De zon was al onder de ijsrand verdwenen toen Kalam zijn ogen weer opende. De lichtpunten aan de hemel lieten meer licht door dan de afgelopen dagen en dus was de lucht vrij van wolken. Kalam knipperde met zijn ogen om te zien of hij werkelijk was teruggekeerd in de wereld van de Anth’.
Natuurlijk, als al iemand hem in de sneeuw had gevonden, dan had hij hem laten liggen. Binnenkomen in de Kana’an was een beslissing van iedere Anth’ zelf, niemand kon gedwongen worden om naar binnen te gaan. Alleen als de gamor sterk genoeg was, zou dat vanzelf gebeuren. Wie Kalam naar binnen had gesleept, had zijn eigen familie tegen zich in het harnas gejaagd want zoiets was nog in geen honderd lange zomers voorgekomen. Kalam wist het allemaal maar al te goed. Zolang hij buiten bleef en weerstand voelde om naar binnen te gaan, zou hij een hagarde zijn, op dwaaltocht in zijn hoofd. Dat mocht niet te lang duren, wilde hij nog een kans maken op opvolging van zijn vader. Niemand zou kiezen voor een man die lange hagardetochten had gemaakt.
Hoewel, Panak, de wijsgeer van de N’amanth, de middelste ring, was ook lange tijd hagarde geweest. Hij had jarenlang net even buiten Kana’an verbleven en had zich onttrokken aan plichten zoals de jacht of de visserij. Hij had zich in leven gehouden met ijsratten en vogels die het waagden te dicht bij hem in de buurt te komen. Bijna bewegingloos had hij lange dagen in een rommer of in de open lucht doorgebracht en nu was hij de de grote raadsman van de N’amanth’. Of zoiets ook in goede aarde zou vallen binnen de binnenste ring? Kalam betwijfelde het. Hij zette zijn verstijfde benen en armen in om overeind te komen. Dat viel niet mee want zijn ledematen deden zeer en de grond was glad. Zijn voeten gleden bij elke nieuwe poging weer onder hem weg. Eindelijk besloot Kalam het voorbeeld te kiezen van zijn grootvader Valam. Die had vele jaren geleden de moed gehad op handen en knieën Kana’an binnen te komen hoewel jagers altijd de dure eed zwoeren alles tegen te houden dat niet op twee benen binnenkwam.
Het lukte, als een jankerman stond hij op handen en knieën en langzaam gleed hij bijna vooruit over het gladde ijs dat de weg naar Kana’an vormde. Hij was nu blij dat géén van zij vrienden of tegenstanders hem zag. De schaduw van de poort van Kana’an viel al over hem heen maar ook binnen kostte het hem nog moeite rechtop te gaan staan. Hij was zwaar verstijfd doordat hij een paar uur in sneeuw en ijs had gelegen. Leunend op zijn kruisboog stond hij weer en keek hij in het rond. Het waren niet de Anth’ van de Kalan’anth die hem het eerste opvielen maar de warmte. Hier in Kana’an was het warm. Natuurlijk wist Kalam hoe dat kwam maar na zijn barre tocht door de K’arath leek het een nieuwe ontdekking. Warmte!
De mannen en vrouwen van de Kalan’anth keken hem nauwelijks aan. Ze hadden het te druk met het herstellen van hun kleden en het eten en sommigen deden beide tegelijk. Hier in dit gedeelte van Kana’an stonk het altijd naar vervuiling en visolie maar Kalam probeerde zich er dit keer voor af te sluiten, dankbaar als hij was Kana’an weer bereikt te hebben. Iets trok hem zelfs in de schunnigheid waarin de mensen hier hun behoefte deden op slechts een meter afstand van anderen die zich overgaven aan elkaar. De grauwe gezichten, de spottende ogen die haast geringschatting uitspraken voor het mooie kleed dat hij droeg en dat voor hen een copie moest zijn van de blauwe mantel die de A’ake bezat. Deze mensen hielden niet van hem. Zouden ze hem ook haten?
