Het was een zware weg. Nooit eerder had het Pad van de Jagers zo lang geleken. Omringd door de Zagarden stapte Kalam voort, traag en moeizaam. Plotseling stonden ze stil en Kalam wist waarom. Vlak voor hem klonk het geweeklaag van vrouwen, jammerend hadden ze zich voor de voeten van de Zagarden op de grond gestort en vroegen ze om de bevrijding van de `Uitverkorene`. Het was de enige list die Ranndok op dat moment had kunnen bedenken. Heel duidelijk, ja, glashelder hoorde Kalam ook de stem van Ranndok in het gehuil ook al kon hij zijn vriend niet in de groep vrouwen ontdekken. Natuurlijk niet! Ranndok was slim genoeg om te beseffen dat hij een uitgekozen doel voor de Zagarden zou zijn. De vrouwen, ja, die zouden ze vermoedelijk niets aandoen…
Ranndok had buiten de bruutheid van de Zagardenhoofdman gerekend hoewel deze in het verleden niet meer dan een wrede knuppelman was geweest. `Opzij, ga opzij, wijven!`brulde hij en toen de vrouwen niet meteen gehoor gaven aan zijn bevel, trapte hij er een paar in hun gezicht en buik. `Opzij, ik waarschuw je!` Nu durfden de andere Zagarden ook. Zij schopten en sloegen er op los totdat het Pad van de Jagers was bezaaid met de lichamen van vrouwen die niet of nauwelijks nog bewogen. Een paar vrouwen vluchtten weg van de plek en de hoofdman kon alleen maar met moeite zijn mannen in bedwang houden om ze niet achter de vluchtelingen aan te laten gaan. `Wij moeten door, laat die gekke wijven`, brulde hij. `We krijgen ze nog wel.`Zijn stem klonk schel en schor en sloeg steeds opnieuw over van boosheid.
Kalam voelde hoe een stem in hem begon te huilen en hij wist dat het Anth´ike was. Hij huilde met haar mee maar prevelde ook dat er een dag zou komen waarop het kwaad zou zijn verslagen. Hij bleef die woorden stilletjes voor zich uit zeggen zodat de Zagarde hem niet konden horen maar in zijn hoofd en in het hoofd van Anth´ike zou zijn stem misschien wel al het andere overheersen. En ja, hij kreeg een stem terug, een stem die hij herkende als de stem van Anth´ike. `Ik wil de warmte van Kalam bewaren en verbreiden. De warmte die ik voel, zal ik koesteren en verdelen onder jullie.` Dat waren de eerste woorden die hij opving. Er volgden er meer, over de liefde die zij voor Kalam voelde en haar wens om nooit meer Ha’aaraakittinaa genoemd te worden. Nooit nog zou een man dat woord ongestraft tegen haar kunnen uitspreken! Kalam voelde hoe zijn hart sneller begon te kloppen want zijn woord had haar bereikt. De stem van Anth´ike die van hem konden samenzingen! Er verscheen een brede grijns op zijn gezicht en hij deed niet eens moeite om die te verbergen. `Je zult straks wel minder lachen`, gromde de hoofdman tegen hem maar zijn woorden maakten Kalams glimlach alleen nog maar groter zodat de Zagardencommandant zich in walging van hem afkeerde.
Na de weeklagende vrouwen kwamen de mannen en vrouwen die Kalam uitjoelden en met stukken afval van het vlees naar hem gooiden. Zij hoopten op meer en beter eten als zij de nieuwe A´ake gehoorzaamden. De Zagardenhoofdman keek nu naar zijn gevangene met een triomfantelijke glimlach maar hij keerde zich ook meteen in nijd weer af. Aan het gezicht van Kalam was niets af te lezen. Er stond nog steeds eerder een glimlach dan een angstige uitdrukking of bedroefde trek op zijn gezicht. Wat hier gebeurde leek hem niet te raken en zo was het.
Kalam hoorde de stemmen van de woedende mensen niet eens. Hij voelde medelijden. Ze deden hem denken aan de mannen die hem en de vrouwen hadden willen verkrachten. Mannen die niet anders konden omdat zij zich niet eens van zichzelf bewust waren. Zij hoorden alleen de stem van de Zagardenhoofdman en Rannhald in hun hoofd, stemmen die hen vertelden wat ze moesten doen.
Ze kwamen nu bij de middelste kring, de N´amanth, waar de wijzen, de kunstenaars en de leraren woonden. Kalam herkende de toegang doordat de ijspilaren aan weerszijden van de weg hier een afbeelding van de zon te zien gaven. De zon die met haar warmte wel eens de heer en meester van de wereld leek te zijn. De bron dus ook van alle wijsheid, kennis en het Grote Inzicht, hiksa´emanth.
Hier was niemand, niemand stond langs het pad en niemand weeklaagde. Er schold niemand, er weeklaagde niemand en er juichte niemand. In de verte hoorde Kalam dat iemand op een janker speelde, een melodie uit de Gamor Anth´em, het deel waarin de zon voor goed over de ijsrand verdwijnt. De tonen van de janker vermengden zich met Za´kran. Voor Kalam was het de herkenning, een herkenning die tot ver over de ijsrand reikte en even dook het gezicht van zijn vader voor zijn ogen op. Hij vormde woorden maar de stem bereikte Kalam niet, nog niet.
De middelste kring was al weer voorbij en nu betraden ze de binnenste kring, de K´alan van de Kana´an, het huis waar Kalam ooit was geboren. Hij herkende het alleen doordat hij wist dat het na de N´amanth moest komen. Rannhald had veel laten veranderen. Zo waren de zon, de roofkop en de ijsrat van de poort naar de K´alan verdwenen. In plaats daarvan was een afbeelding gemaakt van Rannhald in een mantel van roofkopbont waarbij zijn hoofd was omgeven door een openstaande roofkopbek. Kalam voelde een rilling door zich heen trekken. Weliswaar was de K´alan beter verwarmd door de Nad´ar dan welk deel van Kana´an ook maar het voelde hier kouder aan dan in de buitenste kring. Kalam keek om zich heen om te zien of hij hier werd begroet. Eén gezicht vertoonde zich, Zaltmann. De man keek niet bedroefd maar wel bezorgd en schudde zij hoofd. Was het omdat hij Kalams gedrag afkeurde of omdat hij vreesde voor diens toekomst? Kalam kon Zaltmanns stem niet goed vangen. Geen wonder, in het verleden had Kalam wel ontzag maar nooit vriendschap voor deze belangrijke grootjager ervaren. Zaltmann stond op een bevroren voetstuk voor hem, onaantastbaar, onbewegelijk en niet te doorgronden.
Ze waren er. In de ijsmuur was een opening opengehakt dat tot kniehoogte reikte. De Zagardencommandant wees Kalam te knielen en zich door het gat te begeven. De afgewezen A´akezoon aarzelde niet. Er viel niets te winnen met een weigering. Nog even draaide hij zich om en daar vond hij de ogen van Zaltmann. Niets, er bewoog niets in zijn hoofd. Zuchtend kroop hij door de lage doorgang. Hij hoorde hoe twee grote ijsblokken voor de opening werden geschoven. Buiten zou ongetwijfeld een Zagarde de wacht houden. Hij zat in de val. En toch, zijn stem bereikte Anth´ike nog steeds en misschien zou hij Ranndok kunnen spreken. Die zou willen weten waar zijn beste vriend was.
Opgetogen begaf de Zagardenhoofdman zich naar de kamers van Rannhald. Twee Zagarden hadden de strikte opdracht om de doorgang van Kalams cel met hun leven te bewaken. Er kon niets meer misgaan met de plannen die hij had. Zijn meester zou hem zeker belonen met de snelle vangst van diens grootste vijand. Hij kon het bevel over alle Zagarden en Magarden krijgen. Hij zou met zijn mannen ten strijde trekken tegen de wolvermannen en hen voor goed verslaan en dan…dan… Het kostte de commandant moeite om niet te springen van blijdschap. Zelden of nooit had een gewone knuppelaar het zo ver geschopt.
`Nu niet`, hield de wacht bij Rannhalds hoofdvertrek vol. `U kunt nu niet naar binnen gaan.`´ De Zagardecommandant keek hem onbegrijpend aan. `Maar ik heb zijn grote vijand gevangen, als hij dat niet onmiddellijk te horen krijgt…“Nu niet`, herhaalde de wacht. De hoofdman voelde woede en verwarring in zich opkomen. Ze worstelden met elkaar totdat de onrust in zijn hoofd hem teveel werd. Hij haalde uit met zijn knuppel en die trof de wachtpost recht op het oor. Zelfs zonder enig geluid zeeg de man ineen. Onhandig genoeg bleef hij voor de deur van groottandbeen liggen maar daar wist de Zagardencommandant wel raad mee. Hij rukte en trok aan het levenloze lijf totdat de deur vrij was. Met een stevige duw, opende hij de kamer om te verstijven. Voor hem lag de A´ake zonder een mantel temidden van een groep vrouwen. `Ha’aaraakittinaa´ flitste het door hem heen en meteen wilde hij de deur weer sluiten maar Rannhald had hem al gezien. `Kom toch binnen`, schaterde deze. `En bedien je. Er is genoeg voor ons twee.` Hij trok één van de vrouwen aan haar haren omhoog en stootte haar in volle vaart in de richting van de Zagardencommandant. Meteen wierp hij zichzelf op één van de andere vrouwen onder het uitschreeuwen van. `Ha’aaraakittinaa`, het klonk als het genoeglijke geknor dat ook waterluiaards wel eens lieten horen. De commandant grijnsde en zetten zijn tanden in de weke hals van de vrouw. Zij beloning was hier en nu en wie weet wat er nog zou volgen. Hij mocht nu al aan de Ha’aaraakittinaa snoepen!
http://mythologie.wordpress.com
Service
Morpheus is de Griekse god van de slaap, een toestand die mensen in een andere wereld brengt.
