Gepost door: Kaj Elhorst | september 23, 2007

De lange nacht

Rannhald voelde nu zelfs de toppen van zijn vingers tintelen. Hij merkte hoe de warmte vanuit zijn hoofd helemaal doordrong in zijn hele lichaam. Opgewonden sprong hij overeind, te ongeduldig om op Roar te wachten en zijn Zagarden. Ze moesten nu toeslaan. nu!

Hij grijnsde, die hele verwaande jagerskliek zou raar opkijken als Kalam straks verdween in Nogûl, de plek waar hij thuishoorde. De plek waarvandaan het hooggeboren tuig bij zou kunnen dragen aan de warmte van het hele volk. Het hele volk dat zou gaan beseffen aan wie het zijn geluk te danken had: de A’ake Moz Tar’ak! In gedachten zag hij zich voortgedragen worden door zijn Zagarden terwijl het volk, en vooral dat volk van de binnenste kring eerbiedig voor hem zou buigen. Eindelijk gerechtigheid.

De bediende wachtte eerbiedig en in stilte maar toen hij niets hoorde besloot hij opnieuw te kloppen en de kamer binnen te gaan. Het bleef stil en deze keer raapte de jongeman al zijn moed bij elkaar. Aan de lijn naast hem liep Roar, de rooftand van de A’ake, het symbool van zijn macht. Voorzichtig opende de jongen de deur om hem meteen weer te sluiten, stil en zachtjes omdat hij niet opgemerkt wilde worden. Zijn ogen waren vol schrik want hij deelde met de A’ake nu een geheim dat hij voor goed moest opsluiten en wegbergen. Verzenden naar de nevelen en de ijsrand, weg naar het land van de sluipers. Hoewel, zelfs dat kon gevaarlijk zijn. Wat hij gezien had, was te angstaanjagend om in de openbaarheid gebracht te worden.  

Hij slikte en verzamelde opnieuw zijn moed. Deze keer klopte hij weer. “Binnen”, klonk Rannhalds stem, bars als altijd maar met een zweem van onzekerheid. De jongen opende opnieuw de deur en zag hoe Rannhald snel zijn mantel om zich heen sloeg. De A’ake zag er rustig en ontspannen maar ook vastbesloten en misschien zelfs wel wat agressief uit. De jongen sloeg zijn ogen neer want hij kon zijn A’ake niet meer in de ogen kijken. “Roar is tot uw dienst, heer”, zei hij zachtjes. Rannhald glimlachte honingzoet. “Kom binnen”, zijn stem trilde.

Zelfs in de verwarmde raadskamer vond de jongen het koud, nu zo zonder zijn kleren. Angstig keek hij de A’ake aan die hem nu naderde “Bukken”, beval hij. De jongen bukte zich voorover terwijl de A’ake achter hem ging staan. Hij keek met begeerte en woede naar het jonge lichaam voor zich en schopte de voeten van de jongen uit elkaar. Met een intens gevoel van voldoening wrong hij de tand van een groottand in diens achterste zodat zijn billen scheurden. Bloed druppelde en spoot even later naar buiten. De jongen gilde en viel voorover op de grond. “Roar”, riep Rannhald en het dier wierp zich op de jongeman. De jonge jager zou voorgoed zwijgen en Rannhald grijnsde opnieuw. Hij kon zich niet herinneren zich zo ontspannen en machtig gevoeld te hebben.

 

De tinteling waarde nu ook door zijn hersens. Het zou een goede gedachte zijn om van tijd tot tijd een jager onder handen te nemen. Schaamte en onzekerheid zouden hun intrede doen in dit vermaledijde volk en de mannen van de buitenste ring zouden heersen.  

“Verschrikkelijk`, in Rannhalds ogen stonden tranen. `Zo´n jonge, krachtige jager die zo plotseling omkwam terwijl ik niets kon doen`, hij boog zijn hoofd maar keek tussen zijn oogharen door naar de jagers in de hal. Die hadden Roar inmiddels weer in bedwang. “Maar ja, de jongen vroeg erom. Het was zijn eigen onzedelijkheid die Roar opwond. De jongeman, Bala’ak, was bezeten door sluipers. Ik heb drie zegeningen moeten uitspreken om de raadskamer te reinigen”, sprak hij schijnbaar bedroefd.

`Het wordt tijd voor eerbied, regels en gezag, zodat wij in veiligheid en vrede kunnen leven`, riep Rannhald die nog steeds diep verdriet veinsde. Het was Zaltmann die zich wat op de achtergrond hield na zijn laatste uitbarsting en die vanaf een afstan nu ook zag hoe Rannhald loog. Maar…het bewijs ontbrak.

`En toch ga ik jagen vandaag met Roar`, kondigde de A´ake aan. `Maar heer`, verzette Foe´ake zich. `U ziet toch dat Roar onbetrouwbaar is?` `Liever dan met u vertoef ik met deze rooftand samen`,  antwoordde de A´ake. Foe´ake trok wit weg. Wat had hij gedaan om zoveel haat van de heerser te ontvangen?

“Maar u kunt niet vrolijk gaan jagen nu een jonge jager is gedood”, vond Zaltmann. Rannhald keek hem vernietigend aan. “Spoedig als de wolvenmannen naderen, zullen meer jagers sterven”, zei hij. “En ook vele anderen. Bent u dan ook nog zo bezorgd?” Hij bleef Zaltmann strak aankijken terwijl hij verder ging. “Maak hem klaar, morgen zullen we hem een jagerspad naar de nevelen bezorgen”, een spottende glimlach kon hij daarbij nauwelijks onderdrukken.  

 http://mythologie.wordpress.com

 Service

Ariadne was de jonge vrouw (de dochter van koning Minos) en geliefde van Theseus (een door Minos gevangen genomen koningszoon) die haar minnaar redde uit het hol van de Minotaurus door hem een kluwen wol mee te geven zodat hij de weg terug kon vinden naar de uitgang. Het verhaal speelde zich volgens de mythe af in het paleis van Knossos op Kreta

 

www.poolnacht.be

www.dbnl.org

www.citaten.net

www.paul.wilpstra.com


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën