Gepost door: Kaj Elhorst | juni 10, 2007

Het spoor

Het was bekend. IJsrat gaf meer kracht en meer warmte dan waterluiaard. Het was het bloed van het dier dat kracht bevatte. Kalam hoorde zijn  bloed in zijn oren bruisen en voelde de kracht in zijn benen. Hij kon een lange dag goed aan en ondanks de dikke lagen rulle sneeuw stapte hij door. Grote stappen. Van tijd tot tijd keek hij nog even achterrom naar zijn rommer die langzaamaan verdween achter de immer groeiende hopen sneeuw De sneeuw bleef komen en plaagde bij tijd en wijle Kalam’s ogen.

Hij deed dat te vaak. Achterom kijken. Heel vaak waren zijn gedachten bij het verleden. Hij had vroeger met open mond geluisterd naar de leidster, Rischhilde, zij die zo mooi kon vertellen uit de gamor anth ‘em, het lied van het volk. Het lied dat verhaalde over vroeger tijden toen er nog geen sluipers waren en toen de Anth’ nog leefden in een immer groene wereld, waar grote opgaande wezens die alleen op de wind bewogen en soms zorgden voor  groene daken die het licht van de zon weg konden nemen. Wezens vol zoete ballen die de mensen alleen maar hoefden op te halen om te eten. Hij kende verhalen van water dat uit de hoogte neer kwam storten, tussen de groene daken door. Uit dat water sprongen de vissen omhoog, zo in de handen van de Anth’. In die wereld hoefde niemand in de kou te graven naar eieren van de waterluiaard, of een wak in het ijs te hakken om te vissen. Daar stond niet bijna elke dag ijsrat op het menu. Niemand zich bekommerde zich toen om de beestenvellen die zijn lijf verwarmden en waar  de zon zo heet wel eens zo heet was dat de gezichten en handen van mensen donker werden, verbrandden. Ja, en hij kende ook het verhaal van de eerste dagen van de nieuwe wereld. Elke letter over de witte en daarna de grijze en zwarte wolken die de nieuwe wereld met witte vlokken hadden gebracht, het was onuitwisbaar in zijn hoofd opgeslagen.

Meer dan de anderen had zijn hart pijn gedaan bij het lied dat verhaalde over de Anth’ die hun woonplek voor het eerst moetsen verlaten om eten te zoeken in plaats van het te vinden, direct naast de deur. Hij kende elke frase over het land dat steeds ijziger werd en alsmaar minder in staat was om de honger te stillen. Het land van zoete ballen en drank … was toen voorgoed verdwenen.

Kalam had het moeilijk om zich iets voor te stellen bij kleur. Hier, in de nieuwe wereld was weinig kleur. Alleen de zon toonde kleuren maar daar mocht je niet naar kijken. Als je dat deed, zouden de kleuren voor goed in je hoofd gebrand staan maar zou je ook nooit meer een ijsrat kunnen vangen. De dieren zouden je gek maken met hun gekrijs zonder dat je wist waar ze waren. Kleur was er ook aan de binnenkant van het vel van de godenvis maar die mocht je niet vangen. Soms kwam er één dood bovendrijven en dan haalden de mannen van de Kana’an het vel eraf. De binnenkant van de vissenhuid vertoonde in het zonlicht veel kleuren. Die gaven de kleding van de A’ake en zijn familie meer glans. 

Moeilijk had Kalam het ook met de hoog oprijzende wezens die alleen in de wind bewogen en het licht van de zon konden wegnemen. Het leek hem haast onmogelijk maar hij durfde niet te twijfelen aan het lied van de Anth’em. Bovendien had zijn oude oom Asgard vroeger veel gereisd, jarenlang was hij onder de wagarden geweest. Hij had één keer zulke wezens gezien. Hij had ze voor Kalam, die zijn oom wel wilde geloven, in het ijs getekend maar oom Asgard werd in de familie toch meestal niet helemaal vertrouwd. Sommigen zeiden dat hij leed aan “hiksa”,  lucht in het hoofd. Dan kon je dingen bedenken die je nog nooit had gezien.

Het werd al weer wat lichter al bleef de sneeuw nog vallen. Kalam voelde hoe hij zijn benen wat moeilijker door de hoge hopen voortsleepte. Zijn verlangen naar Kana’an groeide maar zijn moed om er aan te komen kromp. Dat haatte hij. Als A’ake moest je moedig zijn en altijd weer opnieuw voort kunnen gaan. Misschien leek hij wel teveel op zijn oom Asgard om A’ake te zijn. Misschien zou hij ook wel op reis gaan maar daaraan wilde hij nu niet denken. Vanavond in Kana’an, nam hij zich steeds weer voor. Wat dat ook zou betekenen. Rannhald mocht de nevel van zijn vader niet “verblazen”, laten opgaan.

Net nam hij weer een grotere stap toen hij zag hoe er iets bewoog, links van hem. Alsof een plat, breed dier langzaam over de grond kroop. Een zxacht schurend geluid bereikte zijn oor. Hij voelde hoe zij hart sneller begon te kloppen. Met zijn handen omsloot hij zijn ijsbijl en mes van luiaardbot. Als wagarden of zelfs sluipers het op hem hadden voorzien dan zou hij zich weren…

 

 www.mythologie.wordpress.com


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën