De Zagardencommandant hoorde het suizen van de stilte in zijn oren. Stil en onbewegelijk leek de wereld al verroerde zich er wel iets. Het drong maar langzaamaan tot hem door wat het was. De duisternis rond hem was overheersend en hij lag. Geen vrouwen maar koud en hard gebeente omhulde hem. Voorzichtig, bang voor de antwoorden die hij zou krijgen, opende hij zijn ogen. En gelijk had hij. Hij bevond zich in een kooi van botten en been, omhuld met een doek, de vacht van een rooftand of misschien nog minder. Vrouwen waren er niet meer. Het enige wat hij zeker wist, was dat hij schommelend werd voortgezeuld. Hij hoorde het geknerp van voetstappen in de sneeuw. Van de warmte en de vrouwen in de zaal bij de A’ake was hem niets gebleven. Hij probeerde te schreeuwen maar hij voelde nu ook dat zijn mond zat volgepropt met vacht. Langzaamaan drong het tot hem door, dit was het einde! Kalam had de macht gegrepen en hij werd afgevoerd naar de nevelen.
Hij vond het vreemd dat hij geen angst voelde terwijl hij toch een vechtersbaas was. Hij was dag in dag uit groot geworden in de buitenste kring met vechten en knokken. En nu, nu leek er iets van vrede in hem te komen. Dat gevoel bleef niet lang bij hem, misschien was hij nog niet goed wakker geweest. Langzaamaan borrelde er een verschrikkelijke woede in hem op. Hij probeerde zijn voeten op te tillen en toen dat niet lukte, bonkte hij met zijn hoofd tegen de kooi. Er gaf niets mee, er kraakte niets. Opnieuw bonkte hij en nog en keer en nog een keer. Hij voelde hoe het bloed over zijn gezicht liep maar het veranderde niet veel. Zeker, het gesplinter van bot was te horen maar er bewoog nog steeds niet. De kooi bleef als een onaantastbare, koude omhulling, donker en stil. Er waren alleen de knerpende voetstappen waarvan het geluid tot hem doordrong.
“Waarom ben je teruggekomen?” Rannhalds stem klonk nieuwsgierig maar daarachter hoorde Kalam een stem die hem zei dat het zijn tegenstander niets kon schelen. Meteen al toen hij uit zijn ijscel was gesleurd, had hij het gevoel gehad dat Rannhald zijn plannen al klaar had. “Ik wil je dienen zoals ik mijn vader heb gediend”, antwoordde Kalam automatisch. Hij kon aan Rannhalds gezicht zien dat hij dit antwoord niet had verwacht. Wraak, opstand, revolutie en geweld, dat kon de A’ake begrijpen, maar dienen? “Dienen” was nu juist iets waaraan Rannhald zich zijn hele leven had willen ontworstelen en tot op heden was dat goed gelukt. Hij schoot in een wat zure lach omdat hij Kalams antwoord niet goed begreep. “Je wilt mij dienen? Mij, die je grootste vijand zou moeten zijn?” Kalam haalde zijn schouders op. “Ik heb altijd geleerd de besluiten en keuzen van mijn vader te respecteren. Dat was een belangrijke les in onze kringen.” Die laatste woorden kwamen eruit met vanzelfsprekende rust en zelfvertrouwen, eigenschappen die Rannhald zelf ontbeerde.
Weer was er die zure grijns van de man die in zijn gevangene zijn meerdere moet erkennen maar Rannhald probeerde zijn wanhoop en jaloezie meteen weer te verbergen door gespeelde zekerheid. “Je kunt mij dienen”, sprak hij op een voor zijn doen rustige toon. “Neem het commando op je van de Zagarden die ik vandaag zal uitsturen tegen de wolvermannen. Zij zijn op minder dan een ijsrand afstand gezien door jagers. Zaltmann zal je vertellen waar ze zitten. Ik wil ze in één klap verpletteren.”
`Verpletteren`? dacht Kalam. `Of wil je mij verpletteren, hoop je dat ik niet meer uit de strijd terugkom?` “Ik ben onder de indruk van het vertrouwen dat je me schenkt maar er was toch al een commandant van de Zagarden?” Kalam paste ervoor op zijn woorden zo min mogelijk onderzoekend of achterdochtig te laten klinken. Hij bleef zijn tegenstander recht in de ogen kijken. Opmerkelijk was het, zo rustig als hij zich voelde. Hij zag kans volkomen rustig en stil te blijven zitten. Aan Rannhalds ogen kon hij de spanning aflezen. `Hoe kan het ook anders’, dacht Kalam. `Wie uitsluitend leugens en bedrog verspreidt, bewandelt de weg naar het rijk van de nevelen`. Hij durfde het te denken omdat hij zeker wist dat Rannhald nooit had geleerd “stemmen” te verstaan.
“En verder”, ging Rannhald alsof hij Kalams gedachten deze keer echt gelezen had, “verder wil ik dat je mij een leraar geeft die mij stemmen leert te verstaan. Dat moet een A’ake kunnen. Dat hoort erbij.” Kalam deed alsof hij verrast was. “Hebben ze je dat niet geleerd? Ik ken niemand die het zo goed kan aanleren als Panak maar dan moet je hem wel in ere houden. Bedien je van hem met respect. Hij is de meest wijze leraar die ik ooit heb gehad.” Opnieuw verzweeg Kalam deze keer wat hij werkelijk dacht ” om stemmen te verstaan, moet je ervoor geboren zijn of openstaan voor de hooggeborenen. Pas dan kun je het leren.”
En daar kwam het. Een stroom van beelden en flitsen joeg door zijn hoofd alsof de zon ze zond. Steeds meer Anth’ waren aan het liegen en bedriegen geslagen en daardoor waren zij de stemmen die ze “binnen” kregen gaan wantrouwen. Uiteindelijk hadden ze die stemmen niet meer gehoord omdat ze naar hun zeggen “nutteloos” waren geworden. Zelfs in de middelste kring had die ziekte al toegeslagen en nu, met Rannhald, zou ze haar intrede doen onder de jagers. Straks zou niemand meer stemmen horen en zou iedereen elkaar naar believen kunnen bedriegen en alle Anth’ zouden alleen nog maar voor zichzelf leven en de herinnering aan Kana’an zou verloren gaan… De stemmenstroom werd onderbroken door iets wat Kalam in het gezicht van zijn tegenstander zag gebeuren.
Rannhald sloeg zijn ogen neer, voor het eerst. Diep in zijn hart voelde hij zich verslagen maar het kostte hem niet veel moeite om zich daar overheen te zetten. Binnenkort zou er geen Kalam meer zijn en dan zou hij de hoogste heer van Kana’an zijn, in alle opzichten. “Panak”? liet hij zijn stem vragend klinken. “Ik zal eraan denken en eh… neem je het bevel over de Zagarden op je?” Meteen merkte hij een misselijk gevoel in zich opkomen. Hij had nu onzekerheid laten blijken. Die vraag had een bevel moeten zijn.
Kalam liet de glimlach die in hem opkwam niet op zijn gezicht zien. “Ik doe het, ik zal de wolvermannen onschadelijk maken”, beloofde hij en tegelijkertijd vroeg hij zich af hoe hij zich uit deze situatie kon redden. Hij had nu drie keer gelogen want hij was helemaal niet van plan ten strijde te trekken. Drie keer liegen, dat zou zijn innerlijke macht en gezag geen goed doen! Van Panak had hij juist altijd geleerd de waarheid te spreken als hij zijn vaardigheid om stemmen te verstaan wilde bewaren. Volgens de wijze man konden de mensen in de buitenste kring dat niet meer omdat hun voorouders teveel gelogen en bedrogen hadden. Maar ja, als hij de wolvermannen nu eens onschadelijk zou kunnen maken zonder gevecht? Dat moest toch mogelijk zijn?
De stem van Rannhald doorkruiste zijn gedachten. “Goed, best, doe dat dan maar. Ik heb nu belangrijker zaken te doen.” Hij stond op. Het gesprek was afgelopen. Kalam voelde zich gelukkig. Hij had er niet zo slecht afgebracht.
Het warme water drong langzaam door in de kooi. Warm of liever… kokend heet. De Zagardecommandant begon te gillen zonder dat er geluid van zijn lippen kwam. Zijn mond zat te vol met rommel. Het hete water beroerde nu ook al zijn lippen en mond. Het zou niet lang meer duren of het water zou zich boven hem sluiten. In een flits kwam het in hem op dat dit niet het toedoen was van Kalam maar van Rannhald. Zijn eigen heer had hem bedrogen, zoals hij van plan was geweest hem uit zijn positie te duwen. Hij sloot zijn ogen toen het warme water begonnen was zijn oogballen te verschroeien. Dit was het einde, geen begin.
De wandeling door de gangen naar de kamer van Zaltmann duurde lang. Kalam merkte meteen dat Rannhald hem nog niet helemaal vertrouwde want hij had een paar Zagarden meegestuurd terwijl Kalam toch heel goed de weg naar de woning van Zaltmann kende. Onderweg zag Kalam veel gezichten die hij vanouds kende. De meesten keerden zich van hem af omdat ze niet met hem in verband gebracht wilden worden. Een enkeling keek hem onbewogen aan en een paar probeerden in hun blik iets geruststellends te leggen. Zelfs klonk er wel eens een stem in zijn hoofd door die hem aanspoorde vol te houden en door te zetten. Dat het zeker goed zou komen zolang hij niet opgaf.
Eenmaal in Zaltmanns kamer bereikte een andere stem hem. Een stem die hem zei dat hij op een veilige manier buiten de lange armen van Rannhald en zijn Zagarden zou moeten blijven. Het gezicht van Zaltmann verried niets maar de oude en de jonge man begrepen elkaar helemaal.
Zaltmann verzocht de Zagarden buiten te wachten maar dat weigerden de mannen. Zij hadden opdracht Kalam overal waar hij ging te “beveiligen” zo luidde het antwoord. Kalam en Zaltmann keken elkaar begrijpend aan.
“De wolvermannen komen elke ijsrand dichterbij”, begon de oude raadsman terwijl hij met één hand in zijn lange, grijze baard woelde. “We hebben ze op minder dan een ijsrand gezien en het is de hoogste tijd om nu iets tegen ze te ondernemen. Je krijgt de grootste Zagarden- en jagersmacht mee die maar te bedenken valt want de wolvermannen zijn gevaarlijk. Zij beschikken over een voertuig dat ze razendsnel over het ijs laat bewegen, gemaakt van een materiaal dat we hier niet kennen. Ik heb de Gamor Anth’em nog eens doorgesproken en ik heb het gevoel dat het materiaal uit de wereld van de sluipers komt. Mogelijk weet Pakan het nog beter. In elk geval kunnen we tegen hun hulpmiddelen moeilijk op.” Hij hield even pauze.
“We moeten het hebben van onze vechtlust.” Kalam merkte iets vreemds op in Zaltmanns stem. Het was net of hij het helemaal niet over de wolvermannen had maar over iets heel anders. Waren er misschien geem wolvermannen in de buurt? Was het allemaal maar een fabeltje om de Anth’ onder de knoet te houden?
Veel tijd om na te denken en de stem van Zaltmann op te zoeken kreeg hij dit keer niet. De raadsman stapte gauw over op een ander onderwerp. “Je moet vandaag al met je mannen op pad gaan. Over een paar ijsranden treedt de duisternis in en dan kunnen we niet ver meer van de Kana’an weg.” Hij legde nu zijn hand op Kalams hand en keek hem doordringend aan. “En keer niet eerder terug dan dat je zeker weet dat het gevaar is geweken. Verkeerde beslissingen brengen ons steeds weer op de rand van de afgrond.”
De boodschap van de oude raadsman begon Kalam steeds duidelijker te worden. Als over een paar dagen de duisternis zou inzetten, was het geen goed idee om ver weg te trekken met de Zagarden en jagers. En dan, Zaltmann had duidelijk gezegd dat de wolvermannen over betere hulpmiddelen beschikten. Was het dan niet erg dom om met alle strijders ver weg te trekken van de Kana’an? En dan die éne uitspraak “We moeten het hebben van onze vechtlust?” Die had echt geklonken alsof Zaltmann iets heel anders bedoelde, alsof het erom ging een verkeerde beslissing ongedaan te maken. Zijn laatste opmerking verwees daar ook weer naar. Die verkeerde beslissing, dat kon alleen maar de aanwijzing van Rannhald tot A’ake zijn!
Voorlopig deed Kalam zijn best niets te laten merken van zijn bedenkingen. Hij vond het ook veel te leuk om zijn oude kameraden, de jagers, terug te zien. Samen met hen probeerde hij zich zo min mogelijk bezig te houden met de Zagarden, de slaafsoldaten. In een strijd zouden zij zich echt als prooi laten slachten in naam van hun baas, Rannhald. Krijgers waren zij niet.
Het gedrag van de Zagarden stond de jagers en grootjagers tegen. De mannen hingen over elkaar heen zoals jankermannen in hun groep doen en alleen met slaan en schoppen waren zij tot activiteit te bewegen. Daarvoor zorgden de laatste, overgebleven, knuppelmannen. Als Zagarde waren de mannen uit de buitenste kring nog net zo afhankelijk als de arbeiders waarmee Kalam samen had gewerkt aan de Nad’ar. Kalam besefte maar al te goed dat het hun schuld niet was. Zijn vader en anderen hadden niets gedaan om de mensen van de buitenste kring iets te leren. Er moest iets geweest zijn dat he daarvan af had gehouden maar Kalam voelde er schaamte over. `Je kunt een drol niet verwijten dat hij een drol is” flitste het door zijn hoofd. `Het is aan anderen om er iets moois van te maken.`Hij moest bijna lachen en de jagers merkten dat op. “Wat is er, het lijkt of je opleeft”, zeiden zij maar Kalam schudde zijn hoofd. “Ik wil er nu niet over praten”, zei hij. “Misschien later!”
Een zachte stem klonk daarna kort in zijn hoofd door. “Je doet het goed. Ik wacht op je.” Het was Anth’ike die hem liet weten dat ze hem kon horen en begrijpen ook al wist ze waarschijnlijk niet waar die stem vandaan kwam.
Anth’ike zat niet eens zover verwijderd van Kalam met een groep vrouwen en Ranndok. “Ik weet niet of we hier kunnen blijven”, sprak ze zachtjes. “We zijn altijd bij elkaar en dat wekt achterdocht. We moeten een andere plek zoeken om elkaar te ontmoeten.” Ze was zelf verbaasd over haar woorden en ze wist dat ze met een stem van buiten waren gekomen. Maar het waren goede woorden, dat voelde ze aan en de anderen begrepen haar.
Service
Amazones: Een begrip uit de Griekse mythologie, waar een volk van vrouwelijke krijgers in voorkomt. Zij worden de amazones genoemd.
