nl

  


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën