“Er gaat de mare”, ”dat je vader daarvóór een ervaring had die hem somber maakte. Er kwamen er een paar vreemdelingen bij hem op bezoek, mannen die, naar men zegt, met elkaar vergroeid waren. Ik heb ze niet gezien en niemand heeft ze gezien maar ze zijn er geweest, dat staat vast.” Hanake had nu het woord overgenomen van Zaltmann.
“Vreemdelingen?” vroeg Kalam ongelovig. “Maar de laatste vreemdelingen die wij hebben gezien, waren wolvermannen!” Hanake glimlachte en knikte. “Ja zeker, maar deze mannen waren dat niet. Zij kwamen van een veel verder gelegen land, volgens sommigen waren zij door de sluipers gestuurd. Anderen beweerden dat zij uit hun eigen land waren verdreven en toevallig in de omgeving van Kana’an waren beland. De drie droegen vachten van dieren die we niet kenden en…”, Hanake aarzelde even want sommige dingen kun je beter niet vertellen, ook zal zijn ze waar, wist hij. Hij slikte en hervond zijn stem. “Deze mannen kenden ook het geheim van de zon. Zij wisten waarvandaan de zon komt en waar zij haar licht haalt. Ja, zij boden je vader aan hem daarheen te leiden zodat hij zich, net als zij, meester zou kunnen maken van een deel van het zonlicht. Je vader zag er wel wat in en stond zelfs op het punt om met de mannen mee te gaan, die hij inmiddels onderdak had geboden. Het was zijn vrouw, jouw moeder, die hem aan het twijfelen bracht. Zij vond jou belangrijker dan het geheim van het zonlicht en jij had je vader nodig om te kunnen schijnen, dacht zij. Daarom zou hij in Kana’an moeten blijven.”
“Maar we deden haast nooit iets samen, de laatste jaren”, merkte Kalam scherp op terwijl hij zich dieper in de armen en dchter tegen de borsten van Anth’ike nestelde. “Dat klopt”, Hanake trok een somberder gezicht. “Vanaf die dag ging alles mis. Toen je vader de volgende dag zei dat hij nog moest nadenken, was het al te laat. De mannen namen afscheid van hem maar niet op een vriendelijke manier. “Als Kana’an een wakkerder heer krijgt, komen wij terug”, hebben ze hem gezegd. Het was een klap voor je vader en hij kon de rechte weg niet meer vinden. Hij zag nergens meer nut in en lichamelijk ging hij ook achteruit. Het lopen verging hem moeilijk en zelfs het praten begon hij te verliezen. Die vreemdelingen zijn vertrokken en nooit teruggekeerd.”
Zó had zijn vader dus geleden voordat hij Rannhald als opvolger aanwees. Zó van zijn stuk was hij dus geweest! Kalam drukte zich nog steviger tegen Anth’ike aan en keek haar in haar ogen. “Leid me nooit in de twijfel”, zei hij zachtjes. Het was geen vraag maar een bevel maar Anth’ike voelde zich daardoor niet bedreigd. Zij glimlachte maar sprak niet en Kalam vroeg niet naar haar woorden.
“Maar ik heb ze wel gezien”, hield één van de jagers vol. De anderen en de Zagarden keken hem verbijsterd aan. “Je hebt mannen gezien en niets gezegd?” vraagt één van hen. De jager knikt. “Niemand leek er aandacht voor te hebben en ik dacht dat het misschien een groep wagarden was. Dat had toch gekund?” De mannen keken zwijgend voor zich uit en vooral de jagers kregen geen woord over hun lippen. “Als we dit aan Rannhald vertellen, dan krijgt hij een woede-aanval. Hij zal iemand willen offeren voor deze onoplettendheid”, meende een jager maar na zijn woorden beet hij zich meteen hard op zijn onderlip. Misschien had hij zijn woorden moeten binnenhouden. Was zwijgen veelal niet beter dan spreken, zoals de gamor anth’em dat zei? De anderen bleven stil totdat de A’ake binnenkwam. “Een nederlaag”, brieste hij. “Een nederlaag, anders kan ik het niet noemen! Morgen gaan we opnieuw op pad om de wolvermannen tot in hun holen te volgen en te slachten. Kana’an mag nooit meer last van hen hebben.” Hij sprak niet over zijn eigen twijfels, over de grote schaduw die hij ergens in de sneeuwstorm meende te hebben gezien maar waar hij niets over had willen zeggen omdat het meer op een zweem leek dan op mannen. Door te zwijgen had hij zich de spot van zijn mannen willen besparen. “Morgenochtend, bij het aanbreken van de dag”, besloot hij.
Die hele dag was het onrustig in Kana’an. Er deed een gerucht de ronde, een verhaal dat zó ongelofelijk was dat de Anth’ het elkaar steeds weer moesten vertellen en het werd steeds langer en machtiger. Een paar vreemdelingen zouden zich hebben gemeld bij de A’ake. Vreemdelingen die hem een schat, een geheim wilden aanbieden, aan hem als meest wakkere onder alle A’ake’s van alle tijden. De jagers dachten daarbij terug aan het verhaal dat de ronde had gedaan sinds de vorige A’ake ma’akat hiksa was geworden. Zij haalden hun schouders op want de komst van vreemdelingen had de vorige keer tot weinig vreugde geleid. En wat zou er gebeuren als Rannhald in aanraking zou komen met mannen die machige geheimen konden openbaren? Zij verwachtten er weinig goeds van. Panak en de anderen in de middelste kring fronsten hun wenkbrauwen. Ook zij maakten zich zorgen al wisten zij dat ergens mensen moesten bestaan die het geheim kenden van het licht van de zon. In de buitenste kring deed het verhaal het snelste de ronde. Spannend om te vertellen al hadden de meeste Anth´geen flauw idee wat het geheim van de zon zou kunnen zijn. Sommigen beweerden dat het je warm maakte en dat je ook op donkere dagen licht zou hebben. De meesten geloofden er niets van maar misschien, Rannhald was moedig en slim meenden zij…
Kalam was in slaap gevallen terwijl hij rustte tegen het lichaam van Anth’ike dat hem zoveel warmte gaf. Anth’ike was wakker. Haar ogen dwaalden door de grot en zij zag hoe de grootjagers druk met elkaar in gesprek waren.. Ook Ranndok praatte druk met hen mee. Het deed haar goed te weten dat Kalam door zoveel vrienden was omgeven, dat hij zo veilig zou zijn tegen de wilde grillen van Rannhald en zij mannen. Plotseling viel haar oog op iets anders. De wagarden waren óók ineens druk met elkaar in gesprek. Het leek wel of zij plannen maakten. Dat maakte Anth’ike onrustig. Natuurlijk, wagarden hadden door hun zwerftochten geleerd met elkaar te overleggen maar wat was er nu aan de hand? Alles was toch goed? Het drukke gepraat van de wagarden verstoorde Anth’ikes gevoel van rust en harmonie.
“Men zegt”, begon nu één van de wagarden, “dat zich een kleine groep vreemdelingen heeft gemeld bij Rannhald. Zij zouden hem hebben aangeboden het geheim van het licht van de zon te ontsluieren. Dat zou hem veel meer macht geven dan zijn voorgangers en ook veel meer aanhang, vooral bij de Anth’ van de buitenste kring.” Kalam keek de spreker aan zonder iets van onrust te laten merken. Het verhaal leek veel op alles wat hij net van Hanake had gehoord. Hij begreep best dat het Rannhald veel meer macht zou geven als hij het geheim van het zonlicht zou kennen. Het moest een onbeschrijfelijk machtig wapen zijn, bij de jacht, bij de strijd tegen wolvermannen en bij het winnen van het hart van het volk. Het zou warmte en licht kunnen brengen, het hele jaar door.
“Wij moeten niet in twijfel blijven hangen”, meende Ranndok. “Je vader heeft het al een keer voorbij laten gaan, we moeten nu zeker weten hoe het zit met dat geheim.” Kalam fronste zijn wenkbrauwen. “Ik vind het niet goed dat je de vergissing van mijn vader noemt”, Ranndok”, zei hij scherp. Zo scherp dat de grootjagers en ook Anth’ike het gevoel kregen dat ijspegels in hun huid kropen. De twee beste vrienden van Kana’an in gevecht met elkaar? “Luister”, ging Kalam verder. “We moeten ons niet ongerust laten maken door elk gerucht dat de ronde doet. Wie geruchten achterna jaagt, valt in de grootste twijfel van allemaal. Het ene gerucht is nog verleidelijker en opwindender dan het andere maar ze leiden allemaal tot ruzie en teleurstelling ” Hanake en de andere grootjagers knikten instemmend maar de wagarden keken elkaar verbaasd aan. Ranndok ging nu recht voor zijn vriend zitten. “Liever dan dat, laat jij het geheim van het licht van de zon in handen van Rannhald vallen en maak je er zelf geen deel van uit?” vroeg hij op zijn beurt scherp. Er was in zijn ogen weinig vriendschap te vinden en zijn lange haren leken haast uit zichzelf woest heen en weer te golven. Kalam knikte.
“Ja, inderdaad, vriend”, zei hij langzaam. “Wie geruchten achterna jaagt, raakt versplinterd. Er zullen tegenstellingen komen en ruzies en dat is precies wat de bedoeling is. Rannhald wil ons tegen elkaar opzetten door geruchten te verspreiden en niet zómaar geruchten. Nee, hij maakt heel sluw gebruik van een oud verhaal. Als wij elkaar om die reden bestrijden, krijgt hij inderdaad meer macht.” Ranndok leek verbijsterd. “Maar het geheim van het zonlicht!” riep hij. “Als Rannhald het eerder in handen heeft dan wij, dan zijn we verloren.” Kalam schudde zijn hoofd. “Nee, mijn allerbeste vriend. Dat zijn we niet. Wij hebben kennis en vooral onze gedachten. Dat maakt ons sterker dan welke Rannhald ook, met of zonder het geheim van het zonlicht.”
“Ja, ja”, Ranndoks stem klonk voor het eerst spottend in de richting van Kalam. Sluipers en stemmen, geluiden en klanken opvangen. Het zal wel maar ik merk er niets van. En gamor, ook vooral veel gamor. Alsof we met elkaar verbonden zijn! Wij zitten hier in een grot en Ranhald en de anderen zitten in Kana’an. Rannhald wil alleen maar van ons af en wij willen van Rannhald af. Mooie ververbondenheid.!” Zij n ogen schoten vuur en hij keek Kalam nu echt onvriendelijk aan. “Zie”, zei Kalam terwijl hij opstond. “Hoe Rannhald er al in geslaagd is om de beste vrienden tegen elkaar op te zetten, alleen door een verhaal rond te strooien.” Ranndok sprong overeind en even leek het erop of hij Kalam te lijf zou gaan maar het was Anth’ike die haar hand gebiedend naar voren stak en de aanval voorkwam.
“Schaam je, Ranndok!” riep zij kwaad. “Ruzie te maken met je beste vriend. Jullie zijn samen zover gegaan en gekomen en nu wil je ineens niet eens meer naar Kalam luisteren?” Haar stem vulde u de hele grot. :”Ik, Ranndok, ik ben net als jij afkomstig uit de buitenste kring en ik heb als vrouw nooit iets te zeggen en te denken gehad. Heb je ooit wel een seen andere vrouw uit de buitenste kring zo horen spreken? Hoe zou dat komen, Ranndok?”
Ranndok was weer gaan zitten maar wist geen antwoord te geven op de vragen die Anth’ike op hem afvuurde. Wat was er inderdaad met deze vrouw gebeurd? Nooit eerder had hij een vrouw uit welke kring dan ook maar zo fel horen praten. “Het komt, Ranndok, doordat ik de stemmen heb leren verstaan. ik hoor ze elke dag”, ging Anth’ike verder. “Ik weet dat ik niet alleen ben en ik weet welke stemmen ik moet volgen en welke niet. Vertel mij dus niet dat er niet zoiets bestaat als de stemmen die je in je hoofd kunt horen en de sluipers die kwade zaken fluisteren.”
De andere vrouwen waren nu als een kring om Kalam en Anth’ike heen gaan zitten. in stilte hoopten zij allemaal ook eens zo mooi en stevig te kunnen praten zoals Anth’ike deed. Zodra Anth’ike was uitgesproken, barstte er onder hen een heving en druk geklets, steeds dezelfde woorden die zij in verschillende volgorde herhaalden. ”Kijk”, opnieuw klonk Anth’ikes stem boven alle andere uit. “Nu nog proberen zij hun stem uit maar straks zullen zij spreken, net als ik”, voorspelde zij. “Het zou goed zijn als je bij alles wat je geleerd hebt nog weer eens iets nieuws leerde, Ranndok! Vergeet niet waar je ooit vandaan bent gekomen. Er ligt nog een lange weg te gaan.”
Ranndok keek haar zwijgend aan. Binnenin hem kookte het. Een vrouw die hem zo terechtwees, dat was nog nooit eerder voorgekomen. Maar erger was het nog dat zijn vriend van hem weg leek te drijven. Ranndok voelde een waas door zijn hersens trekken en zijn hoofd was zwaar. Gamor! Juist door het geheim van het zonlicht in handen te krijgen, zou er gamor zijn. Het zou de Anth’ warmte, licht en veiligheid brengen en alle Anth’ zouden er omheen willen zitten. Voorgoed zou de duisternis uit hun leven weg zijn. Het was tijd om dat geheim te bemachtigen, vóórdat Rannhald er zijn duistere spelletjes mee zou kunnen spelen. En zie ook waar al dat gedroom over gamor toe geleid had. Twee vrienden die elkaar boos aankeken en een volk van Anth’ dat zich nu in drieën leek op te splitsen. Ja zeker, de meeste wagarden schaarden zich om Ranndok.
Kalam kon hen goed begrijpen. De wagarden wilden niets liever dan eindelijk weer naar huis en eigenlijk hadden ze dat ook verdiend na de hulp die ze hadden geboden. Hij hoorde Ranndoks stem en wist wat hij dacht en hij hoorde de stem van zijn vader en stemmen uit Kana’an. Hij wist het zeker, als hij al deze stemmen met elkaar verbond, dan zou er weer gamor zijn in het land van zijn vader. Hij zou de knoop zijn, die alle stemmen in zijn hoofd kon verbinden. Dat zou hem nog wakkerder maken en zo zouden zij zelf het geheim van het zonlicht leren kennen en wat was beter? Vertrouwen op jezelf, op je eigen volk. Vreemdelingen mochten onderdak en voedsel krijgen maar het was niet wijs om veel van hen aan te nemen. Wat zouden zij ervoor terug willen hebben?
“Laat hem gaan”, deze keer was het Kalams stem die de grot beheerste. “Als mijn vriend, ik beschouw hem nog steeds als mij vriend, wil gaan, laat hem dan gaan. Het is de weg die hij moet bewandelen en uiteindelijk komen alle wegen bij elkaar uit. Als we hem tegen zijn zin hier houden, zal de kloof alleen maar groeien.” Hij hoorde zijn eigen woorden nauwelijks want een vreemde kou leek door zijn hoofd te blazen. De kou die een verloren vriendschap met zich meebrengt. Hij voelde geen verdriet, nee het was machtiger. Het leek hem voor het eerst dat zijn banden met de wereld, zijn gamor, hem hadden verlaten.
Zonder zich nog naar zijn vriend om te draaien, riep Ranndok de wagarden bij elkaar. “Wij gaan het geheim van het licht van de zon veroveren”, riep hij zo hard dat iedereen het kon horen. ”En daarna trekken wij Kana’an binnen en zullen we Rannhald verdrijven van zijn plaats. En hij zal een wagarde worden”, klonk zijn stem nog woester. Een betere manier om zijn verdriet en het verlies van zijn vriendschap weg te drukken, kende hij niet. “En wie wil, mag bij ons komen wonen en zo zal gamor zich uitbreiden, over ons allemaal.”
Kalam keek de stoet maar héél even na. Liever zag hij niet hoe zijn vriend en al die sterke mannen zich in de sneeuwstorm naar buiten begaven. Zou hij ze ooit terugzien, gezond en wel? ” Wij zullen hier wachten”, zei hij tegen Anthíke, de vrouwen en de grootjagers. “Misschien komen ze gauw terug omdat er niets te vinden is. Misschien komen ze ook terug om te laten zien wat zij hebben gevonden.” In gedachten hoopte hij dat Ranndok het geheim zou ontdekken en dat ze er ooit samen van zouden kunnen genieten maar de stemmen in zijn hoofd spraken andere taal. “Ik ben moe”, zei hij tegen Anth’ike. ”Het is tijd om te rusten.”
Ranndok had moeite om in de verte te kijken. Een dicht sneeuwgordijn plaagde zijn wimpers en de schemering daarachter liet nauwelijks zien waarheen de weg moest voeren. “Kana’an”, wees één van de wagarden. In de verte zagen de mannen hoe het schamele licht van maan en sterren weerspiegelde. “De top van gamor”, mompelde Ranndok. ”De weg is duidelijk”, zei hij zachtjes. Hij deed dat liever dan te schreeuwen. Er waren maar weinig mannen bij hem en al teveel egschreew zou rooftanden of wolvermannen kunnen lokken. Dat moesten ze nu zien te voorkomen. Opgewonden en vol van zelfvertrouwen richtte hij zijn grote stappen in de richting van de top van gamor. Er was maar één gedachte die steeds dooe zijn hoofd spookte en hem onzeker maakte: waarom wilde Kalam hem niet steunen? Ze hadden toch altijd alles samen gedaan en alles was ook altijd goed afgelopen. Wat hield zijn vriend nu tegen?
Rannhald grijnsde toen hij de eerste berichten binnenkreeg. Was er werkelijk een groep mannen onderweg naar Kana’ an. Waren het echt aanhangers van Kalam die hun meester hadden verlaten? Waar Kalam en zijn mensen zich precies schuilhielden, wist hij niet maar een opsplitsing van zij vijanden kwam hem altijd goed uit. Als ze morgen geen wolvermannen zouden verslaan, dan zouden het aanhangers van kalam zijn. Nog beter! Het gerucht deed zijn werk en waarom zou het ook niet waar kunnen zijn? De dood van de vorige A’ake zou inmiddesl misschien ook wel andere volkeren hebben bereikt. Dat was toch een goed moment om zaken te doen met hem, Rannhald? Hij begon al te bedenken hoe hij de vreemdelingen onderdak zou geven en zou voeden en hoe ze hem dan hun geheim zouden rpijsgeven en vooral … hoe hij hen daarna zou “belonen”. Het leek te mooi om waar te zijn, Rannhald, heer en meester van het zonlicht. Alles zou nog goedkomen.
De wagarden waren gewend geraakt in het halfduister hun weg te vinden en Ranndok merkte hoe hij zijn verkenners nauwelijks kon bijhouden. het ghing hard, heel hard door de dikke hopen verse sneeuw. Het was maar goed dat hij altijd zoveel door de sneeuw had gebaggerd. Zijn spieren lieten hem ook nu niet in de steek. Plotseling hield de groep stil. Ranndok vloog bijna met zijn hoofd tegen de mannen voor hem aan. “Zie daar”, fluisterden de mannen. “Ze zijn er echt!” Haast onzichtbaar maar toch duidelijk aanwezig zag Ranndok een ster die heel laagboven de grond leek te hangen en daaronder tekenden zich de schaduwen af van een groep mannen, vreemdelingen. Zij liepen iet maar zaten op de rug van een dier. “Loopvoeters”, flusiterde één van zijn mannen en Ranndok lachte om die mooie naam. De voorste man van de groep hield in zijn hand een soort bot, het kon van een groottand zijn en bovenop dat bot schitterde de ster. “Het geheim is bijna van ons”, Ranndok keek de kring van zijn mannen triomfantelijk rond.
Service
Tantaluskwelling: De Tantaluskwelling was de straf die Tantalus in de Griekse Mythologie kreeg opgelegd. Hij stond in een meer maar als hij zich wilde bukken om de drinken dan trok het water zich terug. Als hij de vruchten van de fruitboom naast hem wilde plukken, zwiepten de takken weg. Zo kreeg hij nooit wat hij zo graag wilde hebben. Dat alles was het gevolg van zijn eigen daden want hij had de goden bestolen en bedrogen.
