Opnieuw kwam een klein groepje jagers het Pad der Jagers oplopen. Schichtig en schuw haastten zij zich voort naar de binnenste kring, naar hun huis. Hun ogen verrieden angst en onzekerheid. Na hen volgde nog een paar jagers en daarna bleef het stil. De mannen verdwenen sluipend in de duisternis van de binnenste gangen van Kana’an.
Donker of niet, Rannhald tierde tegen zijn raadgevers en de overgebleven jagers. “En mijn Zagarden, waar zijn mijn Zagarden?” zijn stem sloeg over en nam het krijserige geluid van een nevelgarde aan. “Uw Zagarden?” Op het gezicht van één van de jagers kwam een spottende glimlach. “Uw Zagarden?” Even aarzelde hij. “Daarvan is niets overgebleven”, sprak hij haast spottend. “Ik heb er niet één terug gezien. Vermoedelijk dwalen ze nu als echte wagarden over de sneeuwvelden, eten ze elkaar op of zijn ze meegenomen door sluipers!” Er was wat geroezemoes onder de zojuist binnengekomen jagers. “Sluipers?” gilde Rannhald woedend. “Ga weg met je sluipers! Jullie lijken wel vrouwen. Je bent gewoon overvallen door een roversbende en zelfs daartegen kon je niet op!” Het gemompel van de jagers wordt nu boos geschreeuw. “En waar was u zelf? Niet bij uw mannen om ten strijde te trekken maar hier, veilig binnen, indruk maken op vrouwen”, schampert één van hen. “Het waren sluipers en plotseling waren ze overal. Dat kunnen alleen maar sluipers zijn geweest. Ze namen onze leiders mee, verwondden enkelen van ons en een paar jagers zijn zelfs in het veld achtergebleven. We weten niet hoe het met hen is. De Zagarden hebben geen vinger uitgestoken. Ze waren volkomen verbluft en verrast. Zeg ons niet dat we ons niet hebben verweerd want dat is een leugen. Van wolvermannen was geen sprake, het waren sluipers.” Rannhald slikt. Hij is zoveel tegenwerpingen niet gewend. Hij kromt zijn tenen omdat hij niet weet hoe hij deze vrije, zelf denkende mannen de baas moet worden. Zagarden, dat was wat anders. Die waren aan hem verbonden met onzichtbare lijnen maar deze jagers?? Met een van woede vertrokken gezicht kijkt hij naar buiten. De sneeuwstorm is heviger geworden. Dichte vlagen sneeuw trekken voorbij als nevels, mantels van ijs haast.
Het is alsof een droom uit Kalams hoofd afscheid neemt en een haast onzichtbaar ijsgordijn opgen gaat. Verwonderd kijkt hij om zich heen. Het sneeuwen is afgelopen of nee…ze zijn in een grot gekomen. Natuurlijk sneeuwt het hier niet! Het is hier donkerder dan in Kana’an doordat alleen wat spaarzaam licht van de kleine maan, de sterren en wat lichtnevels van de zon door de opening binnendringen. Kalam begrijpt dat het dag is en hij heeft het gevoel uren lang geslapen te hebben.
Geen stel vrouwenarmen maar de grond draagt hem nu. Liggend ontdekt hij naast zich het gezicht van Ranndok en daarnaast herkent hij Zaltmann en Foe’ake. Iets verder naar achteren zitten groepjes vrouwen bij elkaar en tegen de wand van de grot hangen mannen waarvan de gezichten heel vage herinneringen bij hem oproepen. Waar komen die vandaan?
Koud is het niet in de grot ook al glinstert in het vage licht overal ijs. Niet óveral trouwens want de grot lijkt zich eindeloos voort te zetten, onbekend en duister. Daar glinstert niets maar heerst het grote zwart.
“Waar ben ik?” Kalam voelde hoe zijn lippen haast uit zichzelf de woorden vormden zonder dat er over was nagedacht. Hij hoopte dat Ranndok ze zou horen en inderdaad…zijn vriend deed zijn ogen open en glimlachte. “Je bent er weer”, zei hij met een zucht. “Je bent in een ijsgrot, samen met de vrouwen, de grootjagers en een groep wagarden. Zij hebben ons geholpen.” Opnieuw glimlachte Ranndok. “Maar waarom?” vroeg Kalam weer. Deze keer fronste Ranndok zijn wenkbrauwen. “Rannhald was van plan je te laten vermoorden door een groepje Zagarden. Ze waren er speciaal voor aangewezen. We hebben je voor hun knuppels en pijlen weggesleept. Rannhald vermoordt iedereen die te dicht bij de macht komt of teveel van hem te weten komt.”
Het praten viel Kalam zwaar. Hij voelde zich moe en gebroken. `Maar waar ben ik toch?` herhaalde hij. `In een grot in de berg Nogul`, antwoordde Ranndok nu. `Ga eerst slapen. Als je uitgerust bent, spreken we verder maar hoe dan ook, je bent vrij om te gaan en te staan waar je wil.`
`Ik eis dat de daders worden opgespoord`, brulde Rannhald weer. `Verzamel mijn Zagarden, we zullen de schurken pakken`, voegde hij er dreigend aan toe. `En jullie`, hij wees op de vermoeide en verslagen jagers. `Jullie gaan mee!`Sluipers!` Hij draaide zich met een ruk om zodat iedereen duidelijk was dat hij geen tegenspraak wilde horen. Met grote passen liep hij zijn kamer in en rukte het masker van de ijsrat van zijn gezicht. De blauwe mantel verving hij door een dikkere, steviger mantel die beter geschikt was voor een veldtocht. Met grote stappen beende hij weer zij kamer uit. `Waar zijn mijn mannen?` brulde hij ongeduldig terwijl hij in de verlaten gangen rondkeek. `Ze worden gehaald`, riep een stem maar Rannhald had geen idee wie dat zei. Hij raapte zijn kruisboog en knuppels en messen bij elkaar en ging op weg naar het Pad der Jagers.
Bij de uitgang van de binnenste kring verzamelden zich nu de jagers en Zagarden die nog over waren. `Wie het ook geweest zijn en waar ze ook vandaan kwamen, we zullen ze verpletteren. Het verbaast me niets dat die halfzachte zoon van mijn voorganger de wolvermannen niet de baas kon maar er komt nu voor ééns en voor altijd een eind aan hen`, schreeuwde Rannhald. De Zagarden lieten een luid juichend geluid horen. Zij zouden zich door niets laten tegenhouden om Rannhald te volgen maar de jagers haalden hun schouders op. `Niks wolvermannen!` Eén van hen probeerde er nog iets tegenin te brengen. `We kunnen toch moeilijk op reis gaan naar de `oude wereld` om de sluipers uit te roeien`, riep hij maar Rannhald gaf geen antwoord. Hij riep de mannen op hem te volgen en temidden van de Zagarden werden de jagers meegesleurd. `Dood aan de wolvermannen!` klonk het in de nauwe gangen van Kana´an.
De slaap had hem goed gedaan. Langzaamaan opende Kalam opnieuw zijn ogen en deze keer zag hij hoe Ranndok, Zaltmann en Foe´ake al druk met elkaar in gesprek waren. De vrouwen dribbelden heen en weer om een maaltijd te bereiden en de wagarden hadden een plek gezocht bij de ingang van de grot. Het was Zaltmann die het eerste opmerkte dat Kalam zijn ogen had geopend. `Prachtig`, riep hij. `Je bent wakker!` Deze keer besloot Kalam niet te blijven liggen maar te gaan zitten. Langzaamaan voeld hij hoe zijn hoofd weer wakker werd en nu zag hij pas hoe groot de grot was. Het einde ervan was niet te ontdekken, zeker niet in het halfduister dat hem onringde. `Ja`, gaf hij met enige tegenzin toe. `Ik ben wakker maar wat doe ik hier?` Deze keer ging Zaltmannn vlak naast hem zetten. Hij herhaalde Ranndoks verhaal over de moorddadige plannen van Rannhald. `Heus, het is waar. We hebben de vrouwen bereid gevonden om een truc te gebruiken je te redden en daarbij kregen we wat hulp van een groep wagarden. Ze hebben zich onder ijsschotsen en sneeuwbulten verborgen toen wij voorbij trokken. Plotseling stoven ze uit hun schuilplaats tevoorschijn en daardoor leek het alsof ze overal tegelijk waren. De Zagarden waren daar niet tegen opgewassen en de jagers begrepen dat zij tegen vrouwen moesten vechten. Dat hebben ze geweigerd.`
Kalam buigt zijn hoofd. `Wat is er toch gaande in het rijk van mijn vader?` vroeg hij aarzelend. `Het rijk van je vader`, herhaalde Zaltmann. `Ik weet niet hoe ik het zeggen moet.` Zijn stem stokte maar Kalam bleef hem vragend aan kijken. `Zeg het me, hoe erg het ook is, ook als Kana´an op instorten staat`, drong hij aan. `Het is erger`, ging Zaltmann verder. `Veel erger. Maar kom`, aarzelde hij opnieuw. `Ik wil je eerst even brengen naar een paar mannen die je lange tijd niet hebt gezien.` Hij raakte Kalams schouder aan om hem aan te moedigen op te staan. Kalam knikte en kwam langzaam overeind. `Dat is goed als je me vandaag ook vertelt wat er zo erg was in het rijk van mijn vader.` Zaltmann knikte bedachtzaam alsof hij beloofde de geheimen uit de doeken te doen.
De sneeuw striemde de ogen van Rannhald en zijn mannen. Zij konden nauwelijks een hand voor ogen zien in het halfduister en de sneeuwdeken die zich om hen sloot. `Is het wel wijs om nu op pad te gaan?` vroeg één van de overgbleven knuppelmannen. `We zullen de wolvermannen nauwelijks kunnen ontdekken en als het tegenzit, dringen ze achter onze rug om Kana´an binnen.` Rannhald schudde stug zijn hoofd. `Als we ze nu niet aanpakken, dan zal het nooit meer lukken`, siste hij beslist. `We moeten van ze af.` De knuppelman keek hem verbijsterd aan. `Maar weet u dan zeker dat de wolvermannen hier ook echt zijn?` vroeg hij. `Heeft u ze gezien?` Rannhald fronste zijn wenkbrauwen en al was zijn boosheid in de dikke, nauwgesloten kap nauwelijks te zien, zijn stem liet niets te raden over. `We praten er niet meer over`, sprak hij beslist. `Die kerels zitten hier in de buurt en daarmee klaar.` De knuppelman begreep dat het beter was om de A´ake niet langer tegen te spreken maar hij hield zijn twijfels. Wovermannen was één ding maar als het nu eens echt om sluipers ging? Hoe kon je die herkennen, laat staan de baas worden?
Verder ging de tocht en al gauw was Kana´an alleen nog te herkennen aan de spaarzame lichtstralen die weerspiegelden in de ijsmuren en de spitse top bovenop. Die top was ooit aangebracht om iedereen in de omgeving duidelijk te maken dat er redding en onderdak in de buurt was. Redding en onderdak! Kana´an had nu haast zelf hulp en redding nodig zo leek het. Als Rannhald en zijn mannen verloren zouden gaan in de sneeuwstorm, wie zou het huis dan nog beschermen en wie zou zorgen voor voedsel? Jagers waren er niet meer. De jagers die zich rond Rannhald voortsleepten door de sneeuwbergen, hoorden vreemde stemmen, stemmen die ze niet goed thuis wisten te brengen en die daarom onheil leken aan te kondigen. Sombere gedachten kwamen in hen op. Ze werden er niet vrolijker op als zij de Zagarden zagen die slaafs achter hun meester aanmarcheerden. Nee, het ging het Kana´an bergafwaarts.
`Hanake!` Kalams hart veerde op toen hij de oude raadsman van zijn vader zag. `En Oedar!` De mannen trokken elkaar stevig aan de haren, een gewoonte die Kalam nog van zijn vader had geleerd. Zaltmann glimlachte. `Ik dacht wel dat je blij zou zijn hen weer te zien, alleen…weer aarzelde hij even. `We moeten ook met elkaar praten en met Ranndok en de wagarden.` De grootjagers knikten. `Ja, Kalam, er is het nodige misgegaan in de laatste tijd.` Kalam haalt bijna opgelucht zijn schouders op. Dat er veel is misgegaan weet hij ook nog wel. Geen nieuws! `Ga zitten, Kalam`, nodigt Hanake hem uit. `Ik moet je iets vertellen.`
Hanake haalt diep adem, woelt met zijn hand door zijn lange, grijze baard en trekt zijn dikke mantel van rooftandbont wat dichter om zich heen. `Het ging de laatste tijd met je vader niet goed`, begint hij hakkelend terwijl hij steeds op Kalams gezicht let. `Voor jou was je vader natuurlijk een held maar als A´ake ging het van kwaad tot erger. Zijn wakkerheid begaf het onder de last van een zeldzame ziekte. In het begin dachte we dat hij gewoon een beetje `hiksa`aan het worden was. Op zich hoeft dat niet erg te zijn maar al heel snel gebeurden er andere dingen. Hij liet je moeder steeds vaker aan haar lot over met jou, riep de raad nauwlijks nog bijeen en was vooral bezig zijn rechten uit te oefenen als A´ake voor wat betreft de vrouwen in de buitenste kring.` Kalams gezich begint rood aan te lopen en het lijkt er even op of hij weg wil gaan maar Foeake legt zijn hand op zijn schouder. `Ga niet weg, het wordt er niet beter van`, zegt hij rustig. Het is de rust van Foeake die Kalam overhaalt om te blijven.
Hanake haalt opnieuw diep adem. `Op den duur was je vader alleen nog maar met vrouwen uit de buitenste kring bezig en was hij voor niemand aanspreekbaar. Op een goede dag hebben we hem daarop aangesproken en toen kreeg hij een woede-aanval. Hij dacht dat we erop zaten te wachten dat hij naar de nevelen zou gaan en ten slotte siste hij ons verwensingen toe. Hij maakte duidelijk dat hij in geen geval iemand uit de binnenste kring zou aanwijzen als nieuwe A´ake, ook zijn eigen zoon niet. Niemand hoefde dus jaloers of achterdochtig te zijn, voegde hij daaraan toe.` Hanake zucht nu het hoge woord eruit is. `We denken dat deze ziekte hem uiteindelijk ook heeft gedood, een sluiperziekte. Tenminste, dat heeft Panak vastgesteld.`
`Dus mijn vader wees Rannhald aan terwijl hij ma´akat hiksa was?` de stem van Kalam klinkt ongelovig.`Het spijt me`, geeft Hanake toe. Kalam laat zijn gezicht in zijn handen zakken en staart naar de grond. `En jullie hebben het laten gebeuren?` vraagt hij bijna onhoorbaar. Zaltmann knikt en trekt een gezicht van spijt. `Ja, het is nu eenmaal het recht van de A´ake…` begint hij maar Kalam wil het niet horen. `Het recht, het recht…`schreeuwt hij woedend. `De éne gek stelt zijn krankzinnige opvolger aan en jullie hebben het over recht. Jullie hadden mijn vader moeten beschermen tegen zo´n beslissing. Daar ben je toch raadsman voor`?` De tranen staan nu in zijn ogen terwijl hij middenin de grot blijft staan en wild en wanhopig om zich heen kijkt. `het recht…!`hij schreeuwt het opnieuw uit, sluit zijn ogen en merkt nauwelijks hoe de armen van een vrouw dichtbij erop wachten zich om hem heen te slaan. Nog niet, de vrouw aarzelt. Kan zij, de van het volk gegevene, hem, de uitverkorene troost bieden?
Rannhald merkt hoe zijn voeten steeds verder wegzakken in de rulle sneeuw. Hij komt nauwlijks nog vooruit en zijn mannen staan ook al bijna stil. Ondertussen verwaait het zicht nog steeds door de voorbijrazende sneeuwstorm. `Als we hier blijven, komen we om in de sneeuw`, waarschuwt een jager. `We moeten terug.` Verwilderd kijkt Rannhald hem aan. `Terug?` Hij huivert. Hij voelt hoe elk spier in zijn lichaam zich verzet tegen teruggaan maar ook hoe zijn armen en benen zich de warmte van Kana´an herinneren. `Goed, we gaan terug`, beslist hij. `Maar niet voor lang.` Met grote stappen banen de mannen zich een weg door de sneeuwhopen in de hoop dat neregens zich een kloof in het ijs opent. `Volg de weg die we zijn gegaan`, Rannhalds stem verwaait bijna in de storm. Het is gemakkelijker gezegd dan gedaan want de voetstappen van de mannen zijn allemaal al opgevuld met nieuwe sneeuw. gelukkig is de Kana´an nog steeds herkenbaar aan de lichtweerspiegeling in zijn top.
Eindelijk slaat ze haar armen om Kalams schouders. `Kom mee en rust uit bij mij`, fluistert Anth´ike en Kalqam laat zich gewillig meeslepen. De andere vrouwen maken ruimte voor het paar terwijl Anth´ike haar plek zoekt. Ondertuissen richt zij haar ogen op Zaltmann. `Ga door`, lijkt zij daarmee te willen zeggen.
http://mythologie.wordpress.com
Service
Midgarth was de wereld waar de mensen leefden in de Noorse mythologie. Dat in tegenstelling tot Asgarth, de godenwereld.