Twee, drie passen deed hij en voor hij het wist was hij omgeven door kinderen van de Kalan’anth. Ze gilden en krijsten tegen hem en vroegen hem om eten. Twee kinderen probeerden de kruisboog uit zijn handen te rukken maar die hield hij stevig in zijn handen. Verder liep hij en al gauw was hij omgeven door een grote groep mannen die hem allemaal aanschreeuwden. Eerst leek het alsof ze hem weer uit hun gebied wilden loodsen maar na een tijdje gaven ze dat op. Verwonderd en verbijsterd keken ze naar de man uit de middelste kring. Aan hun ogen was te zien dat ze niet wisten wat te doen. Het kwam nooit voor dat een groot jager zich onder het simpele handwerksvolk mengde.
Kalam nam de mannen om hem heen en de vrouwen die zich daarachter verzamelden één voor één in zich op. De wanhoop en verbijstering vielen hem eerst alleen maar op maar even later volgde het beeld van eenzaamheid. Hoewel ze met velen waren, leken deze mannen en vrouwen allemaal heel eenzaam te zijn. Het scheen alsof de één niets met de ander te maken had, alsof ze elkaar nauwelijks opmerkten. Was dat het lot van de eenvoudige man en vrouw die zich niet in en met gamor koesterde?
Plotseling drong zich een stevig gebouwde vrouw naar voren. “Jullie moesten je schamen”, zei ze kwaad al verzachtte een flauwe glimlach de boosheid in haar gezicht. “Laat deze jager met rust. Hij verdient respect en eerbied en hij is de “Slapende”. Zien jullie dat niet? De mensen om haar heen zwegen plotseling maar die stilte werd al gauw vervangen door een bewonderend gefluister. “De Slapende”? De vraag veranderde langzaamaan in een uitroep. “De Slapende is tussen ons! Eindelijk is hij daar!” riep een massa stemmen.
Zij bekeken en betastten hem en spraken spreuken uit die hij in de midddelste ring nog nooit had gehoord. Zij spraken van liefde voor de slapende die weldra wakker zou worden en hen dan zou leiden naar een betere wereld. Kalam begon zich hulpeloos te voelen temidden van een menigte onderdanen waarvan hij zich nu de gevangene voelde. Hij had een list nodig om hieraan te ontsnappen maar helaas…listen waren nog nooit bij hem opgekomen. Hij kende wel de kruisboog en het mes maar de kracht van een list was hem altijd ontgaan.
Veel tijd om daarover na te denken kreeg hij niet want de mannen begonnen hem nu de beste stukken van hun ijsrat en waterluiaard aan te bieden. Eenvoudige, rauwe stukken maar wel het beste wat ze hadden. Kalam durfde niet te weigeren. Hij zou deze armen hebben beledigd tot op het bot door hun rijkste bezit af te wijzen. Eén van de mannen sleurde een vrouw met zich mee. “Neem wat van mij is”, smeekte hij bijna en ook dat nam Kalam aan. Hij keek de angstig om zich heen kijkende vrouw zo geruststellend mogelijk aan. “U zal niets passeren”, zei hij rustig maar zij gilde naar de massa. “Hij heeft ons volk uitverkoren.” Kalam beet zich op zijn lippen en besloot voorlopig niets meer te zeggen.
De mannen wezen hem en “haar die de Zijne is” (Anth na Zu) een plek in de buitenste ring. Daar zou hij tot rust kunnen komen en zijn volk kunnen bewonderen. Het viel hem op dat ze stuk voor stuk niet zo lelijk waren als hij vroeger had gedacht toen hij nog in de binnenste ring woonde. Toen beschouwde hij de buitensten als een soort troep hongerige, wilde dieren. Nu zag hij dat in velen het licht van liefde, vriendschap en kracht schitterde. Hij leunde achterover en liet zich op zijn rug vallen. Anth na Zu vlijdde zich meteen half over hem heen maar hij fluisterde. “Laat mij rusten vrouw, ik ben van ver gekomen.” De slaap vertelde de rest.
