Gepost door: Kaj Elhorst | juli 8, 2007

Kruiend ijs

jungfraujochfm1.jpg

Er kriebelde iets op zijn wang al kon hij niet zeggen wat het was. Niets in hem dreef hem ertoe om zijn ogen open te doen. Een intense luiheid en vermoeidheid was over hem gekomen, zoals hij nog nooit had gevoeld. Het was alsof de lucht die hier zijn neus binnendrong de luiheid met zich meevoerde. Hij ademde luiheid en daarmee drong een onstuitbare vermoeidheid in al zijn ledematen door. Nee, het was geen luiheid, besloot hij even later. Het leek meer op moedeloosheid, slapte. Iets dat hij niet kende en zeker iets dat zij vader niet zou goedkeuren. 

Zijn vader! Die leek een levenlang weg op deze plaats. Weg waren de fijne kleren, de tonen van beenfluit en jammer, het kristalheldere licht dat door het dak naarbinnen kwam of…de onverzettelijke sterrenhemel die dwarsdoor het ijs te zien was. Hier viel een veel doffer licht naar binnen. Hier bestond geen blik op K’arath maar alleen een vale wazigheid. Hé, wie zei hem dat?

Waren zijn ogen nu toch open? Langzaamaan begon hij daaraan te geloven en hij draaide zijn hoofd naar rechts. Daar keek hij onmiddellijk aan tegen het woeste, donkere haar van de vrouw die hem was geschonken bij zijn binnenkomst.  Het leek of ze niet bewoog maar Kalam wist zeker dat het haar vingers waren geweest die aan zijn wang hadden gevoeld. De ranzige geur van waterluiaardolie drong vanuit haar haren in zijn neus naarbinnen. Hier, in de buitenste cirkel, hadden ze nog niet de verleiding ontdekt van de vermenging van olie met de uitwerpselen van de nevelgarde. Dat bracht een betoverende geur tot stand die elke man uitdaagde. Nee, hier was de olie van waterluiaard nog de enige bescherming tegen uitdroging van de huid.

Kalam snoof het op alsof hij eraan wilde wennen, ervan wilde leren houden maar dat zou nog lang duren, bedacht hij zich. “En heb jij geen naam?” vroeg hij zó zachtjes dat hij haar niet zou wekken als ze nog sliep. Hij begreep dat hij sprak tegen een vrouw die bereid was zich volledig aan hem te geven, met of zonder naam. Iets in hem zei hem dat een naamloze vrouw hem geen eer kon brengen en geen vreugde. Hij zou haar naam moeten kunnen uitspreken: hebberig, bevelend, woedend, schreeuwerig en ja, zelfs teder als het hem zo paste.

De geur van de olie van waterluiaard versterkte zich toen de vrouw zich naar hem toe omdraaide. “T’anga” lachte zij onbeholpen. “T’anga Ha’aaraakittinaa” vervolgde ze alsof ze ergens trots op was. Natuurlijk! Alle vrouwen in de buitenste kring heetten T’anga”, “die te hebben is”. En Ha’aaraakittinaa” was een nog vreselijker naam: “te openen door de A’ake”. Kalam zweeg en bewoog niet eens zijn hoofd. De naam bracht hem in verwarring, zo vanzelfsprekend en zonder klacht was ze uitgesproken. Vrouwen in de buitenste kring wisten haast bij geboorte al wat hun lot zou zijn, Hun eerste kind zou er één zijn van de A’ake. Het zou hun worden afgepakt en naar de middelste kring worden gebracht voor de opvoeding. Het kind zou “A’ariha” zijn, voor goed verdwenen.

“Ik zal je “Anth´ike”`noemen, zei Kalam, “de van het volk geschonkene`. De vrouw schudde haar hoofd. `Niet doen`, perste zij angstig tussen haar lippen uit. Kalam keek haar verwonderd aan. `Maar wil je dan geen naam?`Iets in hem maakte hem kwaad. Dat deze vrouw van de buitenste kring weigerde een naam van hem te ontvangen. Dat voelde aan als een belediging. De vrouw schudde opnieuw haar hoofd maar deze keer zei zij niets. Kalam zuchtte. `Ik noem je Anth´ike`, besloot hij eindelijk. `Of je het nu wil of niet.` De vrouw piepte maar hardop schreeuwen durfde zij niet. Kalam las de angst in haar ogen maar begreep haar niet. `Anth´ike kijk mij aan`, sprak hij op bevelende toon en deze keer deed de vrouw wat er van haar gewenst werd.Kalam nam haar kin tussen duim en wijsvinger  en liet zijn vingers langs haar hals lopen. De stank van de olie van de waterluiaard rook hij niet meer. Hij zag alleen nog deze vrouw die hem geschonken was, die hij een naam had gegeven en die hij zou nemen.

Eén gedachte weerhield hem nog. Was zij al `kittinaa`,  geopend door zijn vader? Als dat niet zo was, zou hij een zware straf riskeren. En als het wel zo was…dat stond hem nog minder aan. Niet vandaag besloot hij. De vrouw keek hem onderzoekend aan en vroeg zich af of hij wel de uitverkorene  was maar toen zag zij ook zijn zoekende blik. Ze lachte. `Kittinaa`! riep zij lachend en zij drong zich op. Kalam zocht nog steeds en keek om zich heen. Zijn vader had haar dus al gehad en nu. Hij voelde een onbedwingbare misselijkheid in zich opkomen. Het beeld van zijn vader ontnam hem elke lust. Anth´ike begon hem nu te strelen en te zoenen. Overal. Het was niet de lust maar de begeerte van de ijsrat die hem overviel.

De dag was rauwer dan het ontwaken. De mannen stonden schreeuwerig en met ruzie op terwijl ze hun gereedschappen en kleren bij elkaar pakten. Vandaag zouden ze een tocht ondernemen naar de Nogûl. Daar was werk aan de winkel en Kalam was vastbelsoten om zijn nieuwe kameraden te volgen. Het kon hem niet schelen wat het werk was, hij zou er bij zijn. Met een ruk stond hij op. `Anth´ike, jij blijft hier bij de vrouwen. Ik ga met de mannen mee`, zei hij en het was duidelijk dat hij geen tegenspraak duldde. Zij knikte gehoorzaam en lachte hem nog toe want de nacht was haar wel erg goed bevallen. 

Kalam voegde zich bij de werkmannen die hem eerst nog wat onwennig in hun midden opnamen maar veel tijd was er daarvoor niet. De mannen van de buitenste kring hadden nergens veel tijd voor en dat deed Kalam deze keer wel plezier. Nog voordat ze hun protest konden laten horen, ging de stoet op weg. 

 http://mythologie.wordpress.com


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën