Gepost door: Kaj Elhorst | mei 26, 2007

Het vergeten woord

antartica_01.jpg

De rommer stond, nou ja hij lag er een beetje bij. Kalam had al in zijn jongste jaren geleerd hoe een rommer te maken, een ijshut. Moeilijk was het allemaal niet, behalve de “zucht”. Voor de “zucht” moest je een opening maken in één van de ijsplaten die het dak vormden. Het ijsbrok dat je uitzaagde liet je dan op vier blokken ijs steunen boven het gat. Zo kreeg je een opening waar wind en sneeuw niet meteen naar binnen konden maar die je wel de kans gaven om te ademen, ook al vormde zich overal om je rommer heen een dikke sneeuwlaag. 

Kalam bekeek het bouwwerk goedkeurend. Voor één nacht zou het voldoende zijn en morgen moest hij weer verder. Voor de na-volgende ijsrand moest hij in kana’an zijn. Langer zou zijn familie niet op hem wachten. Ze zou hem beschouwen als een wagarde en dat wilde Kalam niet worden.

Toch voelde hij wrok, diep ingesleten wrok. Eén dag geleden had zijn vader, de A’ake, de blauwe mantel om de schouders van Ranhald gelegd. Dat was het teken dat Ranhald in de ogen van zijn vader het meest geschikt was om na de “Nevel van de A’ake” diens taken over te nemen. De “Nevel van de A’ake”, de dood van Kalams vader, zou niet zolang meer op zich laten wachten. Maar Ranhald? Ranhald maakte niet eens deel uit van de middelste cirkel, de k’alan,  van de kana’an. Helemaal niet zelfs. Hij was familie van familie en leefde in de buitenste cirkel, de k’alan ath.

Meteen was Kalam uit de kana’an vertrokken. Hij moest uitwoeden, zoals de Ath’ dat noemden. Zijn woede verliezen “in  het spoor van de waterluiaard”. Wat hem het meest zeer had gedaan, was dat zijn vader niet eens naar hem had gekeken bij het omleggen van de mantel. Het besluit om Ranhald tot A’ake uit te verkiezen, stond dus zo goed als vast. En hij, de zoon van de A’ake? Wat kon hij doen om “de wind te slaan”?

De zon liet nu alleen nog een paar laatste stralen boven de ijsrand uitkomen. Thuis zouden ze nu aan de soep van waterluiaard zitten, misschien met stukken vis. Het water liep Kalam in de mond en hij voelde zijn maag knorren. Het werd tijd om te eten maar daarvan zou niet veel terechtkomen. Tenzij hij nog een ijsrat kon verschalken of een ijshuiler, één van de zeldzame vogels, maar het zou niet gemakkelijk zijn, zo laat op de avond.

Kalam keek in de verte of er nergens een gemakkelijke prooi viel te bekennen. Ginds, waar de zonnestralen onder de ijsrand zakten ontdekte hij alleen twee, drie Ath’. Hun contouren staken scherp af tegen het licht van de zinkende zon. Vrijwel zeker waren het wagarden die een groep hadden gevormd. Kalam had geen enkele behoefte om kennis met ze te maken. Een groep wagarden was meestal maar op één ding uit: het leven van de eenling.

Terwijl hij de honger voelde knagen, dook Kalam weg in zijn rommer. Morgen, bij het ochtendrood zou het leven hem meer kansen bieden. Slapen? Dat zou hij zker niet doen zolang hij niet was uitgewoed. Nee, hij zouv de hele acht wakker liggen met die éne brandende vraag: A’ake, waarom? De rust zou niet komen en Kalam vergat zelfs zijn “Na tha, na Gamor, na rulia benin. Asta effe rulia grannahin” voor de nacht.

http://mythologie.wordpress.com


Laat een reactie achter

Jouw reactie:

Categorieën