Gepost door: Kaj Elhorst | mei 17, 2009

Het schip

 

 

 Het was nu 40 graden boven nul en geen Aldemundter kon zich een warmere dag in het dorp herinneren. De Osme-zomer brandde dit jaar wel heel erg op het land. En toch…niemand had er aandacht voor. In een lange stoet daalden de mannen vrouwen langs het bergpad naar het strand naar beneden. De handen op elkaar gevouwen alsof zij een brug vormden en de gezichten naar boven gericht. Voor hen uit droegen acht mannen de twee schepen die Trimmen en Weemer hadden gevouwen van doeken en lakens en waarin de dode lichamen van de twee jongenswaren verpakt. Lichamen? Randa durfde zich nauwelijks voor te stellen hoe de jongens er nu uitzagen. Ze keek met zich heen en ze zag dat er ook door anderen zo nu en dan een siddering ging. De mensen keken angstig en onwennig bij deze uitvaart. Letterlijk, een uitvaart of , Heleens, een merhaan. De Aldemundters waren gewend hun doden in een open kist naar het graf te dragen maar daarvan zouden ze in het vervolg af moeten zien. In plaats daarvan waren op de “schepen” schilderingen aangebracht van de jongens. Voorop liepen de familieleden van de jongens met de Moden, de usker, Weemer en Trimmen. De laatste had gewacht met zijn terugweg totdat deze droeve dag voorbij was. Hij was immers de aanstichter van deze gang van zaken en hij wilde daarvoor ook verantwoording afleggen als het nodig zou zijn. Randa dacht ook aan Ramold die als enige in het dorp was achtergebleven omdat hij niet uit zijn huis mocht komen. Bij deze uitvaart wilde hij liever al helemaal niet zijn want sommigen zouden hem opnieuw aanwijzen als moordenaar. Gelukkig, wist Randa, waren er nu steeds meer mensen die daaraan begonnen te twijfelen maar zijn onschuld, nee, die was nog bij lange na niet bewezen.De lucht was wolkenloos en hier en daar cirkelden vogels rond, vooral boven de zee om dan weer een steile duik naar het water te doen om een visje te pakken. In de verte, in het westen leek zich een wolkendek te vormen maar Randa wist dat die wolken weer zouden afdrijven, vooral naar het noorden. De Osme-zomer bracht Aldemundt steevast langdurig hitte. Daarom was het zo goed dat de dwijne en het andere graan nu van de akkers was verdwenen. Het zou er maar verkommeren. De voorsten in de stoet hadden nu het strand bereikt. Zij lieten zich de weg wijzen door Weemer en Trimmen. Op weg naar “het kanaal”zoals de smalle stroom verderop inmniddels in de volksmond heette. Plotseling keek Randa weer op. De wolken in de verte leken witter te worden dan eerder en ze leken ook steeds minder op wolken. Ze zagen eruit als schepen met opbollende zeilen. Het wit werd zilver en de contouren van de schepen zetten zich vast op Randa’s ogen. Zij zuchtte maar bracht geen geluid en zeker geen woord uit. Dit was niet het moment. “Gaat het nog goed?” Het was Syfa’s stem die zich bij haar gedachten voegde. “Zeker, het gaat goed”, Randa glimlachte flauwtjes. “Voor zover het goed kan gaan op een dag als vandaag. Im dacht even een beeld te hebben van het voorland van onze gestorvenen maar het zal niet meer zijn geweest dan een beeld.” “Elk beeld is werkelijkheid”, meende Syfa ernstig. “Als je ergens aan denkt, is het er al. Je moet het dan alleen nog maar naar je toe halen of van je afstoten. Het lijkt soms wel of dat hier op Mende nog meer geldt dan vroger, op aarde.” Ze hoorden nu van alle kanten steeds opgewondener fluisteren. Randa maakte zich los van de stem van haar vriendin en keek opnieuw voor zich uit. Het zilver was goud geworden en de schepen waren nu vlak onder de kust. Ook de anderen zagen de vloot liggen. Er ging een bewonderend gemompel door de stoet. Osme liet zijn stralen nu helder weerkaatsen op het water en op de zeilen. De zeilen flonkerden nog mooier dan het zonlicht vlak boven het wateroppervlak. Randa probeerde te zien of zij aan boord van de schepen ook figuren kon ontdekken maar er bewoog niets ook al bleven de zeilen bol staan. Zij voelde een wind die haar haren niet bewoog en waardoor ook geen jassen of rokken opwoeien. Maar zij wist het, ze was niet de enige die het zag. “”Mende toont zijn rijkdommen”, sprak de usker zachtjes. “Onze doden worden ontvangen door de planeet”, stemde de Moden in. “Wonderbaarlijk”, Trimmen keek met stralende ogen naar de zee en zag de gouden schepen naderen. “Dit heb ik in Bixhoorn niet zien gebeuren.”Hij stootte Weemer aan maar deze gaf geen antwoord. Hij voelde zich vertwijfeld. Op aarde hadden hij en talloze anderen al lang afscheid genomen van het bestaan van wonderen en nu … hier leek ineens iedereen erdoor te worden aangeraakt. “Op vallend”, ging Trimmen verder. “Wij komen van de aarde war we de wonderen hebben afgezworen en hier weten we allemaal zeker dat ze zich aan ons voordoen. Ik vraag me af … is het de onbekende omgeving, de geheime planeet die ons gevoelig maakt voor dit soort verschijnselen?” Het antwoord kwam deze keer van de Moden. “Waar wij op aarde soms moeite deden om verwondering te voelen, daar dient ze zich hier uit zichzelf aan. Wij hebben nog geen verklaringen gevonden voor dat wat zich aan ons voordoet en zie … we zijn meteen bezig met verklaringen te zoeken. Het zou mooi zijn als we tevreden konden zijn met de verwondering zelf.”Dat kon Trimmen niet ontkennen maar hij voelde in zich de drang om te verklaren. “Ik ben onderzoeker, wetenschapper. Ik wil kunnen indelen en onderbrengen, desnoods in het land der fabelen. Maar een verklaringloos aanschouwen. Dat is mij niet gegeven.” “Het gaat erom”, mengde Weemer zich nu in het gesprek. “Het gaat erom of een verklaring gewenst is. Je kunt niet waardenvrij verklaren en als de waarde geen belang vertegenwoordigt, moet je de verklaring nalaten.” De Moden glimlachte begrijpend. “Daarvoor is wel erg veel discipline nodig, Weemer. Het is de vraag of mensen dat ooit kunnen op brengen.” Ze stonden nu aan het “kanaal”. Het was nu tijd om de “schepen” in het water te zetten en ze naar zee te laten afdrijven. De Aldemundters richtten zich nu weer op de beide “schepen” en zij luisterden naar de stem van de usker. “Vaar wel en voegt u nu bij de vloot die de uwe is.” Zijn woorden klonken zo wonderwel toepasselijk. Had hij ze nu net ter plekke bedacht? De beide rollen dobberden over het water en de Moden gaf beide met een roeispaan een duw in de richting van de zee. Langzaam leken zij naar het diepe water te worden toegetrokken. Het was alsof de gouden vloot zich weer van de kust verwijderde maar Randa wist zeker dat vanaf elk schip een gouden draad liep naar de bundels waarin de jongens waren verpakt. Steeds sneller dreven ze naar de zee en eindelijk bereikten ze het open water. Daar begon op beide een vlam te branden, een vlam die groeide en groeide totdat hij de hoogte van een volwassen man had gekregen. Randa keek nu naar de ouders van de jongens. Zij hadden geen betraande gezichten meer en hun ogen straalden geen droefenis meer uit. Zij wuifden naar de bundels die nu verder op zee verdwenen terwijl de vloot weer van goud naar zilver kleurde. Het leek bijna of zij blij en opgetogen waren maar dat was natuurlijk niet zo. Toch had de verschijning van de gouden vloot een groot deel van hun onzekerheid en hun gevoelens van eenzaamheid verjaagd. Hier op Mende zou de dood nooit eenzaam zijn. Zij liepen nu met vlotte pas tussen de andere Aldemundters door en zij keken elke dorpsgenoot dankbaar aan. De Moden, de usker, Trimmen en Weemer volgden en zo begon de hele stoet aan haar terugtocht. De Moden zocht nu de ogen van Berg Wamerhorn. “We hebben afscheid genomen. Misschien was het nodig om op een goede, onbevangen manier kennis te gaan maken”, zei hij. “Je bedoelt natuurlijk de expeditie”, reageerde Berg. “Ik denk wel dat we vandaag allemaal iets hebben geleerd en daarvan kunnen we op onze reis heel veel voordeel hebben.”Hij keek opnieuw naar de zee. In de verte was alleen nog een wit wolkendek te zien dat langzaam afdreef naar het noorden. “Maar de boodschap is duidelijk. Morgen moeten we weer gewoon zakelijk aan het werk gaan en de dingen doen die hard nodig zijn. Morgen zal er geen gouden vloot zijn, tot op de dag dat we weer iemand naar zee brengen.” “Misschien”, meende de usker. “Misschien was dit wel de eerste en de enige keer dat we zo’n gouden vloot te zien kregen. De eenmaligheid van een verschijnsel maakt het niet minder waar dan de herhaling ervan.” “Hmm”, Weemer kwam nu dichterbij lopen. “Dat zou jammer zijn want eenmaligheid verplicht tot jet vastleggen van waarden en alleen daardoor al zal het licht verbleken.” “Nou”, begon Trimmen. “jullie klinken wijs maar ik zou vooral graag willen weten waar dit verschijnsel zijn oorsprong vond.” Weemer grijnsde. Hij had er een idee van maar het was veel te vroeg om daarover iets te zeggen. Randa had het gevoel dat ze zweefde toen ze bij Ramold aan de deur klopte, alsof ze de hele tijd in een droom had gelopen. Nog bovenaan het klif had ze over de zee uitgekeken maar de wolken weg. Tot ver aan de horizon reikte niets dan een effen, blauwe lucht. Ranold deed zelf de deur open en trok zijn vriendinzachtjes naar binnen. “Ik hoop niet dat iemand me ziet”m fluisterde hij. Randal glimlachte verlegen. “Wat zeg je //?”Ramold zag dat zijn vriendin er met haar hoofd niet bij was. Hij herhaal;de zijn opmerking niet. “Zal ik een glas pomeran voor je inschenken?”vroeg hij zachtjes. Randa knikte langzaam. Ze ging aan de grote, ronde tafel in de achterkamer zitten en liet haar hoofd op haar handen rusten. Haar lange haar hing nu langs haar schouders recht naar beneden alsof het een gordijn was. “Het was prachtig, Ramold, je moet me geloven. Ik weetr dat je er niet over wilt praten maar ik moet het kwijt. Het was zo schitterend. De manier waarop die beide “schepen” vanuit het “kanaal” naar de zee toe dobberden en toen … .” Ze slikte moeilijk. “Ja, en toen>” Ramold kwsam nu met een glas met dezelfde zoete drank naast haar zitten en nam een slok. “En toen?”Randa keek hem met een oog zijdelings aan. “Je moet me beloven dat je me gelooft en dat je niet gat lachen.”Ramold legde zijn arm om de schouders van het meisje. “ Er valt in deze hele zaak voor mij weinig te lachen”, zei hij zacht. “Vertel op, wat is er gebeurd? Ik geloof je, ik geloof je altijd. “”Eerst leken het de gewone witte wolken die ’s middags wel eens naar het noorden afdrijven maar nu was het anders. Het wit werd zilver en de wolken namen de vorm van zeilschepen met bolle zeilen aan. Langzaam veranderde de kleur en het zilver werd goud. WE zagen het allemaal, Ramold, echt alle Aldemundters en zelfs Trimmen hebben het gezien. Ja zelfs Trimmen, die is toch behoorlijk ongelovig wat dat betreft. Hij kon zich er niet aan onttrekken. Het leek net of de gouden schepen de scheepjes met de doden uit het kanaal met zich meetrokken, ver de zee op.” Randa nam een slok van haar pomeran en draaide haar gezicht naar Ramold toe. “Toe zeg dat je het gelooft. “ Ze voelde zijn aarzeling maar zee bleef wachten tot het antwoord kwam. “Je hoeft niet zoveel uit te leggen”, zei hij. “Ik heb alles gezien. Terwijl jullie op het strand stonden, keek ik vanuit de zolderlamer over de zee uit en ook ik heb de gouden schepen gezien. Ik dacht eerst dat er iets mis was met mijn ogen maar ze werden steeds duidelijker en scherper omlijnd. Ja heus, ik de scptische Ramold, heb die dingen ook gezien. Ik zag ook hoe ze weer langzaam verdwenen en ik heb het lict gexzien dat flitste toien het laatste zeil in de lucht leek op te gaan. Het was wonderbaarlijk,m het was een wonder,. Verklaren kan ik het ook niet. Misschien raken we zolangzamerhand gewend aan dingen die we vroeger niet kenden. Het lijkt wel of daardoor ineens alles kan wat vroeger onmogelijk was. Ik heb me in elk geval voorgenomen nooit meer te lachen om iemand die mij iets zegt over een wonder.” Randa keek haar vriend nu ernstig aan. “Ik ben zo bang geworden ook al kreeg ik even hoop toen die gouden schepen kwamen.” “Ook ik ben bang”, gaf Ramold toe. “Ik heb geen idee waar dit allemaal zal eindigen maar ik geloof in ons.” Hij trok Randa dichter tegen zich aan en kuste haar langdurig. Ze gingen zo in elkaar op dat ze niet zagen hoe de kamerdeur even openging. De ouders van Ramold keken om de hoek. “Ik denk dat we beter even boven kunnen gaan zitten”, zei zijn vader tactvol. “Het voordeel is dat we daar nog even over de zee kunnen uitstaren en denken aan het beeld dat we vandaag hebben gezien. Wat mij betreft is Mende een bijzondere planeet. Ik ben blij dat we 22 jaar geleden hebben besloten de grote stap te wagen.” “En anders ik wel”, gaf zijn vrouw toe. “Dat was het dan”, Trimmens stem klonk opgewekt. “Ik ben hier al weer langer dan ikm eerst van oplan was. Het wordt hoog tijd dat ik weer op pad ga.” Hij keek naar de stralende lucht. “En waarom zou ik niet eens midden op de dag vertrekken.” “Jammer”, vond Weemer. “Ik had graag nog eens wat langer met je gesproken over een planeet met karakter.””Ach ja”, meende Trimmen. “En planeet met karakter, dat is de aarde ook maar een karakter is altijd het mooiste als we het aan het ontdekken zijn. Ik ga vanmiddag, Weemer. Denk je dat ik nog wat te eten kan krijgen in de winkel hier.”? Weemer maakte een wijds gebaar. “WE zijn hier geen achterggebleven gebied. In de winkel is alles wat je nodig hebt, vlees, graan, fruit, noem het maar op.” “Ik moet spullen hebben voor een week, denk ik. Tegen die tijd ben ik wel weer thuis.” “Doe je er zolang over”m Weemers stem klonk verbaasd. “Ja zeker”, stelde Trimmen vast. “OP de terugtocht mmaak ik een omweg. Ik ga eens op het strand kijken. Misschien kom ik nog wel meer van die duimgrote wezens tegen of misschien nog wel iets heel anders. Ik ga eens even kijken of ik nog een paar raadselen kan ontmoeten. Dan heb ik weer iets te doen als ik thuis ben.” Weemer keek hem onbegrijpend aan. “Maar het grootste raadsel zijn toch al die mensen die op een nieuwe planeet wonen. Hun gedrag, hun denken, alles verandert. Daarmee wil ik me in de komende tijd eens wat meer bezighouden. Waar komen al die veranderingen toch vandaan.” Trimmen antwoordde razendsnel. “Ik hoop dat ze veranderen want op aarde hebben ze er maar een beetje een potje van gemaakt. Het beste wat ze ooit hebben gedaan, is dat ze ons hebben laten gaan. Voor de rest was het allemaal niet zo bijzonder. Ik zou graag zien dat het hier wel iets moois wordt.” Het vrij kleine gebouw lag een beetje verdrukt tussen de tempel en de grote schuur aan de andere kant. Aldemundters haalden er dagelijks alles wat ze nodig hadden. “Waarmee moet ik eigenlijk betalen?”vroeg Trimmen maar Weemer stelde hem meteen gerust. “Ik denk dat jij helemaal niet hoeft te betalen. Je hebt vreselijk veel voor Aldemundt gedaan. Hier in het dorp betalen we trouwens nooit. Iedereen zet zich in voor de samenleving en hij kan in de winkel halen wat hij nodig heeft. De winkelier zorgt ervoor dat er voor elk steeds in voorraad is wat hij nodig heeft.” Trimmen keek er niet erg verbaasd van op. In Bixhoorn was de dagelijkse gang niet veel anders al spraken ze in de Modaal wel en over de invoering van een soort geld. Bixhoorn was tenslotte ook drie keer zo groot als Aldemundt. Tot nog toe hadden ze toch nog geen geld nodig want iedereen kende al zijn dorpsgenoten. Snel was hij klaar. Voor een week had hij in zijn entje niet veel nodig maar hij kocht wel veel verschillende dingen. Broodbessen, freesbrood,….melk en -kaas, vlees van de …., merkels*** , garonade****, zes flessen gome en gaddering en pollendop***** Weemer hielp hem de etenswaren naar zijn wagen te brengen. In de centrale grot haalden ze ook nog twee jerrycans met vijftig liter water. “Ik heb nog …….. aan boord. Het lijkt em dat ik het onderweg zo goed uit kan houden”, zei hij tevreden. “Zodra ik thuis ben, wix ik je. Als het meezit neem ik een paar van die kleinduimpjes mee. Ik wil beslist eens weten wat het voor wezens zijn en of ze met een mens kunnen samenleven. Misschien zijn het wel leuke dieren voor kleine kinderen.” Weemer lachte breed. “Je ziet het helemaal voor je he, een tafel vol met die apen.” Het woord was eruit Weemer was ervan overtuigd dat de duimkliene mannetjes en vrouwtjes een soort aap waren. “Apen, ja wie weet”, zei Trimmen langzaam. “Je zou best eens gelijk kunnen hebben. NMaar aan de andere kant, ik denk dat de dieren hier echt anders zijn dan op aarde, zelfs al lijke ze wel eens veel op een vogel of een hond.” Bij het laatste woord keek hij door de voorruit van het huis van Weemer. “Kijk, Obdoekil zit rustig op me te wachten. Hij komt nu naar het raam toe want hij heeft me herkend. Hij gedraagt zich vaak als een hond maar het is er geen. Welke hond knaagt er nou op wortels?” De mannen gingen het huis van Weemer binnen. Er hing nog de lucht van de dode raak die ij middenuin de nacht al eerder naar zee hadden gebracht. “Toen waren er geen goude”n schepen”, merkte Weemer op. “Toch vreemd, vroeger zei de RK-kerk dat dieren geen ziel hadden. Zou dat er iets mee te maken hebben.” Trimmen schudde wild zijn hoofd. “Ga nou niet de gebeurtenissen hier gebruiken om het gelijk te bevestigen van een kerk die zelfs op aarde al lang dood en begraven is omdat de mensen ziek werden van alle vooroordelen. “Mijn bet-bet-bet-over-overgrootvader was RK”, merkt Weemer zuur op. “In het jaar 2067 is hij overleden.” “Mooi”, haakt Trimmen daarop in. “En met hem stierf dat oubakken geloof van hem.” “Bijna wel”, geeft Weemer toe. “Honderd jaar later was het vergeten en versleten. Hij was eenn van de laatsten die er lange tijd aan vast hield. Tot op zijn allerlaatste dag.” “Hoe kun je dat wete”?”vraagt Trimmen nu. “Uit brieven en trouwens, Jorwert van Hornhaaf wordt in de geschiedenisboekjes genoemd…als handhaver van het pauselijk geloof. Ooit klom hij met een fakkel in de vorm van een kruis op de woning van de Paus, het Vaticaan. Onder het uitroepen van de kreet “eternitate vos peritis”, voor de eeuwigheid zullen jullie vergaan. Daarmee doelde hij op alle vijanden van het geloof en dat waren er vele in die tijd.” Trimmen lacht schor. “Ik begin langzaam aan heel veel van je te begrijpen, Weemer.” De Aldemundter keek hem argwanend aan maar ineens lichtten zijn ogen op. “O ja, en noem mijn naam niegt tegenover Syfa Hermondt-Degelaar want dan zal die spreuk ook voor jou gelden.” Trimmen laat nu een bulderende lach horen. “Maar ze zal naar je vragen.” “Zeg dan maar dat ik getrouwd ben en heel gelukkig.” Het antwoordt schiet als een pijl uit een boog op Trimmen af. “Mij best, maar het is een ondernemede dame. J hebt zomaar kans dat ze op een goede dag voor je duer staat.” “Als jij haar dan maar niet de weg wijst”, houdt Weemer vol. “Ook goed, wat je wil”, vindt Trimmen. Hij roept zijn tamer en draait zich langzaam om. Ik geloof niet dat ik nog kleren bij je thuis had liggen”, zegt hij. “Volgens mij ligt alles in mijn wagen. Ik zal straks nog even bij de Moden langs gaan om afscheid te nemen en dan ga ik.” Hij omelst zijn vriend stevig en kort en draait zich om. “Kom Obdoekil, we gaan weer op reis.” De grote, zware tamer lijkt zijn kop te schudden en kijkt zijn baas aarzelend aan. “Zolang aarzelde hij niet toen hij op een goede dag ineens voor mijn deur stond. Dat is nu drie jaar geleden”, lacht Trimmen. Hij wilde en hij zou beslist bij me naar binnen komen en toen heeft hij meteen mijn woonkamer in beslag genomen. Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Hij kan soms vreselijk veel herrie en drukte maken maar meestal ligt hij aan mijn voeten “ Ook Weemer moet nu lachen. “Hier in het dorp heeft alleen Randa een tamer. Het is maar een klein beestje. Ze heeft het diertje gevonden toen ze een wandeling langs het Hanebrood maakte. Het dier had daar een goed heenkomen gezocht en liep onmiddellijk met haar mee. Ze gedragen zich wel een beetje als de aardse honden maar ze zijn ook heel erg nieuwsgierig en van meet af aan aanhankelijk, geloof ik.” Trimmen knikt. “Dat kun je wel zeggen en soms zijn ze ook veel luier dan een hond. “Kom op, Obdoekil, de baas wil gaan.”Hij geeft het dier een stevige por aan de bovenkant van zijn middelste linkerpoot. Deze keer staat hij langzaam op en begint hij de hand van zijn baas te likken. Zwenkend over de hele lengte van zijn lijf sloft hij achter Trimmen aan. “Als hij eenmaal op gang is, hoef ik hem niet meer aan te sporen. Zodra ik wil gaan zitten, kijkt hij me weer aan of dat nou echt nodig is.Ik denk dat hij eigenlijk niet van verandering houdt.”” “Dat is nog nuiet zo’n gekke”, mompelt Weemer half-luid. “OK, Weemer, we wixen!” “Ja zeker”, bevestigt hij. “Maar over een dwindel ben ik op pad. Op zich is dat niet zo erg want ik ben waarschijnlijk gewoon via de wix bereikbaar, alleen zal ik niet altijd meteen antwoorden.” Trimmen steekt zijn hand nu omhoog en pakt de tamer bij een oor. “Even naar de Moden en dan gaan we weer, jong.” Even, ja, ja, dat had Trimmen gedacht. De Moden was deze keer in zijn kantoor dat meteen aan de tempel grensde aan het werk. Met grote stappen ging Trimmen naarbinnen. Dat ging gemakkelijk want de voor deur stond open en de Moden wenkte hem en zijn tamer. “Ik moet eindelijk eens wat papierwerk wegwerken”, zei hij. Hij hurkte bij Obdoekil neer en gaf hem een alachkoekje. Het dier slobberde de lekkernij weg en keek alsof hij nog veel meer verwachtte. “Papierwerk?” vroeg. Trimmen. “Zet nu niet alles vast op de magon******?” “Ja zeker wel”, gaf de Moden toe. “Maar ik noem het papierwerk. Dat heb ik zo geleerd. Ik ben een man van de oude stempel.” “Ja maar papier”, lacht Trimmen. Dat materiaal zien we normaal alleen nog maar in musea voor de oudheid.” “Het is de oude adel in mijn botten”, lacht de Moden weer. “Je moet weten dat ik vrij nauw verwant ben aan de prins. Ik ben tot nog toe het enige lid van zijn familie dat naar Mende is verhuisd. Maar. Vertel me eens, wat zijn jouw indrukken van Aldemundt?” Trimmen had die vraag niet verwacht en keek even de kamer rond. “Denk maar even na een neem een glas gome, dat vind je geloof ik lekkerder dan pomerans. “Klopt”, glimlacht Trimmen. Hij neemt een stoel, schuift dichter naar de tafel en krult zijn lippen. “Aldemundt is wel een beetje wat ik ervan had verwacht”, zegt hij langzaam. “De oudste nederzetting van Helen op Mende, u zei daarnet al, echte oude adel. Wel een beetje stijfjes en erg deftig. Niet echt mijn keuze.” De Moden knikt. Hij zet een glas gome voor Trimmen neer. “Ik kan je goed begrijpen. We moeten hier erg voorzichtig omgaan met de gevoelens van mensen. Natuurlijkw aren het oorspronkelijk allemaal avonturiers maar toen ze eenmaal voor het eerst voet op de bodem van deze planeet zetten, was er veel bravour vanaf. Niet de hoop is ons ontschoten maar de moed is wel een beetje weggevloeid. Veel mensen hebben hier nog steeds het idee dat we hier in een soort isolement leven, alsof er verder niemand is. Dat geeft een gevoel van eenzaamheid en het wekt achterdocht op. Wat voor noodlot hangt ons boven het hoofd?”Trimmen wil de Moden nu in de rede vallen maar deze blijft doorspreken. “Er zijn ook mensen die zich verheven voelen boven alles wat zich hij er aan onverwacht levende wezens zal kunnen voordoen. Voor zulke gedachten zijn vooral de katelingen gevoelig. Zij hebben immers geen vergelijkingsmateriaal, alleen de mensen en dieren aan boord van de Arketan. Het is mijn hoop dat de expeditie van Berg Wamerhorn daaraan het nodige veranderen. Het zal het gevoel van isolement vast en zeker doen verdwijnen.” Trimmen kijkt de Moden onderzoekend aan. “En uzelf?” De Moden staat op en loopt naar het raam. Het lijkt of hij geen antwoord wil geven en bijna wil Trimmen iets zeggen om de reactie te bespoedigen maar dat is niet nodig. Langzaam draait de Moden zich om. “Ik ben er een van het Huis van Telgen-Nespel”, zegt hij. Hij kijkt zijn bezoeker langdurig aan. “Een volle neef van prins Paup van Helen. Misschien wist u dat niet.” Trimmen knikt om aan te geven dat hij daarvan niet op de hoogte was. “Mijn vrouw is obdoelin Syfa van Ferdersveldt, hoge adel. Wij Telgens hebben ons nooit erg op onze afkomst laten voorstaan al zien mensen ons als helden. Dat is altijd een bindend element geweest en dat was voor mi en mijn vrouw ook een reden om naar Mende te gaan. We zijn niet beter dan andere mensen maar we hebben altijd wel meer kansen gehad om ons te richten op de Hornich en op de taak die ons erfelijk was toebedeeld, voorspreker en bindende persoonlijkheid zijn in een land vol wijze mensen waar toch ook verschillen bestaan. Paup is daarvan een goed en levendig voorbeeld. Ik heb mijn neef altijd op handen gedragen. Hij is vijf jaar ouder dan ik en was lange tijd een voorbeeld voor me. ”Trimmen wil de Moden nu in de rede vallen maar deze maakt een afwerend gebaar. “Ik heb nooit veel op gehad met onze erfelijke positie, dat was het grote verschil tussen mij en Paup. Logisch ook, hij is opgevoed als troonopvolger maar het verschil tussen hem en mij is niet zo groot. Ik ben wel heel erg doordrongen van het belang van een lange familietraditie. Als die goed is, kan ze staan voor goed leiderschap. In dat opzicht ben ik een echte aristocraat al probeer ik dat hier zoveel mogelijk te verheimelijken. Ik kan de mensen hier moeilijk beschouwen als mijn “onderdanen”Deze planeet is niet meer van mij dan van hen. Het is trouwens nog maar helemaal de vraag of dat “meer”op aarde wel bestaat maar daar wil ik het nu even niet over hebben.” De Moden leegt zijn glas nu in een teug en kijkt Trimmen vrolijk lachend aan. “Het is een hoop ernst bij elkaar terwijl er vrolijkheid hoort bij het afscheid van iemand die je graag mag want dat feest is het symbool voor de hoop op terugkomst. Je zult je afvragen waarom ik je dit allemaal vertel.” Trimmen drinkt met kleine slokjes zijn glas leeg want hij heeft al lang begrepen dat het geen zin heeft om de Moden in de rede te vallen. “Ik ben eigenlijk bang, Trimmen. Ik loop niet dagelijks rond met veel angst maar ik ben wel bang. Ik heb het gevoel dat Aldemundt ooit de ambitie krijgt om zich te ontwikkelen als de eerste en dus de enige echte vestiging van aardlingen. Dat er hier mensen zullen zijn die de rechten en behoeften van andere mensen op Mende zullen ontkennen. Dat er een superioriteitsgevoel ontstaat. Aldemundt is welsiwaar de kleinste van alle nederzettingen maar het gif kan zich heel geleidelijk over andere dorpen gaan verspreiden. Aldemundt mag geen heiligdom of middelpunt van de mensen op Mende worden. Juist Aldemundt niet. De mensen zouden gaan denken dat daarin rechtvaardigheid zit omdat we hier de eerste mensen op Mende waren maar darain zit geen rechtvaardigheid. Er zit een waandenkbeeld in.” De Moden pauzeerde nu even en Trimmen voelde de kans om te reageren. “Maar bent u daarvoor dan echt bang? Zijn er Aldemundters die de gedachte aanhangen?” De Moden stond op en begon opgewonden heen en weer te lopen door de kamer. “Ik hoor niet alles en ik zie niet alles maar …ik voel. Dat is mij als loot van het huis van Telgen-Nespel gegeven. Het komt met flitsen alsof er iemand berichten naar mijn hersens wixt. Nee, ik heb nog niemand erover horen spreken maar ik zie het aan de ogen van sommigen. Ik kan er niet eens meteen namen aan hangen maar het is een algemeen beeld dat blijft hangen en het maakt me bang, meer bang nog dan bezorgd. Bezorgd word ik pas als ik daadwerkelijke acties van mensen in die richting zie.” Weer pauzeert hij even: “Ik vertel het jou omdat ik wil dat er iemand buiten Aldemundt weet dat het gevaar bestaat. Dat er waakzaamheid geboden is, geen agressie maar waakzaamheid. Er moeten mensen zijn die goed luisteren en vooral goed begrijpen wat er gebeurt met ons mensen op Mende.” Hij kijkt Trimmen nu van de andere kant van de tafel zorgelijk aan. “Ik heb geen voorspellende gaven en ik ben niet helderziend maar ik voel wat er leeft onder de mensen die om mij heen leven. Jij kunt ermee doen wat je wilt. Je hoeft me niet eens te vertellen of je er iets mee gaat doen maar als je er iets mee doet, doe het dan goed.” Plotseling bekruipt Trimmen het gevoel dat de Moden hem een boodschap wil overbrengen waarvoor hij geen bewijzen heeft, Het is best mogelijk dat de Moden wel namen in gedachten heeft maar dat er nergens bewijzen voor bestaan. “Vreest u de ontwikkelingen binnenkort?” vraagt hij nu geïnteresseerd. De Moden kan aan hem zien dat hij zijn belangstelling heeft. “Deze ontwikkelingen hebben altijd heel snel en sluipend plaats. Je kunt zelden zeggen of het morgen komt of overmorgen. Ik denk dat het nog wel enige tijd zal duren, eerst moet zich een belangrijke gebeurtenis voordoen, bijvoorbeeld de terugkeer van Bergs expeditie en misschien ook iets anders.” “Verdenkt u Berg van zulke plannen?”vraagt Trimmen. Hij begint nrustig op zijn stoel heen en weer te schuiven. Zou het misschien ook nog de Moden zelf kunnen zijn die hem in een val probeert te lokken? De Moden glimlacht. “Berg? Er zijn geen mensen op wie het kwaad geen vat heeft maar als er een is die zich daartegen kan verzetten, dan is het Berg. Aan de andere kant weten we niet wat hij op zijn expeditie tegenkomt. Het kwaad zal zich vermoedelijk ook op deze planeet in de een of andere vorm ophouden. Ik denk niet dat Berg ermee wordt besmet maar anderen zijn er naar mijn idee gevoeliger voor.” “Misschien ik wel”, lacht Trimmen. “Ik ga straks via een omweg terug naar huis en ik weet ook niet wat ik tegenkom.” De Moden gaat weer zitten en schenkt de glazen gome en pomerans nog eens in. “Dan loop ik het risico voor duivelsoren te hebben gesproken maar die kans neem ik. Vertrouwen ligt aan het begin van elk succes.” Trimmen laat nu een half glas gome achterelkaar door zijn keel glijden. “U weet wel hoe u van iemand afscheid moet nemen”, grinnikt hij. “Maar ik kan niet zeggen dat ik het onaangenaam heb gevonden. Ik deel uw vrees gelukkig niet maar dat betekent niet dat ik uw raad niet zal opvolgen. Ik zal uiterst waakzaam zijn en als in Bixhoorn het kwaad opduikt zoals u het heeft geschilderd, dan zal ik me uw opmerkingen des te sterker herinneren. U heeft een bondgenoot.” Trimmen staat op en steekt zijn hand uit. “Het spijt me, ik moet nu gaan maar uw streven is me duidelijk en ik kan me daarin heel goed vinden. De wix is er goed voor en een uitstapje naar Aldemundt is geen gekke gedachte. Ik heb trouwens nog een brief voor u bij me.” Hij haalt een brief uit de binnenzak van zijn zware bruine buitenjas. De Moden trekt verbaasd zijn wenkbrauwen op maar neemt de brief graag aan. Voorzichtig maakt hij het lintje om de papierrol open om vervolgens de brief open te rollen. “Een brief van Agbert Radeluck!” er klonk iets vrolijks in zijn stem, alsof hij voor het eerst weer een mens zag. “Moden van Bixhoorn, nou daar hebben jullie een goede aan!” “Dat hebben we zeker”, Trimmen hoorde dat hij een licht verbazin g over zoveel vrolijkheid niet kon onderdrukken. “Wist u niet dat hij Moden van … “ “Ja, ja, ja, natuurlijk wel”, viel de Moden hem in de rede. “Maar we hebben nooit contact gehad sinds hij hier is. Hij vraagt of ik een keer naar Bixhoorn wil komen met een aantal Aldemundters. Maar natuurlijk wil ik dat. Trimmen, wil je een boodschap voor me aan hem overbrengen?” “Zonder meer”, reageerde Trimmen. “Zeg hem dan dat ik graag kom als de expeditie terug is en nadat we kennis hebben genomen van de eerste bevindingen van Berg. Ik denk dat het over een dikke halve chroon zover is.” “Uitstekend”, zei Trimmen weer. Deze keer dronk hij zij gome op en draaide hij zich om. “Als ik nog een beetje plezier wil hebben van het daglich, dan moet ik nu gaan.” De Moden begeleidde hem naar de deur. “Het ga je goed en laat wat van je horen”, zei hij nog op de drempel staande. “Dat zal ik zeker doen”, beloofde de onderzoeker die nu fluitend naar zijn grote, roze wagen terugliep onder de uitroep “ik kom er aan Obdoekil.” De roze wagen trok opnieuw veel bekijks. De mensen kwamen uit hun huizen en zelfs op de akkers stonden de laatste werkers nog te wuiven. Veel waren er niet meer want de granen waren bijna allemaal binnen. De Aldemundters wilden hoe dan ook toch allemaal nog die gekke, roze wagen zien vertrekken. Het viel niemand op dat Weemer niet langs de route stond om zijn collega uit te zwaaien. De Aldemundter zat in zijn werkkamer en boog zich over iets kleins, iets dat hij net uit zijn jaszak had gehaald en dat verschrikkelijk piepte. “Wees maar niet bang, ik zal je heus niet opeten hoor. Nee, daarvoor ben je mij veel te bijzonder. Maar ik zou je wel in aanraking kunnen brengen met een amproos. Misschien kun jij ze wel zien en ik niet, wie weet. Je moet toch ergens goed in zijn.” Hij rolde het kleine wezentje op zijn rug onder luid gepiep en plotseling voelde hij een scherpe pijn in zijn vinger. Het bloed stromde er uit. “Wat krijgen we nou? Doe jij dat, mormel? Het mormel rende inmiddels op twee pootjes luid krijsend over de tafel. Weemer moest kiezen tussen een druppel legeringszalf of een poging om het wezentje te vangen maar dat laatste ging hem niet goed af terwijl het bloed maar bleef stromen. “Ik zal het moeten stelpen”, riep hij woest uit en hij gooide een mes in de richting van zijn kleine opponent. Zonder veel succes. Met grote stappen liep Weemer naar zijn badkamer waar hij ook zijn medicijnen bewaarde. Zo miste hij het vertrek van zijn collega die breeduit zwaaiend naar de Aldemundters langzaamaan het Hanebrood afreed, op weg naar huis. Zijn roze wagen volgde de bocht naar links die het Hanebrood bijna aan het eind al zo’n elf jaar maakt en daarna was hij verdwenen. Randa was nog een eind achter de wagen aan gerend en zo zag zij de bezoeker als laatste achter de bomen verdwijnen. Ze zag nog net hoe hij een vlag uit de koepel van zijn wagen uitstak. Een groot blauw doek met een wit oog en zwarte pupil in het midden. Wat een kerel! Het bezoek van Trimmen had haar goed gedaan. Eindelijk had ze het idee gekregen dat Aldemundt niet de enige plaats zou zijn waarmee zij in haar leven te maken zou krijgen. Er was meer op Mende te beleven. De jaloezie die zij altijd tegenover haar ouders had gevoeld, week een beetje. Haar leven zou zich niet afspelen in een gevangenis zonder tralies en muren. Ongemerkt begon ze te neuriën. Het zou goed komen met haar en met Ramold, dat wist ze nu zeker. De eerste die ze op het dorpsplein zag staan was Berg Wamerhorn. Haar hart maakte opnieuw een huppeltje en ze had hem wel om de hals willen vliegen maar toch hield ze zich in. En toch, Berg Wamerhorn zou haar hoop verder waarmaken. Er was nog veel meer te beleven op Mende dan ze ooit had gedacht! Dat zou zijn boodschap zijn, ze wist het zeker.

Gepost door: Kaj Elhorst | april 26, 2009

De grote roze wagen

 

Het zweet droop Randa tappelings van haar voorhoofd. Ze werkte aan en stuk door terwijl de andere meisjes uit haar groep liepen te schreeuwen en te lachen. De dwijne-oogst moest deze week echt binnengehaald worden anders zouden de broodbessen verdrogen onder de hete zon. Dat zou verschrikkelijk zijn want dwijne, de broodbes, was de meest geliefde graansoort van Aldemundt. Ooit hadden de mensen gewoon gerst gezaaid maar uit zommige aren was dwijne voortgekomen. Aan de aren zaten grote, witte bessen die je zonder bewerkign zo maar in de oven kon stoppen. Een beetje water erop en klaar was kees. Binnen een paar minuten bolden de bessen dan op tot complete broodjes, zo groot als bapaobroodjes. Je kon ze vullen met alles wat je lekker vond. De heerlijke geurige Mende-honing met zijn kruidige bijsmaak maakte de broodjes tot een lekkernij voor de zoetekauwen masar ook een vulling van vlees of kaas viel bij de meeste Aldemundters in de smaak. Natuurlijk, door de week aten de mensen meestal brood van frees, gombert of merkelbaert maar op de vrije dagen kwamen de broodbessen op tafel. “Hoi, ga je even mee, een beetje kodelij halen of iets frissers zoals zimmit?” een van de andere meisjes tikte haar op de schouders. “Het lukt echt wel om in de komende twee dagen de dwijne nog binnen te halen”, zei zij. “Moet je eens kijken hoe ver we zijn.” Randa knikte. “Je hebt gelijk, even deze stapel nog in de schaduw leggen. Dan loop ik mee.” De geplukte dwijne-aren mochten in geen geval in de zon blijven liggen. Na vijf minuten zouden ze helemaal verdord zijn. De andere meisjes bogen zich ook weer over het werk. “OK, nog even dan”, ze giechelden naar elkaar en raapten de losliggende dwijne-aren van het veld. Eenmaal klaar kwamen ze weer bij Randa staan. “Weet je waar Ramold is?”vroeg een van de meisjes. “Hij schijnt niet meer in de cel te zitten.” “Dat klopt”, antwoordde Randa meteen. “Hij zit weer thuis maar hij mag de deur niet uit.” “En hij heeft nog wel iemand vermoord”, zei het meisje weer. “Dat is nog helemaal niet zeker”, zei Randa weer maar iets in de stem van het meisje waarschuwde haar. Ze ging overeind staan. Er stond nu een kringetje andere meisjes om haar heen dan daar net. “Je denkt zeker met een moordenaar te kunne trouwen, he”, het meisje ging nu uitdagend voor haar staan. “Kijk wast ik doe”, ze tilde haar rok op, hurkte en begon te plassen, precies op de plaats waar de dwijne-aren nog maar net hadden gelegen. Er dromden nu meer meisjes om hen heen. Randa haalde haar schouders op en klemde de stapel aren steviger onder haar arm. Ze deed een paar passen in de richting van het schuurtje waar de dwijne werd opgeslagen maar het andere meisje ging weer voor haar staan. “Een van die jongens was mijn vriend”, haar stem klonk nu dreigend. “Wat heb je daar op te zeggen.” Randa deed weer een paar passen. “Ik ben er heel verdrietig over”, zei zij. “Maar ik kan niemand meer tot leven wekken.””Ik ben er heel verdrietig over”, bauwde het meisje haar na en ze begon aan Randa’s jurk te trekken. “Is dat alles wat je zeggen kunt, raakskuiken?” “Heb je geen spijt?” Randa ging nu rechtovereind staan en kwam wat dichterbij het meisje. “Ik ben er heel verdrietig over, dat is alle”.”Net toen het andere meisje uithaalde, stak Randa haar arm uit. Er klonk een gil. Met haar linkerhand greep het meisje naar haar rechter elleboog. “Je bent net zo gevaarlijk als dat vriendje van je”, beet ze Randa toe maar ze deed nu toch een paar stappen achteruit en haar vriendinnen volgden haar. “Kom”, zei een van hen. “We willen niets meer met dat mens te maken hebben. “Ik ben de dochter van de Moden”, kakelde een meisje nog. “Ik heb alles en jullie moeten je mond houden.” De groep meisjes rende nu schreeuwend van kwaadheid terug naar het dorp. Randa keek om zich heen. Het dwijneveld was uitgestorven. Het was op het heetst van dedag. Niemand werkte nog op het land. Even haalde ze diep adem terwijl ze vanaf de akker ver in de richting van de zee keek. Een paar ropenaren zweefden boven het water. Randa wist dat ze zonder enige moeite een half uur zo konden blijven drijven op de lucht maar zo nu en dan doken ze bijna loodrecht naar het oppervlak van de zee om even later met een spartelende vis in hun snavel weer omhoog te komen. Tenmisnte, Randa wist dat het zo ging maar ze kon niet precies zien wat voor dieren de vogels oppikten. Bij de ingang van het dorp stonden Syfa, Aquia en Bonara op haar te wachten. “Waar bleef je nou zolang? vroeg Syfa”verbaasd. “Weltje en Ralien waren vervelend”, mompelde Randa een beetje binnensmonds. “Weltje zei dat Ramold een moordenaar was en ze wilde me een klap verkopen. Toen heb ik haar elleboog uit de kom geslagen of zoiets.”Aquia begon te lachen. “Net goed, als ik haar tegenkom, zal ik het nog eeens een beetje over doen.” Álsjeblieft niet”, reageerde Randa vinnig. “Het is zo al moeilijk genoeg. Ik wil niet dat er nog meer ruzies ontstaan.” Bonara bromde instemmend. “Weltje was de vriendin van Garmen. Ik kan me best voorstellen dat zij van binnen kapot is.” “Jaaaa”, vulde Aquia nu aan. Nog erger is het dat Ralien meegaat met de expeditie. Nu is Weltje straks haar beste vriendin ook nog kwijt voor ene halfjaar. Ze zal nog onuitstaanbaarder worden dan anders.” “Gaat ze mee?” Randa’s stem klonk verbaasd. “En Ramold gaat ook al. Hoe moet dat samengaan? Kan Berg zoiets wel gebruiken?” “Als ze ruzie maken, dan zal mijn vader ze een lesje leren”, lachte Syfa. “Hij laat zich niet op zijn kop zitten door ruziende mensen.” “Dat kan best zijn”, vond Randa weer. “Maar hij heeft toch behoefte aan samenwerking, eenheid en vriendschap.?” “Laat dat maar aan hem over ..”verzekerde Syfa haar vriendinnen weer. “Maar horen jullie ook zo’n raar geluid.” De meisjes stonden nu stil. Ze waren doorgelopen tot aan de Hanebrood, de weg die naar Aldemundt velden voerde waar de koeien, schapen en larmen, die ondanks hub zes poten veel leken op schapen met een kleine slurf en horens, graasden. “Gewoon, een jeep of een grote wagen”, dacht Borana. Grote wagen was het dagelijkse woord in Aldemundt voor een pantserwagen. “Ze zijn vast aan het rondrijden met een wagen waar iets aan mankeert. Dat kunnen ze niet hebben als ze straks onderweg zijn.””Ja, ja, maar het ding klinkt anders dan onze grote wagens”, vond Randa. Haar ogen speurden nu de Hanebrood af. Het geluid leek aldoor dichterbij te komen achter de scherpe bocht die de weg verderop maakte. Ze hoefde niet lang te wachten want al gauw kwam de jeep van de veldwachter om de bocht en daarachter reed een grote wagen in de kleur roze. Randa en haar vrienden schoten onbedaarlijk in de lach. “Roze? Komt er een baby-grote-wagen aan?”gierde Bonara. “Dat moet ik zien.”De meisjes deden nu een paar passen naar de kant enn jieuwsgierig keken ze naar het opzienbarende voertuig. De bestuurder had het luik niet ver genoeg open staan om naarbinnen te kunnen kijken. “Kom, we gaan kijken”, lachte Randa en de meisjes renden achter de wagen aan. Langzaam aan kwamen meer mensen van de velden en uit de huizen of de bossen. Een roze grote wagen, dat was nog eens wat. Midden op het plein stond inmiddels Weemer van Hornhaaf een beetje zenuwachtig met zijn handen te gebaren. “Mensen, mensen, ga toch opzij. Het is gewoon bezoek voor mij.” Maar de meeste omstanders kwamen juist dichterbij. Zij wilden wel eens zien wat voor vreemd bezoek “hun” onderzoeker kreeg. De wagen stopte nu middenop het plein en Weemer liep al naar het portier aan de zijkant maar ook hij kwam bedrogen uit. Uit het mangat bovenin de wagen klom een roodharige man in een rood overhemd naar buiten. Ook zijn pofbroek was vuurrood en om zijn nek droeg hij een leren veter waaraan een grote vijfpuntige ster in rood en goud bungelde. “Hallo”, zei de man. “Ik ben een collega van Weemer en ik kom uit Bixhoorn. Mijn naam is Trimmen Hoferwenck. Randa en haar vriendinnen staarden de man aan alsof hij zon van een andere planeet, de aarde of zo, kwam. “Zijn alle grote wagens in Bixhoorn roze?”vroeg Syfa eindelijk. Trimmen glimlachte. “Ja, en de huizen zijn er paars met groene spikkels.”Hij wachtte even en keek of zijn publiek begon te lachen maar toen dat tegenviel ging hij verder. “Ik moet u teleurstellen, alleen mijn wagen is roze. Ja zeker, ik heb een eigen wagen en ik heb roze luximia gebruikt omdat ik er zin in had.”Met een soepele sprong belandde hij op degrond. Meteen omhelsde hij Weemer uitgebreid. Hallo, vriend, dat is wel heel lang geleden.””Ja zeker”, bracht Weemer er een beetje benauwd uit. “Wij hebben elkaar voor het laatst op aarde gezien”, tweeentwintig jaar geleden.” Hij draaide zich naar de omstanders om. “Trimmen was net iets te laat om met de Arketan mee te gaan en we hebben toen bij de ruimtetaxi afscheid genomen. Hij zwoer toen dat hij me na zou reizen en zo is hij in Bixhoorn terechtgekomen. De afgelopen jaren hebben we alleen maar naar elkaar gewixt maar nu zien we elkaar weer eens.” Trimmen keek met een grote glimlach de omstanders een voor een aan. “U bent allemaal heel aardig”, denk ik”, zei hij. “Maar ik moet nu even kennis gaan maken met uw Moden. Hij heeft er recht op te weten wie er in zijn dorp is.” “Niet nodig om je te haasten”, klonk een stem achter de kring mensen die nu uiteen week. De Moden kwam met grote stappen naar de bezoeker toe. “Ik zou wel ene heel slechte Moden zijn als je uw komst niet had opgemerkt.” Hij stak zijn hand uit en klopte de Bixhoornse gast op zijn schouder. “Weet dat u onze gast bent, van ons allemaal. Wij zullen erop toezien dat u hier een goede tijd doormaakt.” “Zeer vereerd”, antwoordde de onderzoeker. “I s er een plaats waar ik mijn wagen kan neerzetten”? De Moden knikte. “Dat kan geen probleem zijn. In de grot is vast nog wel plaats voor een wagen en bovendien, over een paardagen komt er ruimte genoeg.””Ik heb het gehoord”, de stem van de Bixhoorner klonk opgewekt en hard over het plein. “Wamerhorn gaat op expeditie, als ik het niet gedacht had.””U kent hem ook al?”vroeg de Moden verbaasd. “Nou en of, we hebben samen gestudeerd”, lachte Trimmen. “En alles wat daarbij hoort, dat hebben we ook samen gedaan.” Deze keer trok hij het portier van zijn wagen open. “Ik zal nu eerst mijn wagen parkeren en mij bij mijn goede vriend Weemer thuis gaan voelen.” “Ga uw gang”, stemde de Moden in. Hij deed een paar stappen achteruit en dat voorbeeld volgden de andere Aldemundters op het plein ook. Trimmen gaf gas en voetstaps volgde hij met zijn wagen zijn vriend Weemer die nu de weg wees naar de grot, nagest. Aard door de Aldemundters. Hier en daar mompelden de mensen hoofdschuddend over de roze grote wagen. “Zoiets kan toch niet. Zouden de mensen in Bixhoorn allemaal zo vrijgevochten zijn? En dan die naam, Trimmen Hoferwenck. Dat klinkt toch echt als een krul aan de tempeltoren!” Berg Wamerhorn zag er de humor wel van in. “Naast zo’n roze wagen zien mijn grijze wagens er toch wel heel wat beter uit”, lachte hij. “En vooral fatsoenlijker!” De naam Trimmen Hoferwenck vond hij heel wat minder belachelijk dan veel van zijn dorpsgenoten. “Zo heette hij ook al toen we nog in Helen woonden en toen lachte niemand erom. Een heel gewone naam dus”, hij riep het hoorbaarder over het plein dan anders. Misschien was hij ook wel een beetje aangestoken door het flamboyante gedrag van Trimmen. Maar ja, wat zou dat? “Wat een stel mufkuikens”, bromde Trimmen terwijl hij Weemer een stevige klap op zijn schouder gaf. “Ho, ho, het zijn wel mijn dorpsgenoten, vriend!”schaterde deze Mufkuikens, dat was een woord voor “dagelijks gebruik”. “Mij best, wat jij wil”, gaf Trimmen toe. “Laat me eens zien wat je hebt.” Weemer ging zijn vriend en collega voor naar het kale terras achter zijn huis en wees op de dode raak. “Nee maar”, Trimmen sloeg een hand voor zij mond en bleef stokstijf staan. “Daar heb je wat, Weemer”, mompelde hij. “Wat een lucht! Heb je daar helemaal geen last van?”De dode raak verspreidde de geur van een ouderwetse kruipruimte onder een huis. Vocht en bederf gingen erin samen. “Ik krijg het er behoorlijk benauwd van. Daarom laat ik het buiten liggen.””Het is nog maar de vraag of dat helpt”, bedacht Trimmen zich. “We moeten zeker weten dat het kadaver geen stoffen meer uitstoot. Ik heb een keer meegemaakt dat een lijk langzamerhand zichzelf deed opstijgen, in de allerkleinste stofdeeltjes. De gevolgen voor jou en omwonenden kunnen erger zijn dan bij hooikoorts. Koorts, jeuk, ademhalingsmoeilijkheden en zelfs longontsteking. In Bixhoorn zijn tweemensen ernstig ziek geraakt toen zij het kadaver van een larm, wij noemem dat trouwens een lerrem, te lang op het land lieten liggen. Het dier was op ene goede dag ineens dood terwijl de mensen op het land toekeken. Er was niets aan te doen, onherroepelijk.” ”En jij hebt dat onderzocht”? vroeg Weemer argwanend. “Ja zeker, samen met Born Gempelhorn ” zei Trimmen. “We hebben er samen aan gewerkt en daarbij kwamen we iets heel bijzonders op het spoor. Geef mij eens een natte doek om voor mijn mond te doen en bescherm je zelf daar ook mee. Op die manier kun je veel ellende voorkomen.” Opgewonden en haastig haaldeWeemer het gevraagde. Trimmen keek hem scherp aan. “Sluit je mond en je neus er voldoende mee af. Het is echt heel belangrijk”, waarschuwde hij weer. De beide mannen bogen zich nu over de dode raak. Trimmen tikte met zijn vinger tegen het dode lijf aan en meteen vloog een wolk van as weg. “Ik wist het”, hij knielde nu bij het dode dier neer en haalde een microscopisch vergrootglas tevoorschijn. “Kijk eens goed, Weemer, en vertel precies wat je ziet.” Nieuwsgierig knielde nu ook Weemer neer terwijl hij het vergrootglas vlakboven het verenpak van de vogel hield. Even leek het of hij bevroor. Er kwam geen woord over zijn lippen maar uiteindelijk veerde hij op en fluisterde hij. “Dat kan niet.” Trimmen keek hem lachend aan. “Ik ben bang dat het kan. Wat heb je precies gezien?” “Het leek wel of ik in ene grote berg van de kleinst mogelijke diertjes keek, je zou zeggen bacterieën.”Trimmen trok zijn vriend aan de mouw van zijn jasje mee en opende meteen de deur. “Je ziet wat ik ook al eens heb gezien. Het zijn bacteriën! Het zijn verschrikkelijke ziekteverwekkers. Ik ben bang dat sommige doden op deze planeet onmiddellijk het slachtoffer worden van een massa aan vraatzuchtige wezens, wezens die daarna de dood verder verspreiden.” Weemer keek hem verschrikt aan. “Sommige doden”? vroeg hij verbaasd. Trimmen knikte. “Ja mensen die gewoon overlijden vertonen deze verschijnselen niet. Het gaat steeds om wezens die zo plotseling dood neervallen en misschien is dat ook wel gebeurd bij de jongens waarover je het had in je wix. Ik ben er nog niet achter maar het lijkt erop dat er een soort bacterieconcentraties voorkomen op deze planeet. Ze ontstaan heel spontaan en als je ermee besmet raakt, is het niet best maar er is een geruststelling, je hebt er alleen last van als je er echt heel direct mee in aanraking komt. Wie er op een millimeter afstand naast staat, merkt helemaal niets. Dat is mijn idee. Ik heb die “wezens” “Amprosen” gedoopt naar Kerven Amprose, die bij me in de klas zat en waarmee ik altijd ruzie had.” “En was hij even onzichtbaar als de “wezens” waarover je het nu hebt?” vroeg Weemer in een poging om ontspannen te klinken. “Je hoeft niet ontspannen te doen, Weemer”, antwoordde Trimmen ernstig. “Ik ben doodsbenauwd voor ze want Kerven was zo breed dat ik hem al op hionderd meter aan zag komen. De Amprosen kun je niet zien”, horen of ruiken. Misschien kun je ze voelen maar dan is het te laat.” De mannen gingen aan tafel zitten en schonken zich een beker zafyr in. “Daar moet ik van bijkomen”, zuchtte Weemer. “Ik heb al heel wat onderzocht maar zoiets, ik weet niet of het waar kan zijn maar als je gelijk hebt, treft Ramold geen schuld.” ”Het lijkt erop.” Trimmen beukte met zijn vuist op tafel. Het is alleen de vraag hoe je dit aan de Aldemundters wijsmaakt, aan die mufkuikens. Hoe moet je die mensen in ’s hemelsnaam iets wijsmaken? “ Weemer kon niet anders dan zijn vriend gelijk geven en het leek hem dan ook beter om Trimmen’s verhaal voorlopig nog niet bekend te maken. “Bedenk een ding”, vervolgde Trimmen. “Als je dorpsgenoten je lief zijn, moet je die raak heel snel zien kwijt te raken.” En hoe doe ik dat? Uitstrooien over zee?” “Weemer”, begon Trimmen. “Je bent een echte wetenschapper. Verdrinken is inderdaad het beste. Wij hebben het voordeel dat ons dorp aan een delta ligt. Ik heb het materiaal met een stofzuiger opgezogen en in een forse, poreuze verpakking gedaan en zo in het water gegooid. Het dreef toen snel weg naar zee en raakte helemaal doordrenkt van water. Het vreemde waswel dat het pakket na een honderd meter plotseling begon te branden. Er bleef helemaal niets van over. Ik heb niet kunnen ontdekken wat daarvan de oorzaak was.” “Dan moet het ding maar in zee, van de kliffen rechtstreeks naar beneden. “Ik zou het pakket voorzichtig in het water laten takelen. Als het tegen iets aanstoot, gaat het open en dan heb je een nog veel groter probleem”, vond Trimmen. “En trouwens, je hebt me ooit gewixt dat de kinderen hier graag naar het eilandje Baalder of zoiets zwemmen. Daar mag dat pakket zeker niet in de buurt komen want ik ben bang dat het water er lange tijd door vergiftigd raakt. Bij onze rivier geeft dat niet zoveel omdat het water allemaal zeewaarts stroomt maar ik durf je niet voor te stellen om het hier in de Fluus te gooien. Het zou ergens aan de oever kunnen blijven hangen en als het met de stroom meegaat komt het in Bixhoorn terecht of in Navringen.” “Er is een probleem. Hoe krijg ik het materiaal ongemerkt bij het strand? De mensen zullen zich afvragen waarom we zo ingewikkeld staan te doen met dat dode beest.” “En niet alleen met het dode beest”, vult Trimmen aan. “Wat denk je te doen met de overleden jongens? Je kunt ze echt niet gaan begraven, hoor, dat levert besmetting op. Het zal niet meevallen om dat duidelijk te maken aan de mensen hier.” Weemer schrikt door de woorden van zijn vriend op uit zijn gedachten. Daaraan had hij al helemaal niet meer gedacht! “Een ramp, hoe heb je het in Bixhoorn gedaan?” Trimmen begint een beetje zenuwachtig te trekken met zijn neus. “Een slimmigheidje … of eigenlijk een truc. We hadden geluk dat Born niet veel familie had. Hij was een zonderling en niemand kende zijn voorkeuren precies. Ik heb toen met de Moden, Agbert Radeluck, afgesproken dat we Borns laatste wens zouden voorlezen voor de hele bevolking. Volgens die wens wilde hij niets liever dan op de oude Noormannenwijze naar het land over de horizon reizen. De mensen hebben dat geaccepteerd maar als de Bixhoorners ooit ontdekken dat het een opzet was …ik weet niet, ze zullen het Agbert nooit vergeven dat hij eraan heeft meegewerkt. Op zijn minst moet hij dan zijn baantje afstaan en natuurlijk ben ik dan ook mijn goede naam kwijt.”Weemer begint schamper te lachen. “Goede naam?” maar Trimmen knikt. “Nou en of, de Bixhoorners zijn trots op mij en mijn werk. Ik denk dat je er eens goed over moet praten met Paup Telgenheert. Je kunt zijn steun niet missen.” Weemer gaf geen antwoord maar hij kreunde veel betekenend. Geen haar op zijn hoofd voelde ervoor om een soort afspraak met de Moden te maken. Weer voelde hij die twijfel in zich opkomen, Paup Telgenheert als Moden. Het was niet zijn keus. Nasar zijn gevoel was de Moden bezig het rustige dorp uit te verkopen aan Mende terwijl het dorp hem zo lief was. Straks zouden er invloeden komen uit andere delen van het continent, misschien wel van andere volkeren. De kans dat er Mende-mensen op de planeet leefden was allesbehalve onaannemelijk. Hun gewoonten en tradities zouden zeker de rustige sfeer van Aldemundt gaan verstoren. De enige plek die de reinheid en onbevlektheid van een nieuw begin bevatte, zou teloor gaan. “Wat ben je stil, Weemer”, begon Trimmen weer. “” Ik denk heus dat je in overleg met Paup Telgenheert een oplossing kunt vinden.” “Ik heb die Telgenheert niet nodig”, het hoge woord was eruit. Trimmen schrok terug voor die uitbarsting. Hij begreep de plotselinge woede van Weemer niet. Onderzoekers en bestuur konden het over het algemeen goed vinden, tenmiste … dat was in Bixhoorn het geval. Wat was er voorgevallen tussen die twee mannen? “Bij de begrafenis heb je de Moden waarschijnlijk wel nodig en het probleem is dat je voor je terugkeer niet de werkelijke doodsoorzaak kunt noemen. De Moden zal daarvoor begrip hebben, lijkt mij. Je wil het toch niet allemaal in je eentje regelen?” Weemer kijkt zijn bezoeker aan. Ja, een bezoeker. Eerst zag hij hem als vriend, als medestander en als begripvolle collega maar nu lijkt het allemaal minder vanzelfsprekend. Is er dann iemand die ziet waar al deze roep om uitbreiding en grootsheid toe zal leiden? “Zijn er bij jullie ook al plannen voor een expeditie?” vraagt hij onzeker. Trimmen lacht breed. “Op het ogenblik niet maar er zijn er een paar die graag met Barg Wamerhorn mee willen, ik denk een stuk of zes. De barriere is de afstand tussen Bixhoorn en Aldemundt. Niemand kan van Barg vragen om een route langs Bixhoorn te kiezen. “Nee, dat kan niemand en het is ook niet nodig”, Weemers stem klinkt nu nog somberder dan eerst. “Misschien is het maar goed ook, waarom zou Bixhoorn zijn horizon willen uitbreiden. Je weet dat er altijd ellende van komt.”Trimmen schiet nu in de lach. “Kom, kom, niet zo somber. Wie in zijn huisje blijft zitten, wordt er op den duur ook niet vrolijker op, Weemer. Laten we eens een kijkje buiten gaan nemen, een wandeling langs het strand misschien. Dat brengt ons vast op nieuwe ideeen.” Weemer spring tovereind van zijn stoel;”Ja, misschien moeten we ons eens laten doorwaaien, wie weet. Hoewel, veel waaien zal er niet bij zijn. Het is hier in de Osme-zomer altijd erg heet. Soms mis ik de frisse buien van aarde.” “Nou, volgens mij kan het hier ook flink spoelen, vooral tijdens de Werolden, toch?” Weemer knikt. “Ja, maar dat is altijd maar kort. De Osme-zomer is heet en de Zame-zomer koel en aangenamer. Er valt in die tijd ook meer regen, hoe is dat bij jullie. Trimmen loopt nu langzaam de gang in en zet de buitendeur open. “Laten we gaan, in Bixhoorn komt het in de Osme-zomer niet boven de 30 graden uit en in de tijd dat Zame heerst, niet meer dan achttien of twintig graden. Dan staat de delta nog al eens blank, het is voor ons de beste tijd om te zaaien.” Op het plein staan al weer drie pantserwagens om in een goede luximia-kleur te worden geschilderd. “He, Berg”, roept Trimmen. “Ik wilde je even wat vragen.” Berg geeft twee manenn aanwizjingen voor het spuiten en komt dan met een holletje naar Trimmen toe. “Luister”, zegt de Bixhoorner onderzoeker. “Niet alleen Aldemundters zijn nieuwsgierig. Een zestal Bixhoorners zou best met jullie mee willen maar hoe krijgen we dat voor elkaar en … kan het wel?” Berg fronst zijn wenkbrauwen. “Je komt er wel erg laat mee, het lijkt me een probleem. Ik zie het niet zo maar zitten.” “Maar”, gaat Trimmen enthousiast verder. “Kunnen weer dan tenminste over praten, vanavond of zo?” Ondertussen dringen de Aldemundters om hem heen. Een anatal van hen wil in elk geval even de Bixhoorner aanraken. “Ja, ik ben een mens”, lacht Trimmen. “Net als jullie, ik kom zelfs van dezelfde planeet.” “Kom mensen”, roept |Berg nu. “Laat onze gast even met rus”.”Zijn natuurlijke overwicht laat de mensen terugdeinzen en ze laten de Bixhoorner los. “Dank je”, lacht hij. “Ze zijn niet veel gewend”, Berg kijkt een beetje verontschuldigend. “Er komen hier nooit vreemde mensen, de laatsten waren Pomert Randing en Rodin Helten die met jullie schip zijn meegekomen maar hier kwamen wonen. “Ja, ja”, Trimmen herinnert zich de “Bixmundters” nog wel. “Overlopers vonden wij dat.” “Ja, ja, ja”, lacht Berg. “Jullie wel, maar in ons kleine dorp is iedereen welkom. We zijn maar met 478 mensen en daarvan gaan er straks 21 op expeditie en 21 voor twintig jaar met de Arketan op reis. Mijn expeditie blijft minstens een half jaar weg maar het kan ook nog wel een jaar worden. Ik weet immers niet wat we tegenkomen. Maar mensen uit Bixhoorn mee, nee ik weet het niet. Het is onze expeditie en ik denk dat de Aldemundters het ook graag zo houden. Trouwens, er zijn ook praktische problemen, het is allemaal kort dag.” “Denk erover na, Berg”, de stem van Trimmen klinkt bijna smekend. “Zes mannen vrouwen, meer niet.” Hij draait zich met een ruk om en duwt Weemer een eindje voor zich uit. “Vooruit naar het strand”, galmt zijn stem over het plein. “Om te zingen, Weemer. Ik wil zingen, tegen het geklots van de zee in.” Berg kijkt de twee mannen lachend en hoofdschudded na. Dan roept hiuj de twee mannen bij de pantserwagens. “Paup, Fode, kijk, zo wil ik jullie straks ook aan de gang zien, weken, ja maandenlang.” De jongens grijnzen. “Ja baas”, zegge ze braaf en ze geven elkaar een stoot met de elleboog in de zij. “Trouwens, deze drie wagens zijn klaar.” “Mooi zo”, roept berg met zijn donderende stem. “Haal dan maar drie andere tevoorschijn. Als die zijn geschilderd, zijn we klaar.” “Wat is het hier heet”, Trimmen blaast en wuift zichzelf koelte toe terwijl hij het smalle pad langs de kliffen naar beneden volgt. “Heet, heet, zo hebben we dat in Bixhoorn niet.” “Je went er nooit helemaal aan”, vindt Weemer. “Het is hier gemiddeld vijf graden warmer dan vroeger in het zuiden van Helen. “Daar was het ook warm”, weet Trimmen nog. “Ja, dat klopt”, geeft Weemer toe. “Maar ik heb de boeken in de bibliotheek er nog eens op na geslagen. Volgens de beschrijvingen was het daar echt een stuk minder. Maar goed, hier op de klif wordt het helemaal erg warm. Die stenen weerkaatsten erg veel hitte. Zelfs beneden op het strand merk je dat nog. Het is maar goed dat daar altijd een beetje wind is.” De laatste paar meters naar beneden leggen ze zwijgend af. Eindelijk voelt Trimmen het mulle zand onder zijn voeten. “Nou, dat hebben we bij ons ook, maar geen kliffen, er zijn alleen maar vrij kale duinen.” Toen ik hier naartoe reed, heb ik de duinenrij echt honderden kilometers gevolgd. Dat was een redelijke wegwijzer. Pas na vier dagen, zo’n 800 roden, ben ik naar het zuidwesten gereden. Saai landschap, gras met hier en daar een boom en soms een plukje bomen bij elkaar. Niets aan.” “Het is goed dat je hier bent, ik heb hier niet zoveel mensen om verstandig mee te praten”, Weemer reageert niet op het verhaal van Trimmen. “Kijk, recht voor je ligt de Baalder, een klein eilandje waar onze kinderen graag naartoe zwemmen. Wat mij betreft houdt daar het rijk van Aldemundt op. Aan de andere kant ligt de grens bij Aldemundter velden. Nationale staten moeten klein blijven om niet ten onder te gaan.” “Nationale staten?” Trimmen kijkt hem verbaasd aan. “Daar komt toch alleen maar herrie van? Vind je niet dat we met onze drie dorpen en enen stad heel nauw samen moeten werken? Om die reden ben ik nu toch ook bij je? Wetenschap heeft nieuwe indrukken en samenwerking nodig.” Weemer knikt. “Dat is waar, maar een stam heeft innerlijke kracht nodig en die krijg je door je kennis in harmonie te delen. Daarvoor is een nationaal bewustzijn nodig.” Trimmen maakt een korte sprong in de lucht en laat zijn rode haarbos een flink schudden. “Het is hier heerlijk, dat snap ik”, zegt hij. “Maar je hebt toch ook het idee dat wij, als mensen, elkaar moeten steunen in deze vreemde omgeving? Je weet niet wat je nog tegenkomt en straks heb je anderen hard nodig om oplossingen te zoeken.” Weemer trekt een gezicht vol vertwijfeling. “Maar begrijp je dan niet dat gelijk gestemdheid veel beter is dan het voortdurend najagen van oplossingen? We zijn hier toch naartoe gegaan om een nieuw geluk te vinden, om onze kennis te gebruiken om onszelf en degenen die we liefhebben te sterken. Je kunt beter sterk sterven dan in vertwijfeling naar oplossingen zoeken.” Met een ruk blijft Trimmen staan. “Waarvoor ben ik dan hier gekomen? Als je er zo over denkt, kan ik beter weer gaan. Wij als onderzoekers zoeken samen een oplossing voor de eerste uitdaging die we tegenkomen, de amprosen. Daar kun je niets tegen ondernemen als je niet de steun van je medemens hebt. Communiceren, denken, actie ondernemen, daarin zijn we elkaar allemaal gelijk. Het is nog maar helemaal de vraag of je op dezelfde manier kunt omgaan met de wezens die je op deze planeet zeker zult aantreffen. Volgens mij zit het hier vol met de meest ongelofelijke verschijnselen. Goed voor je inzicht en kennis maar niet om mee te werken.” “Dat zal nog blijken”, zegt Weemer stug. De mannen lopen nu langs een stuk klif waar ook hij nog niet eerder is geweest. “We komen steeds verder naar het zuiden”, zegt hij. “Eigenlijk zou ik hier al iets verwachten dat ik nog niet ken.” Zijn ogen dwalen oplettend in het rond. “Dus nieuwsgierig ben je nog wel”, merkt Trimmen op die plotseling stil blijft staan. “Dit zou een ideale plek zijn”, zegt hij. Een inzinking in het strand heeft een mui gevormd waar het water ongeveer heupdiep in staat. Vanuit de inkeping stroomt het water voortdurend regelrecht naar zee Trimmens ogen speuren nu de rode, afgebrokkelde steen van het klif af. Een dikke bos takken met groengrijze schubachtige bladeren onttrekt een deel van de steenmuur en juist daar lijkt water uit de bergwand op te borrelen, water dat zich op het strand wildstromend naar zee verplaatst “Ideaal”, zegt hij weer. Hier kun je de “pakketten”met de stoffelijke overschotten gemakkelijk in het water laten zakken.” Weemer tuurt in het rond. Het eilandje Baalder ligt nu ver achter hen en in het westen strekt zich alleen maar de onmetelijke oceaan uit. “Als de stroom maar niet in de richting van het eilandje gaat”, zegt hij. “De Baalder mag niet besmet raken. Het moet een veilige plek voor de kinderen van het dorp blijven.” “Ja, ja, lekker knus in eigen huis, he”? mompelt trimmen maar Weemer hoort het niet. Hij schrikt van een luid gepiep aan de rand van de steenwand. Het is niet de roep van een kiola, maar wat dan wel? Even denkt hij erover om |Trimmen te waarschuwen maar het zou toch te mooi zijn als hij nu een nieuwe ontdekking deed, juist nu zijn vriend aan zijn behoefte aan onderzoek twijfelt. Hij knijpt zijn ogen tot een spleet. Weer dat gepiep! Met een oog houdt hij |Trtimmen in de gaten. Deze schijnt vooral de waterstroom te onderzoeken. Hij zit de gehurkt aan de rand van het water en steekt een vinger in het water om te proeven. Weemer speurt snel verder. De zon schijnt ook zo … daar, aan de rotswand. Twee rode wezentjes klauteren razendsnel naar boven en wat voor wezentjes. Weemers mond valt haast open. De wzens zijn niet groter dan zijnn duim maar ze hebben een hoofd dat erg veel op een mensenhoofds lijkt. Nog meer op een mens lijken ze doordat ze twee achterbeentjes en tweearmen hebben. Geen poten met klauwen maar kleine armpjes en beentjes. De wezens klauteren nog sneller naar boven. Ze houden Weemer in de gaten met opvallend grote, en bolle zwarte oogjes. Al piepend verdwijnen ze in een spleet in het gesteente. In de verte hoort hij nu de stem van Trimmen. “Kom eens, Weemer, het is echt een uitgelezen plek. Het waterstroomnt hier met een enorme vaart naar zee, ook in de onderstroom. De pakketten zijn weg voordat je het weet.” Weemer staat nog na te denken over de ontdfekking die hij zojuist heeft gedaan. “Jaaaa”, zegt hij langzaam en onwillekeurig dfwalwen zijn ogen weer af naar de steenwand. “Als het maar geen bedreiging vormt . We zullen eerst met een ruimtetaxi boven de zee moeten vliegen om te ontdekken hoe de stromen lopen.”, verzucht hij. “Maar eerst moeten we een reden verzinnen waarom er zoveel werk van gemaakt moet worden. Ik kan de doodsoorzaak van die jongens niet bekendmaken voor we terug zijn van de expeditie….”de laatste lettergreep spreekt hij wat langer uit. “Moet je eens kijken wat daar aankomt’”, hij trekt een verschrikt gezicht. Trimmen kijkt nu om. In de verte komt een lange stoet mensen aan lopen. “Ze hebben ontdekt dat het hier ook leuk is”, zegt hij lachend. “Laten we maar teruggaan, voordat ze iets gaan denken.” Even kijkt hij stil voor zich uit alsof iets hem op een overweldigende manier bezighoudt maar dan klinkt zijn stem weer heel ontspannen. “Ik weet wel een oplossing, ook al is die niet gemakkelijk.” De stoet mensen komt nu dichterbij en gezichten worden herkenbaar. “Maar misschien moeten we nu maar even net doen alsof we alleen maar aan een ontspannende middagwandeling bezig zijn. We kunnen hier niet over praten waar iedereen bij is.” “Leuk he”, begint Syfa Gammerhaan. “Zo’n wandeling langs een stuk onbekend strands. Ze wappert met haar lange, blonde haar in de richting van Weemer en verspreidt een nadrukkelijke geur. “Het is net een expeditie. O, ik vind het echt zo fantastisch dat de jongens straksd op expeditie gaan. Weet je dat mijn beide zoons ook meegaan?”Ze kijkt Weemer nu recht in zijn ogen. “Dat zal best, mevrouw Gammerhaan, maar wilt u ons nu even met rust laten?” “Nou, nou”, kirt Syfa weer. “Ik wisdt toch niet dat je boos werd. Ben je met een spannend onderzoek bezi”?”Deze keer is Trimmen sneller dan zijn vriend. “Dat kun je wel zeggen, we hebben een stof ontdekt die op aarde niet bestaat en die onas nog veel hoiofdbrekens gaat kosten”, zegt hij glimlachend “O, dat is zeker spannend, kunnen we er straks ook lipstisck of nagellak van maken”, giechelt ze. Trimmen schudt zijn hoofd. “Ik denk dat uw lippen dankzij deze stof er nog interessanter uit gaan zoen dan ze nu al zijn. Als i niet zo’n haast had, zou ik ze willen kussen.” Syfa bloost, ze voelt zich heel diep blozen. Die man uit Bixhoorn is er wel eentje. “Nou, u moet beslist eens langskomen”, lascht ze namaak verlegen. “Langskomen kan altijd”, antwoordt Trimmen met een buiging. Deze keer schiet zelfs Weemer in de lach. “De contacten tussen Bixhoorn en Aldemundt kunnen hem niet goed genoeg zijn. Misschien kunt u uw voordeel ermee doen”, op het eind klinkt z\ijn stem toch weer zuur en Syfa laat zich gierend van het lachen meezeulenb door ene vriendin. “Nou, wij gaan weer verder hoor, met onze expedissie”. Ze wuift de beide onderzoekers nog even na en laat daarna haar ogen weer rond gaan, alsof ze alles als een nieuwigheid beleeft. “In elk geval hebben we de mensen nieuwsgierig gemaakt, Weemer”, merkt Trimmen op. “Dat kan nooit kwaad. Wat ze met die nieuwsgierigheid doen, is een andere zaak.””Niet veel goeds, vrees ik”, moppert Weemer. “Als gewone mensen nieuwsgierig worden, verandert alles in een stuk sensatie.” “Je moet toegeven dat de sensatie groot is. Ik denk dat iedereen die naar Mende reisde ook een gevoel voor sensatie had. Of niet?” Weemer glimlacht flauwtjes. “Mijn grootste sensatie zou het zijn geweest als zulke wezens als Syfa niet op deze planeet rondliepen. Ik had gehoopt verlost te zijn van het allerdomste volk.” “Het spijt me”, Trimmens stem klinkt spottend. “Ik moet je teleurstellen. Ja, ik moet je zelfs nog een boodschap overbrengen van iemand, een vrouw.” Weemer fronst zijn wenkbrauwen. Hij heeft al bijna een kwarteeuw nauwelijks gesprekken en bijeenkomsten met vrouwen. Zijn belangstelling ervoor is sterk gedaald sinds hij de kans kreeg naar Mende te gaan. Hij blijft met een ruk staan en trekt een argwanend gezicht. “Wie dan?” Trimmen haalt zijn schouders op. “Ze zegt dat ze je goed kent en dat je blij zal zijn van haar te horen. Ze woont alleen in een huisje in Bixhoorn, het lijkt wel of ze op je zit te wachten. Ik moet eerlijk zeggen, ze is uit Navringen naar Bixhoorn verhuisd dus ze is vrij laat naar Mende gekomen. “Maar wie is het dan?” herhaalt Weemer. Zijn argwaan begint te veranderen in oprechte nieuwsgierigheid. “Het is Syfa Hermondt-Degelaar”, Trimmen laat de naam uit zijn mond vallen alsof hij een zware last met zich meedroeg. “Nee, dat kan niet, dat mag niet”, Weemer schreeuwt het uit. “Hoe haalt dat mens het in haar hoofd om me achterna te komen. Denkt ze nou echt … .” Trimmen glimlacht opnieuw. “Zoiets had ik wel verwacht”, zegt hij. “Ze heeft me verteld dat je in eerste instantie afwijzend zou reageren maar volgen haar zou dat allemaal bijdraaien.” “Het is niet waar!”Weemer heft zijn handen ten hemel. “Hoe kan er ooit een schepsel zijn gemaakt dat zo krom kan denken!” Trimmen heeft oeite niet in de lach te schieten. Alleen het ernstige gezicht van Weemer laat hem daarvan afzien. “Dit is echt verschrikkelijk, dat mens is gestoord!”gaat zijn vriend verder. “Ik heb haar gekend toen ik achttien was en zij zeventien en ze heeft een jaar lang achter me aangelopen. Echt, je gelooft het niet, het was je reinste archtervolgingswaanzin. Overal waar ik liep, stond of zat, daar was Syfa ook in de buurt. Meer dan eens is ze uit de struiken tevoorschijn gesprongen en heeft ze me uitgenodigd een man te zijn. Elke keer weer heb ik haar duidelijk gemaakt dat ik niets van haar moest hebben en dat ik zeker niet op haar wensen in zou gaan.`Maar goed, laten we het over de zaak hebben. Hoe zullen we het verder aanpakken?” Trimmen maakte een wanhopig gebaar met beide armen in de lucht. “Weemer, als het om persoonlijke zaken gaat, ben je een moeilijke man” Weemer keek zijn vriend aan maar gaf geen antwoord. “Het lijkt me het beste als we straks naar de Moden gaan en de plannen bespreken.” Trimmen knikte. “O ja, zeker, die uitvaart moet zo snel mogelijk plaats hebben. Ik ben bang datde bacterieen zich op een goed moment helemaal gaan verspreiden en dan zijn we veel verder van huis. We weten immers niet wat voor ziekte ze opwekken. Het kan heel gevaarlijk worden voor ons allemaal.” Het dorpsplein lag er verlaten bij in de gloeiende zon. De pantserwagens hadden weer allemaal een plekje gekregen in de grot en de Aldemundters waren elkaar grotendeels gevolgd bij de strandexpeditie. “Maar ik denk dat de Moden wel thuis is of in het tempelgebouw. Hij zal zijn post niet gauw verlaten. Dat moet ik hem nageven”, zei Weemer. De mannen zochten bij hun wandeling over het dorpsplein de schaduwkant op maar het huis van de Moden lag helemaal in de volle zon. “De werolden”, pufte Weemer, “de Osme-zomer is hier echt moordend. Dat wisten we toch echt niet toen we hier eindelijk voet aan land zetten. Ik denk trouwens, ik weet zeker dat we in de zame-zomer zijn geland, of nee, het was lente, echte lente, dat is waar ook. De zame-zomer ging over in de Osme-zomer. Maar ja, wat wisten we toen … . ” “Ja niks”, Trimmen wil een heel verhaal beginnen over zijn eerste ervaringen op Mende maar zijn woorden worden afgebroken door destem van de Moden. “Goedenmiddag, geleerde heren. Komt u binnen”, zijn stem klinkt deftig maar ook gastvrij. “Trek in een glas gome of pommeran?” Trimmen likt zich langs zijn lippen. “Pommeran graag”, zegt hij gauw. “Fris en sprankelend, wat wil een mens nog meer met dit weer?” Weemer kiest gome, het klinkt bijna opzettelijk na de bewonderende woorden voor pommeran van Trimmen. “Akkoord!”stemt de Moden in. Hij is wel gewend aan de wat zure toon van Weemer. “Komt u met een belangrijke boodschap?” Weemer kijkt somber uit zijn ogen. Natuurlijk komt hij met een belangrijke boodschap! Hij gaat toch niet bij de Moden langs voor een lolletje! “Ik zou het denken”, zegt hij voorzichtig. “Onze ontdekking is echt van het grootste belang voor het voortbestaan van Aldemundt. De Moden laat zijn gasten binnen in zijn werkkamer en schenkt voor ieder ene gals in. Voor zichzelf zet hij ook een glas pommeran neer, aangestoken door de opwekkende taal van Trimmen. “Wel, zeg het eens”, begint hij. Zonder onderbreking luistert hij naar het verhaal van Weemer dat bij tijd en wijle wordt onderbroken door Trimmen. Deze geeft voorbeelden en zo nu en dan gaat hij wat dieper op zijn eigen onderzoek in. Tenslotte komt Weemer tot zijn conclusie. De Moden staat op en ijsbeert ene paar keer door zijn kamer. Die gewoonte heeft hij altijd gehad als er ene groot probleem opdoemde. “Dat is verschrikkelijk. Bent u helemaal zeker over dit verschijnsel? Betekent het dat we allemaal dagelijks op onze hoede moeten zijn? Hoe komt het dat het twaalf jaar lang niet is voorgekomen in deze buurt?” “Dat laatst weten we niet zeker”, merkt Weeemer razendsnel op. “We hebben het alleen nog nooit zo duidelijk onder ogen moeten zien. Er zijn nog nooit menselijke doden bij gevallen maar dat zegt niks.” De Moden knikt. “Maar als u gelijk heeft, dan zou deze omgeving nu misschien al helemaal vergiftigd moeten zijn”, zegt hij. Ïk moet er niet aan denken.” Weemer voelt eindelijk weer eens een beetje sympathie voor deze man die zo’n verantwoordelijke taak heeft in het dorp. “Dat zou heel goed kunne maar het is bijna onbegonnen werk om de hele bodem om te spitten.” “Dat is ook niet nodig, als jullie weten waar de doden zijn begraven. We zouden eerst daar moeten kijken. Maar een directer van belang is nu de uitvaart van de beide jongens en de vogel. Die moet snel plaatshebben. Op die manier kunnen we dat kwaad tenminste de baas worden. “Dat betekent dat ik een heel slechte boodschap moet brengen”, denkt de Moden. “Ik moet veel mensen teleurstellen, verdriet doen.” Weemer haalt zijn wenkbrauwen op. “Wat moet, dat moet”, zegt hij kortaf. Zijn sympathie ebt al weer weg. “En heeft u al over een mogelijke boodschap nagedacht?”gaat de Moden verder. “Ja zeker”, Trimmen is er deze keer het eerste bij. Hij doet zijn list uit de doeken. Het lijkt mij de enige manier om paniek te voorkomen.” De Moden woelt met zijn linkerhand door zijn baard maar zegt niets. Zo nu en dan kijkt hij met een wat hulpeloze blik naar Trimmen. “Ik begrijp best dat het voor u moeilijk is om uw mensen zo erg een beeld voor te spiegelen”, zegt hij eindelijk. Üw geweten en de praktische noodzaak zullen een fel gevecht aangaan. Eerlijk gezegd had ik er in Bixhoorn minder moeite mee maar ik had ook niet uw verantwoordelijkheid.” De Moden blijft vlak voor Trimmen staan. “Je hebt gelijk, ongetwijfeld heb je gelijk maar je hebt ook gelijk over mijn gevoelens. Ik zeg je, we doen het!” Even kijkt hij van Weemer naar Trimmen en weer terug. “Vanavond spreek ik u weer, ik hoop dat u me nu even alleen wilt laten. “ Trimmen staat op en Weemer volgt zijn voorbeeld. “Veel sterkte”, Trimmens stem klinkt zacht maar welgemeend als hij de deur uitgaat. Even welgemeend is het zwijgen van Weemer.

Gepost door: Kaj Elhorst | maart 29, 2009

De waarheid

“Oud maar gesmeerd”, Berg Wamerhorn lachte breed en veegde zijn met zwart smeer bedekte hand een keer langs zijn gezicht. Hij klopte met de knokkels van zijn linkerhand op het gloeiend hete staal van de pantserwagen. “Deze wagens behoren ooit tot het Heleense leger”, zei hij plechtig tegen ……  die hem vragend aankeek. “Geloof me of niet maar het leger is vijftig jaar geleden afgeschaft. Deze wagens hebben eerst nog dienst gedaan bij de “Special Forces” van de politie en daarna mochten wij ze meenemen. Niemand wist immers of we er echt iets aan zouiden hebben op  “Bacchus” maar het was beter dan niets en zeker beter dan een luxe-auto. Ze gaan nu hun diensten goed bewijzen. In een land zonder wegen, kunnen deze bakken als beesten vooruit.”  Hij pakte de verfspuit eweer op en begon de hele wagen onder een zilverkleurige verf te spuiten. “Luximia”, glimlachte hij weer. “Deze verf verandert de hele buitenkant van de wagen in een energiecollector. Dat hebben we hard nodig want op aarde reed hij op benzine maar die hebben we hier haast niet, op een kleine voorraad na. Hier moeten we het doen met ruimte-energie. Het zal wel vooral zonne-energie worden”, vervolgde hij en opnieuw wiste hij zijn  gezicht af. “Maar dat staal wordt toch gloeiend heet aan de binnenkant. Willen we dat wel?’ vroeg …..   . Berg schudde zijn glimmende hoofd. “Helemaal niet, De luximia zorgt ervoor dat alle warmte meteen energie “wordt en die gaat rechtstreeks naar de motor. Op die manier isoleert ze het voertuig juist van hitte. Binnen blijft het koel, tenzij wij het er warm maken. Luximia is de beste uitvinding van Weemer Hij bedacht het al tien jaar geleden, toen we nog maar pas hier waren.” “Weemer”? vroeg de ander. “Welke …?” Berg lachte weer. “We kenne elkaar hier toch allemaal? Ik weet maar een Weemer die op zo’n idee zou kunnen komen, Van Hornhaaf natuurlijk.!” “O, die”, ……….. stem klonk gedempt. “Niet mijn vriend.” “Dat is dan jammer”, liet Berg er snel op volgen. “Hij gaat mee als een van onze belangrijkste onderzoekers en ik zou hem maar te vriend houden. Hij is niet de gemakkelijkste en ik ben bang dat ik hem niet wil missen op onze tocht.” De ander zuchtte. “Ik hoop dat hij in een andere wagen gaat”.”Wees niet bang”, Berg klopte ……………. vertrouwelijk op zijn schouder. “Hij gaat in wagen I, bij mij. Ga jij nu maar eens spuiten, neem de volgende  wagen maar.” Haast onwillig nam ….. de spuit over maar zijn respect voor Berg zorgde ervoor dat hij onmiddellijk aan het vieze werkje begon. Berg wandelde inmiddels tussen de wagens door die nu allemaal in een rij voor de centrale grot stonden. Zonder mankeren waren ze uit de grot gekomen. Berg had ze persoonlijk de grot uitgestuurd, vlak langs de twaalf ruimtetaxi’s die het grootste deel van de grot in beslag namen. “Waarom gaan we eigenlijk met pantserwagens, die taxi’s gaan toch veel sneller”, meende ………nog. Berg deed weer een paar stappen in zijn richting. “Als we deze planeet echt willen verkennen, moeten we gewoon elke steen en elke boom kunnen aanraken en van totp tot teen bekijken. Wen er maar vast aan dat we niet veel meer dan vijftien kilometer per dag zullen rijden. Het is geen ritje naar een vakantieadres. Dat is misschien pas voor je kinderen weggelegd.” Met grote passen stapte hij verder. Bij elke panterwagen bleef hij even staan en onderzocht hij het interieur. “Wagen I tot en met  III zijn nu toch geladen?” vroeg hij aan ……………………. . Deze knikte. “We zijn nu met wagen IV bezig. Het schiet aardig op.”Fluitend liep Berg verder. Zij ogen draaiden onwillekeurig af naar zijn huis, vlak naast de tempel. Zijn veilige onderkomen zou hij binnenkort vaarwel moeten zeggen en ook de beslotenheid van het dorpsplein met zijn bomen in de kleur van witlof , zijn aangestampte wegdek van donkerrode aarde en de tientallen ronde huizen van rode natuursteen en witte platte daken. De witte kleur van de daken beschermde de huizen tegen de hitte maar toch had zijn vrouw alle ramen opengezet. Zonder dat hij wist waarom bekroop hem een angstaanjagend gevoel van onzekerheid. “Ga door, ga door”, riep hij naar de mannen terwijl hij rennend het plein verliet. Zelden hadden zijn benen hem zo snel gedragen terwijl hij zijn hart steeds sneller voelde kloppen. Beneden in de kleine hal bleef hij staan terwijl zijn stem door het huis denderde: “Doe de ramen alsjeblieft dicht en laat ze dicht totdat we terugzijn”, elk woord klonk als een mokerslag maar effect had het niet. Zijn vrouw was niet thuis. Misschien was ze aan het Hanebrood om de kijken of de gramoes al vruchten had. Gramoes, de meest geliefde vrucht van Aldemundt die rijkelijk langs het Hanebrood groeide. Berg dacht er niet teveel over na. Hij vloog door het hele huis van de ene kamer naar de andere en sloot alle deuren. Eenmaal terug bij de deur, sloeg hij ook de voordeur met een stevige klap dicht. Wat hem zo in paniek had gebracht eist hij niet zeker maar hij wist wel zeker dat het geen onzin was. Zij angst …voor zich zag hij opnieuw de raak op het plein liggen en hij hoorde opnieuw het gesuis en de doffe klap. Hij kon zich niet herinneren ooit zoiets van dichtbij te hebben meegemaakt. Er was iets in de lucht …

 

“Berg!” Weemers stem schalde over het plein. Berg keek zoekend om zich heen totdat zijn ogen de brede man in zijn onberispelijk donkerblauwe jak zag staan. Hij wenkte om dichterbij te komen. Berg aarzelde. De mannen bij de pantserwagens hadden hem nu vast harder nodig dan Weemer maar de houding van de laatste zei hem dat er iets belangrijks aan de hand was. Terwijl hij het werk op het dorpsplein in de gaten hield, liep haastte hij zich in de richting van de onderzoeker. “Iets loos?”vroeg hij haastig. Weemer keek ernstig. “Meer raadsels dan antwoorden”, zei hij somber terwijl hij Beg aan zijn jas meetrok naar zijn tuin. Het duurde niet lang of ze keken met z’n tweeen naar het reusachtige kadaver van de raak. “Ooit zoiets gezien?” Weemers stem prikkelde Berg, iets vanuit zijn kindertijd kwam naarboven als zijn vader hem het zoveelste kasteel of fort uit het verleden wilde laten zien, “Wat dan?” Weemer porde met een stok in de hoop veren. Het leek alsof een bult verrand krantenpapier uit elkaar viel. “Zo snel heb ik een dode nog nooit uit elkaar zien vallen. Het dier is nog geen dag dood. Er zin toch al eerder mensen en dieren doodgegaan in Aldemundt, niet alleen op aarde heb ik lijken gezien. Maar dit … Ik zou wel eens bij die jongens willen kijken, denk je dat het kan?”Verbluft keek Berg hem aan. Dit was inderdaad ongelofelijk en helemaal niet normaal, ook niet voor Mende. Nergens rukte de vergankelijkheid zo snel op tenzij … “Denk je dat er overeenkomsten te ontdekken zijn”? vroeg hij verbaasd. “Het zou kunnen”, meende Weemer. “Ik heb erover gewixt met ….  in Bixhoorn en hij heeft een soortgelijk geval meegemaakt.” Berg staarde nadenkend naar de dode vogel die nu niet meer verband leek te bezitten dan verpulverd papier. “We moeten toestemming aan de Moden vragen”, gaf hij toe. Weemer haalde diep adem. “Denk je dat we die krijgen of moeten we gewoon op eigen houtje een kijkje nemen in de zegelkamer?” Berg tuitte zijn lippen en haalde zijn schouders op. “Dat is verboden, dat weet je. Juist nu er een moordverdachte is, mag er niemand zo maar naar binnen. Ik ben het daar wel mee eens. De Moden moet over het recht en de doden waken.” Weemers ogen vonkten alsof er een grote woede in hem gloeide maar zijn mond liet geen onvertogen woord passeren. “Je hebt gelijk, we zullen het doen zoals jij zegt maar je moet weten dat ik nooit van mijn leven klaar kom met dit onderzoek voordat jij vertrekt.” ”Voordat we vertrekken”, vulde Berg aan. “Ik kan onmogelijk weg zonder jou. Je hebt het me ook beloofd.” Weemer trok een berustende glimlach. “Je hebt gelijk, ik weet het maar er is hier zoveel te doen. Ik wilde dat die loop nog een paar jaar was uitgesteld.”Berg keek hem nu verwonderd aan. “Dat is onmogelijk, dat weet je. Hoe langer we wachten, des te meer verrassingen we kunnen verwachten. Het lijkt mij dat de gebeurtenissen van deze week genoeg reden zijn om kennis te gaan nemen van Mende. We zijn hier al twaalf jaar, laten we blij zijn dat we niet eerder last hebben gehad van onbekende bedreigingen.” “Dat weet ik nog zo net niet”, fluisterde Weemer voor zich uit. “In Bixhoorn is het ook al gebeurd en misschien was het hier ook wel eerder.” “In elk geval ga ik de expeditie niet meer uitstellen”, besloot Berg. “Dan blijf ik hier”, besloot Weemer. “Je zult naar andere onderzoekers moeten uitkijken. Misschien heb ik me in je vergist.””Misschien wel, ja”, antwoordde Berg. “Maar ik heb  me niet in jou vergist. Ik weet al heel lang dat je en moeilijk mens bent maar ik kan je niet missen, Weemer. Dat is het probleem. En nu moet ik weg.”Geirriteerde draaide Berg zich om en zijn kwaadheid gaf hem extra snelheid. “Eerst naar de Moden”, klonk hert in zijn hoofd.

 

In de tempelzaal was het heerlijk koel maar de temperatuur steeg toen de mensen in grote groepen naar binnen kwamen. Het geroezemoes zwol binnen aan tot opstandig gerommel en harde, opgewonden klanken. Voor iedere Aldemundter stond er een stoel klaar, zoals altijd. Geen harde kerkstoelen maar heerlijke stoelen voorzien van een zachte zitting en rugleuning waarop mensen een behagelijke plek vonden tijdens diensten en vergaderingen. Vandaag, de derde dag zou de Moden bekend maken hoe hij verder wilde gaan met de moord,. “Een dubbele moord”, de moeder van Garmen kreeg de woorden met moeite tussen haar tanden vandaan. Ze keek grimmig om zich heen maar slecht een enkele Aldemundter sloot zich bij haar grimmigheid en haar strijdlust aan. Ze warten allemaal veel teveel onder de indruk van de gebeurtenissen van gisteren. De neergestorte raak, de optocht naar het huis van Garmen, het gezamenlijke zingen. Het had de meesten aan het denken gezet. Zou er echt een vreselijke misdaad voorbij zijn gegaan in het dorp dat steeds nog zonder smetten was geweest of zou er sprake zijn van een rampzalig ongeluk? En hoe kon dat dan? Hoe moesten zij zichj dat voorstellen? Kon je hier zo maar doodvallen zonder aanwijsbare reden? Konden ze ontdekken wat de oorzaak was of … zou dit gewoon een door en door slechte planeet zijn? Zou het misschien te wijten zijn aan een verandering op de planeet. Geen opwarming natuurlijk, daarvan hadden ze niets gemerkt. Maar misschien was er iets aan de hand met de zuurstof, raakte die soms op? Steeds minder mensen begonnen te geloven aan een doodordinaire moord, zelfs Garmens vader geloofde daarin nog nauwelijks. Zij vrouw wel. Zij wilde de schuldige zien “weggeborgen”, voor altijd.

De zaal zat nu helemaal vol en de mensen vooraan begonnen zich het zweet van het gezicht te wissen. Zweterig en benauwd werd het in de tempel. De mensen hoopten dat de Moden nu gauw zou komen en ze werden op hun wenken bediend. Hij schreed naarbinnen. Het was een manier van lopen die hij zichzelf had aangeleerd voor plechtige momenten. Het paste erbij en een beetje paste het ook bij zijn gewichtige taak in deze kleine gemeenschap. Bijna op slag werd het stil al schoof een enkeling nog wel met zijn stoel. De Moden liet zijn ogen door de hele zaal gaan en hij ontdekte dat de ouders van Garmen en zijn  vriend achteraan zaten. “Komen jullie alsjeblieft vooraan”, zei hij zachtjes. “Ik wil jullie nu dicht bij mij hebben.” De vier aarzelden geen moment en zij stonden op om toch een beetje verlegen midden door het gangpad te schuifelen. De Moden liet voer stoelen op de voorste rij bij plaatsen zodat er ruimte was.

“Wij willen elkaar niet kwijt”, waren zijn eerste woorden. “Wij, mensen van Aldemundt, hebben een belangrijke taak op ons genomen. Een taak om een nieuwe wereld te beginnen. Belangrijk en zwaar maar ook belangrijk omdat deze taak voor ons tegelijkertijd het grootste geluk betekent. Dat houdt niet in dat ons nooit ongeluk kan overkomen. Integendeel, het ongeluk ligt steeds, op aarde en hier, op de loer om onze Hornich af te buigen, een doodlopende richting te geven.”Even bleven zijn  ogen rusten op de ouders van de gedode jongens alsof hij hun bevestiging zocht maar hij wachtte niet op getuigenissen. Het was geen dienst. “Dit jaar op deemeravond hebben wij het grootste onheil meegemaakt sinds Arkebeen, de dag waarop wij hier voet aan land zetten. Het verlies van twee jongemannen, in de kracht van hun leven en vol beloften voor de toekomst. Toekomst is het fundament van Aldemundt.”Weer wachtte hij even en hij nam een kleine slok van het water dat naast zijn lessenaar was opgesteld.

“Het leek zo duidelijk. Een worstelpartij met een afloop die niemand wilde”. Voor de derde keer richtte hij zijn ogen naar de twee ouderparen. “Die niemand wilde”, herhaalde hij. Niet de slachtoffers en niet degene die alle schijn tegen zich had als het ging om het aanwijzen van de dader. En toch twijfelen wij, niet alleen ik maar het hele Modaal. Wij twijfelen omdat er  getuigenissen zijn van het tegendeel en omdat er verhalen zijn over onbekende verschijnselen die mogelijk een rol hebben gespeeld bij deze ramp. Twijfel, mogelijk, verhalen, het klinkt allemaal erg onzeker maar zonder volle zekerheid kan ik niet en kunnen de andere leden van het Modaal niet een dader aanwijzen. Wij hebben voor onze rust meer zekerheid nodig en die zullen wij ook krijgen. Geloof me, de mogelijke dader krijgt het in de komende tijd niet gemakkelijk. Hij twijfelt zelf over zijn handelen, hij begrijpt het niet en hij snapt ook niets van de gebeurtenissen zoals zij zich hebben afgespeeld. Er is veel moed en energie nodig om zekerheid te krijgen. Tot die tijd laten we hem niet vrij.” Met een oog keek hij nu even in de richting van de twee ouderparen en hij zag bij enkelen van hen een zucht van verlichting. Zij woorden misten hun uitwerking niet. Ramold zal als taakgestrafte meegaan met de loop van Berg Wamerhorn. Als taakgestrafte, dat wil zeggen dat hij niet de vrijheid geniet van de andere expeditieleden. Enkelen onder hen zullen hem ook prikkelen om te komen tot uitspraken, tot een gesprek over zijn ervaring van de gebeurtenissen. Hun overtuiging zal de doorslag geven bij de vraag of er een sjebbe komt of niet  Als zij ook maar enigszins geloven dat Ramold schuldig is, zal er een sjebbe zijn en die zal ook een uitspraak doen. Als zij echter geloven dat er geen spoor van schuld aan Ramold te ontdekken valt, dan  komt er geen sjebbe. Zo hebben wij als Modaal besloten en wij vertrouwen erop uw instemming te kunnen krijgen.”   Een schrille gil klonk door de tempelzaal. “Hij wilde zo graag mee met de loop”, gilde Garmens moeder. Dit is een beloning, geen taakstraf.” Haar man sprong nu overeind. Zijn ogen stonden vol tranen. “Ik hoop dat dit ons niet zal berouwen”, kreeg hij er met moeite uit. “Maar het is een oplossing die aansluit bij het beste dat Helen kenmerkte en bij die traditie sluit ik me graag aan. Ik hoop dat ik ook mijn vrouw kan overtuigen want tegen haar verdriet ben ik niet bestand.” Hij sloeg zijn arm om haar ranke schouders en boog zich beschermend en zwijgend over haar heen. Alleen zij kon het liedje horen dat zij vroeger voor haar zoon als hij ging slapen, een liedje waarin hoop en vertrouwen doorklonken.

 

Het laden ging weer verder. Berg stapte druk gebarend van de ene pantserwagen naar de andere. “Nee, het vlees nog niet”, schreeuwde hij kwaad toen een van de mannen overijverig met een uitgebeend stuk koe aan kwam sjouwen. “De levensmiddelen laden we pas de laatste dag in. Kun je ook bedenken waarom?” Hij bleef vlak voor de man staan. Deze voelde zich op zijn vingers getikt.  “Ik hoop dat je tijdens de expeditie een beetje sneller van begrip bent”, Berg trok een spottend gezicht. “Maar waarom ga je zo tegen me te keer?” vroeg de man nu ook kwaad. “Je bent toch geen generaal die zijn soldaten commandeert. We zijn toch allemaal zelfstandige Aldemundters die uit vrije wil meegaan.” “Precies” brieste Berg. “En als je je niet zelfstandig gedraagt, kan ik niets aan je overlaten en dan houd je je eigen expeditie maar, alleen.”  De man beet op zijn onderlip en draaide zich wat onhandig om met het grote stuk vlees. “Trouwens”, merkte hij toch nog op. “We zijn maanden onderweg, dan bederft het vlees zeker niet?” “Nee, dat klopt”, Berg moest zich inspannen om niet achter de man aan te komen. “Dan zijn de koelgeneratoren ingeschakeld, kemper!” Van dat laatste woord had hij meteen al weer spijt. Het was niet goed om expeditieleden uit te maken voor de rondkruipende slangen die op de akkers zich soms te goed deden aan het graan. De dieren hadden met hun hangoortjes en uitgesproken melige uitdrukking in het gezicht de uitstraling van een sukkel. “Sorry!”riep Berg dus. “Maar houd je hersens er alsjeblieft bij.” Daarna beende hij naar het huis van de Moden. Met zijn knokkels klopte hij hard op de voordeur. Hij afwisselend op zijn linker en op zijn rechter been en zo wachtte hij tot de deur openging. De Moden stond zelf in de opening. “Ik moet je nodig spreken”, Berg zorgde ervoor dat zijn woorden niet door anderen gehoord konden worden.  De Moden liet zijnbezoeker dan ook snel binnen. “Wat is er aan de hand?”  Berg plofte op een stoel in de woonkamer neer, hij was er alleen met de Moden die nu ook een stoel naar zich toe trok. Hij liet zijn hoofd op beide handen steunen en luisterde. Berg had meestal iets belangrijks. De expeditieleider vertelde nu van de ontdekking die Weemer had gedaan. “Hij wil weten of de lichamen van die jongens dezelfde verschijnselen vertonen. Het zou de onschuld van Ramold gedeeltelijk kunnen bewijzen maar hij wil het desnoods doen zonder jouw toestemming. Daar ben ik het niet mee eens. Die man is in staat om er een zooitje van te maken.”  De Moden fronste zijn wenkbrauwen en keek ernstig voor zich uit. “Ik vertrouw Weemer helemaal”, zei hij. “Ik niet, liet Berg er snel op volgen. Hij is mij teveel bezeten van zijn onderzoekingen.””Goed, ik zal er op letten”, beloofde de Moden. “Maar ik wil sowieso wel dat Weemer een onderzoek aan de jongens doet.” Berg knikte. “Dat kan ik me voorstellen maar dan alleen met jouw toestemming, lijkt mij.” De Moden knikte. “Dat is afgesproken.” “En dan nog iets”, ging Berg verder. “Wie licht Ramold in? Moet hij in de cel blijven totdat wevertrekken?” De Moden schudde zijn hoofd. “Daarvoor moeten we een andere oplossing zien te vinden. Ik heb de mensen duidelijk gemaakt dat Ramold voorlopig niet op vrije voeten komt en ook geen “vakantie-uitje”tijdens de expeditie. “Misschien moet hij vanavond naar huis gaan en daar blijven tot we vertrekken”, Berg sprak met gedempte stem.”De M<oden knikte. “Misschien ja … maar ik wil eerst met je over iets anders praten. We kunnen dat best ergens in huis doen maar liever niet buiten op straat. “”OK” gaf Berg toe. “Maar ik wil even twee minuten stil zijn.” De Moden keek hem onbegrijpend aan maar reageerde niet. De beide mannen stonden nu midden op het plein en luisterden ze luisterden … In het donker schuifelden dieren rond terwijl zij plantenresten en straatvuil opzij duwden. Hun gesnuif klonk duidelijk tegen de achtergrond van het gekwetter van vogels en bij dat geluid glimlachte Berg. “De marnik en de grotefeem”m fluisterde hij met een enthousiaste ondertoon in zijn stem. “Die geluiden wil ik niet vergeten als ik op reis ga, ik wil weten waarvoor ik het doe, omdat ik houd van deze plaats maar omdat ik ook weet dat we niet op een eiland wonen. Er zijn mensen die denken dat de wereld ophoudt bij Aldemundter velden maar daar hoor ik niet bij.” In de verte klonk een harde schreeuw alsof een koe op haar hardst stond te loeien, een beetje schor en met een hoge uithaal aan hert eind. “Ik heb dat eerder gehoord”, zei Berg weer, “maar ik heb geen idee waar het geluid vandaan komt. Zulke dingen brengen mij ertoe.”De Moden legde ziojn hand op Bergs schouder. “Misschien ben je vooral uit nieuwsgierigheid naar Mende gegaan”, zei hij. “Ik beloof je dat je nog heel veel nieuws te ontdekken zult hebben. Wat mij betreft kun je nog tientallen keren op expeditie.”  Berg haalde zijn schouders op. “Ik weet dat het moeilijk gaat worden. Misschien moeten we de volgende keer onder weg aan het werk om zelf ons voedsel elders te verbouwen. Een langdurige expeditie is een zware belasting voor de gemeenschap.”Kijk eens wat voor voorraden we meenemen. We gaan met tien pantserwagens waaran er zes zijn volgeladen met levensmiddelen. Daarvoor is hard gewerkt, zeker een jaar lang, door iederen. Het is van belang dat de expeditie met goede resultaten thuiskomt over een halfjaar. Daar gaan we ons voor inzetten.”De mannen liepen nu langzaam in de richting van het huis van de Moden. “Kom je nog even?”vroeg deze. “ Ik heb iets belangrijks.” Berg knikte en stapte voor de Moden de huisdeur binnen. “We gaan even boven zitten wan tik denk dat mijn dochter in de huiskamer zit en die hoeft niet alles te horen.” Op de eerste verdieping had de Moden een werkkamer, niet veel groter dan een slaapkamer in een aardse eengezinswoning. De kamer had de vorm van een taartpunt met een buitenwand aan de buitenkant. In deze wand had de Moden een ruime voorraad van aardse “hebbedingetjes” neergezet: schaakspelletjes van kristal en marmer, tuinkaboutertjes, kleine whiskyflesjes. “Alles wat ik op aarde ook in mijn kamer had om de boel te versieren”, lachte de Moden. “Ga zitten”, hij stak een lamp aan die als een elektrische kaars de tafel verlichtte. “ Een beker kodelij?”vroeg hij. Berg stemde in en de Moden pakte twee warme bekers met de bitterzoete,  schuimende en lichtgevende drank uit het oventje in een hoek van de kamer.

“Luister”, zei hij plechtig. “Ik ben gek op mijn dochter, dat weet je al jaren.” Berg knikte want hij was al een vriend van de Moden en zijn vrouw sinds ze met de Arketan waren vertrokken. “Ik zou haar van mijn levensdagen geen verdriet willen doen en nu zit ik met een probleem, de zaak Ramold. Het kost mij al mijn energie om er een oplossing voor te vinden. Mijn gevoel zegt me dat de jongen onschuldig is, al heeft hij wel een paar klappen uitgedeeld. Dat hebben we allemaal wel eens gedaan maar doden zijn er nooit gevallen. Ik weet zeker dat Ramold geen moordenaar is maar hoe de zaak wel in elkaar zit, is me een raadsel. Niet voor niets heb ik een oplossing gevonden waarbij hij de kans krijgt zichzelf en zijn onschuld te bewijzen.””Maar”, begon Berg … maar de Moden legde zijn wijsvinger voor zijn mond en gebaarde hem te luisteren. “Ik weet het, niemand hoeft zijn onschuld te bewijzen maar ik denk toch dat het belangrijk is. Hij moet onomstotelijk onschuldig blijken te zijn anders gaan anderen er misbruik van maken, allemaal ten bate van hun eigen doelstellingen. Dat wil ik voorkomen. Daarom is het absoluut noodzakelijk dat hij het niet gemakkelijk heeft tijdens de expeditie. Er zullen discussies en gesprekken zijn, soms zal het tot een vechtpartij kunnen leiden maar ik wil dat hij onbeschadigd en levend thuiskomt. Ik ben van plan Weemer te vragen om op te treden als zijn mentor bij deze proef maar ik hoop ook dat jij dat van een aftsnd in de gaten wilt houden. Het betekent een verzwaring van je taak, dat begrijp ik. Ik vraag het niet als Moden maar als vriend.” Zelden was het zo stil geweest in de werkkamer van de Moden. Berg liet de kodelij in de beker ronddraaien en nam langzaam een slok. “Eigenlijk bedoel je dat ik het doen en laten van Weemer in de gaten zou moeten houden”, zei hij eindelijk. De Moden glimlachte maar gaf geen antwoord. “Of nee, het is meer, het is het besturen van een tweede proces. Je vraagt me leiding te geven aan de expeditie maar ook aan dit rechterlijk proces.” “Zo zou je het kunnen noemen”, in de stem van de Moden was een bang soort spanning te horen. Zijn tenen kromden zich nu in zijn schoenen want Berg zou nu moeten beslissen. Het leek alsof de expeditieleider nog steeds probeerde de bodem van zijn beker terug te vinden onder de kodelij. Hij zette de beker tenslotte neer en keek zijn vriend met half dichtgeknepen ogen aan. “Vertrouw je Weemer niet”?  Het was een tussenstation, een poging om tijd te winnen want Berg had moeite met het verzoek. Het zou hem veel extra moeite gaan kosten om alle gebeurtenissen rond Ramold in het oog te houden zonder hem steeds in de buurt te hebben. Hij keek in de ogen van de Moden die nu vooral spanning en aarzeling uitdrukten, twijfel of misschien wel vertwijfeling. Hij wachtte het antwoord van zijn vriend helemaal niet af omdat hij het eigenlijk zelf wel kon bedenken. “Het is goed”m zei hij eindelijk met een strakke mond.”Het moet gemakkelijk kunnen, ik heb wel voor heter vuren gestaan en mijn energie is onuitputtelijk.”De Moden begon te lachen. “ De onuitputtelijkheid van Berg Wamerhorn”:, zei hij. “Berg ik moet je bedanken.”Hij kende Berg, een man die nog nooit zijn  vertrouwen had beschaamd. “Iets sterkers?” Berg schudde zijn hoofd. “Ik besloten voor en tijdens de expeditie geen zafyr aan te raken maar als ik terug ben gekomen, zal ik het inhalen.” De Moden stond op. “Als we dat tegen die tijd maar samen kunnen doen. Ik neem er nu vast een op het welslagen van je expeditie en alles wat daarbij hoort. “ ”Geef mij nog maar een beker kodelij.”  

 

“Absoluut noodzakelijk”, Weemer trok zijn mondhoeken naar beneden en keek de Moden ongeduldig aan. “Ik moet een vergelijking maken, over een week Dan is ………….. hier. Hij heeft mij gewixt daarover en op die manier kan ik dit deel van mijn onderzoek nog net afronden voordat ik met de expeditie meega. ……………… heeft beloofd dat hij hier blijft voor het onderzoek om het zoveel mogelijk verder uit te voeren totdat ik weer terug ben. Maar we kunnen geen week wachten met het onderzoek op het lichaam van de jongens. Het zal bovendien niet veel tijd in beslag nemen. Ik wil globaal kijken of ik er dezelfde symptomen vind als bij de vogel.”De Moden knikte. “Ga je gang maar ik wil er bij zijn. Dat ben ik aan mijn functie verplicht.” “Geen probleem”, Weemer maakte met zijn hand een gebaar alsof hij letterlijk alle problemen weg wilde wuiven. “Zullen we naar binnen gaan, ik heb hooguit een half uur nodig.” “Heel goed”, de stem van de Moden klonk nog steeds gereserveerd maar hij besloot voor de rest van de tijd spontaner en meer ontspannen te zijn. Hij leidde Weemer door de gang van de tempel totdat ze een deur bereikten waarvan de bovenkant was gebogen. De Moden haalde een lange sleutel te voorschijn waarvan verschillen delen beweegbaar waren. “Een ouderwetse sleutel”, lachte Weemer maar de Moden verbeterde hem. “De beste sleutel en dat moet ook wel want in deze kamer staat alles opgeslagen wat ons dierbaar is.”Met een soepele handbeweging opende hij de deur. Weemer besefte dat hij nog maar voor de derde keer in de Hornichfal was. Daarmee behoorde hij al tot de bevoorrechten want bijna geen enkele Aldemundter kende deze zaal. Alleen degenen die ene dierbare hadden verloren en de Moden kwamen hier. Weemer liet zich dan ook opnieuw verrassen door de mysterieus aandoende ruimte. Net als de tempelzaal was de kamer helemaal rond maar de muren waren donkerder, zwart-grijs, anthraciet achtig. Doods en deftig. Door een rond venster in het plafond van witachtig glas viel een gedempt licht naar binnen.In het midden van de zaal stonden twee tafels en daarop lagen de dode lichamen van de jongens. Weemers pas versnelde zich. Met zijn vingertoppen raakte hij de voetzolen aan, de plaats waar nabestaanden een oneffenheid niet snel zouden opmerken. En dat was maar goed ook. Bijna drukte hij een diepe kuil in een van de voeten, ter grootte van zijn vinger. “Net wat ik dacht”, fluisterde hij tegen zichzelf. Een klein beetje van het stof liet hij snel in zijn jaszak glijden. “Die kleur, zie je dat, die gezichten hebben precies dezelfde kleur gekregen en alle puistjes en wratjes zijn verdwenen. Er zijn zelfs geen moedervlekken meer”, hij keek nu in de richting van de Moden. “Zo nauwkeurig heb ik er niet naar gekeken”, antwoordde hij. “Ik waak over de doden, ik zoek ze niet af.””Maar ik wel en ik ga het raadsel van deze dood oplossen. Ik krijg dat voor elkaar.” Er kwam een zelfingenomen grijns op Weemers gezicht. “Geloof me.” “Ik geloof je”, stemde de Moden toe. “We zijn klaar”, liet Weemer er snel op volgen. “Wat mij betreft kunnen we weg.””En kun je al wat over je onderzoek zeggen?” vroeg de Moden maar Weemer schudde zijn hoofd. “Ik heb veel gezien maar het is te vroeg voor conclusies.””Je kunt niets over schuld of onschuld zeggen”, vroeg de Moden door. “Nee, nee, dat durf ik nog niet voor mijn verantwoording te nemen. Ik wil eerst met …. gesproken hebben. Ik kan je wel zeggen dat het allemaal ingewikkelder in elkaar zit dan de meeste hier in Aldemundt denken.”  “De Moden sloot de deur van de Hornichfal weer af. “Nou, daar schiet ik niet veel mee op”, gaf hij toe. “Ik heb al heel lang het gevoel dat er iets bijzonders aan de hand is.””Goed zo, goed zo”, zei Weemer weer terwijl de mannen het tempelgebouw verlieten. “Ik groet je, we zien elkaar morgenochtend weer.” “Natuurlijk”, de Moden wist dat het geen zin had om Weemer verder te ondervragen. Hij ging nu met grote stappen naar de grot. Daar trof hij de lederaar en Ramold aan. “Zoals ik vanmiddag heb verteld, kun je niet vrijkomen”, begon de Moden meteen tegen Ramold. “Maar je mag wel naar huis, je mag alleen je huis niet verlaten.”Hij knikte tegen de lederaar” Hij wilde snel met deze zaak klaar zijn. De lederaar draaide het slot nsnel open en \Ramold stapte een beetje wantrouwend naar buiten. “Dan k … “”Je moet mij niet bedanken”, viel de Moden hem in de rede. “Dank is pas op zijn plaats als iederen weet dat je onschuldig bent.”Hij wees op de lederaar. “Zorg dat deze jongeman veilig thuiskomt en …”met een vinger wenkte hij de politieman. “Houd vanaf dat moment zoveel mogelijkk de tempel en vooral de Hornichfal in de gaten. “De lederaar leidde Ramold zonder bedenkingen weg en liet de Moden in het duister van het dorpsplein achter. De dieren lieten zich nog steeds horen in de zachte, haast zwoele nachtlucht met wonderlijke en prikkelende geuren. “Berg heeft gelijk”, zei hij tegen zichzelf en heel langzaam begon hij aan zijn terugtocht naar huis.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

www.purefantasy.nl/Links/

www.schrijvenonline.org/forum/9737

www.picture-book.nl/SchrijfLinks.htm

Gepost door: Kaj Elhorst | maart 22, 2009

Vrijheid

 

 

“De kloof  is opengebroken”, de woorden van de Moden klonken als hamerslagen in de vergadering van bestuurders, de Modaal. “Wij moeten een brug bouwen nu het nog kan”, sprak hij somber. De vier mannen en de vrouw zaten nu al twee uur bij elkaar. Nooit eerder was iemand in Aldemundt beschuldigd van moord maar nu was die beschuldiging niet meer ver weg. Geen van de vijf had tot nu toe het woord durven uitspreken. Niet de gebeurtenissen maar de gevolgen ervan waren de hele nacht onderwerp van gesprek geweest. Nu werd er wijsheid gevraagd van de Moden en de zijnen en die wijsheid moest meteen bij het aanbreken van de nieuwe dag worden getoond. “Wij hebben de vrijheid om een heel nieuwe wereld te bouwen. Daar zijn we jarenlang mee bezig geweest maar nu lijken we ons doel te missen”, zei Quia van Hornhaaf. Weemers vrouw zat al zeven jaar in de vergadering. “Ik ben voor verzoening en ik kom er maar niet uit of dat zonder straf mogelijk is.” “De straf is niet onze zaak, daar zijn de rechters voor”, meende  Vernant Loggen. “Maar dan moeten zij praten vanuit hun gevoel”, bracht Quia daar tegenin. “Zij hebben geen boeken en geen jurisprudentie. We hebben niet eens wetboeken. Er is alleen maar een  lijst van dorpsregels en die zijn boterzacht. Iedereen kan ze maar zo’n beetje naar eigen idee uitleggen.”De Moden haalde zijn schouders op. “Dat ben ik niet met je eens. De meeste dorpsregels zijn glashelder. We hebben bijvoorbeeld niet veel persoonlijk, individueel, bezit maar toch is er heel duidelijk wat diefstal is.” “Ja, diefstal”, herhaalde Quia. “Maar verder … .” De Moden schudde weer zij hoofd. “Verkrachting, geweld, het is allemaal heel duidelijk. Zelfs kwaadsprekerij is nauwkeurig omschreven. Dat moet ook wel want zij een kleine gemeenschap kun je geen kwaadsprekerij gebruiken. Het is een splijtzwam. Maar nu hebben we te maken met een veel ernstiger splijtzwam: doodslag. De rechters zullen niet vanuit hun gevoel maar vanuit hun wijsheid moeten spreken.” “Wijsheid”? vroeg Paup Warmerhorn nu. “Maar hebben zij die? Waar moeten zij die vandaan hebben gehaald? Van tien jaar aan boord van de Arketan, word je niet erg wijs en hier in Aldemundt is nooit iets gebeurd.”  “Des te beter”, vond de Moden. :D an hebben zij tijd gehad om na te denken. Op aarde hadden de mensen daarvoor veel te weinig tijd, zelfs in Helen waar alles zo kalm aan gebeurde. Als mensen geen tijd hebben, denken zij niet na maar reageren zij. Er is een tijd geweest dat de ontzetting in de gemeenschap rond een misdaad, meetelde voor de strafmaat. Alsof de misdadiger met opzet voor de ontzetting had gezorgd. Alsof die ontzetting iets onontkoombaars was. Het ging in dat geval altijd om placebo-rechtspraak.” “Wattewat..”? Vroeg Vernant met een onzekere uitdrukking op zijn gezicht. “Placebo-rechtspraak”, herhaalde de Moden. “Placebo”is een woord uit de zeer oude taal van de Cesaren. Het betekende  “ik behaag u”. In die tijd deden rechters alles om het volk te behagen. Wijsheid staat daar ver vandaan en ik ben ervan overtuigd dat rechtspraak moet berusten op wijsheid. Je kunt nooit iedereen tevreden stellen maar wijsheid betrachten, dat kan altijd.” ”Goed”, stemde Quia in. “Maar kunnen we al wel een Sjebbe bij elkaar roepen? Moeten we niet eerst veel meer onderzoek doen? Er moet eerst toch precies duidelijk zijn wat er gebeurd is?”  “Mee eens”, vond Vernant. “Ik snap gewoon niet hoe Ramold in een klap twee volwassen mannen doodslaat.””Maar was het wel maar een klap”? vraagt Quia meteen. Ze glimlacht een beetje naar de Moden om te kijken of hij haar spitse opmerking goed heeft gehoord. “Er stonden allemaal mensen omheen”, zegt Vernant weer. “Ze hebben allemaal gezegd dat het maar een klap was.” ”Ja, ja”, begint Quia maar deze keer valt de Moden haar in de rede. “Er zijn tientallen vragen maar ik ben bang dat de meningen al post hebben gevat. De familie van Warmen en zijn vriend zijn ervan overtuigd dat het doodslag was en hun beste vrienden hebben niet veel keus. Zij staan aan die kant van de lijn. Aan de andere kant staan de meeste katelingen, mijn dochter en mensen die Ramold goed kennen. Zij weten zeker dat er iets anders aan de hand was. Misschien had Paup wel een hartafwijking en is hij zich letterlijk doodgeschrokken. Jammer dat het allemaal zo weinig uitmaakt. Een sjebbe kan daar op dit moment niets aan veranderen. Ik heb een voorstel.” Deze keer zwegen de anderen van de Modaal. De Moden fronste zijn wenkbrauwen en stond op. Het moment woog zwaar op de anderen, ze verwachtten wijsheid van de Moden en zo hoorde het ook. “Hoe zou het zijn als we de gemoederen laten bekoelen”?’vroeg hij. “Dat kan alleen maar door Ramold voorgoed keihard te laten werken in een kamp. Zo deden we dat in Helen, geloof, ik. Alleen, wat zou hij moeten doen?” ”Afkoeling?” vroeg nu ook Quia.”De mensen willen bloed zien, wraak!” “Dat weet ik niet”, gaat de Moden verder. “De rechtspraak in Helen was nooit gebaseerd op wraak, wel op veiligheid en verbetering. Wasdat niet het hele beginsel van Helen, verbetering? Groeiden we niet daarom steeds meer, kregen we niet daardoor een steeds krachtiger geest die ons ertoe er bracht de krijgsmacht af te schaffen?” “Ja, je hebt wel gelijk”, aarzelde Vernant. “Maar nu zitten we niet in een groot, uitgebreid land. We hebben te maken met vierhonderd mensen die in een kluitje bij elkaar zitten en elk moment in heethoofden kunnen veranderen.” “Je ziet het, maar betekent dat dat we onze goede verworvenheden van Helen overboord moeten zetten? Moeten we weer als barbaren om wraak en bloed gaan vragen?” zei de Moden ernstig. “Ik dacht erover om twee problemen tegelijkertijd op te lossen. Geen haringen in een ton meer en … hard werken.” Quia en Vernant bogen zich nu gelijktijdig voorover. “Wat bedoel je, we snappen er niets van.” De Moden glimlachte flauwtjes. Hij hield zijn rechter wijsvinger voor zijn mond alsof hij elk woord zo nauwkeurig mogelijk wilde begeleiden. “Als we ervoor kunnen zorgen dat Ramold een tijdlang weg is terwijl we zeker weten dat hij terugkomt  om een sjebbe bij te wonen. Die zouden we ondertussen rustig kunnen voorbereiden. Sterker nog, Ramold gaat daar zelf aan meewerken. Op die manier kan hij laten zien of hij de toekomst met vertrouwen tegemoet ziet. Als hij echt onschuldig is, zal hij er geen moeite mee hebben.”  “De sjebbe, voorbereid door Ramold. Dat kan toch niet?”riep Vernant. “Ik denk het wel. Hij doet het niet in zijn eentje, hij werkt samen met anderen. We sturen hem als verkenner mee met de loop van Wamerhorn.” “Dat is haast een beloning”, Vernants gezicht stond ongelovig. “Dit meen je niet.” Quia schoof een beetje ongemakkelijk op haar stoel heen en weer maar plotseling klaarde haar gezicht op. “Nou ja, zo gek is het misschien nog niet eens”, begon ze fluisterend. “De leden van de loop zijn echt niet allemaal vrienden van Ramold. Er zitten zelfs vrienden van Paup en Warmen bij. Misschien komt het in die groep tot een goed gesprek waaruit blijkt wat er echt is gebeurd.”De Moden knikte. “Daar denk ik aan. “Een sjebbe voltrekt zich altijd voor een deel in het openbaar en gedeeltelijk in het verborgene voor de meesten. Dat gebeurt ook nu.” ”Wil je dan eerst in het openbaar besluiten dat de sjebbe op deze manier te werk gaat, vanwege uitzonderlijke toestand. Zie ik dat goed zo?” Vernant liet zijn stem al bijna enthousiast klinken. “Ja maar we geven de loop daarmee wel een extra opdracht mee. Als ze terugkomt, moet er een uitspraak zijn en die wordt bediscussieerd met een groep mensen uit het dorp”, legde de Moden uit. “Daaruit komt de uiteindelijke uitspraak voort.”  “Maar”, tot nog toe had Fode Wamerhorn zich niet laten horen. “ Ik weet niet of mijn broer daar erg blij mee is. Er zal iemand moeten zijn die op Ramold let.” “Daarvoor weet ik wel iemand, iemand die het heel goed doet”, zei de Moden. “Vertrouw dat maar aan me toe.”

 

Randa sloop de deur binnen en kroop haast onhoorbaar naar haar kamer boven in het huis. Ze voelde zich uitgeput maar slapen wilde ze niet. Onder weg was ze een paar mannen tegengekomen die bezig waren wagens uit te zoeken voor de loop. Meestal liep ze vrolijk lachend iedereen tegemoet maar deze keer was ze in een grote boog om de mannen heen gelopen, ook toen Berg haar riep. Ze wilde niemand spreken. Op haar kamer hurkte zij bet raam want de donkere achterwand zou haar maar verdrietig maken. Buiten zag ze de mannen druk heen en weer lopen. Grote kisten broodbessen, brood en zelfs graan verdwenen in een van de pantserwagens. De voorbereidingen voor de loop gingen door maar het jaarlijkse demerfeest was afgelast. Niemand had zin in feesten. Van beneden klonken de stemmen van de Modaal die haar vader deze keer in de huiskamer bij elkaar had geroepen. Het klonk ernstig en Randa vroeg zich af of ze Ramold ooit nog anders zou zien dan in een cel. Beneden passeerden vier manen met een vrieskist die waarschijnlijk vol zat met vlees. Andere mannen droegen grote zakken waarvan onduidelijk was wat de inhoud was. Randa keek voor zich uit maar ze zag het allemaal niet echt gebeuren. Ze wilde haar moeder spreken, misschien wist die iets en plotseling hoorde ze in haar hoofd weer de stem van Weemer van Hornhaaf: “Beken niets.”Die man deed alsof hij meer wist dan de anderen. Randa had het altijd een griezel gevonden, een echte betweter maar nu voelde ze toch iets anders. Zou Weemer echt iets weten waarvan de anderen niet op de hoogte waren? Moest ze naar hem toe gaan om erover te praten? Wat zou haar moeder ervan denken? Zag die wel iets in Weemer?”  Ze staarde opnieuw uit het raam. Een tweede pantserwagen reed het plein op. Het beladen van de wagens was nu echt begonnen….Plotseling stond ze op. Met vlotte passen liep ze deze keer de trap af. Ze deed de deur naar de woonkamer op een kier open. “Waar is mam?”  “Bij de usker, ze helpt bij het inrichten van de tempel”, antwoordde haar vader die in het midden van de kamer bleef staan. Hij probeerde zich te herinneren waar hij in zijn betoog was gebleven.  “OK”, het klonk vluchtig en flets. De deur ging zachtjes dicht en Randa ging in een holletje over het plein, naar de tempel. “Hallo Randa, hoe is het …”de woorden van Barg bereikten haar niet eens. Ze vluchtte door de openstaande deur van de tempel naar binnen. In degrote zaal was niemand te bekennen. Even bleef ze in het midden van de grote cirkel staan.  Ze keek voor het eerst de kleurige maar kale wanden van de ruimte die Icher werd genoemd. Een kompas voor iedereen! Altijd had ze dat begrepen maar deze keer was het haar een raadsel. Hoe kon een kale ruimte ooit de weg wijzen? Misschien stond ze daar langer dan ze zelf  besefte maar plotseling verscheen er iemand in het kale vlak. Ze herkende er niet eens haar moeder in, zo diep was ze in gedachten geweest. Deze keer aarzelde ze ook. Zou haar moeder niet zeggen: “Dat heb je met katelingen.” Ze had haar eerder gewaarschuwd voor die mensen zonder verleden, mensen die nooit wijs zouden worden. Voor ze het door had, riep ze “mam”en meteen wilde ze zich omdraaien maar daar kreeg ze geen kans voor. Haar moeder sloeg haar armen om haar heen. “Als je huilen wil, doe het dan nu”, zei ze zachtjes. Randa voelde tranen achter haar ogen opkomen en tegelijkertijd was ze verbaasd. Geen verwijt, geen ergernis. Was dit haar moeder, haar moeder die altijd zo koud en afstandelijk kon zijn? Randa had altijd veel meer contact gehad met haar vader maar nu leek het wel andersom. “We vinden een oplossing”, beloofde haar moeder nu. “Het komt goed.” Het klonk net als vroeger toen haar moeder altijd op alles raad wist. Heel even voelde Randa zich weer het kleine meisje dat door de kale, grauwe gangen van de Arketan naar school werd gebracht. Het was goed om die troost te voelen. Ineens wist ze het ook zeker. Er zou een goede oplossing komen en ze moest praten met Weemer van Hornhaaf. Die had haar zeker iets te zeggen.”

 

Het plein was vol gestroomd. In groepjes stonden de mensen met elkaar te praten. Zo nu en dan wezen ze naar de centrale grot in het midden van het dorp. Daar zat de dader. Maar er waren ook kleine kinderen die hun ouders meetrokken. “Waar is het feest?”  vroegen ze. “Het is toch Demerbeen met feest, pakjes en een uitstapje naar het strand. De meeste volwassenen voelden niets voor een feestje maar moeders en vaders hadden moeite om hun jongste kinderen het belangrijkste feest van het jaar te ontnemen. “Goed, goed, zeiden ze eindelijk, we gaan naar het strand en je krijgt een pakje. Langzaam aan stroomde het dorp leeg en verzamelden de mensen zich op het strand. De kinderen namen in  hun zwembroek meteen een forse duik in zee en de oudere jongens en meisjes begonnen aan hun zwemtocht naar de Baalder. Ze wilden niet onderdoen voor hun vader of moeder die de zwempartij vroeger ook hadden gemaakt. Een paar ouders zochten ook het zoute water op en zo begon het toch een beetje te lijken op een demerfeest. Natuurlijk hadden de ouders de pakjes voor hun kinderen al lang klaargemaakt en het was dus niet moeilijk om ze nu aan te bieden. Er waren suikerbeesten met afbeeldingen van katten, honden, paarden en giraffes. De kinderen vonden dat leuk want zulke dieren hadden ze nog nooit gezien. “Malle beesten van pappa en mama”, zeiden ze of ook wel “aardbaarden”. Sommige kinderen kregen een  opraak”, een paar vleugels die zij om de armen  konden binden. Met behulp ervan  konden ze een zweefduik van de berghelling maken. “Maar alleen langs het Hanebrood, hoor”, zeiden de ouders er steeds bij. “Vorig jaar is er een met zijn opraak in zee terechtgekomen en er waren twaalf jongens nodig om hem te redden.”Het was een bekend verhaal in Aldemundt. Warmen Helsboor had geprobeerd vliegend met zijn  opraak naar het eilandje Baalder over te steken maar hij was halverwege door een windvlaag gepakt en midden in zee gevallen. Twee weken lang had hij in het hospitaal gelegen om weer helemaal de oude te worden. Geen grapje dus. En trouwens, niemand wist nog precies of er ook gevaarlijke vissen in het water bij Baaldur zwommen. Zeker er waren veel verhalen over driehoekige vinnen die op haaievinnen lekenmaar niemand onderzocht de wateren nog. De inwoners kenden nauwelijks de dieren van Mende. De meesten hadden wel eens een raak gezien maar die was meestal reden om een veilig heenkomen in huis te zoeken. De grote roofvogel scheen alles mee te nemen wat hij op zijn weg tegen kwam. En dan waren er natuurlijk de tamer, een zespotig hondje zoals Sikke, en de kiola, een zespotig soort poes. Nou ja, poes, het dier at geen vlees maar vooral graankorrels. Het beestje had een dikke vacht en kon… spinnen. De kiola voelde zich het prettigst op schoot en in de zon. De eerste tamer hadden de Aldemundters ooit beneden in het dal aangetroffen, of liever een hele groep ervan. De kiola liet in die tijd zijn keiharde gekrijs nog vooral op de berghellingen horen. 

“Maar Wamerhorn zal vast wel meer ontdekken”, zeiden de strandgasten tegen elkaar. “Nog een paar dwindlen en dan vertrekt de kolonne. “Ik hoop dat we ze allemaal terugzien, wie weet wat ze allemaal mee terugnemen.” ”Ze zouden tegen Hornbeen terug zijn, nou daar wil ik nog liever niet aan denken.” De anderen knikten instemmend. Het was de donkerste dag van de hele chroon. De zon kwam op zo’n dag niet of nauwelijks boven de horizon uit en de temperatuur daalde tot een graad of acht. Het zou nog heel wat dwindlen duren voordat het zover was. “Ja, en ik moet ook niet denken aan wat ons nog meer te wachten staat”, het was Rodin Almakeren die plotseling opstond en zijn stem over het strand liet galmen. Hij wees naar de huisjes op de bergkam die nu heel klein en donker leken de achtergrond van de helblauwe lucht “Denken we hier nog wel aan die jongens die het demerfest niet hebben overleefd en …”,  hij hield een lange stilte. “Aan Ramold die nu angstig op de toekomst wacht. Is hij een moordenaar of is hij het slachtoffer van een misverstand? Ik heb  gehoord dat de mensen van Bixhoorn ook al zoiets hebben meegemaakt. Er was geen schuldige aan te wijzen. Ze hebben de verdachte weer moeten laten gaan maar die is het land in  gevlucht. Hij voelde zich niet meer thuis in zijn dorp. Moet dat met Ramold ook gebeuren?” Met zijn lange gestalte, zijn dikke zwarte haren en grote baard maakte hij indruk op de mensen. Het werd stil in de kring van volwassenen. Zij durfden Rodin nauwelijks aan te kijken. “Ja zeker”, ging hij verder. “Ik heb contacten in Bixhoorn. Dat dorp dat nog maar negen jaar bestaat , hier drieduizend roden* vandaan.” Rodin liet zijn stem een beetje dalen. “”Het zijn goede mensen daar, zo’n tweeduizend. Net als wij eten ze dwijne, merkelbaard, alach of  frees en net als wij  weten ze niets van deze planeet en de wonderen en ongelofelijkheden die hier kunnen gebeuren. Maar zij hebben iets ontdekt waarvan wij in Aldemundt nog niet weten. Het komt voor dat iemand zo maar ineens dood valt, in elkaar zakt zonder dat iemand begrijpt waardoor het komt.” Een paar mannen die ver van Rodin af zaten, begonnen te lachen. “Ja, ja dit is de planeet  waar magere Hein echt een huis heeft en Rodin is zijn boodschapper. Mensen geloof die onzin toch niet. Er is echt niets geheimzinnigs aan de dood van die jongens, ze zijn gewoon doodgeslagen door Ramold.” “En ik zeg jullie”, Rodin verhief nu zijn stem. “Er is  nog veel meer tussen hemel en Mende dan tussen hemel en aarde. Spot er niet mee of het zal spotten met jullie.” Rodin liet de woorden bijna als strijdwagens door de lucht rollen. Dat waren de mensen van hem gewend en ze neigden ertoe de mannen achterin de kring gelijk te geven toen een andere stem zich in het gesprek mengde. “Rodin heeft gelijk”, het was een stem die geen tegenspraak duldde en die zelfs tot op Baalder te horen moet zijn geweest. De strandgangers keken op en daar op het pad langs de helling kwam Weemer van Hornhaaf tevoorschijn. “In Bixhoorn”, galmde zijn stem, “in Bixhoorn zijn mensen op een raadselachtige manier gestorven, bijvoorbeeld Gambald van Herenhoven, kennen jullie hem nog? Zien jullie de krachtpatser nog voor je, op het scherm?  Hij was vijfenveertig toen hij plotseling tijdens een wandeling langs de Varande-Fluus in elkaar zakte. Een hartaanval, een herseninfarct? Niets daarvan! Nee hier waren andere krachten aan het werk maar ook in Bixhoorn weten de artsen nog niet waaraan Gambald is overleden.”Het woerd stil in de kring. Wie de aarde na zijn tiende had verlaten, kende Gambald, de sterkste man van Helen. Was hij naar Bixhoorn gereisd en was hij daar overleden?” Weemer ging verder. “Gambald was negenentwintig toen hij naar Mende vertrok maar hij reisde niet naar Aldemundt. Nee, hij stichtte samen met vijftienhonderd andere Helenen het dorp Bixhoorn aan de Varande-Fluus, een aftakking van de rivier die wij zo goed kennen. Gambald was er jarenlang verantwoordelijk voor de veiligheid.Hij deed het niet slecht en had, voor zover ik weet, geen vijanden in Bixhoorn. Drie chronen geleden, vijf dwindlen na demerbeen zakte hij in elkaar om nooit meer op te staan. We moeten aannemen dat zoiets ook in Aldemundt kan gebeuren.”

“Maar waarom horen wij nooit iets van zulke dingen”, vroeg Hasima Flokhorn die vlak voor Weemers voeten zat. “Zouden jullie geluisterd hebben”, vroeg Weemer verbaasd. “Zijn we niet twaalf jaar bezig geweest met hard werken op het land om zeker te zijn van ons dagelijks eten? Hebben we ooit over de horizon willen kijken? En waarom ook? Het is beter om de dingen zelf te ontdekken, in de eigen gemeenschap want op die manier blijf je bij elkaar, houd je elkaar vast. Kennis lenen van anderen leidt alleen maar tot vervreemding van je eigen omgeving en wortels. Aldemundt moet sterk blijven door eensgezindheid. Het is niet nodig de buitenwereld te kennen om gelukkig te zijn, richt je op je eigen binnenwereld, op je eenvoud en op je zekerheden. Dat is beter.” “Maar”, begint Hasima weer :”Misschien hadden we dan niet zo snel geoordeeld bij de dood van die jongens.”  “Ik vertel het nu toch”? Weemers staalblauwe ogen kijken verbaasd over zijn dorpsgenoten uit. “Heb je nog meer zekerheden nodig?” Hasima kijkt zenuwachtig achterom. Een paar van haar vriendinnen leken er genoegen mee te nemen maar zijzelf vond het optreden van Weemer wel erg arrogant en ineens schoot haar iets te binnen. “Maar waarom ga je dan zelf mee met Wamerhorn?” Weemer grijnst. “Mijn werk, ik ben onderzoeker, ik ben arts. Ik ben er om over jullie gezondheid te waken. Misschien ontdek ik tijdens de reis wel het grote geheim van de Mende-toevallen zoals ik ze voorlopig maar genoemd heb.Het zou toch mooi zijn als we er iets tegen zouden kunnen doen.” “Maar Weemer”, begint nu Rodin. “Ik vind je wel een beetje bazig hoor. Wij zijn hier allemaal volwassen Helenen of nakomelingen ervan en we hebben altijd geleerd om zelf na te denken. Mijn moeder zei al… . “”Wat jouw moeder altijd zei, kan ik me wel voorstellen”, viel Weemer hem in de rede. “Ze zei altijd, Rodin, eet niet zoveel.” Rodin begint verlegen te glimlachen. Wie grapjes maakt over zijn lichaamsomvang, is hem altijd de baas.  Hij gaat nu een beetje achteraan de kring zitten en laat zijn vingers door het zand

“Grapjes, ja”, Asta Kronin staat nu woedend en met een ruk op glijden. “Grapjes, terwijl er gisteren twee van ons zijn gestorven, allemaal door toedoen van die …, Ramold. Dat verschrikkelijke jong dat toch altijd al iedereen liep op te stoken en alleen maar uit was op de dochter van de Moden. Hij is de schuld”, haar stem slaat over en de laatste woorden komen er krijsend uit. “Laat de raak hem halen en met huid en haar oppeuzelen. Wij moeten geen moordenaars”Haar donkere ogen vertonen nu kooltjes van vuur door de volop stralende zon. Ze schieten heen en weer in haar magere gezicht, alleen zo nu en dan bedekt door de lange slierten donker haar die met haar hoofd mee schudden terwijl ze van de een naar de ander kijkt. Met haar knokige vinger wijst ze Weemer aan. “En wat wil jij nou eigenlijk met je laffe praatjes. Wat heb jij ons te bieden en waarom kom je ineens voor zo’n kateling op.” De vrouwen die rond haar zitten, buigen hun hoofd en kijken naar het zand. Weemer weet dat het geen verlegenheid is maar ingehouden verontwaardiging. Zij zijn  het eens met Asta. “Een moeder laat haar zoon niet zo maar naar de overkant jagen”, bij de laatste woorden klinkt haar stem hees en gillend. Weemer strekt nu zijn beide armen naar haar uit. “Ik ben het met je eens, het is verschrikkelijk maar we hebben nooit geleerd zo maar een schuldige aan te wijzen. Vooral niet als er twijfels zijn en …””Je neemt het rotjong in bescherming”, gilt Asta weer maar nu maakrt Weemer met beide armen een bezwerend gebaar. “Nee Asta, ik neem ons in bescherming. Wij Aldemundters zijn alleen op deze vreemde planeer waarvan we weinig weten en we moeten vooral de eenheid bewaren. Alleen op die manier kunnen we ons wapenen tegen gevaren die we niet kennen. Wat wisten wij toen we van aarde naar Mende vertrokken? Wat wisten wij van deze planeet? Alleen dat er zuurstof was en water en land en een nieuw gebied om een nieuw leven te beginnen. Een “frontier” die verder lag dan ooit eerder in de geschiedenis. Zoals de kolonisten ooit van oost naar west trokken in het land Usa dat in Noord-Amerika lag, zo trokken wij vele jaren door de kaaten om ons nieuwe vaderland te ontdekken. Om er voet aan de grond te zetten, om er opnieuw te beginnen maar niet leeg, niet blanco. Wij geloofden in onze waarden en die hebben we niet uit het patrijspoort gegooid toen de Arketan vertrok. Ik niet tenminste, en ik denk heel veel van ons niet. Wij gaan toch niet opnieuw beginnen en ons baden in bloed? Wij hebben toch wel onthouden dat we samen sterk staan om ieder de kans te geven de Hornich te volgen? Misschien is Ramold echt schuldig maar wat voor een Hornich zal hij dan hebben af te leggen? Waar komt die primitieve roep om wraak vandaan? Moeten we weer terug naar de jaren van de placebo-rechtspraak? ”  Hij liet zijn armen weer zakken en deze keer liet hij zijn ogen de kring doorgaan. “Het was goed dat wij hier op het strand konden zijn en plezier konden maken ondanks de verschrikking van gisteravond. Dat wij niet onszelf lieten neerdrukken door die moeheid, die tobberigheid die een ramp altijd met zich meebrengt. Wij konden toch onze demerbeen vieren. Ingetogener misschien dan anders, trager misschien ook maar het was “vieren”. Daar ben ik trots op en om die reden voel ik me Aldemundter, los van mijn land maar niet van mijn idealen. Aldemundt is een ideaal en laat het dat alsjeblieft ook blijven. Daar worden we sterk van.” Weemer liet nu zijn handen zakken en keek zijn toehoorders een voor een aan. Zouden zij te hoop lopen of protesteren?  Hij voelde een lichte tinteling dor zijn schouders naar zijn kaken kruipen, spanning, zo wist hij. Het bleef stil, het was het beeld van een land ver van de mensen, zoals de Helenen dat altijd hadden genoemd. Stil, met een spelend zonlicht die ieder warmte gaf en een gespannen ingetogenheid, beheersing zonder berusting. Asta hief als eerste weer haar hoofd op. Haar ogen stonden nu vol tranen. “Maar de moeders van die dode zoons, wat hebben die dan voor een Hornich. Zij zijn niet hier maar schuilen in donkere kamers en klitten aan elkaar.” De vrouwen om haar heen knikten instemmend en neurieden zacht een lied. “Halden fan Gerinhaan”, ee oud en beroemd lied uit Helen. Een lied van verzoening, van treurigheid en van de hoop op uitzicht op een nieuwe weg tot achter de horizon Halden fan Gerinhaan was een van de langste getuigenissen van Hornich vol muziek en gedichten en zelfs met aanwijzingen voor dans. Weemer viel nu ook in. En laat dit ons lied zijn, dacht hij in stilte. Voor altijd ons lied. Hij keerde zich al zingend om en begon aan de weg terug van het strand naar de berghelling en hij zette al de eerste stappen op het pad naar boven toen de achtersten noch bezig waren op te staan. En ze zongen, ze bleven zingen want de liederen van Halden fan Gerinhaan kenden geen eind.

Het was een indrukwekkende optocht die tegen de helling naar boven klom, mannen, vrouwen en kinderen met hun handen in elkaar geslagen voor hun middel en zingend. Geen treurige tocht, alleen indrukwekkend. Soms klonk zelfs een opgewekte en een vrolijke stem uit het midden van de menigte. Helemaal achteraan liep Rodin. Hij durfde niet luidkeels mee te zingen want zijn stem was schor en onzuiver en dus zong hij terwijl hij achterstevoren naar boven liep. Zo kon hij niemand in de war brengen.

Boven, in het dorp, sloten degenen die waren achtergebleven zich bij de stoet aan en al zingend zocht de stoet zich een weg naar het huis waar de ouders van de dode jongens elkaar hadden opgezocht. Vlak voor de deur bleef Weemer staan. Zijn gezang klonk helderder en steviger dan beneden en iedereen wist het: we blijven hier zingen totdat de mensen naar buiten komen. Weemer maakte nu ook de danspassen die bij de getuigenis hoorden en de mensen achter hem namen die passen over en de mensen die daarachter stonden weer van hun voorgangers enzovoorts totdat de Aldemundters samen haast een groot dier, ademend en kruipend voor de deur van het huis vormden. Hun gezang klonk door het hele dorp en ook de Moden, Feya en de bevelhebber sloten zich erbij aan en zij zongen mee. “Weemer doet goed werk”, fluisterde de bevelhebber en de Moden knikte. “Ongetwijfeld, welke reden hij daarvoor ook heeft.”De bevelhebber haalde zijn schouders op. De rust begon terug te keren in het dorp, er heerste een positieve stemming en dat was zijn eerste zorg. Ook veldwachter Pollaart schuifelde nu achter aan in de rij. Uit volle borst zong hij mee en met glimmende ogen keek hij in het rond. Zijn volk, zijn mensen leken wel vrolijk en daaraan nam hij graag deel. Vooral als iedereen erbij was, behalve de bewaker en Ramold. Even dwaalden zijn ogen rond over het plein om te zien of nog Aldemundters aan kwamen lopen maar het was stil rondom terwijl de schemering viel en ook aan de andere kant…

 

Later zou de veldwachter zich niet meer herinneren wat het eerste openging, zijn mond of de deur van het huis maar hij wist zeker dat hij als eerste de doffe klap op het plein hoorde. Het was een harde doffe klap, gevolgd door het geluid van een krakende dakgoot die naar beneden kwam. Vele meters zink bogen om en raakten de grond vlak naast de hoop zwarte veren die bijna het hele plein aan het gezicht leek te onttrekken. Dat viel mee maar de mensen in de rij zagen wel dat het een raak was die de grond hard had geraakt. Zij hadden de grote vogels, raken, wel eens hoog in de lucht gezien maar nog nooit van zo dichtbij. Hert gezang stopte en de hele groep mensen bewoog zich langzaam maar heel zeker in de richting van het grote dier. Nu pas viel de grote, scherpe snavel op die zo lang was als de onderarm van een volwassen man. En de vier poten en de vleugels waarvan er nu zinloos een recht omhoog stak langs de muur van een huis en waarvan de tip boven de rand van de benedenste verdieping uitkwam. De borstkas van het dier leek nog op en neer te gaan maar de beweging werd elke seconde minder.

Niemand wist precies hoelang de stilte had geduurd maar het was Rodin die de betovering het eerste verbrak. Hij stak zijn beide, lange armen ver opzij en maakte een vliegende beweging. Tussen zijn lippen door liet hij een zoevend geluid horen alsof de vleugels van de grote vogel nog wiekten. “Een koning, een echte koning”, hij liet zijn stem donker en hol klinken. “Maar ook een dode koning”, vulde Weemer aan. “Is het geen wonder, zo’n grote vogel die zo maar uit de lucht naar beneden stort en dood is. Zo’n vogel die gemakkelijk een man kan optillen om hem in zijn nest op te peuzelen, want daarvan ben ik overtuigd. De raak is een roofvogel.” De mensen kwamen nog wat dichterbij en verwonderden zich over de vier sterke en grote klauwen, de enorme snavel en het grote lijf. “Kan hij nog kwaad?”vroeg Hasima  maar Weemer schudde zijn hoofd. “Het dier is morsdood, ouderdom of toch iets anders? Alleen al die vogel zegt mij dat deze planeet zijn  eigen wonderen heeft. Levende wonderen maar ook wonderen die dood en verderf zaaien. Het is toch opvallend dat we in twee dagen drie keer de dood ontmoeten in dit dorp. Ik denk dat we erg voorzichtig moeten zijn en zoveel mogelijk binnen moeten blijven. “Doe maar geheimzinnig”, spotte Garmens moeder. “Wedden dat dit dier gewoon dood is gegaan van ouderdom? Dat kun je van mijn zoon niet zeggen. Die was jong jeugdig en sterk en zat vol goede plannen.” “Je kunt bitter zijn, Mantha, maar waar brengt je die bitterheid?  Je kunt ook verwonderd omzien en nieuwe hoop een kans geven”, viel Weemer haar in de rede. “Ik zou dit dier wel eens willen onderzoeken, samen met mijn collega uit Bixhoorn. Kijk eens hoe dor de veren aan dit dier hangen en  hoe sterk zij toch glanzen. Dit dier was niet oud maar wel heel erg vermoeid.””Gelukkig maar”, riep Aquia. “Misschien had hij het wel op een van ons voorzien.” De Moden kwam nu met grote stappen naar voren en hij raakte het dier heel even aan. Een vreemde kou trok door zijn arm omhoog maar hield op bij zijn elleboog. “Onderzoek door Weemer”, zei hij kortaf. “Wat zouden weer anders mee moeten?” Over de koudestroom in zijn arm zei hij niets maar het was alsof dezelfde kou zich nu op een klein plekje in zijn achterhoofd had genesteld.Het zou hem niet meer loslaten. Weemer knikte tevreden. “Gezondheid en veiligheid”, zei hij. “Het zijn de pijlers van ons dagelijks leven en ze vormen het tegenwicht voor het wonder, zoals deze viervoetige vogel die op aarde niet voorkomt.” Even wilde de Moden er iets tegenin zeggen maar hij beet zich op het laatste moment toch op zijn lip en veel kans kreeg hij ook niet. “Als ik van dit dier en van zijn sterven iets begrijp, zal ik het laten weten”, ging Weemer verder. De Moden verzamelde nu een groepje mannen om zich heen. “Sleep het kadaver met een pantserwagen naar de rand van het dorp”, zei hij. “En deponeer het nabij Weemers huis.” Er begon baldadigheid los te komen rond het dode dier en kinderen probeerden temidden van de verendos te gaan zitten. “Het is hoog tijd”, ging de Moden verder. “Om het dier weg te halen, de hoogste tijd.” Hij zei het zo hard dat ook de veldwachter het hoorde. “Zal ik de mensen wegsturen?”vroeg deze en de Moden knikte alleen maar. Hij draaide zich om en voelde weer die vreemde, koude plek in zijn achterhoofd. Het leek of er een tinteling vanuit zijn hoofd  naar beneden tot in zijn lendenen liep, heel even maar. Met een schuine blik keek hij naar de veldwachter. “Maar wacht nog even, ik moet de mensen nog iets zeggen”, tegelijkertijd baande hij  zich een weg naar voren. “Voordat wij deze dag afsluiten”, zei hij op een toon die iedereen tot luisteren bracht,” wil ik nog iets zeggen. Het is een bijzondere dag geweest, ik kan mij niet herinneren ooit zo’n demerbeen te hebben meegemaakt. Maar het is ondanks alles ook een goede demerbeen geweest, een dag waarin we elkaar weer hebben gevonden. Dat is een feest op zich. Morgen houden we een rustdag, demerarbeen, en morgen zal ik u vertellen wat de Modaal heeft besloten over de ongelukkige gebeurtenissen van demeravond. Dat is een zekerheid die ik jullie allemaal graag meegeef voordat we de nacht ingaan.” De mensen zwermden langzaam uit over het plein, rustig stil maar of er vrede in het dorp was gekomen, was nog maar de vraag. De meesten fluisterden met vrienden of familie. Opgewonden, wild bewegend maar sommigen ook gebogen en in zichzelf gekeerd. Zwijgen deed bijna niemand maar wat hen bezighield was niet of nauwelijks te horen. De Moden passeerde hen steeds vriendelijk maar ingetogen knikkend terwijl hij met grote passen probeerde Weemer in te halen. Eindelijk kon hij de onderzoeker bij zijn schouder pakken. “Hoe snel kun je klaar zijn met je onderzoek?” Weemer glimlachte verbaasd. “Heb je haast?” De Moden knikte. “Ik wil iets meer van je weten voordat de loop van Wamerhorn vertrekt.”  Zijn stem klonk deze keer ongewoon onzeker maar hij had dan ook nog nooit een onderzoeker tot haast aangespoord. Deze keer grijnsde de geleerde. “Ik had nooit gedacht dat je me nog eens nodig zou hebben, je luistert bijna nooit naar mijn adviezen.” Op het gezicht van de Moden verscheen een ongeduldige trek. “Is dit nu het moment om te kissebissen, het belang van heel Aldemundt staat op het spel en misschien ook wel van Bixhoorn en Navringen of Hertenborg.” “Dat laat me koud”, Weemers stem klonk kil. “Ik stel alleen belang in Aldemundt maar zodra ik meer weet, laat ik je het weten. Ik zal Trimmen Hoferwenck van Bixhoorn een wix sturen dat hij gauw moet komen want zijn mening kan ik niet missen. Ik weet alleen niet hoelang hij erover doet om hier te komen. Toch al gauw een vier dwindels.” De Moden fronste zijn voorhoofd. “We vertrouwen op je”, hij legde even heel licht zijn hand op Weemers schouder. “Dat is altijd goed”, zei deze maar uit zijn gezichtsuitdrukking bleek dat hij geen zin had zich te haasten. Met een ruk dook hij onder de hand van de Moden weg om leiding te kunnen geven aan het vervoer van de raak.

 

Service 

www.elsevier.nl/web/Nieuws/Wetenschap-/Mensheid-moet-andere-planeten-koloniseren.htm

www.scholieren.com/werkstukken/22937

www.frontpage.fok.nl/nieuws/71003′

www.proto.thinkquest.nl/~llb130/docpl_planeten.html

www.nl.board.bigpoint.com/index.php?bp3sid=df3064fccb8ad9ed4fa9d3f0ff69

www.freethinker.nl/forum/viewtopic.php?t=4374

www.10191.07sc.thinkquest.nl/index.php?c=2&p=6

 -

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost door: Kaj Elhorst | maart 16, 2009

Warmtefront

 

 

Sikke  was misschien niet de meest snuggere tamer van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin Randa Telgenheert,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij waarschijnlijk te danken aan de zes poten onder zijn korte romp die elke onregelmatige beweging tegengingen. Soms draaide Randa zich even om en dan fluisterde zij haast “Sikke” en meteen, als vanuit het niets verscheen het trouwe dier achter haar. Zij keek niet eens verbaasd op toen ze hem deze keer niet meteen zag. Haar trouwe tamer zou haar niet in de steek laten, hij zou zeker aan de andere kant staan en nog een keer zei ze zijn naam. Deze keer kwam zij uit haar gehurkte houding tussen de dwijne-aren op. “Sikke”, riep zij nu wat harder, een beetje ongeduldig zelfs maar de lichtbruine kop met beige ogen dook nergens op tussen de witachtige planten. Misschien kon het dier haar niet goed vinden zolang ze verscholen zat achter de brede bladeren van de planten die ook nog eens grote, lichtbruine bessen droegen.  

Ongerust keek zij om zich heen. Ginds boven zee pakten zich donkere wolken samen, de eerste zware regenbuien van het warme seizoen waren in aankomst zoals Randa al eerder had meegemaakt  Zij maakte zich daarover niet al te ongerust want wolken zouden al vrijwel leeg zijn tegen de tijd dat zij Aldemundt zouden bereiken. De regens sloegen elk jaarweer hard neer op de hellingen aan de westkant waardoor er niets kon groeien. Elk zaadje dat er in het voorjaar wortel schoot, spoelde aan het begin van de zomer weer weg.

Sikke”, riep zij deze keer harder met iets van wanhoop in haar stem en … werkelijk, tussen de ronde, rode huizen van Aldemundt verschenen de contouren van een tamer. Het dier kwam met zijn typische, zwevende bewegingen in ijltempo naar haar toe. Randa strekte haar armen opgewonden uit naar het dier dat nu nog harder door het landschap gleed. Een brede glimlach groeide op Randa’s gezicht maar haar mondhoeken gleden weer naarbeneden toen zij niet ver achter Sikke een man ontdekte. Ramold Barg. Die zou vast weer komen met een fantastisch verhaal, dat hij goed voor Sikke had gezorgd nadat hij het dier had gevonden, ver van zijn bazin vandaan en dat hij het dier nu terug kwam brengen. Ramold zat al een jaar achter Randa aan maar zij voelde niets voor zijn langdradige en vooral zelfbedachte avonturen, zijn zware dreunende stap en de steeds aanwezige lucht van gajem, het strootje dat zoveel Mendese mannen tot sigaret diende.

“Hallo Randa”, Ramolds stem klonk vrolijk maar tegelijkertijd was er een onzekere klank in zijn stem. “Sikke liep op de Haar rond te snuffelen, alleen. Ik dacht, ik zal hem even brengen.” “O hallo Ramold”, antwoordde Randa vlakjes. Ze hurkte bij Sikke neer. “Was jij alleen op pad, zo maar naar het midden van Aldemundt? En kwam je toen deze meneer tegen. Is dat echt waar”? vroeg zij zachtjes aan de tamer maar toch zo hard dat Ramold het kon horen. Ramold beet zich op zijn onderlip en keek doelloos om zich heen. “De zomer begint”, begon hij zwakjes. “De werolden zijn onderweg.” Hij wees naar de dikke, zwarte wolken die langzaam tegen de berghelling begonnen op te klimmen. Ineens kwam er een glimlach op zijn gezicht. Het naderende slechte weer zou wel eens zijn bondgenoot kunnen zijn. Over hoogstens zes uur zouden de wolken hun laatst druppels uitgieten over Aldemundt en dat bood de mogelijkheid om een schuilplek te zoeken en dan misschien … Hij schraapte zijn keel en daarmee riep hij al zijn moed omhoog. “Zullen we na de mandert een wandeling maken langs de Hanebrood?” Hij probeerde zijn stem zo luchtig mogelijk te laten klinken en hij zag zichzelf al met Randa de berghelling af en, heel langzaam, weer oplopen, schuilend onder de takken en bladen van de mondajen en de freek. Randa voelde hoe haar gezicht rood aanliep. “Zodat we kunnen schuilen onder de mondajen en de freek en zodat jij mij onverhoeds kunt zoenen zeker?” vroeg ze op spottende toon. “Nou, ja, daar … goed, ik hoor het al. Het gebeurt niet vanavond.” ”Niet vanavond en nooit niet, nog niet als de raak je komt halen”, deze keer klonk haar stem venijnig, bijna vijandig. Ramold draaide zich om. “Jammer, ik had het een mooi afscheid gevonden.”Deze keer had hij haar toch geraakt want Randa voelde onzekerheid in zich groeien, het kloppen van haar hart in haar keel werd voelbaar. “Afscheid”? vroeg ze in een slecht gelukte poging om haar nieuwsgierigheid te camoufleren. “Ja, ik ga voor lange tijd het dorp uit”, Ramold liet zijn stem nu expres losjes en onverschillig klinken. “En waarheen dan wel”? was Randa’s ongelovige reactie. Ga je naar aarde?”Ramold glimlachte. “Nee, zover ga ik niet. Over tien dwindlen ga ik mee met de expeditie van Berg Wamerhorn.” Tien dwindlen, dat waren twintig aardedagen! “Heeft hij je uitgenodigd?” De ongelovige klank in Randa’s stem had voor ieder ander geklonken als een belediging maar Ramold hoorde er alleen maar belangstelling en enthousiasme in. “Nee, ik heb me aangemeld en ik mag mee”, zijn ogen straalden. “En hoelang blijf je dan weg?” vroeg Randa weer. Ineens was de gedachte aan gajem en verzonnen verhalen verdwenen. “Dat weten we nog niet”, Ramold voelde zich nu belangrijk worden. “Het kan veertien dagen zijn maar ook een halfjaar. We gaan met 21 mannen en zes vrouwen, tenminste als er nog twee vrouwen bij komen.” Onderzoekend keek Ramhold haar aan. Randa voelde zich over haar hele lichaam trillen maar ze verried niets. “Nou, dan kom je niets tekort”, schoot er na een paar seconden uit. Ze schrok er zelf van en begreep meteen dat haar opmerking nergens op sloeg. Zes vrouwen en 21 mannen! “Moet ik de aren voor je dragen?” Ramolds stem verried niets van zijn gekwetstheid. Randa keek met een schuin oog naar de dikke stapel korenaren. “Dragen”, zenuwachtig begon ze te lachen. “Nee, nee, doe jij dat maar niet”, trilde haar stem ookal zag ze er tegenop de aren zelf naar het dorp te torsen. Ze mocht nu niet toegeven. Als Ramold haar aren zou dragen, zou hij denken … Zo wilde de traditie en in Aldemundt waren tradities en strenge regels nodig, zo had haar vader het keer op keer ingeprent. Niet dat ze het er nooit moeilijk mee had gehad maar … “Regels en traditie”? Ramolds woorden doorkruisten haar gedachten. “Waar is de oude Randa gebleven die ’s morgens vroeg met de jongens uit het dorp liever naar Baalder wilde zwemmen dan naar school te gaan?” Randa voelde zich rood worden. “Baalder, ja, ze was er vaak naartoe gezwommen ook al had haar vader, de Moden van Aldemundt, het verboden. Ze glimlachte verontschuldigend. “Kleine meisjes worden groot”, zei zij zachtjes. “Een de gevaren groeien mee.” Ze had een hekel aan zichzelf, vooral vanwege die laatste zin. Het klonk alsof ze haar moeder hoorde. “Kind, dat kun je niet doen, je bent de dochter van de Moden”!  “Maar Ramold en Clijne doen het ook en Havan en Trido en … .”En toen had haar moeder haar gewaarschuwd. “Het zal de slechte invloed van Ramold zijn”, zei zij dan ernstig. “Het is een kateling en katelingen worden nooit wijs.” Eerst had ze die opmerking niet begrepen maar later legde haar moeder uit dat een kateling iemand was zonder geschiedenis. “Geboren aan boord van de Arketan”, die woorden klonken uit haar mond dan heel veel betekenend.

Ze hurkte soepeltjes bij de stapel aren neer en stond weer op. De vracht was zwaar maar hoe zwaar zou de band zijn met een kateling, een man die twee  jaar jonger was dan zij zelf ook nog?

“Wat is jouw eerste herinnering”? plotseling vroeg zij  uitdagend. Die uitdaging was vooral aan haar zelf gericht want ze verwachtte niet veel van het antwoord.

Ramold bedwong zijn neiging om een schop te geven tegen de steen die voor zijn voet lag. Altijd die vragen over het verleden! Hij wist maar al te goed dat het te maken had met zijn katelingschap. Maar toch, als Randa’s vraag oprecht bedoeld was, dan was dit zijn kans. “Een liedje dat mijn moeder zong. Het ging over een mannetje dat elke avond een blauwe ster zag aan de hemel en niets liever wilde dan er naartoe te klimmen. De blauwe ster glimlachte en er woonde een heel lieve fee. Het liedje eindigde met de zin. “En dat mannetje ben jij”. Randa keek zwijgend naar hem op. Een heuse herinnering! “En je tweede herinnering?”vroeg zij iets onzekerder. “Dat ik uit het patrijspoort van ons huis keek en heel in de verte de blauwe ster zag. Mijn moeder vertelde met toen dat zij daar geboren was.” “En ik ook”, Randa’s woorden klonken te triomfantelijk om vriendschappelijk te zijn. “En toch zien we nu allebei hoe uit de werolden de plensregens beginnen te vallen, hoe de zomer nadert en we weten allebei dat de dwijne-aren snel binnengehaald moeten worden.”Randa’s stem stokte even. Voor een kort moment wist ze geen weerwoord. Haar ogen richtten zich op de haast pikzwarte wolken waaruit zich nu de stortregens losmaakten die de rotsachtige hellingen aan de westkant van het gebergte geselden en die Baalder aan het oog onttrok. Ze keek ook naar de huizen, een ander dorp dan het groepje ronde, donkerrode huizen met hun platte dak had ze nooit gekend. Haar moeder had wel eens verteld over grote steden op aarde zoals Merkenborg met zijn anderhalf miljoen  inwoners. Maar zij, Randa, kon zich daarbij niets voorstellen. Zij kende het dorpje en het daarvoor had ze tien jaar aan boord van de Arketan doorgebracht. ‘Dit is mijn wereld’, waren de woorden die zij in haar hoofd steeds weer hoorde. Zij begon langzaam te lopen ion de richting van Aldemundt. Even leek ze te struiken maar daarbij pakte ze Ramolds mouw. “Ik zou willen dat er veel meer was dan Aldemundt”, ze glimlachte naar Ramold. “Iets drukkers, meer leven… .” Ze huiverde. “Stel je voor dat we de enigen zijn op deze planeet. Het maakt me bang, die eenzaamheid.”

Ramold weerhield zich ervan om zijn arm om haar schouders te slaan. “Alleen, eenzaam”, zei hij langzaam. “Dat zijn we allemaal. Het valt minder op als je samen eenzaam bent.” Naast elkaar liepen ze nu naar het dorp. De regen plensde nog steeds neer op de kale hellingen aan de westkant. Het zou nog een paar uur duren voordat een dunne regen boven Aldemundt en haar akkers zou losbarsten. En morgen, morgen was het Demerbeen, het begin van de zomer. Een feest!

 

 

De grote zaal van de tempel zat vol. Heel Aldemundt had zich verzameld rond een grote, lege plek in het midden, mannen en vrouwen door elkaar. De mannen droegen hun zwarte, rode of gele getailleerde, halflange jassen en iets poffende broeken in dezelfde kleur. Daaronder hadden ze witte hemden die nauw om de hals sloten en aan hun voeten zwarte schoenen met opkrullende puntneuzen. De schoengespen waren mooier opgepoetst dan op andere avonden want op Demeravond wilde iedereen er op zijn beste uitzien. De vrouwen droegen witte, beide of lichtblauwe jurken met een zilver- of goudkleurige centuur, een sjaal in dezelfde kleur, lange oorhangers van zilver, goud en een lichtgele, doorschijnende steen die bekend stond als kamilix. Randa zocht haar vriendinnen Tiami, Faria, Aquia, Bonara en Syfa. Voor zij zich bij hen voegde, wilde zij eerst zien hoe zij reageerden toen zij met Ramold binnenkwam. Ze zagen haar niet, ze lachten en praatten. Ramold aarzelde niet. Hij schoot zo snel hij kon naar zijn vrienden die in een cirkel bij elkaar zaten. “Laatkomer”, bromde Fode spottend. “Op de loer gelegen tussen in het dwijneveld? Nog steeds op jacht naar Randa?”  Belber, de oudste van de vriendenclub zweeg grijnzend terwijl Thibon zijn neus ophaalde. “Heb je haar al eens … een worst in de dwijne gelegd?” Ramold voelde zich boos worden maar hij had geen zin in ruzie. “Ze zal me toevallen als een rijpe zarzak”, fluisterde hij zodat zijn vrienden het nog net konden horen. “En net zo sappig smaken”? vroeg Fode weer, “de dochter van de Moden? Dat is wel een heel vette prooi voor een kateling.” Ramold haalde zijn schouders op. “Zullen we het over iets anders hebben?” Hij had geen zin in ruzie met zijn vrienden en al helemaal niet op Demeravond. Vanavond hoopte hij tijdens de Demerdans aan Randa te laten zien wat hij kon. “We mogen even onze mond houden”, kwam Belber ertussen. “De Moden is in aantocht,”Hij wees op het gordijn achterin de tempel dat nu opzij werd geschoven. Moden Paup Telgenheert kwam met grote, snelle passen dichterbij. Zijn gezicht zelfverzekerdheid en daadkracht uit, hij was zich bewust van het belang van het moment en dat mocht ook van een Moden worden verwacht. Demeravond was het op een na belangrijkste feest van Aldemundt. Op het moment dat hij de ronde zaal betrad, stopten de gesprekken. Sommige mensen braken hun zin halverwege af en richtten hun blik op de burgemeester, de man die voor, tijdens en na de reis met de Arketan zoveel mensen een hart onder de riem had gestoken en steeds weer de kracht had gevonden om verder te gaan.

Hij begon meteen te spreken, niet hard maar duidelijk verstaanbaar tot in de verste rijen achter in de zaal. “Vermogende Aldemundters”, het was de normale aanhef voor ene grote groep mensen die de ontberingen en uitdagingen van de kolonisering van Mende hadden uitgevoerd en voortgezet. “”De Werolden zijn teruggekomen, precies op de behn die we hadden gedacht. Professor Wamerhorn heeft de komst tot op de akta nauwkeurig vastgesteld, een prestatie die we van hem mochten verwachten. Ik kom net van buiten en ik kan u vertellen dat de eerste druppels sinds vijftien akta op onze graanakkers neerdalen. Onze graanakkers die trots gevuld zijn  met onze eigen granen  dwijne, gombert, allach, frees en merkelbaert. Onze granen die zo anders zijn dan de granen van de aarde en die de Mendese grond heeft voortgebracht uit tarwe, gerst, rogge, haver en rijst. Zo anders, zoals alles anders is hier, dan op aarde. Velen van ons weten het zich te herinneren en velen hebben er geen weet van maar we plukken er allemaal, letterlijk, de vruchten van. En nu, bij onze twaalfde demeravond, staan nieuwe, grootse avonturen voor de deur. Eenentwintig van onze mannen en vrouwen gaan dit jaar voor het eerst een retourreis ondernemen naar aarde onder leiding van Paup Groeffen Zij offeren meer dan twee kedachronen van hun jaren om op aarde te presenteren wat onze successen zijn. Een reis van meer dan twintig aardse jaren. Dat vergt moed en vastberadenheid en dat zijn eigenschappen die met Aldemundt zo verbonden zijn als Hornich met ons allen. En ook eenentwintig mannen en vrouwen gaan op reis op onze nieuwe planeet want professor Wamerhorn vertrekt over twee dwindlen met twintig jonge Aldemundters op reis, op zoek naar de zuidkust van ons continent en nieuwsgierig naar alles wat zich tussen ons en die kust bevindt. Zij zullen niet tweemaal een kedachroon onderweg zijn maar hun loop zal er niet minder om zijn.

Dat wij in staat zijn om tweeenveertig dappere Aldemundters op stap te laten gaan hebben we te danken aan twaalf chronen van proberen, vechten en winnen. Dat hebben wij aan onszelf te danken en natuurlijk aan de steun van Hornich. Om hem te danken en hulp te vragen bij onze nieuwe ondernemingen, laat ik graag het woord aan usker Breemhoor.”Wij zien elkaar weer bij de demerdans.”

 

Niemand sprak een woord, ook het groepje jongemannen rond Ramold niet. Respect voor de Moden en voor de usker liet hun zwijgen. De usker van deze avond was Ramold Breemhoor, die de meesten kenden als tandarts. De lange man stond lenig en vlot op van zijn stoel en zag de zaal rond. “Mende betekent “hoop” en mijn hoop is het dat we die hoop allemaal nog in ons voelen, aardlingen, katelingen en mendlingen. Voor mij was het de hoop om mijzelf beter te leren kennen aan de hand van de heel nieuwe kansen die ik kreeg. Het is me helder geworden, wie ik ben. Meer dan op aarde heb ik mijzelf leren kennen en ik ben Hornich, de Weg, dankbaar dat hij me tweeenhalve kedachroon geleden heeft geholpen om die stap te zetten. Het was een stap. In Helen was ik een succesvol wetenschapper, met vrouw, zoon en dochter en nu zijn ze nog steeds allemaal om me heen. Nooit hebben ze me tegengehouden. Tot en met de twaalfde werolden trouw aan mij en onze gezamenlijke hoop. Een hoop die is uitgekomen.” Hij zweeg en liet zijn blik gaan over zijn dorpsgenoten. “En ik hoop dat u me dat allemaal kan nazeggen.” Zijn ogen bleven rusten op Weemer van Hornhaaf. Heel even, de mannen wisselen een blik uit en Ramold schrok. Hij zag, hij zag afwezigheid in de ogen van de ander. En Weemer schrok, hij zag het inzicht in Ramolds ogen. “Allemaal”, herhaalde hij aarzelend. “Wij vinden onze hoop toch allemaal in het prachtige lied “Over Hornich naderen de werolden opnieuw”. De usker gaf een teken aan het orkest dat achter hem klaar zat: een strijker met zijn vatar, een pianist met de mendepiano, weer een strijker met zijn liodin, twee blazers met een tander en een wreksch voor de ritmische ondersteuning. Geen electronica, geen computerinstrumentarium maar echt handwerk waaruit ook foute tonen konden klinken want “zoals niet de mooiste vrouw het meest aantrekkelijk is, zo is ook de zuiverste toon niet echt geliefd”. Het orkest zette in en de usker liep achteruit naar zijn stoel, ondertussen uit volle borst meezingend. Opnieuw lette hij op Weemer maar deze zong minstens zo overtuigd mee als Ramold zelf. En ook de jongeren, de katelingen en de mendlingen, er klonk een groot slepend en melodieus gezang. Niemand vond de zes coupletten van het Weroldenlied te vermoeiend. Het werkte zelf heel anders. De energie van de jongens en de meisjes nam alleen maar toe en de jongens begonnen verlangend naar hun uitverkoren vrindinnen te kijken. Nog scherper keken zij toen het orkest de eerste tonen van een ralka inzette, een Mendse-dans die al aan boord van de Arketan bekend was. Traag sleepten zich de eerste tonen voort maar de jongens, vrouwen, mannen en kinderen repten zich naar de dansvloer. Zij stelden zich op in lange rijen en zorgden ervoor dat hun meete geliefde dichtbij was. De jongens tegenover de meisjes en de kinderen aapten dat na. In langzame bewegingen probeerden zij duidelijk te maken wat zij de anderen wilden vertellen en die bewegingen werden steeds sneller. Ze draaiden rond, maakten sprongen, hurkten en maakten koprollen. Tussen door zonden ze boodschappen uit met hun handen, mond, ogen en zelfs oren. Ja, er was geen Mendling die niet zijn oren kon bewegen. De muziek zweepte ze op. De jongens vormden nu een kring en zij scheeuwden het lied uit : “Moe Mende wos na hie”(Mijn hoop ben jij). Zij trokken hun  jassen van hun lijf en wierpoen die op een grote stapel, de demerberg die een rol zou gaan spelen aan het eind van de avond. Hun glimmende bovenlijven maakten het nog beter mogelijk om met elke beweging hun gevoelens te uiten. De usker reed nu een rollende tafel met een vuurtoorts en een fles zafyr binnen. Zafyr was een drank die haast niemand ooit kreeg, alleen de oudste mannen namen wel eens een kleine beker ervan op een vrije dag. De rest van de drank bewaarden de Aldemundters in vaten voor feesten en vooral voor de demeravond. De meisjes rekten hun hals. Zou het hun favoriete jongen zijn die met een mond vol zafyr vuur ging spuwen? De muziek speelde door en de kring van jongens draaide in cirkels steeds dichter naar de tafel toe. Weg! De muziek stond stil en een kluwen van jongens wierp zich op de zafyr en het vuur. Een tijdlang was er alleen een worsteling maar dan dook onderuit de groep Ramold op met een mond vol drank en de toorts in zijn handen. Hij aarzelde niet. Dit was zijn kans om zijn favoriete meisje te vragen. Een hoge vlam die bijna het plafond van de tempel raakte, spoot uit zijn mond omhoog en alle meisjes zongen luidkeels: Ze wos on ramoen., Jij bent de kampioen!”  In een paar sprongen was Ramold deze keer bij Randa. Hij greep haar om haar middel en wervelde in grote cirkels over de vloer. Het meisje had nauwelijks kans om zich te realiseren wat er gebeurde. Ze liet zich meevoeren want Ramold was sterk, handig en een snelle danser! Zij voelde zich zweven, voortgedreven door zijn benen en armen. Heerlijk, dit was demeravond.

Nu begonnen ook de andere jongens en meisjes de dansvloer te vullen en daarna volgden de ouderen met hun man of vrouw. Ook de Moden danste mee maar met een oog hield hij zijn dochter in het oog en wat hij zag, beviel hem niet. Ramold zette de fles zamyr aan zijn mond, nam een slok en kuste daarna zo lang mogelijk de mond van Randa. Daarna gaf hij het meisje een slok. Dat was nog allemaal niet het ergste, het behoorde tot het recht van de Ramoen. Het was meer het gezicht van Randa. Zij straalde geluk uit terwijl de jongen haar steeds dichter naar de ingang van de tempel toe wervelde. Natuurlijk hadden aardlingen, katelingen en mendlingen gelijke rechten. Maar toch, de Moden had zijn dochter liever in de armen van een aardling gezien. Hij bleef het paar volgen totdat zij in twee snelle kringen de deur van de tempel uit dansten. “Je danst beroerd”, mopperde Feya, zijn vrouw. “Let toch niet zo op die kinderen, het is hun feest.””Het is meer dan een feest”, zei de Moden beslist. “Het is een furene.” Een bruiloft? Feya glimlachte. “Je zoekt wel erg snel overal iets achter. Kop op, het is demeravond. Laat dit feest niet verpesten door je eigen norse gedachten.” De Moden schudde zijn hoofd. “Geen norsheid, meer een teleurstelling.”

 

 

Het orkest zette het volgende stuk in. Nog wilder en vuriger dan het vorige. De hoge tonen van de liodin gilde nu boven de ondertonen van de andere instrumenten uit. De mensen zongen mee en probeerden de hoge klanken te volgen. Ondertussen grepen zij de bekers die op een lange tafel stonden, bekers met zafyr. Ze klonken met elkaar en soms klotste het vurige vocht boven de bekers uit. Ze lieten hun partners losten en kozen een ander, dansten door en lieten een tweede beker zafyr door hun keel glijden. De muziek werd nu langzamer en de Moden en zijn vrouwe kozen een stoel langs de kant van de dansvloer. Lachend keken zij naar hun dorpsgenoten maar de Moden voelde zijn mondhoeken soms naar beneden glijden. Een kateling!

De kateling en zijn verovering zaten inmiddels buiten vlak voor de deur van de tempel. Hij zag haar prachtige, donkere lokken, haar blanke huid, haar stevige borsten en het kostte hem moeite om haar woorden te verstaan. “Ramoen”, lachtte zij. “Kan ik nu je dwijne-aren dragen

?” vroeg hij ernstig maar het meisje schudde haar hoofd. “Dwijne-aren dragen?” Ze proestte het uit. “Hoe kom je erbij?”Even voelde Ramold zich teleurgesteld maar dat kon niet lang duren. Zij keek hem met stralende ogen aan. “Jij moet mij heel Mende laten zien totdat ik voor goed mijn ogen sluit omdat ik genoeg heb gezien.” Ramold durfde nu voor het eerst een arm om haar schouders te slaan maar hij liet ook meteen weer los en Randa hoefde niet eens om te kijken om de reden daarvoor te raden. Een groep van vijf jongens strompelde door de ingang van de tempel naar buiten. “De usker zei …”, lalde een van hen maar daarna hield hij op. De rest van de zin wilde hem maar niet te binnen schieten “De usker zei, en de usker zei”, zong zijn vriend Paup Loggen luidkeels. “De usker zei, dat de usker zei”, hij hield zich met moeite vast aan zijn  kameraad. Vooral omdat hij bijna omviel van het lachen. “Wij hebben een beetje zafyr gedronken”, loeide Warmen weer. “En meteen, ik zei: meteen, moesten we de tempel…pel uit. “Snap jij dat nou?” Hij greep Ramold bij een punt van zijn  kraag vast. “Ik snap er niets van, geen raak, geen tamer, geen Moden, geen usker, snap ik er van. Hij gierde het uit. “Geen Moden, geen Moden en geen Moho-den!”zong hij lallend op de meloidie vann het Aldemundter lied. Hij lachte hard en schor en waggelde naar Ramold toe. Hij bleef met zijn gezicht vlak voor Ramolds ogen staan. “He, Ramoldje, lach ook eens. Kan je niet lachen?” Weer bulderde hij het uit maar het lachen ging over in een hoestbui en een rochel. “Lach dan, je hebt toch zo’n lekker ding versierd? Die kliene van de Moden. Mag jij daar wel aankomen, kateling.”Nog reageerde Ramold niet. Hij probeerde niet naar Warmen te kijken maar die pakte hem bij zijn neus  en trok er hard aan. Wie teveel zafyr heeft gedronken, is voor een verstandig woord niet meer bereikbaar, dacht Ramold nog maar hij voelde hoe zijn bloed begon te koken. Hij had geen zin in vechten maar ook zijn geduld zou een einde hebben, hij voelde het. Woedend keek hij zijn plaaggeest aan maar die voelde zich daardoor juist aangemoedigd.  “He, ellendige kateling”, schreeuwde Warmen. “Zeg nou eens wat, snap jij er nou iets van? Kateling, kateling”,  joelde Warmen opnieuw en dat was net een keer teveel. Ramold sprong overeind. Hij zou er in een keer een eind aan maken. Warmen moest zijn bek houden. Stil zijn! Met zijn hoofd vooruit rende hij op Warmen af en met een harde klap belandde zijn schedel in de maag van de scheldende dronkeman. De dronkaard klapte dubbel en kotste zo hard dat een straal met een hoorbare klap op de aangestampte aarde kwakte. Hij viel voorover in zijn eigen vuiligheid. Hij bloedde aan zijn hoofd en een hevige siddering ging door zijn hele lichaam. Doodstil lag hij met zijn gezicht naar beneden en … zelfs zijn vriend Paup ging onderuit. Met een klap viel hij naast zijn Warmen neer.

Verbijsterd viel Ramold op zijn knieen. Hij voelde de polsen van de beide jongens en luisterde scherp. Er klonk zelfs geen ademhaling meer. In paniek beukte hij met zijn vuisten op de grond en schreeuwend stond hij daarna op om de tempel binnen te rennen. “Een arts, een arts”, gilde hij. “Daarbuiten…”Zijn arm wees als een wegwijzer naar buiten. Toen zakte ook hij door zijn knieen. Randa wees de mannen huilend de weg. “Een ongeluk, een ongeluk”, schreeuwde zij steeds weer. Zij bleef heen en weer rennen tussen de jongens buiten en Ramold totdat ze bij hem op de grond ging zitten. “Je wordt weer beter”, fluisterde ze in zijn oor. Het gaat heus beter met je”. “Beter”? vroeg hij. “Het is mijn schuld toch?” “Jouw schuld?” Randa zweeg even. Het was nog niet eerder voorgekomen in Aldemundt dat twee mensen elkaar bijna of helemaal dood hadden geslagen. De Aldemundters waren zich er altijd bewust van geweest dat ze elkaar nodig hadden. Geen vechtpartijen onder elkaar, dat was ook altijd een uitspraak van haar vader geweest. Ze wist ook helemaal niet hoe dit zou aflopen. Zou er een rechtbank komen? Moest Ramold zich verantwoorden? Waarschijnlijk wel. Haar hele lichaam begon te trillen. Ze voelde zich kwaad over de beledigingen die de andere jon gens over Ramold hadden uitstort. Maar ja, had hij niet beter moeten weten? “Word eerst maar gauw beter”, ze kon het alleen maar fluisteren. Haar stem was zwak door haar onzekerheid en ze voelde zich misselijk worden. “Eerst beter worden”, zei ze weer en ze streek met een hand door zijn haar. Haar stem ging onder in het geluid van de menigte die nu de tempel uitstroomde. De mensen zeiden niets maar hun voetstappen klonken als het gedreun van een kudde bisons. De ouders van Warmen en Paup liepen voorop. Toen ze Ramold en Randa op de grond zagen zitten, schreeuwden ze pas. “Moordenaars! Mijn zoon”, gilde Warmens moeder. Ze stortte zich op haar knieen naast Warmens lichaam.  

Fode, Thibon en Belber kwamen nu bij Ramold en Randa staan. “Je hebt hem goed te pakken gehad, of liever hun allebei”, Fode’s stem klonk alsof hij er zelf wel op los zou willen slaan. “Warmen en Paup zijn allebei dood”, die laatste woorden zei hij met een wat vlakkere stem. “Ze waren je ook wel flink aan het uitdagen.” ”Dood, allebei dood”? Randa’s stem klonk verslagen maar ook verbaasd. Wat zou er nu met Ramold gebeuren en hoe kon het dat Paup dood was? Ramold had hem niet aangeraakt. Daar moest een andere reden voor zijn! Ze voelde tranen in haar ogen opkomen. “Hoe kan dit nou, Ramold, dood.” Ze dook met haar hoofd tegen zijn borst en bleef daar liggen, ook toen ze zijn hand op haar schouders voelde. “ Ik wilde het niet maar ze moesten ophouden met schelden.”

“Laat mij er eens even bij”, een bevelende stem klonk boven haar. Ze keek om en daar stond Weemer van Hornhaaf. “Ik moet hem onderzoeken.”

Randa stond op. In het midden van de tempel zaten haar vader met de moderaal en de  lenderaar te praten. Hoog overleg! Ze zag de ernstige gezichten en de intensieve gesprekken. Haar vader schudde vaak zijn hoofd en mengde zich dan meteen opnieuw in het gesprek. De moderaal gebaarde wild en Randa probeerde zijn woorden op te vangen. In de queerhaan? Wilden ze Ramold in de queerhaan stoppen en hoelang dan? Stapje voor stapje ging ze in de richting van de drie mannen.

“We hebben dat in twaalf jaar tijd nog maar twee keer eerder gedaan. Een keer toen Fode Heender zijn buurvrouw had lastig gevallen en een keer omdat Bidder Hombarg dwijne-aren voor zichzelf had weggestopt”, merkt de Moden op. “In beide gevallen waren ze weer na een week op vrije voeten. We konden ook niemand missen. De schande was genoeg straf voor die jongens. “Ja, misschien wel”, kapt de moderaal hem af. “Maar deze keer zijn er twee jongens vermoord. We moeten streng ingrijpen anders gaan de mensen denken dat zeer altijd met een kleinigheidje vanaf komen. “Geen wraak maar herstel”, bracht de Moden daar tegenin. “Zo is het in Helen altijd geweest en zo wil ik het graag houden. Straf mag geen vergelding zijn. Ik sta voor rechtvaardigheid en ik weet dat Ramold geen slechte jongen is.”  “O, en vind je het dan zo mooi dat zo’n kateling probeert je dochter in te palmen?”  De moderaal kijkt de Moden scherp aan. “Een moordenaar misschien wel.”De Moden springt overeind van zijn stoel. “Een kateling, ja, een jongen die aan boord van jouw ruimteschip is geboren. Weet je nog hoe je zelf de eerste baby aan boord van de Arketan begroette. Wat was je trots!” “Dat was toen”, brult de moderaal kwaad. “Nu is alles anders, de mensen denken anders en daar moet je rekening mee houden.” ”Ja zeker”, valt de Moden hem in de rede. “Er zijn hier honderd katelingen, dat is een op de vijf Aldemundters. Wil je die allemaal tegen je in het harnas jagen? Kateling of niet, iedereen zal hier de kans krijgen gelukkig te worden.”  “Daar gaat het niet om”, moppert de moderaal. “Het gaat om het geluk van het hele dorp.” De stem van de Moden klinkt nu schamper. “Ja, ja en dat geluk bereik je door de katelingen uit te sluiten. Denk je dat nu heus?”.

Randa voelt haar hart sneller kloppen. Haar vader komt op voor Ramold en de andere katelingen! Voor het eerst heeft zij respect voor hem en zijn werk. Hij is geweldig. Nu zal het goedkomen met Ramold. Hij gaat vast niet naar de queerhaan! Bij die laatste gedachte voelt zij toch wat twijfel omhoog komen want haar vriendje is de schuld van de dood van twee mensen.Dat kan toch niet zo maar …? Ze voelt een hand op haar schouder. Het is Weemer van Hornhaaf. “Ik heb slecht nieuws en ook een beetje goed”, zegt hij. “Die jongens zijn allebei dood. Ramold heeft een shock. Hij denkt dat hij ze heeft vermoord maar ik weet het niet zeker. Heeft hij alleen Warmen geraakt of ook Paup?” Randa schudt verward haar hoofd. “Ik weet het niet meer precies, ik snap er niets van. Het is allemaal zo snel gegaan.” ”Denk goed na”, waarschuwt Weemer. “Hert is belangrijk voor Ramold. Ik denk trouwens wel dat de moderaal hem in de queerhaan zal stoppen maar misschien kan hij er weer heel snel uit zijn.. Denk goed na.” Het meisje buigt haar hoofd en staart naar de grond en knijpt haar ogen heel stijf dicht. Dat is de beste manier om de tranen tegen te houden en het helpt haar bij het nadenken. “Ik weet het niet meer”, herhaalt ze en ze stampt op de grond. “Denk goed na”, herhaalt Weemer. “Misschien weet je het morgen weer. Ik ben helemaal niet zeker dat Ramold schuldig is. Ik weet niet wat er wel is gebeurd maar er is iets raars… Iets dat ik niet kan verklaren.”

 

De tempel was nu helemaal leeg. In het hele dorp stonden kleine groepjes mensen te praten. Randa hurkte opnieuw bij Ramold neer. “Je moet opstaan en met me meegaan”, ze probeerde haar stem nu zo opgewekt mogelijk te laten klinken. “Dat zal helaas niet gaan”, achter haar kwam de moderaal met grote stappen dichterbij. “Ik ben bang dat Ramold enige tijd in de queerhaan moet doorbrengen. We moeten nadenken wat er met hem moet gebeuren.” Hij gaf de lenderaar een teken en deze pakte Ramold nu beet om hem. “Kom jongen”, zei hij. “Maak het me niet te moeilijk.” Ook de Moden kwam nu dichterbij. Hij keek zijn dochter aan. “Het spijt me.” Hij sloeg zijn arm om haar schouder. Het was lang geleden dat hij haar zo had beschermd. Misschien wel te lang geleden. Randa dacht dat ze in een stevige huilbui zou uitbarsten maar dat gebeurde niet. Haar ogen bleven droog. Nee, zelfmedelijden zou geen kans krijgen. Voorzichtig maakte ze zich uit de armen van haar vader los. “Als hij naar de queerhaan gaat, dan ga ik mee”, riep ze en ze holde achter de lenderaar en Ramold aan. De lenderaar draaide zich half om. “Je bedoelt het vast goed”, zei hij zachtjes. “Maar het kan niet. Ik kan niet iemand zo maar in de queerhaan opsluiten. “Ik ga mee”, riep Randa weer en ze volgde de beide mannen. 

De queerhaan was ingericht in de grot die in het midden van Aldemundt lag. Het wasx een armzalig onderkomen waar weinig licht binnenkwam. Drie getraliede hekken scheidden een deel van de grot af. Achter elk hek was een kleine ruimte, omgeven door tralies en steen. Op de grond lag een laag aren van frees, de meest zachte korenaren van Mende. “Ik zal je naar de voorste queerhaan brengen, daar is het meeste licht”, zei de lenderaar zachtjes. “Ik hoop echt dat dit allemaal goed zal aflopen. Het is zo’n smet op ons dorp. We hadden het geod en vredig en nu … Het zal best goedkomen” “Weet je wel wat die jongens allemaal tegen hem riepen en wat ze deden?” klinkt Randa’s stem schril. De leneraar schudt zijn hoofd. “Nee, ik hoef het niet te weten en ik wil het weten. Het is allemaal zo … “ “Je moet het wel weten”, bij die woorden stampvoette Randa opnieuw. De lenderaar keek haar verschrikt aan terwijl hij het hek van de queerhaan opendeed. “Ren, Ramold, ren”, riep Randa maar de jongen schudde zijn hoofd. “Het heeft geen zin, waar moet ik heen?” Randa gooide haar hoofd naar achteren. “Er is hier een hele planeet en meneer weet niet waar hij heen moet.” Het was al te laat. De lenderaar duwde Ramold naar binnen en sloot het hek af. “Vervelend, nu moet ik hier vannacht ook blijven. Misschien kunnen een paar lenderingen me aflossen. Dat is belangrijk, niet omdat hij zal weglopen maar om hem te beschermen”, zei hij tegen Randa. “Ik zal ze een wix  sturen en vragen of ze even hier komen voor overleg.” “Hij werd uitgedaagd, gepest en

vernederd. Ze zaten aan hem te trekken en te duwen want ze hadden wel een vat zafyr weggewerkt”, Randa’s stem klinkt verontwaardigd. “Het was een ongeluk en … “ “Ga nou naar huis”, de stem van de lenderaar klonk vriendelijk maar ook dwingend. “Nee, nee, nee”, begon Randa weer. “Hoe ging het nou toch ook weer, ik ben helemaal in de war. Hij heeft alleen maar Warmen aangeraakt”, zei ze ineens. “Ik weet het zeker. Hoe kan het nou toch. Waarom is Paup dan ook dood? Dat kan toch niet?” De lenderaar haalde zijn schouders op. “Ga eerst slapen, morgen … “Nee, nee”, lachte Randa bitter. “Morgen is het echt niet beter. Dit gaat niet zo maar voorbij. Ik moet denken, ik moet … Ze voelde hoe er moed in haar lichaam vloeide, het was een warme stroom. Ze rechtte haar rug en keek de lenderaar triomfantelijk aan. Zwijgend draaide zich om naar Ramold. Ze stak haar hand tussen de tralies door en raakte zijn haar aan. “Je bent weer vrij voordat je het weet”, glimlachte ze. “Ik ga je helpen. En een ding, lieve Ramold. Je mag niets bekennen. Zeg niet dat het jouw schuld is, nooit.” Ramold haalde zijn schouders op. “Dit is in Aldemundt nog nooit gebeurd”, Randa. “De lendering en je vader hebben geen idee hoe ze dit moeten aanpakken. Vroeger misschien, in Helen, toen was alles duidelijk maar nu. Er zijn geen boeken, geen wijze rechters, geen prins, niemand. Er is alleen de Moden en er is de wraakzucht van de ouders van Warmen. Misschien laten ze het me mel uitvechten met een mes of een zwaard of misschien een knots. Ging het vroeger ook niet zo? En was het dan niet de god die besliste. “Een Godsoordeel”, fluisterde  Randa, “maar dat is belachelijk, dat is van heel lang geleden. Toen had nog nooit iemand van Mende gehoord en zelfs niet van de planeet. Bacchus. Er was toen nog een God die alles bestierde en iedereen aan zich had onderworpen. Maar vergis je niet, de Hornich heeft ons al zolang bevrijd. Die zal ook nu meetellen, we zijn toch geen oermensen meer?” Ramold glimlachte, “Hier zijn we oermensen, Randa, hier op Mende zijn we nog maar net begonnen dezelfde fouten te maken als op aarde, kijk maar hoe de mensen naar ons, katelingen, kijken.” “Je bent bitter”, antwoordde Randa maar ze kon maar met moeite haar tranen binnenhouden. “Waarom zouden we dezelfde fouten maken als tienduizend jaar geleden? Je hebt nu toch te maken met mijn vader en de moderaal, misschien is de lendering wel haatdragend maar hij beslist toch niet alleen?”  Ramold glimlachte. “Ik heb toch ook dezelfde fout gemaakt? Ik ben toch ook weer woedend geworden en ik ben begonnen met vechten? Waarom zou een ander niet ook weer fouten uit de oertijd maken, of ben ik dan toch minder? Mis ik dan toch een verleden en moeten katelingen alleen de hele geschiedenis overdoen? Denk jij er ook al zo over.” Randa keek zwijgend voor zich uit maar plotseling begon ze te glimlachen. “De hele geschiedenis, die wil ik wel samen met jou overdoen. Dan zijn we heel lang bij elkaar.” Dat was Randa, ook in de ernstigste minuten kon zij nog grapjes maken. Het was een reden voor Ramold om van haar te houden.” Toch bleef hij somber. “Ik ben bang dat het niet zover komt en het kont niet eens zover dat ik met de loop mee kan. Die vertrekt voordat ik uit dit hok weg ben.” Randa boog haar hoofd. Ergens diep in haar binnenste was ze blij dat Ramold niet weg kon. Die loop met al zijn risico’s en gevaren had ze helemaal niet zien zitten. Hoewel, bedacht ze nu. Misschien was die loop nog wel minder gevaarlijk dan het verblijf in de queerhaan. Wie weert wat voor barbaarse ideeën sommigen zouden krijgen over het lot van hun katelingse dorpsgenoot.

Het licht van Osme, de oude zon kroop langzaam boven de horizon uit. Het dal beneden zou nu al helemaal beschenen zijn. Demerbeen brak aan maar wat voor demerbeen! Elk jaar was de eerste dag van de zomer een feest geweest met volop warmte en licht van Osme als begeleiding. En nu, dit jaar, zou het een treurdag worden. Een dag om te treuren over de doden en de vermeende moordenaar. Er zouden ruzies zijn en twistgesprekken in plaats van zwempartijen naar Baalder. Families zouden van hun vrienden worden gescheiden door ruzies in plaats van de glooiritten waarin zij onderling om de eer streden. Dat was voorspeld in de duizenden pagina’s van de boeken van Hornich. “Als een bliksemschicht zal een kloof openbreken en het licht zal er in neerdalen om nooit meer terug te keren.” Het was niet een getuige maar het waren tientallen die al lang geleden zulke teksten hadden geschreven. Randa kende ze bijna allemaal uit haar hoofd. “Het licht zal in de gleuf van aarde en water verdwijnen”, ook zo’n tekst. Haar ogen kregen een wanhopige uitdrukking. Plotseling begon zij te begrijpen want Ramold haar al de hele tijd probeerde te zeggen. Oude waarden en gedachten zouden met de opkomst van deze Osme een kans krijgen.

“Je bent stil”, klonk Ramolds stem nu bezorgd. “Waar”denk je aan?”Randa durfde hem nauwelijks aan te kijken maar hij herhaalde zijn vraag iets dwingender. Deze keer stonden haar ogen vol tranen. “De Verhornich”, Ramold had moeite haar te verstaan maar hij begreep haar door haar blik en haar gebaren. Zwijgend knikte hij. “Het is nog niet te laat”, zei hij. “Er moet een bewijs zijn voor mijn onschuld. Let goed op de mensen die het goed met ons menen. Zij zullen je de sleutel geven voor een oplossing. Ga nu maar en slaap nog wat. Morgen wordt het een zware dag.” Randa knikte. “Morgen, zo meteen, ben ik er weer.” Ze wuifde met haar vingers van twee handen, een gebaar dat betekende “houd moed”. Met een bijna onverstaanbaar gemompel groette zij de lenderaar. Er begon een liedje uit haar jeugd in haar hoofd rond te zoemen, een liedje waarmee haar moeder haar ’s avonds steeds in slaap had gekregen. Met opgeheven hoofd liep zij naar buiten en de eerste stralen van Osme gaven haar zwarte haar glimmen. Licht nestelt zich ook in duisternis. Ramold zag het en ademde diep uit.

Warmtefront

 

 

Sikke  was misschien niet de meest snuggere tamer van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin Randa Telgenheert,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij waarschijnlijk te danken aan de zes poten onder zijn korte romp die elke onregelmatige beweging tegengingen. Soms draaide Randa zich even om en dan fluisterde zij haast “Sikke” en meteen, als vanuit het niets verscheen het trouwe dier achter haar. Zij keek niet eens verbaasd op toen ze hem deze keer niet meteen zag. Haar trouwe tamer zou haar niet in de steek laten, hij zou zeker aan de andere kant staan en nog een keer zei ze zijn naam. Deze keer kwam zij uit haar gehurkte houding tussen de dwijne-aren op. “Sikke”, riep zij nu wat harder, een beetje ongeduldig zelfs maar de lichtbruine kop met beige ogen dook nergens op tussen de witachtige planten. Misschien kon het dier haar niet goed vinden zolang ze verscholen zat achter de brede bladeren van de planten die ook nog eens grote, lichtbruine bessen droegen.  

Ongerust keek zij om zich heen. Ginds boven zee pakten zich donkere wolken samen, de eerste zware regenbuien van het warme seizoen waren in aankomst zoals Randa al eerder had meegemaakt  Zij maakte zich daarover niet al te ongerust want wolken zouden al vrijwel leeg zijn tegen de tijd dat zij Aldemundt zouden bereiken. De regens sloegen elk jaarweer hard neer op de hellingen aan de westkant waardoor er niets kon groeien. Elk zaadje dat er in het voorjaar wortel schoot, spoelde aan het begin van de zomer weer weg.

Sikke”, riep zij deze keer harder met iets van wanhoop in haar stem en … werkelijk, tussen de ronde, rode huizen van Aldemundt verschenen de contouren van een tamer. Het dier kwam met zijn typische, zwevende bewegingen in ijltempo naar haar toe. Randa strekte haar armen opgewonden uit naar het dier dat nu nog harder door het landschap gleed. Een brede glimlach groeide op Randa’s gezicht maar haar mondhoeken gleden weer naarbeneden toen zij niet ver achter Sikke een man ontdekte. Ramold Barg. Die zou vast weer komen met een fantastisch verhaal, dat hij goed voor Sikke had gezorgd nadat hij het dier had gevonden, ver van zijn bazin vandaan en dat hij het dier nu terug kwam brengen. Ramold zat al een jaar achter Randa aan maar zij voelde niets voor zijn langdradige en vooral zelfbedachte avonturen, zijn zware dreunende stap en de steeds aanwezige lucht van gajem, het strootje dat zoveel Mendese mannen tot sigaret diende.

“Hallo Randa”, Ramolds stem klonk vrolijk maar tegelijkertijd was er een onzekere klank in zijn stem. “Sikke liep op de Haar rond te snuffelen, alleen. Ik dacht, ik zal hem even brengen.” “O hallo Ramold”, antwoordde Randa vlakjes. Ze hurkte bij Sikke neer. “Was jij alleen op pad, zo maar naar het midden van Aldemundt? En kwam je toen deze meneer tegen. Is dat echt waar”? vroeg zij zachtjes aan de tamer maar toch zo hard dat Ramold het kon horen. Ramold beet zich op zijn onderlip en keek doelloos om zich heen. “De zomer begint”, begon hij zwakjes. “De werolden zijn onderweg.” Hij wees naar de dikke, zwarte wolken die langzaam tegen de berghelling begonnen op te klimmen. Ineens kwam er een glimlach op zijn gezicht. Het naderende slechte weer zou wel eens zijn bondgenoot kunnen zijn. Over hoogstens zes uur zouden de wolken hun laatst druppels uitgieten over Aldemundt en dat bood de mogelijkheid om een schuilplek te zoeken en dan misschien … Hij schraapte zijn keel en daarmee riep hij al zijn moed omhoog. “Zullen we na de mandert een wandeling maken langs de Hanebrood?” Hij probeerde zijn stem zo luchtig mogelijk te laten klinken en hij zag zichzelf al met Randa de berghelling af en, heel langzaam, weer oplopen, schuilend onder de takken en bladen van de mondajen en de freek. Randa voelde hoe haar gezicht rood aanliep. “Zodat we kunnen schuilen onder de mondajen en de freek en zodat jij mij onverhoeds kunt zoenen zeker?” vroeg ze op spottende toon. “Nou, ja, daar … goed, ik hoor het al. Het gebeurt niet vanavond.” ”Niet vanavond en nooit niet, nog niet als de raak je komt halen”, deze keer klonk haar stem venijnig, bijna vijandig. Ramold draaide zich om. “Jammer, ik had het een mooi afscheid gevonden.”Deze keer had hij haar toch geraakt want Randa voelde onzekerheid in zich groeien, het kloppen van haar hart in haar keel werd voelbaar. “Afscheid”? vroeg ze in een slecht gelukte poging om haar nieuwsgierigheid te camoufleren. “Ja, ik ga voor lange tijd het dorp uit”, Ramold liet zijn stem nu expres losjes en onverschillig klinken. “En waarheen dan wel”? was Randa’s ongelovige reactie. Ga je naar aarde?”Ramold glimlachte. “Nee, zover ga ik niet. Over tien dwindlen ga ik mee met de expeditie van Berg Wamerhorn.” Tien dwindlen, dat waren twintig aardedagen! “Heeft hij je uitgenodigd?” De ongelovige klank in Randa’s stem had voor ieder ander geklonken als een belediging maar Ramold hoorde er alleen maar belangstelling en enthousiasme in. “Nee, ik heb me aangemeld en ik mag mee”, zijn ogen straalden. “En hoelang blijf je dan weg?” vroeg Randa weer. Ineens was de gedachte aan gajem en verzonnen verhalen verdwenen. “Dat weten we nog niet”, Ramold voelde zich nu belangrijk worden. “Het kan veertien dagen zijn maar ook een halfjaar. We gaan met 21 mannen en zes vrouwen, tenminste als er nog twee vrouwen bij komen.” Onderzoekend keek Ramhold haar aan. Randa voelde zich over haar hele lichaam trillen maar ze verried niets. “Nou, dan kom je niets tekort”, schoot er na een paar seconden uit. Ze schrok er zelf van en begreep meteen dat haar opmerking nergens op sloeg. Zes vrouwen en 21 mannen! “Moet ik de aren voor je dragen?” Ramolds stem verried niets van zijn gekwetstheid. Randa keek met een schuin oog naar de dikke stapel korenaren. “Dragen”, zenuwachtig begon ze te lachen. “Nee, nee, doe jij dat maar niet”, trilde haar stem ookal zag ze er tegenop de aren zelf naar het dorp te torsen. Ze mocht nu niet toegeven. Als Ramold haar aren zou dragen, zou hij denken … Zo wilde de traditie en in Aldemundt waren tradities en strenge regels nodig, zo had haar vader het keer op keer ingeprent. Niet dat ze het er nooit moeilijk mee had gehad maar … “Regels en traditie”? Ramolds woorden doorkruisten haar gedachten. “Waar is de oude Randa gebleven die ’s morgens vroeg met de jongens uit het dorp liever naar Baalder wilde zwemmen dan naar school te gaan?” Randa voelde zich rood worden. “Baalder, ja, ze was er vaak naartoe gezwommen ook al had haar vader, de Moden van Aldemundt, het verboden. Ze glimlachte verontschuldigend. “Kleine meisjes worden groot”, zei zij zachtjes. “Een de gevaren groeien mee.” Ze had een hekel aan zichzelf, vooral vanwege die laatste zin. Het klonk alsof ze haar moeder hoorde. “Kind, dat kun je niet doen, je bent de dochter van de Moden”!  “Maar Ramold en Clijne doen het ook en Havan en Trido en … .”En toen had haar moeder haar gewaarschuwd. “Het zal de slechte invloed van Ramold zijn”, zei zij dan ernstig. “Het is een kateling en katelingen worden nooit wijs.” Eerst had ze die opmerking niet begrepen maar later legde haar moeder uit dat een kateling iemand was zonder geschiedenis. “Geboren aan boord van de Arketan”, die woorden klonken uit haar mond dan heel veel betekenend.

Ze hurkte soepeltjes bij de stapel aren neer en stond weer op. De vracht was zwaar maar hoe zwaar zou de band zijn met een kateling, een man die twee  jaar jonger was dan zij zelf ook nog?

“Wat is jouw eerste herinnering”? plotseling vroeg zij  uitdagend. Die uitdaging was vooral aan haar zelf gericht want ze verwachtte niet veel van het antwoord.

Ramold bedwong zijn neiging om een schop te geven tegen de steen die voor zijn voet lag. Altijd die vragen over het verleden! Hij wist maar al te goed dat het te maken had met zijn katelingschap. Maar toch, als Randa’s vraag oprecht bedoeld was, dan was dit zijn kans. “Een liedje dat mijn moeder zong. Het ging over een mannetje dat elke avond een blauwe ster zag aan de hemel en niets liever wilde dan er naartoe te klimmen. De blauwe ster glimlachte en er woonde een heel lieve fee. Het liedje eindigde met de zin. “En dat mannetje ben jij”. Randa keek zwijgend naar hem op. Een heuse herinnering! “En je tweede herinnering?”vroeg zij iets onzekerder. “Dat ik uit het patrijspoort van ons huis keek en heel in de verte de blauwe ster zag. Mijn moeder vertelde met toen dat zij daar geboren was.” “En ik ook”, Randa’s woorden klonken te triomfantelijk om vriendschappelijk te zijn. “En toch zien we nu allebei hoe uit de werolden de plensregens beginnen te vallen, hoe de zomer nadert en we weten allebei dat de dwijne-aren snel binnengehaald moeten worden.”Randa’s stem stokte even. Voor een kort moment wist ze geen weerwoord. Haar ogen richtten zich op de haast pikzwarte wolken waaruit zich nu de stortregens losmaakten die de rotsachtige hellingen aan de westkant van het gebergte geselden en die Baalder aan het oog onttrok. Ze keek ook naar de huizen, een ander dorp dan het groepje ronde, donkerrode huizen met hun platte dak had ze nooit gekend. Haar moeder had wel eens verteld over grote steden op aarde zoals Merkenborg met zijn anderhalf miljoen  inwoners. Maar zij, Randa, kon zich daarbij niets voorstellen. Zij kende het dorpje en het daarvoor had ze tien jaar aan boord van de Arketan doorgebracht. ‘Dit is mijn wereld’, waren de woorden die zij in haar hoofd steeds weer hoorde. Zij begon langzaam te lopen ion de richting van Aldemundt. Even leek ze te struiken maar daarbij pakte ze Ramolds mouw. “Ik zou willen dat er veel meer was dan Aldemundt”, ze glimlachte naar Ramold. “Iets drukkers, meer leven… .” Ze huiverde. “Stel je voor dat we de enigen zijn op deze planeet. Het maakt me bang, die eenzaamheid.”

Ramold weerhield zich ervan om zijn arm om haar schouders te slaan. “Alleen, eenzaam”, zei hij langzaam. “Dat zijn we allemaal. Het valt minder op als je samen eenzaam bent.” Naast elkaar liepen ze nu naar het dorp. De regen plensde nog steeds neer op de kale hellingen aan de westkant. Het zou nog een paar uur duren voordat een dunne regen boven Aldemundt en haar akkers zou losbarsten. En morgen, morgen was het Demerbeen, het begin van de zomer. Een feest!

 

 

De grote zaal van de tempel zat vol. Heel Aldemundt had zich verzameld rond een grote, lege plek in het midden, mannen en vrouwen door elkaar. De mannen droegen hun zwarte, rode of gele getailleerde, halflange jassen en iets poffende broeken in dezelfde kleur. Daaronder hadden ze witte hemden die nauw om de hals sloten en aan hun voeten zwarte schoenen met opkrullende puntneuzen. De schoengespen waren mooier opgepoetst dan op andere avonden want op Demeravond wilde iedereen er op zijn beste uitzien. De vrouwen droegen witte, beide of lichtblauwe jurken met een zilver- of goudkleurige centuur, een sjaal in dezelfde kleur, lange oorhangers van zilver, goud en een lichtgele, doorschijnende steen die bekend stond als kamilix. Randa zocht haar vriendinnen Tiami, Faria, Aquia, Bonara en Syfa. Voor zij zich bij hen voegde, wilde zij eerst zien hoe zij reageerden toen zij met Ramold binnenkwam. Ze zagen haar niet, ze lachten en praatten. Ramold aarzelde niet. Hij schoot zo snel hij kon naar zijn vrienden die in een cirkel bij elkaar zaten. “Laatkomer”, bromde Fode spottend. “Op de loer gelegen tussen in het dwijneveld? Nog steeds op jacht naar Randa?”  Belber, de oudste van de vriendenclub zweeg grijnzend terwijl Thibon zijn neus ophaalde. “Heb je haar al eens … een worst in de dwijne gelegd?” Ramold voelde zich boos worden maar hij had geen zin in ruzie. “Ze zal me toevallen als een rijpe zarzak”, fluisterde hij zodat zijn vrienden het nog net konden horen. “En net zo sappig smaken”? vroeg Fode weer, “de dochter van de Moden? Dat is wel een heel vette prooi voor een kateling.” Ramold haalde zijn schouders op. “Zullen we het over iets anders hebben?” Hij had geen zin in ruzie met zijn vrienden en al helemaal niet op Demeravond. Vanavond hoopte hij tijdens de Demerdans aan Randa te laten zien wat hij kon. “We mogen even onze mond houden”, kwam Belber ertussen. “De Moden is in aantocht,”Hij wees op het gordijn achterin de tempel dat nu opzij werd geschoven. Moden Paup Telgenheert kwam met grote, snelle passen dichterbij. Zijn gezicht zelfverzekerdheid en daadkracht uit, hij was zich bewust van het belang van het moment en dat mocht ook van een Moden worden verwacht. Demeravond was het op een na belangrijkste feest van Aldemundt. Op het moment dat hij de ronde zaal betrad, stopten de gesprekken. Sommige mensen braken hun zin halverwege af en richtten hun blik op de burgemeester, de man die voor, tijdens en na de reis met de Arketan zoveel mensen een hart onder de riem had gestoken en steeds weer de kracht had gevonden om verder te gaan.

Hij begon meteen te spreken, niet hard maar duidelijk verstaanbaar tot in de verste rijen achter in de zaal. “Vermogende Aldemundters”, het was de normale aanhef voor ene grote groep mensen die de ontberingen en uitdagingen van de kolonisering van Mende hadden uitgevoerd en voortgezet. “”De Werolden zijn teruggekomen, precies op de behn die we hadden gedacht. Professor Wamerhorn heeft de komst tot op de akta nauwkeurig vastgesteld, een prestatie die we van hem mochten verwachten. Ik kom net van buiten en ik kan u vertellen dat de eerste druppels sinds vijftien akta op onze graanakkers neerdalen. Onze graanakkers die trots gevuld zijn  met onze eigen granen  dwijne, gombert, allach, frees en merkelbaert. Onze granen die zo anders zijn dan de granen van de aarde en die de Mendese grond heeft voortgebracht uit tarwe, gerst, rogge, haver en rijst. Zo anders, zoals alles anders is hier, dan op aarde. Velen van ons weten het zich te herinneren en velen hebben er geen weet van maar we plukken er allemaal, letterlijk, de vruchten van. En nu, bij onze twaalfde demeravond, staan nieuwe, grootse avonturen voor de deur. Eenentwintig van onze mannen en vrouwen gaan dit jaar voor het eerst een retourreis ondernemen naar aarde onder leiding van Paup Groeffen Zij offeren meer dan twee kedachronen van hun jaren om op aarde te presenteren wat onze successen zijn. Een reis van meer dan twintig aardse jaren. Dat vergt moed en vastberadenheid en dat zijn eigenschappen die met Aldemundt zo verbonden zijn als Hornich met ons allen. En ook eenentwintig mannen en vrouwen gaan op reis op onze nieuwe planeet want professor Wamerhorn vertrekt over twee dwindlen met twintig jonge Aldemundters op reis, op zoek naar de zuidkust van ons continent en nieuwsgierig naar alles wat zich tussen ons en die kust bevindt. Zij zullen niet tweemaal een kedachroon onderweg zijn maar hun loop zal er niet minder om zijn.

Dat wij in staat zijn om tweeenveertig dappere Aldemundters op stap te laten gaan hebben we te danken aan twaalf chronen van proberen, vechten en winnen. Dat hebben wij aan onszelf te danken en natuurlijk aan de steun van Hornich. Om hem te danken en hulp te vragen bij onze nieuwe ondernemingen, laat ik graag het woord aan usker Breemhoor.”Wij zien elkaar weer bij de demerdans.”

 

Niemand sprak een woord, ook het groepje jongemannen rond Ramold niet. Respect voor de Moden en voor de usker liet hun zwijgen. De usker van deze avond was Ramold Breemhoor, die de meesten kenden als tandarts. De lange man stond lenig en vlot op van zijn stoel en zag de zaal rond. “Mende betekent “hoop” en mijn hoop is het dat we die hoop allemaal nog in ons voelen, aardlingen, katelingen en mendlingen. Voor mij was het de hoop om mijzelf beter te leren kennen aan de hand van de heel nieuwe kansen die ik kreeg. Het is me helder geworden, wie ik ben. Meer dan op aarde heb ik mijzelf leren kennen en ik ben Hornich, de Weg, dankbaar dat hij me tweeenhalve kedachroon geleden heeft geholpen om die stap te zetten. Het was een stap. In Helen was ik een succesvol wetenschapper, met vrouw, zoon en dochter en nu zijn ze nog steeds allemaal om me heen. Nooit hebben ze me tegengehouden. Tot en met de twaalfde werolden trouw aan mij en onze gezamenlijke hoop. Een hoop die is uitgekomen.” Hij zweeg en liet zijn blik gaan over zijn dorpsgenoten. “En ik hoop dat u me dat allemaal kan nazeggen.” Zijn ogen bleven rusten op Weemer van Hornhaaf. Heel even, de mannen wisselen een blik uit en Ramold schrok. Hij zag, hij zag afwezigheid in de ogen van de ander. En Weemer schrok, hij zag het inzicht in Ramolds ogen. “Allemaal”, herhaalde hij aarzelend. “Wij vinden onze hoop toch allemaal in het prachtige lied “Over Hornich naderen de werolden opnieuw”. De usker gaf een teken aan het orkest dat achter hem klaar zat: een strijker met zijn vatar, een pianist met de mendepiano, weer een strijker met zijn liodin, twee blazers met een tander en een wreksch voor de ritmische ondersteuning. Geen electronica, geen computerinstrumentarium maar echt handwerk waaruit ook foute tonen konden klinken want “zoals niet de mooiste vrouw het meest aantrekkelijk is, zo is ook de zuiverste toon niet echt geliefd”. Het orkest zette in en de usker liep achteruit naar zijn stoel, ondertussen uit volle borst meezingend. Opnieuw lette hij op Weemer maar deze zong minstens zo overtuigd mee als Ramold zelf. En ook de jongeren, de katelingen en de mendlingen, er klonk een groot slepend en melodieus gezang. Niemand vond de zes coupletten van het Weroldenlied te vermoeiend. Het werkte zelf heel anders. De energie van de jongens en de meisjes nam alleen maar toe en de jongens begonnen verlangend naar hun uitverkoren vrindinnen te kijken. Nog scherper keken zij toen het orkest de eerste tonen van een ralka inzette, een Mendse-dans die al aan boord van de Arketan bekend was. Traag sleepten zich de eerste tonen voort maar de jongens, vrouwen, mannen en kinderen repten zich naar de dansvloer. Zij stelden zich op in lange rijen en zorgden ervoor dat hun meete geliefde dichtbij was. De jongens tegenover de meisjes en de kinderen aapten dat na. In langzame bewegingen probeerden zij duidelijk te maken wat zij de anderen wilden vertellen en die bewegingen werden steeds sneller. Ze draaiden rond, maakten sprongen, hurkten en maakten koprollen. Tussen door zonden ze boodschappen uit met hun handen, mond, ogen en zelfs oren. Ja, er was geen Mendling die niet zijn oren kon bewegen. De muziek zweepte ze op. De jongens vormden nu een kring en zij scheeuwden het lied uit : “Moe Mende wos na hie”(Mijn hoop ben jij). Zij trokken hun  jassen van hun lijf en wierpoen die op een grote stapel, de demerberg die een rol zou gaan spelen aan het eind van de avond. Hun glimmende bovenlijven maakten het nog beter mogelijk om met elke beweging hun gevoelens te uiten. De usker reed nu een rollende tafel met een vuurtoorts en een fles zafyr binnen. Zafyr was een drank die haast niemand ooit kreeg, alleen de oudste mannen namen wel eens een kleine beker ervan op een vrije dag. De rest van de drank bewaarden de Aldemundters in vaten voor feesten en vooral voor de demeravond. De meisjes rekten hun hals. Zou het hun favoriete jongen zijn die met een mond vol zafyr vuur ging spuwen? De muziek speelde door en de kring van jongens draaide in cirkels steeds dichter naar de tafel toe. Weg! De muziek stond stil en een kluwen van jongens wierp zich op de zafyr en het vuur. Een tijdlang was er alleen een worsteling maar dan dook onderuit de groep Ramold op met een mond vol drank en de toorts in zijn handen. Hij aarzelde niet. Dit was zijn kans om zijn favoriete meisje te vragen. Een hoge vlam die bijna het plafond van de tempel raakte, spoot uit zijn mond omhoog en alle meisjes zongen luidkeels: Ze wos on ramoen., Jij bent de kampioen!”  In een paar sprongen was Ramold deze keer bij Randa. Hij greep haar om haar middel en wervelde in grote cirkels over de vloer. Het meisje had nauwelijks kans om zich te realiseren wat er gebeurde. Ze liet zich meevoeren want Ramold was sterk, handig en een snelle danser! Zij voelde zich zweven, voortgedreven door zijn benen en armen. Heerlijk, dit was demeravond.

Nu begonnen ook de andere jongens en meisjes de dansvloer te vullen en daarna volgden de ouderen met hun man of vrouw. Ook de Moden danste mee maar met een oog hield hij zijn dochter in het oog en wat hij zag, beviel hem niet. Ramold zette de fles zamyr aan zijn mond, nam een slok en kuste daarna zo lang mogelijk de mond van Randa. Daarna gaf hij het meisje een slok. Dat was nog allemaal niet het ergste, het behoorde tot het recht van de Ramoen. Het was meer het gezicht van Randa. Zij straalde geluk uit terwijl de jongen haar steeds dichter naar de ingang van de tempel toe wervelde. Natuurlijk hadden aardlingen, katelingen en mendlingen gelijke rechten. Maar toch, de Moden had zijn dochter liever in de armen van een aardling gezien. Hij bleef het paar volgen totdat zij in twee snelle kringen de deur van de tempel uit dansten. “Je danst beroerd”, mopperde Feya, zijn vrouw. “Let toch niet zo op die kinderen, het is hun feest.””Het is meer dan een feest”, zei de Moden beslist. “Het is een furene.” Een bruiloft? Feya glimlachte. “Je zoekt wel erg snel overal iets achter. Kop op, het is demeravond. Laat dit feest niet verpesten door je eigen norse gedachten.” De Moden schudde zijn hoofd. “Geen norsheid, meer een teleurstelling.”

 

 

Het orkest zette het volgende stuk in. Nog wilder en vuriger dan het vorige. De hoge tonen van de liodin gilde nu boven de ondertonen van de andere instrumenten uit. De mensen zongen mee en probeerden de hoge klanken te volgen. Ondertussen grepen zij de bekers die op een lange tafel stonden, bekers met zafyr. Ze klonken met elkaar en soms klotste het vurige vocht boven de bekers uit. Ze lieten hun partners losten en kozen een ander, dansten door en lieten een tweede beker zafyr door hun keel glijden. De muziek werd nu langzamer en de Moden en zijn vrouwe kozen een stoel langs de kant van de dansvloer. Lachend keken zij naar hun dorpsgenoten maar de Moden voelde zijn mondhoeken soms naar beneden glijden. Een kateling!

De kateling en zijn verovering zaten inmiddels buiten vlak voor de deur van de tempel. Hij zag haar prachtige, donkere lokken, haar blanke huid, haar stevige borsten en het kostte hem moeite om haar woorden te verstaan. “Ramoen”, lachtte zij. “Kan ik nu je dwijne-aren dragen

?” vroeg hij ernstig maar het meisje schudde haar hoofd. “Dwijne-aren dragen?” Ze proestte het uit. “Hoe kom je erbij?”Even voelde Ramold zich teleurgesteld maar dat kon niet lang duren. Zij keek hem met stralende ogen aan. “Jij moet mij heel Mende laten zien totdat ik voor goed mijn ogen sluit omdat ik genoeg heb gezien.” Ramold durfde nu voor het eerst een arm om haar schouders te slaan maar hij liet ook meteen weer los en Randa hoefde niet eens om te kijken om de reden daarvoor te raden. Een groep van vijf jongens strompelde door de ingang van de tempel naar buiten. “De usker zei …”, lalde een van hen maar daarna hield hij op. De rest van de zin wilde hem maar niet te binnen schieten “De usker zei, en de usker zei”, zong zijn vriend Paup Loggen luidkeels. “De usker zei, dat de usker zei”, hij hield zich met moeite vast aan zijn  kameraad. Vooral omdat hij bijna omviel van het lachen. “Wij hebben een beetje zafyr gedronken”, loeide Warmen weer. “En meteen, ik zei: meteen, moesten we de tempel…pel uit. “Snap jij dat nou?” Hij greep Ramold bij een punt van zijn  kraag vast. “Ik snap er niets van, geen raak, geen tamer, geen Moden, geen usker, snap ik er van. Hij gierde het uit. “Geen Moden, geen Moden en geen Moho-den!”zong hij lallend op de meloidie vann het Aldemundter lied. Hij lachte hard en schor en waggelde naar Ramold toe. Hij bleef met zijn gezicht vlak voor Ramolds ogen staan. “He, Ramoldje, lach ook eens. Kan je niet lachen?” Weer bulderde hij het uit maar het lachen ging over in een hoestbui en een rochel. “Lach dan, je hebt toch zo’n lekker ding versierd? Die kliene van de Moden. Mag jij daar wel aankomen, kateling.”Nog reageerde Ramold niet. Hij probeerde niet naar Warmen te kijken maar die pakte hem bij zijn neus  en trok er hard aan. Wie teveel zafyr heeft gedronken, is voor een verstandig woord niet meer bereikbaar, dacht Ramold nog maar hij voelde hoe zijn bloed begon te koken. Hij had geen zin in vechten maar ook zijn geduld zou een einde hebben, hij voelde het. Woedend keek hij zijn plaaggeest aan maar die voelde zich daardoor juist aangemoedigd.  “He, ellendige kateling”, schreeuwde Warmen. “Zeg nou eens wat, snap jij er nou iets van? Kateling, kateling”,  joelde Warmen opnieuw en dat was net een keer teveel. Ramold sprong overeind. Hij zou er in een keer een eind aan maken. Warmen moest zijn bek houden. Stil zijn! Met zijn hoofd vooruit rende hij op Warmen af en met een harde klap belandde zijn schedel in de maag van de scheldende dronkeman. De dronkaard klapte dubbel en kotste zo hard dat een straal met een hoorbare klap op de aangestampte aarde kwakte. Hij viel voorover in zijn eigen vuiligheid. Hij bloedde aan zijn hoofd en een hevige siddering ging door zijn hele lichaam. Doodstil lag hij met zijn gezicht naar beneden en … zelfs zijn vriend Paup ging onderuit. Met een klap viel hij naast zijn Warmen neer.

Verbijsterd viel Ramold op zijn knieen. Hij voelde de polsen van de beide jongens en luisterde scherp. Er klonk zelfs geen ademhaling meer. In paniek beukte hij met zijn vuisten op de grond en schreeuwend stond hij daarna op om de tempel binnen te rennen. “Een arts, een arts”, gilde hij. “Daarbuiten…”Zijn arm wees als een wegwijzer naar buiten. Toen zakte ook hij door zijn knieen. Randa wees de mannen huilend de weg. “Een ongeluk, een ongeluk”, schreeuwde zij steeds weer. Zij bleef heen en weer rennen tussen de jongens buiten en Ramold totdat ze bij hem op de grond ging zitten. “Je wordt weer beter”, fluisterde ze in zijn oor. Het gaat heus beter met je”. “Beter”? vroeg hij. “Het is mijn schuld toch?” “Jouw schuld?” Randa zweeg even. Het was nog niet eerder voorgekomen in Aldemundt dat twee mensen elkaar bijna of helemaal dood hadden geslagen. De Aldemundters waren zich er altijd bewust van geweest dat ze elkaar nodig hadden. Geen vechtpartijen onder elkaar, dat was ook altijd een uitspraak van haar vader geweest. Ze wist ook helemaal niet hoe dit zou aflopen. Zou er een rechtbank komen? Moest Ramold zich verantwoorden? Waarschijnlijk wel. Haar hele lichaam begon te trillen. Ze voelde zich kwaad over de beledigingen die de andere jon gens over Ramold hadden uitstort. Maar ja, had hij niet beter moeten weten? “Word eerst maar gauw beter”, ze kon het alleen maar fluisteren. Haar stem was zwak door haar onzekerheid en ze voelde zich misselijk worden. “Eerst beter worden”, zei ze weer en ze streek met een hand door zijn haar. Haar stem ging onder in het geluid van de menigte die nu de tempel uitstroomde. De mensen zeiden niets maar hun voetstappen klonken als het gedreun van een kudde bisons. De ouders van Warmen en Paup liepen voorop. Toen ze Ramold en Randa op de grond zagen zitten, schreeuwden ze pas. “Moordenaars! Mijn zoon”, gilde Warmens moeder. Ze stortte zich op haar knieen naast Warmens lichaam.  

Fode, Thibon en Belber kwamen nu bij Ramold en Randa staan. “Je hebt hem goed te pakken gehad, of liever hun allebei”, Fode’s stem klonk alsof hij er zelf wel op los zou willen slaan. “Warmen en Paup zijn allebei dood”, die laatste woorden zei hij met een wat vlakkere stem. “Ze waren je ook wel flink aan het uitdagen.” ”Dood, allebei dood”? Randa’s stem klonk verslagen maar ook verbaasd. Wat zou er nu met Ramold gebeuren en hoe kon het dat Paup dood was? Ramold had hem niet aangeraakt. Daar moest een andere reden voor zijn! Ze voelde tranen in haar ogen opkomen. “Hoe kan dit nou, Ramold, dood.” Ze dook met haar hoofd tegen zijn borst en bleef daar liggen, ook toen ze zijn hand op haar schouders voelde. “ Ik wilde het niet maar ze moesten ophouden met schelden.”

“Laat mij er eens even bij”, een bevelende stem klonk boven haar. Ze keek om en daar stond Weemer van Hornhaaf. “Ik moet hem onderzoeken.”

Randa stond op. In het midden van de tempel zaten haar vader met de moderaal en de  lenderaar te praten. Hoog overleg! Ze zag de ernstige gezichten en de intensieve gesprekken. Haar vader schudde vaak zijn hoofd en mengde zich dan meteen opnieuw in het gesprek. De moderaal gebaarde wild en Randa probeerde zijn woorden op te vangen. In de queerhaan? Wilden ze Ramold in de queerhaan stoppen en hoelang dan? Stapje voor stapje ging ze in de richting van de drie mannen.

“We hebben dat in twaalf jaar tijd nog maar twee keer eerder gedaan. Een keer toen Fode Heender zijn buurvrouw had lastig gevallen en een keer omdat Bidder Hombarg dwijne-aren voor zichzelf had weggestopt”, merkt de Moden op. “In beide gevallen waren ze weer na een week op vrije voeten. We konden ook niemand missen. De schande was genoeg straf voor die jongens. “Ja, misschien wel”, kapt de moderaal hem af. “Maar deze keer zijn er twee jongens vermoord. We moeten streng ingrijpen anders gaan de mensen denken dat zeer altijd met een kleinigheidje vanaf komen. “Geen wraak maar herstel”, bracht de Moden daar tegenin. “Zo is het in Helen altijd geweest en zo wil ik het graag houden. Straf mag geen vergelding zijn. Ik sta voor rechtvaardigheid en ik weet dat Ramold geen slechte jongen is.”  “O, en vind je het dan zo mooi dat zo’n kateling probeert je dochter in te palmen?”  De moderaal kijkt de Moden scherp aan. “Een moordenaar misschien wel.”De Moden springt overeind van zijn stoel. “Een kateling, ja, een jongen die aan boord van jouw ruimteschip is geboren. Weet je nog hoe je zelf de eerste baby aan boord van de Arketan begroette. Wat was je trots!” “Dat was toen”, brult de moderaal kwaad. “Nu is alles anders, de mensen denken anders en daar moet je rekening mee houden.” ”Ja zeker”, valt de Moden hem in de rede. “Er zijn hier honderd katelingen, dat is een op de vijf Aldemundters. Wil je die allemaal tegen je in het harnas jagen? Kateling of niet, iedereen zal hier de kans krijgen gelukkig te worden.”  “Daar gaat het niet om”, moppert de moderaal. “Het gaat om het geluk van het hele dorp.” De stem van de Moden klinkt nu schamper. “Ja, ja en dat geluk bereik je door de katelingen uit te sluiten. Denk je dat nu heus?”.

Randa voelt haar hart sneller kloppen. Haar vader komt op voor Ramold en de andere katelingen! Voor het eerst heeft zij respect voor hem en zijn werk. Hij is geweldig. Nu zal het goedkomen met Ramold. Hij gaat vast niet naar de queerhaan! Bij die laatste gedachte voelt zij toch wat twijfel omhoog komen want haar vriendje is de schuld van de dood van twee mensen.Dat kan toch niet zo maar …? Ze voelt een hand op haar schouder. Het is Weemer van Hornhaaf. “Ik heb slecht nieuws en ook een beetje goed”, zegt hij. “Die jongens zijn allebei dood. Ramold heeft een shock. Hij denkt dat hij ze heeft vermoord maar ik weet het niet zeker. Heeft hij alleen Warmen geraakt of ook Paup?” Randa schudt verward haar hoofd. “Ik weet het niet meer precies, ik snap er niets van. Het is allemaal zo snel gegaan.” ”Denk goed na”, waarschuwt Weemer. “Hert is belangrijk voor Ramold. Ik denk trouwens wel dat de moderaal hem in de queerhaan zal stoppen maar misschien kan hij er weer heel snel uit zijn.. Denk goed na.” Het meisje buigt haar hoofd en staart naar de grond en knijpt haar ogen heel stijf dicht. Dat is de beste manier om de tranen tegen te houden en het helpt haar bij het nadenken. “Ik weet het niet meer”, herhaalt ze en ze stampt op de grond. “Denk goed na”, herhaalt Weemer. “Misschien weet je het morgen weer. Ik ben helemaal niet zeker dat Ramold schuldig is. Ik weet niet wat er wel is gebeurd maar er is iets raars… Iets dat ik niet kan verklaren.”

 

De tempel was nu helemaal leeg. In het hele dorp stonden kleine groepjes mensen te praten. Randa hurkte opnieuw bij Ramold neer. “Je moet opstaan en met me meegaan”, ze probeerde haar stem nu zo opgewekt mogelijk te laten klinken. “Dat zal helaas niet gaan”, achter haar kwam de moderaal met grote stappen dichterbij. “Ik ben bang dat Ramold enige tijd in de queerhaan moet doorbrengen. We moeten nadenken wat er met hem moet gebeuren.” Hij gaf de lenderaar een teken en deze pakte Ramold nu beet om hem. “Kom jongen”, zei hij. “Maak het me niet te moeilijk.” Ook de Moden kwam nu dichterbij. Hij keek zijn dochter aan. “Het spijt me.” Hij sloeg zijn arm om haar schouder. Het was lang geleden dat hij haar zo had beschermd. Misschien wel te lang geleden. Randa dacht dat ze in een stevige huilbui zou uitbarsten maar dat gebeurde niet. Haar ogen bleven droog. Nee, zelfmedelijden zou geen kans krijgen. Voorzichtig maakte ze zich uit de armen van haar vader los. “Als hij naar de queerhaan gaat, dan ga ik mee”, riep ze en ze holde achter de lenderaar en Ramold aan. De lenderaar draaide zich half om. “Je bedoelt het vast goed”, zei hij zachtjes. “Maar het kan niet. Ik kan niet iemand zo maar in de queerhaan opsluiten. “Ik ga mee”, riep Randa weer en ze volgde de beide mannen. 

De queerhaan was ingericht in de grot die in het midden van Aldemundt lag. Het wasx een armzalig onderkomen waar weinig licht binnenkwam. Drie getraliede hekken scheidden een deel van de grot af. Achter elk hek was een kleine ruimte, omgeven door tralies en steen. Op de grond lag een laag aren van frees, de meest zachte korenaren van Mende. “Ik zal je naar de voorste queerhaan brengen, daar is het meeste licht”, zei de lenderaar zachtjes. “Ik hoop echt dat dit allemaal goed zal aflopen. Het is zo’n smet op ons dorp. We hadden het geod en vredig en nu … Het zal best goedkomen” “Weet je wel wat die jongens allemaal tegen hem riepen en wat ze deden?” klinkt Randa’s stem schril. De leneraar schudt zijn hoofd. “Nee, ik hoef het niet te weten en ik wil het weten. Het is allemaal zo … “ “Je moet het wel weten”, bij die woorden stampvoette Randa opnieuw. De lenderaar keek haar verschrikt aan terwijl hij het hek van de queerhaan opendeed. “Ren, Ramold, ren”, riep Randa maar de jongen schudde zijn hoofd. “Het heeft geen zin, waar moet ik heen?” Randa gooide haar hoofd naar achteren. “Er is hier een hele planeet en meneer weet niet waar hij heen moet.” Het was al te laat. De lenderaar duwde Ramold naar binnen en sloot het hek af. “Vervelend, nu moet ik hier vannacht ook blijven. Misschien kunnen een paar lenderingen me aflossen. Dat is belangrijk, niet omdat hij zal weglopen maar om hem te beschermen”, zei hij tegen Randa. “Ik zal ze een wix  sturen en vragen of ze even hier komen voor overleg.” “Hij werd uitgedaagd, gepest en

vernederd. Ze zaten aan hem te trekken en te duwen want ze hadden wel een vat zafyr weggewerkt”, Randa’s stem klinkt verontwaardigd. “Het was een ongeluk en … “ “Ga nou naar huis”, de stem van de lenderaar klonk vriendelijk maar ook dwingend. “Nee, nee, nee”, begon Randa weer. “Hoe ging het nou toch ook weer, ik ben helemaal in de war. Hij heeft alleen maar Warmen aangeraakt”, zei ze ineens. “Ik weet het zeker. Hoe kan het nou toch. Waarom is Paup dan ook dood? Dat kan toch niet?” De lenderaar haalde zijn schouders op. “Ga eerst slapen, morgen … “Nee, nee”, lachte Randa bitter. “Morgen is het echt niet beter. Dit gaat niet zo maar voorbij. Ik moet denken, ik moet … Ze voelde hoe er moed in haar lichaam vloeide, het was een warme stroom. Ze rechtte haar rug en keek de lenderaar triomfantelijk aan. Zwijgend draaide zich om naar Ramold. Ze stak haar hand tussen de tralies door en raakte zijn haar aan. “Je bent weer vrij voordat je het weet”, glimlachte ze. “Ik ga je helpen. En een ding, lieve Ramold. Je mag niets bekennen. Zeg niet dat het jouw schuld is, nooit.” Ramold haalde zijn schouders op. “Dit is in Aldemundt nog nooit gebeurd”, Randa. “De lendering en je vader hebben geen idee hoe ze dit moeten aanpakken. Vroeger misschien, in Helen, toen was alles duidelijk maar nu. Er zijn geen boeken, geen wijze rechters, geen prins, niemand. Er is alleen de Moden en er is de wraakzucht van de ouders van Warmen. Misschien laten ze het me mel uitvechten met een mes of een zwaard of misschien een knots. Ging het vroeger ook niet zo? En was het dan niet de god die besliste. “Een Godsoordeel”, fluisterde  Randa, “maar dat is belachelijk, dat is van heel lang geleden. Toen had nog nooit iemand van Mende gehoord en zelfs niet van de planeet. Bacchus. Er was toen nog een God die alles bestierde en iedereen aan zich had onderworpen. Maar vergis je niet, de Hornich heeft ons al zolang bevrijd. Die zal ook nu meetellen, we zijn toch geen oermensen meer?” Ramold glimlachte, “Hier zijn we oermensen, Randa, hier op Mende zijn we nog maar net begonnen dezelfde fouten te maken als op aarde, kijk maar hoe de mensen naar ons, katelingen, kijken.” “Je bent bitter”, antwoordde Randa maar ze kon maar met moeite haar tranen binnenhouden. “Waarom zouden we dezelfde fouten maken als tienduizend jaar geleden? Je hebt nu toch te maken met mijn vader en de moderaal, misschien is de lendering wel haatdragend maar hij beslist toch niet alleen?”  Ramold glimlachte. “Ik heb toch ook dezelfde fout gemaakt? Ik ben toch ook weer woedend geworden en ik ben begonnen met vechten? Waarom zou een ander niet ook weer fouten uit de oertijd maken, of ben ik dan toch minder? Mis ik dan toch een verleden en moeten katelingen alleen de hele geschiedenis overdoen? Denk jij er ook al zo over.” Randa keek zwijgend voor zich uit maar plotseling begon ze te glimlachen. “De hele geschiedenis, die wil ik wel samen met jou overdoen. Dan zijn we heel lang bij elkaar.” Dat was Randa, ook in de ernstigste minuten kon zij nog grapjes maken. Het was een reden voor Ramold om van haar te houden.” Toch bleef hij somber. “Ik ben bang dat het niet zover komt en het kont niet eens zover dat ik met de loop mee kan. Die vertrekt voordat ik uit dit hok weg ben.” Randa boog haar hoofd. Ergens diep in haar binnenste was ze blij dat Ramold niet weg kon. Die loop met al zijn risico’s en gevaren had ze helemaal niet zien zitten. Hoewel, bedacht ze nu. Misschien was die loop nog wel minder gevaarlijk dan het verblijf in de queerhaan. Wie weert wat voor barbaarse ideeën sommigen zouden krijgen over het lot van hun katelingse dorpsgenoot.

Het licht van Osme, de oude zon kroop langzaam boven de horizon uit. Het dal beneden zou nu al helemaal beschenen zijn. Demerbeen brak aan maar wat voor demerbeen! Elk jaar was de eerste dag van de zomer een feest geweest met volop warmte en licht van Osme als begeleiding. En nu, dit jaar, zou het een treurdag worden. Een dag om te treuren over de doden en de vermeende moordenaar. Er zouden ruzies zijn en twistgesprekken in plaats van zwempartijen naar Baalder. Families zouden van hun vrienden worden gescheiden door ruzies in plaats van de glooiritten waarin zij onderling om de eer streden. Dat was voorspeld in de duizenden pagina’s van de boeken van Hornich. “Als een bliksemschicht zal een kloof openbreken en het licht zal er in neerdalen om nooit meer terug te keren.” Het was niet een getuige maar het waren tientallen die al lang geleden zulke teksten hadden geschreven. Randa kende ze bijna allemaal uit haar hoofd. “Het licht zal in de gleuf van aarde en water verdwijnen”, ook zo’n tekst. Haar ogen kregen een wanhopige uitdrukking. Plotseling begon zij te begrijpen want Ramold haar al de hele tijd probeerde te zeggen. Oude waarden en gedachten zouden met de opkomst van deze Osme een kans krijgen.

“Je bent stil”, klonk Ramolds stem nu bezorgd. “Waar”denk je aan?”Randa durfde hem nauwelijks aan te kijken maar hij herhaalde zijn vraag iets dwingender. Deze keer stonden haar ogen vol tranen. “De Verhornich”, Ramold had moeite haar te verstaan maar hij begreep haar door haar blik en haar gebaren. Zwijgend knikte hij. “Het is nog niet te laat”, zei hij. “Er moet een bewijs zijn voor mijn onschuld. Let goed op de mensen die het goed met ons menen. Zij zullen je de sleutel geven voor een oplossing. Ga nu maar en slaap nog wat. Morgen wordt het een zware dag.” Randa knikte. “Morgen, zo meteen, ben ik er weer.” Ze wuifde met haar vingers van twee handen, een gebaar dat betekende “houd moed”. Met een bijna onverstaanbaar gemompel groette zij de lenderaar. Er begon een liedje uit haar jeugd in haar hoofd rond te zoemen, een liedje waarmee haar moeder haar ’s avonds steeds in slaap had gekregen. Met opgeheven hoofd liep zij naar buiten en de eerste stralen van Osme gaven haar zwarte haar glimmen. Licht nestelt zich ook in duisternis. Ramold zag het en ademde diep uit.

 

Service

www.dossierx.nl/content/view/502/61/

v

 

Gepost door: Kaj Elhorst | februari 22, 2009

HET RIJK VAN ALDEMUNDT

M E N D E

Een nieuwe wereld

 

HET RIJK VAN ALDEMUNDT

 

 

Kaj Elhorst

 

 

————————————————–

 

 De hemel

 

 

Als er bomen waren geweest die tot in de hemel groeiden, dan zouden de Helenen boomklimmen tot een verplicht schoolvak hebben gemaakt. Maar helaas, de grootste bomen in hun land reikten niet verder dan een dikke honderd meter.

 

En dus kozen zij een andere manier om te zoeken naar een betere wereld. Sommigen kozen de isolatie van het kluizenaarschap of het klooster. Anderen traden op als politicus met “hemelbestormende” ideeën om de wereld te verbeteren. En weer anderen besloten een betere wereld te creëren op onbevlekte ruimten, op andere planeten Zij zochten de weg van de ruimtevaart om hun idealen en inzichten te kunnen verwezenlijken in een onbevangen omgeving.

 

Eerst reisden zij met tweehonderdvijftig, daarna met vijftienhonderd en drieduizend en tenslotte met eenentwintigduizend. Er waren Helenen die achterbleven en hoofdschuddend beweerden dat de ruimtevaarders, katenen genaamd, wel de weg van de minste weerstand kozen. Dat zij geen inzet hadden en niets wilden offeren. Die kritiek was niet terecht want zij reisden tien lange jaren door de ruimte in een ruimteschip dat een namaakwereld bood voor zijn bewoners en dat hun verplichtte tien jaar lang af te zien van de buitenlucht. Dat hun verplichtte tien jaar lang in een ijzeren discipline te leven en dat elke individueel streven naar maatschappelijke ontwikkeling onmogelijk maken omdat alles in dienst stond van de gemeenschap. Zij deden het graag op basis van hun geloof in de Hornich. De Hornich is de specifieke, individuele weg die iedereen moet gaan en die altijd gelijkwaardig is aan de weg van een ander. De weg die jaloezie maar ook arrogant neer zien op lagergeplaatsten uitsluit. Iets wat natuurlijk lang niet iederen altijd kon opbrengen en soms schaapten emoties de meer dierlijke eigenschappen van de mensen weer uit duistere diepten omhoog. Maar steeds was er de mogelijkheid om terug te keren op de Hornich. Niet als predestinatie maar als individuele route naar een vol leven.

Het geloof in de Hornich was hen sinds tweehonderd jaar bijgebracht. Aanvankelijk kwam de leer in de wereld door het optreden van de arts en filosofe Syfa Morgenthal maar van meet af aan legde zij de nadruk op het belang van getuigenissen. Deze zijn in de loop van de tijd steeds meer de basis gaan vormen en  inmiddels zijn er 30.000 schriftelijke getuigenissen. Deze getuigenissen waren vastgelegd in dikke boekwerken, geen saaie en gortdroge levensverslagen maar beeldend geschreven en inspirerende verhalen van mensen die de speurtocht naar hun Hornich als een boeiend avontuur hadden beleefd en ok van mensen die vooral van de ene desillusie in de andere vielen en nooit hun Hornich vonden.

De Hornich leidde to moedig leven en had de Helenen doen besluiten om hun leger af te schaffen en cultuur de doorrang te geven boven economie. De 30.000 getuigeniseen lagen in Helen opgeslagen in een bibliotheek in de hoofdstad van het land maar de katenen hadden op hun magons copieen ervan meegenomen.

 

Met de moed van de Hornich in hun  hart hadden ze gevaren doorstaan, een regen van meteoren, de aanval van de katemeren, de ruimtedieren, de magnetische stormen, konafossielen genaamd. Al die gevaren hadden zij achter zich gelaten. Zij hadden ook hele hoofdstukken van de aardegeschiedenis ontmoet in licht. Dat was mooi geweest en soms ook bedroevend. Maar het sluitstuk had alles doen vergeten.

Op een  goede ochtend was de atmosfeer van de nieuwe planeet bijna letterlijk binnen handbereik  en de astronauten konden door hun patrijspoorten de bergtoppen aanschouwen, de bergtoppen van de planeet die op aarde bekend stond als Bacchus maar die de kolonisten “Mende” doopten, wat “hoop” betekent in het Heleens. Hoop, echt als toekomstbeeld, als geloof dat het leven goed zal zijn.

 

“Een kleine stap voor een mens, een grote stap voor de mensheid”die spreuk stond aan de buitenkant van het eerste ruimteschip, Arketan (point of no return),  gegraveerd in torenhoge letters. Na vier maanden in een baan rond Mende zetten de eerste Helenen voet op Mendese bodem. Zij hadden het weer bestudeerd en het landschap met behulp van hun sensoren en monitoren. Nauwkeurig hadden zij hun landingsplaats gekozen, op een brede rug van laaggebergte nabij een ondergrondse waterbron. Het leek een ideaal begin voor de verwezenlijking van een nieuw levensideaal. Vol hoop werkten de eerste Helenen, inmiddels 270, aan de bouw van hun woningen, rond zoals zij dat in Helen hadden geleerd. Zij bouwden  schuren, een tempel en zelfs het dorpsplein kreeg een verharding en allemaal van dezelfde rode steen en de rode klei die zij op Mende aantroffen. Maar droegen zij allemaal dezelfde hoop in zich mee? Wat was onderhuids gebleven tijdens het streng gereguleerde leven aan boord van de Arketan? Het leek bijna onontkomelijk dat er barsten zouden ontstaan in de noodzakelijke, smetteloze eenheid van de eerste jaren. Jaren waarin de Helenen zich de enige bewoners waanden van “hun” Mende.

 

Hoe dan ook, er schoot een dorp op en het kreeg de naam Aldemundt. Misschien was het wel kenmerkend dat al na twaalf jaar niemand meer wist wie de naam bedacht had en wat ze betekende. Oude berg? Hoge bron? Zelfs in de archieven van de burgemeester was er niets over te vinden. Dat nam niet weg dat de vijfhonderd Aldemundters toen nog steeds trots waren op hun dorp, de eerste menselijke kolonie buiten de aarde. Ouder dan de dorpen Bixhoorn en Navringen of de stad Hertenborgh met z’n 24.000 inwoners. Trots en overtuigd dat Aldemundt de hoofdstad van Mende zou blijven…

 

Maar het was niet vrijblijvend. Prins Paup van Telgen Nespel was een erudiete man maar ook hij kon zich niet onttrekken aan een gevoel van dynastieke trots in de wetenschap dat zijn neef Paup op een ver wegggelegen planeet de dynastie zou vestigen vanuit zijn leidinggevende functie. De beide neven spraken dan ook af dat er bij herhaling wix (een soort e-mail) contact zou zijn want boodschappen konden met de snelheid van de gedachte worden overgebracht. Het was nuttig ook al deden de boodschappen er ook tien jaar over. Het zou toch een band scheppen. Zij spraken bovendien af dat na twaalf aardjaren een expeditie op touw gezet zou worden om de planeet te verkennen en van meet af aan hadden zij daarbij een expeditieleider op het oog: Berg Wamerhorn. Alleen hij had de koelheid om tegenstanders van de Telgens te ontmoedigen in hun pogingen een absolute heerschappij op Mende te vestigen. Zij vreesden dat minstens een Heleense dat zou proberen: Syfa Morgenthal, afstammeling van de vermaarde Syfa Morgenthal die de grondslagen voor de Hornich had gelegd en vooraanstaande koloniste in spe. Een nieuwe wereld, een nieuw geloof, een nieuwe planeet en … mensen.

 

 

 

 

 

 

 

 

See you…

 

Service

www.neoweb.nl/forum2/index.php?topic=3102.msg11892

www.astronomie.nl/DocUpload/kolonie%20in%20de%20ruimte.pd

 

 

Gepost door: Kaj Elhorst | februari 15, 2009

De belofte

Kalam hield zijn arm om de schouders van A’ akane geslagen en hij wist waar zij   naar keek. Net als de zijne waren haar ogen gericht op de opkomende zon die zijn eerste stralen over de heuvels in de verte zond.  Het licht van de stralen reikte tot ver over het strand, het water van de zee liet het licht flonkeren en nog verder schenen de stralen totdat zij zich verloren in de eindeloze duisternis die nu heerste in het huis van Gûl. Hoe kon het ook anders? Als Gûl niet thuis was, zou het donker zijn.

Onwillekeurig gingen de gedachten van Kalam uit naar de mannen en vrouwen die zovele jaren geleden al vertrokken waren in de richting van het huis van Gûl. Hij wist nu dat ze duisternis hadden gevonden en geen licht want Gûl gaat in zijn huis rusten en het licht wordt er alleen maar minder. Pas als hij op reis gaat, schittert zijn licht weer, zo meende Kalam en hij merkte hoe A’akanes gedachten in zijn hoofd kropen en hem hetzelfde vertelden. Maar waarom waren de mannen en vrouwen met hun boot dan nooit teruggekomen? Hadden zij niet verlangd naar het immer weerkerende licht van Gamor?

Nu hij hier stond met zijn vrouw, miste hij de mannen van Foelar en Rannsjak en hun vrouwen. Moedig, ja moedig waren zij geweest en gedreven, zoekend naar het licht en de warmte die hem ook op zijn lange reis hadden begeleid. Zonder het geloof in licht en warmte had hij zijn volk niet naar deze plek van Gamor kunnen leiden.

Groot was de stad geworden. groter dan de rode stad die vlakbij lag en de zoon van Primus had zijn  zwaard zelfs in de handen van Kalam gelegd. De rode stad was een wijk geworden van Gamor, de stad temidden van een wereldrijk dat zich met weinig veldslagen en met veel handel en praten en huwelijken had uitgebreid over het hele gebied. Uiteindelijk had Amtros de wijk genomen uit de streek en waren de Vogelgrijpers vertrokken naar andere landen, ver achter de derde heuvelrug. Soms dwong een geheime gedachte Kalam tot een spottende glimlach. Was Amtros met zijn benden misschien naar Kana’an vertrokken? Ging het altijd maar door in cirkels en moest altijd iemand de mindere zijn. En was Kana’an nog wel een bevroren land of waren de sluipers erin geslaagd hun groene wereld naarboven te toveren? 

Eigenlijk hield het hem niet bezig. Zijn herinneringen waren veilig opgeborgen in de K’awal die hij dagelijks raadpleegde en die hem elke dag voorzag van aanwijzingen die hij dan weer in regels en voorschriften omzette. Soms klaagden de mensen in Gamor dat er alsmaar meer regels en voorschriften kwamen maar als zij dan weer zagen hoe gemakkelijk het voedsel naar de stad kwam en hoe luxe zich op lexe stapelde, dan zwegen zij.Dan begrepen zij dat regels en voorschriften de prijs waren die zij moesten betalen voor hun welvaart.

Hoewel, de laatste jaren was er een nieuwe stem door de stad gegaan: Kraj d’a Man, een grote, brede, machtige man, hij kon een loopvoeter optillen, zo zei men, verkondigde een nieuwe boodschap. Hij beweerde dat niet één uitverkorene maar alle stedelingen tesamen de toekomst van hun stad moesten gaan bepalen. Ja, hij had zelfs gedreigd met zij vrienden en kameraden de stad te verlaten en de anderen aan hun lot over te laten. Dat zou niet ebst egweest zijn want Kraj d’a Man en zijn kameraden bouwden schepen en metselden muren. Voor Gamor waren zij onmisbaar en daarom had Kalam hen gedeeltelijk hun zin gegeven. In het vervolg zou Kraj ook de sleutesl van de kist met staven van Gûl bezitten. Ook hij mocht over de waardevolle staven beschikken die zo belangrijk waren voor de handel.  

Niet dat het leven daardoor in de stad veel beter was geworden. Van tijd tot tijd gebruikte Kraj de staven om een feest te organiseren op het plein voor de tempel. Dan traden twee of drie mannen met zweaarden en grote vorken gewapend elkaar tegemoet en dan streden zij totdat er één overleefde. Erbarmelijk vond Kalam dat, vooral als hij zag hoeveel vrouwen en kinderen na afloop huilden maar zijn macht was niet groot genoeg meer om ertegen op te treden. 

Nee, zijn macht taande en hij voelde hoe ook zijn kracht verloren ging. Alleen als hij hier op het strand uitkeek, afwisselend over zee en de heuvels en als hij de stralen van Gûl voelde, dan keerde zijn kracht terug. A’akane wist het en zij vergezelde hem maar al te graag naar die momenten omdat zij aanvoelde hoe belangrijk ze voor hem waren. Om zo nu en dan opnieuw de kracht en de macht te voelen die hem ooit hadden doortrokken.

De hemel rond het huis van Gûl kleurde eerst paars en langzaamaan werd ze donkerblauw. Steeds verder konden ze nu over de zee uitzien. Heel in de verte, aan de horizon leek iets op te lichten, de stralen van Gûl te weerkaatsen. Kalam zag het en in stilte vroeg hij zich af of het mogelijk was dat het licht dat zijn mannen in het huis van Gûl zelf maakten, doordrong tot aan de voet van de muren van Gamor an Gamor.

“Nee geliefde man”, de woorden van A’akane klonken zacht maar zeker. “Dat wat jij ziet, kan niet een licht zijn van onze mannen in het huis van Gûl. Opnieuw had ze zijn gedachten opgevangen zoals dat al vanouds gebeurde. “het moet een ster zijn zoals ze ’s nachts ook aan de hemel staan om tenminste enig licht te verspreiden. Kalam haalde zijn schouders op. “Ik begrijp het niet”, zei hij haast berustend. “Waarom heb ik dat licht dan nooit eerder waargenomen?” Nog voordat A’akane daarop antwoord kon geven, werden zij plotseling omgeven door hun drie kinderen. De oudste droeg al de wapens zoals jonge mannen  in Gamor dat gewend waren. Een wereldheerschappij zonder wapens was nog nooit mogelijk gebleken ook al breidde het rijk zich uit zonder strijd. Wapens waren het symbool en het symptoom van macht.

“We gaan jagen en sporten”, zeiden de jongens en ook de meisjes sloten zich daarbij aan. “Jagende meisje?” lachte Kalam en nu kwam A’akane tussen beiden. “Je bent zxeker vergeten wie hun moeder is. Moet je eens zien hoe goed zij hun kruisboog kunnen spannen en hoe zij op loopvoeters kunnen rijden!” Kalam zuchtte. Inderdaad, hij leek soms vergeten te zijn wie de moeder van hun kinderen was. De oudste dochter, die geboren was toen ze hier aps waren aangekomen, kleedde zich vaak opvallend met veren en pluimen en weinig kleren aan haar lijf. Ze reed loopvoeter als een krijger en schoot veel van haar manlijke concurrenten voorbij. Haar rijd- en schietkunst maakte haar tot een fel begeerde jonge vrouw maar zij wees de ene na de andere man af. De enige jongen waarnaar zij wel eens heimelijk keek, leek niet op haar te letten. Kalam vroeg zich verwonderd af hoelang het kijken “” heimelijk” zou blijven. Vroeger had hij zich daarover bezorgd getoond maar A’akane had hem tot de verwondering gebracht.

De schittering van het licht in de ricjhting van het huis van Gûl  was nu dichterbij gekomen. Dat zag ook A’akane en zij beet zich verbaasd op haar onderlip. Dit kon geen ster zijn, maar wat dan wel? Zij kneep haar ogen tot spleetjes om scherper te zien en zocht met haar gedachten contact met Kalams vader maar niets leek deze keer te helpen.  Haar ogen bleven nu gericht op het licht dat swteeds sneller dichterbij leek te komen. Van tijd tot tijd verdween het licht ook weer, als een wolk voorbijkwam of als een vlucht grote vogels passeerde maar dan, even later was het er weer, weer dichterbij. Zij had de woorden van haar kinderen deze keer nauwelijks gehoord en had geroepen “ja, goed doe maar”, zonder te beseffen wat ze precies van plan waren en ook Kalam had maar weinig antwoord gegeven. Zonder zich daarvan iets aan te trekken, begaven de kinderen zich op weg.

Kalams en A’anakes ogen bleven nu onbewegelijk op het licht op zee gericht en kennelijk hadden ook andere inwoners van de stad het nu opgemerkt. Een stroom van mensen trok naar hets trand. Veel stemmen klonken er niet, alleen hier en daar wat nauwelijks hoorbaar gemompel. Nee, de mensen waren te verbaasd en nieuwsgierig naar het licht dat bij tijd en wijle wel een ster begon te lijken met stralen naar alle kanten maar het niet was. “Een schip”.. riep plotseling een stem vanaf de muren van Gamor an Gamor. “Het is een schip!” Het woord ging door de menigte zonder dat de mensen zich bang voelden worden. Vroeger hadden ze nog angst gehad voor de zeemannen maar die waren nu tot rust gebracht. Een gevaar kon het niet zijn en trouwens, het ging maar om één schip. Nee, hier moest iets anders aan de hand zijn. De nieuwsgierigheid gaf de inwoners van Gamor an gamor een opgwekt gevoel al schreeuwden ze het niet uit en begonnen ze niet te danen en te springen. Nee, er was een gevoel van bevrijding, een vrolijkheid die sterker is dan blijdschap. Sommigen guingen op hun tenen staan om het beter te zien hoewel ze geen moeite hoefden te doen om over hun voorganger heen te kijken. Zachtjes, heel zachtjes ging een bericht door de menigte. “Gûl zend ons een boodschap. Gûl zoekt ons als heersers van de aarde op.” Kalam kon niet anders doen dan daarover glimlachen. Hij wist maar al te geod dat Gûl nooit naar beneden zou komen om mensen op te zoeken maar het bleef de vraag wie dan wel?

Nauwelijks opgemerkt had Tugor een plekje naast zijn vriend gevonden maar ook uit zijn mond kwam alleen adem, geen woorden. Een boodschap van Gûl? Hij grijnsde. De mensen lieten zich maar al te rgaag beetnemen door vastgeroeste ideeén. Alsof Gûl zich verplicht zou voelen Gamor op te zoeken, hij die de macht had om met één straal de stad plat te branden en weer op te bouwen! Gespannen keek hij naar Kalams gezicht maar daaruit was niets op te maken en hij durfde zijn vriend in diens gedachten niet te storen. En dus bleef ook hij instilte kijken naar het wonedrbaarlijke licht dat de top van een snel naderend schip sierde. Het schip was nu duidelijk te zien. Het was mooier en ranker dan de schepen die de mannen van gamor bouwden. In het midden boven alles uit wapperde een groot doek waarin de wind gevangen leek te worden en weeen onzichtbare hand leek het schip voort te duwen. Was het de wind? Tugor keek verder en hij zag dat er wel roeispanen buiten boord hingen maar ze bewogen niet. Een schip dat voer door de wind!

Nu waren de mannen aan boord van het schip al zichtbaar. Ze waren allemaal naar één kant van het schip gelopen zodat het scheef lag en zo nu en dan dreigde de zee de booren van het schip te overspoelen. Dat gebeurde elke keer net niet. Eén man stond helemaal vooraan op de voorsteven en keek met zijn hand boven zijn ogen naar het strand. Hetw aren de stralen van Gûl die hem hinderden in zijn  ontdekkingstocht naar de mensen aan land. Zijn stem liet hij gaan over het water en zachtjes bereikte zij de oren van Kalam en zijn volk. Hij sprak de taal van de Anth’! Kalam glimlachte, dit was het schip van Foelar en de zijnen, een nieuw schip.

De man leek een vreemde. Zijn kleren, de kleur van zijn huid die donker was geworden door de duisternis in het huis van Gûl, zo meende Kalam. De omhoog gestoken vuist als groet, het leek hem allemaal vreemd. Maar er waren ook de ogen en die konden niet verberge met wie Kalam te maken had en dan….dan was er het enorme zwaard dat aan de gordel van de man hing. Kalam herkende het meteen, het zwaard van Kraj. Dit moest Foelar zijn en ook A’akane en Tugor meenden het met Foelar te maken te hebben al was de ontevreden trek op zijn  gezicht verdwenen. ”Foelar”, riep Kalam uit en hij sloeg zijn armen om de bezoeker. De man leek even terug te deinzen maar bleef toch staan. Toen Kalam hem weer had losgelaten sprak hij duidelijk en onvermurwbaar: “Adaq!” Adaq? Kalams blik ging van A’akane naar Tugor en weer terug. “Adaq?” herhaalde hij onzeker. De man met de korte zwarte baard boog. “Ik ben Adaq, de zoon van Foelar”, lachte hij. “En u bent de uitverkorene.” “Adaq”, herhaalde Kalam en hij keek A’akane aan. “Maar de zoon van Foelar heette toch heel anders?” Voordat A’akane kon antwoorden, gaf de man tegenover hem antwoord. “Mijn naam is veranderd om aan te geven dat ik in het licht van Goal, die bij u Gûl heet, heb gestaan”, zei hij. “ik ben Foelars oudste zoon en ik kom naar u toe met een bericht.”

Die avond zaten alle bewoners van Gamor an Gamor en de mannen van Adaq op het plein voor de tempel en Kalam raadpleegde de K’awal,  er werd gegeten en gedronken en het duurde niet lang of de vermoeidheid kwam over iedereen. Tevredenheid heerste in Gamor omdat het Foelar en de zijnen goed ging in het huis van Gûl. Zelden had de slaap zo vredig over de stad gelegen. De volgende ochtend toen iedereen weer wakker was, ving het eten opnieuw aan totdat Adaq opstond en zich tot Kalam richtte. “Wij zij  van ver gekomen uit ons verre land, het huis van Gûl, het huis dat ook mijn huis is geworden. Wij zijn gekomen met een opdracht”, zei hij en hij haalde het zwaard van Kraj uit zijn gordel. Het zwaard van Kraj dat ons volk rond de wereld heeft geholpen, zie hier, het behoort u toe”, zei hij eindelijk en hij legde het zwaard in de handen van Kalam. ”Het zwaard is weer thuis”, juichte hij en de mensen juichten met hem mee. Kalam voelde hoe glimlach en tranen met elkaar worstelden maar hij overwon de neiging om aan één van tweeën toe te geven door op te staan. “Het zwaard is thuis”, zei hij nu ook. : “Het was nooit begonnen en nooit kon er aan begonnen worden en toch was het er. Gamor spreekt mij toe. Niets is zoals het begonnen is en alles blijft zoals het eindigen zal”. Gamor an Gamor.” Zelden had een grote menigte woorden zo zachtjes uitgesproken.

Http://mythologie.wordpress.com

Hiermee zijn de annalen van Gamor beschreven maar zij vinden hun voortzetteing in het nieuwe verhaal “Aldemund”,  een nieuwe wereld, dat hier in de komende weken zal beginnen.

Service

www.reikiservices.com

www.debelofteurk.nl

www.scholieren.com/boekverslagen/20075

www.staldebelofte.nl

www.yacht.nl/content/opdrachtgevers/vakgebieden/ict/debelofte.xml

www.weblog.prosperitas.net

www.weblog.natural-body-balance.nl/2008/12/belofte-aan-een-overledene

www.nathalielubbebakker.com

 

 

 

Gepost door: Kaj Elhorst | februari 8, 2009

De verleiding

Wat stonden de torens en de muren er prachtig bij en hoe kleurig stak het groene dak van de tempel net iets boven de muren van de stad uit! Gamor was een prachtstad en voor het eerst sindstijden keek Foelar er met bewonderende ogen naar. Zou hij ooit weer iets zo moois te zien krijgen? Hij kneep met extra kracht hard in het gevest van het zwaard van Kraj en zijn gevoel zei hem dat hij op de juiste weg was. En toch…nauelijks kon hij zich nog voorstellen zo verblind en woedend te zijn geweest over de slanke figuur die nu zo klein en zo weerloos leek in zijn witte gewaad op het strand, Kalam. Hij wist nu zeker dat de uitverkorene nooit zijn vijand was geweest maar hooguit de hand die hem vast had gehouden. Zeker, dat was gebeurd tegen zijn wil in maar ook om hem te beschermen, zoals nog maar zo kort geleden. Nee, Kalam was niet zijn vijand. Foelar draaide zich om naar zijn vriend Rannsjak die achter hem stond. Het leek of de avonturier nu toch echt een traan in zijn ogen had maar gelukkig scheen Gûl  niet op zijn gezicht zodat een traan niet kon parelen in het zonlicht.

Naast Kalam stond Tugor, uitstarend over zee met een gezicht vol vertrouwen alsof hij wist dat Foelar in de richting van Gûl een goede toekomst tegemoet zou gaan. En dan waren er nog alle anderen die hadden besloten om in de stad te blijven, waaronder ook A’akane, ja misschien zou hij haar nog wel het meeste missen. Diep in zijn hart kom hij het nog steeds niet verkroppen dat zij uiteindelijk toch voor Kalam had gekozen en niet voor hem. Had zij ooit getwijfeld? Hij wist het niet en zou het waarschijnlijk ook nooit weten. Soms klampte hij zich vast aan de gedachte dat hij héél dichtbij een toeneiging bij haar was geweest maar even later wist hij ook weer dat het allemaal maar alleen zijn fantasie was die hem dat influisterde. Even zo goed was fantasie eene belangrijke drijfveer in zijn leven want wat kon hem er anders toe brengen om Gamor te verlaten om op reis te gaan naar een onbestemde toekomst? “Waarom zouden ze allemaal zo graag willen blijven?” vroeg Foelar nu aan Rannsjak die samen met hem over de reling van de boot heen hing. Ja, de meest inwoners hadden toch voor een voortgezet verblijf in de stad gekozen. “Ze willen zekerheid”, mompelde Rannsjak met een spottende grimas op zijn gezicht. Foelar haalde zijn schouders op. “Onze zekerheid is dat we iets nieuws tegemoet gaan.” Hij liet zijn ogen gaan over de ruim twintig mannen en tien vrouwen die op de boot meegingen. “Het wordt tijd”, fluiterde hij en Rannsjak liet zijn stemgeluid horen. “We gaan!”

Zekerheid! Tugor keek zijn vriend van opzij onderzoekend aan. Welke zekerheid hadden de Anth’ en Kraj die achterbleven? De zeemannen konden terugkomen, Amtros jkon aanvallen, ze konden ruzie krijgen met de rode stad en de handel kon haperen. Nee, zekerheid was er niet, tenminste Tugor voelde het niet als een zekerheid in  Gamor. Hij had nog zoveel plannen. Hij had gehoord van een volk dat kleine plantjes zelf in de grond pootte en als zon en regen er dan een tijdlang overheen waren gegaan, dan werden de planten groot en was er genoeg te eten voor iedereen. Dat wilde hij wel eens gaan bekijken maar er was een flinke reis voor nodig. Zeker tien dagen te loopvoeter langs het strand en dan nog even lang landinwaarts. Een hele reis maar het was de moeite waard. Het zou toch prachtig zijn als de mensen in Gamor in de toekomst zelf konden bepalen of er genoeg te eten was of niet?

De vrouwen zwaaiden met hun armen en de mannen staken hun vuisten en handen omhoog toen de boot langzaamaan van het strand begon weg te drijven. Hoe trots voelden ze zich om te zien hoe het vaartuig met zijn voorkant in de richting van Gûl dreef met op de voorplecht het wapperende doek met een afbeelding van Gûl  Dat doek hadden de vrouwen aan de vertrekkenden meegegeven als afscheidsgeschenk. Het moest in het land van Gûl aan de bewoners duidelijk maken dat de reizigers als vrienden en niet als vijanden kwamen. “Dat we ze nooit meer zullen zien maakt me niet zo onrustig”, zei A’akane tegen haar vriendinnen. “Maar dat we nooit zullen weten wat er van hen geworden is, maakt een grote leegte in mijn hoofd, het geeft me een eenzaam gevoel terwijl ik toch bij jullie en bij Kalam blijf.” “je houdt van ze net zoals je van ons houdt”, meende n de vrouwen die al bijna moe begonnen te worden van het zwaaien naar de boot maar toch niet wilden opgeven. Ze wilden ermee doorgaan totdat er niets meer van de vertrekkenden te zien zou zijn. Hier aan het strand kon dat heel lang duren en…misschien was de zee wel helemaal niet zo groot en zouden ze de boot altijd blijven zien omdat de oevers van de overkant dichtbij waren.  Ze keken en volgden met hun ogen de boot en bleven steeds scherper kijken. Ze zagen nu ook dat de meeste opvarenden naar de achterkant van de boot waren gelopen en ook zwaaiden. Gemakkelijk werd het niet gemaakt om de boot te blijven volgen want de stralen van Gûl kwamen haast nog scherper dan anders in hun richting. Soms leek het of de boot door het licht werd opgetild en verdween maar dan even later verscheen er weer iets. De golven tilden de boot steeds hoger op en van tijd tot tijd verdwenen de reizigers ook achter een hoge golf. Voor de thuisblijvers was het duidelijk, met de zee viel niet te spotten.

Het leven in de stad begon zijn dagelijkse gang weer aan te nemen. De vrouwen bekommerden zich om de kinderen, maakten kleding of bereidden het eten en de mannen richtten zich weer op hun ambacht en handel. Bijna leek het of er die middag niets was gebeurd, of niet méér dan dertig inwoners van de stad voorgoed waren verdwenen. Er werd geen traan gelaten en niemand verzonk in gepeins want er was teveel te doen. Alleen A’akane liep rond met een heel nieuw idee en zij besloot ermee naar haar man te gaan.

“Luister”, zei ze, terwikl ze haar kinderen op een rijtje voor zich plaats liet nemen. “Kalam, luister naar me, ook al kost het je moeite. Ik weet dat het je niet gemakkelijk valt want je bent al wekenlang moeilijk te bereiken voor me.” Kalam keek op uit het gepeins waarin hij was verzonken en keek zijn vrouw onbegrijpend aan. “Moeilijk te bereiken”?’ vroeg hij langzaam. “Ik ben altijd bij je in de buurt!” maar A’akane schudde haar hoofd. ”Dat bedoel ik niet. “Je zit in de tempel en bij de K’awal alsof de herinneringen van de Anth’ nog de enigen zijn die je begrijpt maar ik ben geen herinnering, Kalam. “ik ben je alledaagse werkelijkheid en ik heb je aandacht nodig.” Kalam zuchtte ogeduldig en blies wat lucht voor zich uit. Een haast ouderwetse opwelling in hem deed hem geloven dat de vrouw in zijn omgeving weer eens iets nieuws had bedacht om over te zeuren. “Kr’aneh” noemde Kalam dat altijd, het vermogen van een vrouw om een probleem te bedenken op een moment dat er geen vuiltje aan de lucht schen te zijn. Alsof je alleen kon leven door problemen. 

“Vooruit dan maar weer”, zei hij ontevreden maar hij keek A’akane niet aan en bleef met zijn vingers kringen tekenen op de grond. “Luister je naar me, Kalam?” vroeg zij weer en deze keer liet Kalam een ongeduldig “ja”haa”, horen. Hij wist zelf ook niet goed waar dat ongeduld vandaan wkam. Misschien had hij wel mee moeten gaa op de boot, op reis naar Gûl. Als hij daarover al had willen nadenken dan kreeg hij er nu in elk geval niet veel kans toe want A’akane begon meteen te praten “Vind je niet dat je genoeg hebt gedaan?” vroeg zij. Weer zo o’n onbegrijpelijke vrouwenvraag. Deze keer keek Kalam A’akane aan met een verwonderd gezicht. “Genoeg? Wat bedoel je?” “Ik bedoel dat je genoeg hebt gedaan voor de Anth’ en de stad. Weet je zeker dat je nog heel veel mooie dingen kunt doen hier?”

Kalam haalde zijn wenkbrauwen nog verder op. “”Genoeg en hier? Ik snap er niets van”, zei hij langzaam. A’akane begon te glimlachen. “Misschien zou je je werk een moeten overdragen aan iemand anders, een jonger iemand met een heel frisse kijk op de zaken. Misschien moet je jezelf eens een beetje gaan sparen. Jarenlang heb je getrokken aan het hoofd van je volk en heb je ze geholpen een goede stad voor zichzelf te bouwen. Het zou toch niet gek zijn als je nu eens iets anders, iets heel anders ging doen? Misschien moet je je kinderen een sgaan opvoeden. ik denk dat ze over een tijdje heel graag met hun vader een eind de zee op willen of loopvoeter willen rijden. Dat kan alleen maar als ze weten wie hun vader is en wat hij voor een man is.” Kalam schudde zijn hoofd. Met de kinderen iets doen? Hij was toch geen vrouw? Ze zouden hem uitlachen als hij met zijn kinderen spelletjes ging lopen doen! Ze zouden denken dat hij zijn verstand kwijt was. Hij aarzelde, moet hij A’akane dat allemaal gaan vertellen? Ze wist toch wat ze van hem vroeg?

A’akane zag de aarzeling bij haar man en ze wist ook wat hem bezighield. “Je bent nu al zolang de leider van het volk maar erv alt nog zoveel meer te beleven. Een mooie jacht, een bezoek aan andere volkeren, een paar dagen vissen, spelen op de za’akane, noem maar op. Vannacht heb ik een bericht van je vader doorgekregen en hij w2il niet dat je doorgaat tot je nevelt. Dat levert alleen maar problemen op. Beter is het als je opvolger vast begint terwijl je zelf een oogje in het zeil houdt. Dan kun je altijd nog ingrijpen als het nodig is. Was het niet mooi geweest als je vader in Kana’an de afgang had kunnen tegenhouden?” Kalam schudde zijn hoofd. “Nee, dat was niet goed geweest want dan waren we nooit hier terechtgekomen en hier is het leven toch echt beter.”

A’akane haalde haar schouders op. “Is dat zo? De groep van Foelar is toch ook niet weggegaan omdat er hier niet meer te leven viel? Ze zijn weggegaan omdat hun dadendrang niet langer in te tomen was. Zo zijn er in de stad ook Anth’ die graag willen overgaan tot daden maar ze krijgen weinig kansen Kalam. Het zou mooi zijn als wij..” ze keek landinwaarts naar een hoge, rode heuvel die ver buiten de stad lag. “Als wij bovenop die heuvel een huis hadden zodat we de stad konden zien liggen. Wij zouden de stad heel goed kunnen zien maar de mensen in de stad zouden ons huis niet of nauwelijks zien. Dat zou goed zijn.” Kalam begreep dat deze stroom van woorden van zijn vrouw nooit zou ophouden en eindelijk besloot hij een beetje toe te geven. “Maar wie zou mijn werk dan kunnen overnemen?” vroeg hij zachtjes.

A’akane fluisterde hem nu iets in zijn oor en nadenkend keek hij naar buiten waar Tugor druk in de weer was om de markt van de volgende dag voor te bereiden. Dan zouden er weer kooplui uit de hele omgeving komen om te handelen en te kopen. Het zou een drukke dag worden, zoals aan het einde van elke zes dagen de gewoonte was. Tugor, ja aan hem zou hij de stad met een gerust hart kunnen overlaten. Hij voelde dat A’akane daarin gelijk had maar ze had er nog iets anders bij gezegd, Een jonge vrouw? A’akane knikte. “en jonge vrouwe die het kan overnemen van Tugor als hij oud is en dan zal zij zeer wween jongere man erbij kiezen en zo om en om.  Kalam had het gevoel dat hij langzaam weerd opgetild in de richting van Gûl.  Een vrouw aan het hoofd van het volk en de stad? Dat moest toch haast wel misgaan? Ze hadden bij de Vogelgrijpers gezien waar dat op uitdraaide! maar A’akane hield vol. Ook een vrouw zou op een goede dag de stad en het volk op een goede manier kunnen besturen. “Afwisseling”, zei ze zachtjes, “daarmee voorkom je de problemen zoals ze in Kana’an zijn geweest.” “Maar niet vandaag”, zuchtte Kalam. “Niet vandaag.” A’akane glimlacte opnieuw. “Natuurlijk niet, je moet erover nadenken en de K’awal erover raadplegen. Maar ze zei niet wat ze daarbij dacht. “En daarna moet je het doen”.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Het woord adamsappel is afgeleid van de Bijbelse figuur Aadam en verwijst naar de vrucht (hoewel het woord “appel” in Genesis helemaal niet voorkomt, wordt deze vrucht doorgaans omschreven als een appel, waarschijnlijk omdat de soortnaam van appel malus is en dit woord ook slecht betekent) waarvan Adam zou hebben gegeten, daartoe verleid door Eva. Volgens de overlevering bleef een stukje fruit in zijn keel steken. Het bleef vervolgens zichtbaar als een verdikking in de hals. In verschillende landen wordt dezelfde aanduiding gebruikt: Adam’s apple (Engels), pomme d’Adam (Frans) en Adamsapfel (Duits).

www.hexx.nl/Verleiding.htm

www.citaten.net/search.asp?quote=verleiding

www.defranseverleiding.nl

www.deverleidingroermond.nl

www.frankwatching.com/archive/2009/01/22/de-ultieme-verleiding-tips-voor-de-call-to-action

www.schrijvenvoorinternet.nl/2009/01/26/de-6-geheimen-van-verleiding

www.romantischcadeau.nl/Verleiding.html

www.dekleineverleiding.nl

www.uitgeverijpassage.nl/component/page,shop.product_details/flypage,shop.flypage/

 

Gepost door: Kaj Elhorst | februari 1, 2009

De goede weg

De zitting was in het midden van Gamor an Gamor, in de buitelucht recht voor de tempel met de K’awal. In het midden zat Foelar met geboden hoofd te luisteren naar de leraren, grootjagers en jagers die spraken over zijn gedrag. “ter dood!” hiel Grin’ha vol, een grootjager met een lange, grijze baard en een haast nog langere snor. Zijn haren reikten tot ver over zijn schouders en zijn gezicht was doorploegd van diepe groeven en vouwen. “Waar zullen we zijn als iedereen zo maar de tempel binnenloopt met een zwaard en de uitverkorene verwondt?”

Het was doodstuil toen hij de woorden uitsprak en het zwaard van Kraj in zijn handen nam. Het wapen lag hem zwaar en onhandig tussen de vingers maar hij hief het op alsof hij meteen het hoofd van Foelar zou afhakken. “Stop”, riep nu Tugor. “Dat gaat zo maar niet. Wij zullen ons moeten beraden. Nog nooit hebben wij één van ons ter dood gebracht vanwege een ondoordachte daad en nu…”"Maar de tempel en de K’awal zijn heilig”, bulderde Grin’ha terwijl het leek of zijn ogen zo maar uit de kassen zouden komen zetten. “Dat kan best zijn”, ging Tugor er met evenveel stemgeluid tegenin, “maar der laatste keer dat mannen zo maar werden vermoord, was in het Kana’an dat wij juist om die reden hebben verlaten. Nooit meer zouden wij gruweldaden tegen elkaar begaan omdat elke gruweldaad een litteken betekent op onze Gamor.” Het werd nog stiller. Alleen op de achterste rijen waar de wagarden zaten, bleef het onrustig. Des te ijziger klonk het gehuil van Foelar zelf die voortdurend zijn hoofd schudde en zich beklaagde. “Gevangen, gevangen, niets is erger dan gevangen te zijn”, klonk zijn gesmoorde stem. “Dood me, dan ben ik vrij.”

Tugor schudde zijn hoofd. “Ik wil geen jong leven doden”, zei hij nadenkend maar voor iedereen hoorbaar. “Geen jong leven dat zó vol van daadkracht en energie is. het zou een misdaad zijn tegen Gûl en het schijnsel van de zon doen verminderen. Is hij niet de enige bron van al het leven die wij kennen? Gûl zal wenen als wij een jong leven offeren om onszelf beter te kunnen voelen en hij zal ons wolken sturen, wolken met sneeuw en ijs…” Zijn woordenstroom leek nu niet meer te onderbreken en met grote stappen liep hij de kring rond om aan te geven hoe ooit het land van Kana’an onder sneeuw en ijs waren verdwenen. “En met sneeuw en ijs zullen de sluipers terugkomen, de verwarring en misschien wel het einde. Alleen een neiuwe uitverkorenen zal ons kunnen redden maar wie zal dat nog willen doen als wij ons zó ondankbaar hebben getoond?”

De uitverkorene zelf zat intussen in de tempel, in het donkerste van de donkeren waar de K’awal stond maar hij hoorde elke stem die zich voordeed in de kring buiten. Expres had hij zich teruggetrokken en de zaak overgelaten aan de andere mannen. “Ik ben er teveel bij betrokken  geweest”, vond hij. “Ik kan geen oordeel vellen.” Langzaamaan begon hij nu toch zijn mening te veranderen. De betogen van de mannen buiten hielpen hem erbij, ze gaven hem het gevoel dat hij helemaal niets te maken had gehad met de gebeurtenissen in de tempel van de vorige dag. WEas het waar wat Tugor zei? Hadden alleen de kwade krachten ervoor gezorgd dat mannenen ook vrouwen in het verleden ter dood waren gebracht? Was er geen sprake van een terechte straf? Waren de handelingen van de laatet tijd in Kana’an niet vooral het werk van een waanzinnige? Waren ze nu niet in  een heel ander punt van hun ebstaan geraakt, hier op deze plek?

Kalam overzag de gevolgen van zijn leiderschap. Zij volk was vermengdmet de Kraj hier bij de zee aangekomen in een land waar altijd de zon scheen en waar voedsel volop voorradig was. Kinderen werdeen de afgelopen dagen nog steeds geboren alsof de invloed van de zon alleen al hen naar buiten lokte. Waren de Anth’ door zijn toedoen niet veel beter af dan ze in vele jaren ooit waren geweest? En had hij dan zo’n gemene aanval op zijn huis en leden verdiend? Natuurlijk, hij had gesproken met A’akane en die was uitgesproken mild geweest over Foelar ook al had het Kalams leven kunnen  kosten. “Wij kunnen alleen de Gamor handhaven als we loslaten wat niet van ons is”, had zij gezegd. Maar wat bedoelde zij daar precies mee? Hoezo “dat wat niet van ons is”?  Allesd was toch van de Anth’ en alles paste toch binnen de Gamor?

Bij die laatste gedachte begon Kalam te twijfelen. Was er wel iets zijn of hun ebzit? Paste alles wel binnen de Gamor en kon het geoed zijn iets los te laten? In gedachten vormde hij zich een beeld van het zwaard van Kraj. Zo op het eerste egzicht was daaraan niets bijzonders te zien. Ook in zijn gedachten vormde het geen bijzonder voorwerp maar was het denkbaar dat het wapen de geest van Foelar had aangetast? Was de jongeman daardoor niet olanger zichzelf en mocht hij hem om die reden doden? O ja, het waren steeds weer de woorden van Tugor die hem aan het twijfelen brachten en de mildheid van A’akane die hem bijna voorkwam als een teken van onverschilligheid over zijn welzijn. Hij kon zich dat haast niet voorstellen maar waarom was zij dan zo mild? Had zij iets opgevangen, een boodschap van zijn vader misschien? Daarin was zij altijd heel erg sterk geweeest.

De discussies gingen verder, buiten, vooral Grin’ha en tugoer bestereden elkaar om het hardst en het leek erop dat Grin’ha het pleit ging winnen. Een groeiend aantal leraren en grootjagers voelde er wat voor om een afdoende voorbeeld te stellen en Foelar te onthoofden. Daarmee zou duidelijk moeten zijn dat iedereen die de Gamor verliet, een halsmisdaad beging. “Heeft Kalam ons niet méér dan ééns erop gewezen dat loslaten van de Gamor het einde van ons volk zou gaan betekenen?” riep Grin’ha uit. “Hebben wij niet alle moeite moeten doen om de Kraj ook tot de gamor te ebwegen  en zijn zij daarover uiteindelijk niet heel tevreden geweest? Kijk naar wat het hen heeft gebracht! Uitgerekend de Kraj, die voor die tijd steeds op de vlucht waren, hebben nu een huis en ze zien hun eigendommen toenemen door de handel die zij overal drijven. Niemand kan ontkennen dat Gamor hen geen welvaart heeft gebracht.”

Nu stond één van de Kraj op. Zijn gezicht toonde woest en de kwaadheid lag in zijn stem. “De Gamor heeft ons dat gebracht?” viel hij uit. “Het kan zijn dat we er voordeel aan hebben gehad, dat het ons nieuwe kracht heeft gegeven maar wij zijn altijd al een volk van handelaren geweest. Dat wij op de vlucht waren, had niets te maken met onze verkeerde opvattingen of bandeloosheid maar alles met de kracht van hen die jaloers op ons waren. En kijk eens naar alles wat het zwaard van Kraj ons heeft gebracht, vooral in de handen van Foelar. De éne overwinnnig  na de andere was er het gevolg van. Vergis je maar niet, zonder het zwaard waren we hier niet terechtgekomen.”

Grin’ha sprong nu uit de kring en liep met grote stappen op de Kraj af. “Het was al lang zeker dat we hier terecht zouden komen”, zijn stem begon nu gillerig te klinken. Al lang. Wij hadden onze uitverkorene en hetw as al bij voorbaat in de K’awal vastgelegd dat hij ons naar deze plek zou brengen. Wij hebben steeds de uitverkorene gevolgd en jullie hebben ook de vruchten daarvan geplukt. Niet het zwaard van Kraj maar de Gamor heeft ons hierheen geleid en de overwinningen bezorgd.”Het leek er nu op dat Grin’ha was vergeten waar de discussie ook weer over ging en hij wilde de Kraj te lijf gaan.  Het was Tugor die tussen beiden kwam. “Wij moerten een belangrijke zaak bespreken en we zijn niet bij elkaar om kleine ruzies te beslechten”, riep hij. De twee kemphanen lieten het bij een paar klappen maar de ruzie was daarmee niet ten einde. Met een ontevrden gezicht ging de Kraj die weerwoord had geleverd weer zitten. “Ze behadelen ons al tweederangs mensen”, mopperde hij. “En dan te bedenken  dat wij de beste handel in handen hebben.” 

De ruzie had het pleit voor Foelar geen goed gedaan. Styeeds meer stemmen gingen over naar het idee van Grin’ha dat Foelar ter dood gebracht zou moeten worden, en wel met zijn eigen zwaard. De kwaadaardige grootjager rekende er al op dat hij het zwaard daarna zelf toegedeeld zou krijgen en hij begon al triomfantelijk om zich heen te kijken. Het zou niet lang meer duren of het vonnis tegen Foelar zou in zijn voordeel uitvallen, zo wist hij. Tugor merkte dat hij geen argumenten meer had om het leven van zijn jonge vriend te redden maar hij hoopte toch dat er nog voldoende grootjagers en leraren zouden zijn om hem te steunen. het leek hem dat er beter eerder dan later een vonnis kon volgen. “Laten we een uitspraak doen”, zei hij eindelijk. Van alle stiltes die ochtend, brak nu de stilste stilte aan. Nog een paar te3llen en de handen zouden omhoog gaan. Dan zou het oordeel duidelijk zijn.

Ieders adem stokte toen Kalam in de opening van de tempel verscheen. Met zijn  armen steunde hij tegen de pilaren die aan weerszijden van de hoofdingang waren gebouwd. Tugor, Grin’ha en alle anderen zwegen nog meer dan zij daarvoor hadden gedaan.  “Er is geene keuze dan recht vooruit”, sprak hij eindelijk en met die onduidelijke woorden trok hij alle aandacht naar zich toe. 

“Ik heb uw gesprekken aangehoord”, ging Kalam verder, en ik heb gemerkt hoe ernstig u nu al verdeeld bent. Het lijkt erop dat de Gamor nu al is verzwakt…”"Dat komt door hem”, brulde Grin’ha, terwijl hij op Foelar wees maar de anderen riepen hem toe te gaan zitten en zijn mond te houden. ”Nee, dat komt niet door hem”, ging Kalam verder. “Als iemand iets te verwijten valt, dan ben ik het. Dan ben ik er niet in geslaagd u allen duidelijk te maken hoe belangrijk Gamor voor ons allemaal is. Dat heeft te maken met mijn tekortkomingen.” Weer wilde Grin’ha overwind springen maar deze keer drukten zijn kameraden hem terug naar de grond. “Luister naar de woorden van de uitverkorene”, commandeerden zij. Omdat ze de grootjager niet helemaal vertrouwden, bleven zij hem bij de schouders vasthouden.

“Foelar”, ging Kalam nu verder. “Je hebt mij bedreigd en de tempel besmeurd. Dat is op zich al erg genoeg en wie weet wat Gûl daarover ooit zal beslissen. Ik voel mij niet langer gekwetst door je optreden maar ik wil ook nooit meer gekwetst worden.”Bij die weoorden ging er een zucht van verlichting door Tugor en zijn aanhang. Zou Kalam het opnemen voor de jongeman? “Nog belangrijker dan mijzelf vind ik de inhoud van de K’awal en de ongereptheid van de Gamor. De vraag is of ik in de herinnering van de Anth’ nog een schanddaad moet toevoegen. O ja, jouw optreden heeft de K’awal zeker bezoedeld maar maak ik dat goed door er een misdaad aan toe te voegen, een moord?”Kalam schudde zijn hoofd.

“Geen kwetsuren meer voor mij en voor Gamor”, zei hij weer. “Zolang ik leef zal ik Gamor behoeden voor smetten en kwetsuren en het wordt tijd om haar voorgoed te sluiten, de bond die ons allen samenhoudt. Samensluiten zodat een ieder zich in die bond geborgen weet voor zichzelf en zijn of haar kinderen.  Wie geen vrede vindt in Gamor, moet haar ook niet langer bezwaren. Wie geen vrede vindt in Gamor heeft maar één keus, uit te vliegen ook al zal dat ons allemaal pijn doen. Ik ken de verlokkingen van Gûl méér dan anderen en ze hebben mij zo vaak bezocht dat ik besloot ze niet meer toe te laten maar ik weet ook dat de kracht van Gûl onweerstaanbaar kan zijn. Wie in Gamor geen tegenkracht ervaart, of in elk geval niet genoeg, kan Gamor beter verlaten.” “Zwakte, zwakte”, riep Grin’ha nu boos omdat hij het gevoel had dat zijn inzichten zo maar voor waardeloos werden verklaard. “Nee, niet zwakte maar kracht”, antwoordde Kalam. Gamor wordt krachtiger als ze ook los kan laten.” Even keek hij de kring mannen nadenkend en indringend aan. “Daarom is mijn besluit het volgende. Foelar en al degenen die binnen Gamor zich de verdrukten voelen, mogen ons verlaten. Binnen zeven dagen zullen zij met vlotten de zee opgaan om nooit weer terug te komen. Ik zend ze nu al mijn zegen en mijn goedkeuring mee in de hoop dat zij zullen vinden wat zij hopen.”

 Opnieuw lag er een stilte over de stad. Deze keer voelde iedereen het in zich, blijven of weggaan, er was maar één keuze mogelijk. Tugor stond als eerste op. “Mijn kezue is gemaakt”zei hij. “Ik blijf maar ik prijs de verspreiding van Gamor door degenen die gaan.” Meteen antwoordde Rannsjak. “Mijn keuze is ook gemaakt. Ik volg Foelar en ik ben de uitverkorene dankbaar. Waar ik ook ben, hij zal mijn uitverkorene blijven.”

www.mythologie.wordpress.com

Service

Moira is het van oorsprong Griekse begrip voor lotsbestemming en oorspronkelijk een drievoudige godin uit de Griekse mythologie waaraan ook de goden op de Olympus waren onderworpen. Deze drievoudige godin is later een belangrijke basis gaan vormen voor de Heilige Drieëenheid van het christendom.

 

www.theosofie.net/sunrise/sunrise2003/mrtapril2003/noodlot.html

www2.eur.nl/fw/hyper/Artikelen/noodlot.htm

www.hexx.nl/KrisseKras.htm

www.nl.wordpress.com/tag/noodlot

www.myownworld.skynetblogs.be/post/3760661/het-noodlot-ook-bij-ons

 

 

 

Gepost door: Kaj Elhorst | januari 25, 2009

De kring

Kalam keek over de mannen en vrouwen die voor hem zaten heen. Hier, in de beschutting van het nieuwe gebouw van steen en hout in het midden van de stad, was het goed om bij elkaar te komen. Vooraan zaten de leraren, grootjagers en jagers. Daarachter namen de mannen van de buitenste kring en de Kraj een plaats aan. Daarachter zaten de vrouwen en helemaal achterin zat ene grote groep wagarden. Het viel Kalam op dat Foelar zich juist bij deze laatste groep had aangesloten terwijl hij toch bij de grootjagers thuishoorde. Hij had al eerder gemerkt hoe moeilijk het was om Foelar nog te bereiken. Soms leek het of zijn jonge vriend helemaal niet maar naar hem luisterde en Kalam wist dat ook Tugor nog maar moeilijk contact met hem kon maken. Nog maar kortgeleden hadden de twee ruzie gehad over de plaats van de K’awal in de nieuwe tempel die nu voor het eerst werd gebruikt.

 

Het was een droeve bijeenkomst en een mooie tegelijkertijd want de tempel was in gebruik genomen maar ze waren ook bijeen voor een begrafenis. De vrouw van de man die Raham, een Kraj, werd genoemd, was dood. Voor het hele volk was dat een groot verlies want zij had de Kraj en Anth’ geleerd melk te tappen van dieren die zij grasmuil noemden. Het was een heerlijke drank waaraan allen zich tegoed deden en die hen het gevoel gaf weer sterker te worden. Een drank die de mensen de kracht gaf om de dag door te komen. Kalam had besloten haar een plaatsje te geven in de Gamor. Dankzij de melk waren een paar pasgeborenen op krachten gekomen en alleen daardoor al kende hij de vrouw bijzondere krachten toe.

 

Ze kwam op de eerste plaats, zo liet hij merken en hij maakte de mensen duidelijk dat in het vervolg niet alleen Gûl  en de voorvaderen maar ook Rahama een plek zou innemen in de gedachten en wensen van de Anth’.  Wie gezondheid en kracht nodig had, zou zijn of haar gedachten kunnen richten op Rahama. Zij was de wijze vrouw van de kracht en gezondheid, zo hield Kalam zijn gehoor voor. Voor het eerst werd een belangrijke vrouw opgenomen in de herinneringen van de K’awal. Er kwamen geen bezwaren. Niemand had de moed om het op te nemen tegen de eer van de vrouw die pasgeborenen had gered. “Zij zal onze Gamor versterken”, zo meende Kalam verder. “Nu  wij onze huizen hebben, een beschutting tegen het kwaad, nu kan niets onze Gamor nog aantasten.”” Zoals de muur rond de stad de buitenwereld zal afschermen en ons bij elkaar zal houden in lijf en leden, zo zal Gamor dat in onze gedachten doen”, ging hij verder. Er klonk alweer geen tegenstem of het moest de stem in Kalams eigen hoofd zijn die hem zei dat het met Foelar niet goed zat. Was hij wel “in de Gamor?  Kalam besloot van zijn twijfels niets te laten merken.

 

Het verhaal van de uitverkorene kwam bij zijn volk goed aan. De mannen en vrouwen konden met tevredenheid op de afgelopen periode terugkijken. Zij hadden de muur verder afgebouwd en huizen gemaakt. Dat was bij lange na niet gemakkelijk omdat voor elke woning een dikke vloer van blauwsteen moest worden aangelegd. Dat was nodig om sluipers geen kans te geven de woningen binnen te komen. De K’awal was van woning naar woning gedragen en Kalam had overal de verbinding tussen de herinneringen van de voorouders verbonden met de vloer. Dat deed hij door de K’awal met zout water te besprenkelen en de vloer in te smeren met het water dat van de kist afdroop. Nu waren ze klaar en voelden ze zich veilig. De muur tegen de vijanden en de vloeren tegen de sluipers. Vijanden vertoonden zich trouwens nauwelijks nog bij de stad die inmiddels de naam Gamor an Gamor had gekregen. “De band die ons versterkt”,  een betere naam had niemand kunnen bedenken. En het had geholpen. Met de inwoners van de rode stad hadden de Anth’ en Kraj een goede band opgebouwd. In plaats van te vechten waren ze aan het handelen geslagen met elkaar. De Anth’ en Kraj brachten vis, zout en melk naar de rode stad en de gouden mannen kwamen met gouden sieraden, een heerlijke drank waarvan je slaperig kon worden en olie. Het leek er niet op dat iets nog de vrede en harmonie kon verstoren of het moesten de legers van Amtros zijn die nog steeds in de omgeving huishielden. Meestal bleven die ver van de beide steden in de kuststreek omdat ze te sterk waren en een bondgenootschap van Gamor an Gamor met de gouden stad zou voor de Vogelgrijpers alleen nog maar dodelijk kunnen zijn.

 

De dagen en weken gingen voorbij zonder dat er wanklanken in de stad waren te horen. De pasgeborenen werden groter en leken steeds beter tegen het leven opgewassen. Kalam zag hoe A’anake zielsgelukkig was met haar kinderen en er dag in dag uit mee bezig was. Hoe zij ze leiding gaf en woordje voor woordje bekendmaakte met de Gamor. Hij stond er vaak glimlachend naar te kijken als hij zag hoe ze hen de eerste woordjes en zinnen leerde en hoe zijn kinderen die dan onbevangen en vlug overnamen. In stilte stelde hij zich voor hoe hij met ze door de velden rond de stad zou trekken en ze kennis zou laten maken met planten, dieren en de zee.

 

De zee, het was een plek waar de Kraj en Anth’,  die zichzelf ook wel Gamoran noemden,  verbleven. Een grote groep mannen uit de buitenste kring had vlotten gebouwd van de planten in de omgeving en daarmee gi8ngen ze een eind het water op. Dan vingen ze vis, veel vis en probeerden ze stiekem een blik te werpen over de ver weg gelegen horizon. Veel ontdekten ze daar niet, zelfs geen vlotten met zeemeermannen ook geen “Huis van Gûl” zoals ze eigenlijk hoopten. In de tijd dat ze niets zaten te doen, werkten ze aan de vlotten. Die werden steeds groter en steviger en er konden ook steeds meer mannen mee. De vlotten kregen opstaande randen om de mannen aan boord te beschermen tegen het water. In het begin stuurden de mannen met stokken waarmee zij de bodem van de zee konden bereiken maar dat zinde hen al gauw niet meer. Op een goede dag kwamen twee mannen naar Kalam toe om te vragen of zij de vlotten mochten voorzien van zwemmers. Zij wilden aan de stokken een soort hand bevestigen zodat een vlot voortbewogen kon worden alsof het in het water zwom, net als mensen met hun handen deden. Kalam besloot de raad van de K’awal in te roepen en die had er geen bezwaren tegen. Het leven werd beter. Of…

 

Dat deed Kalam steeds vaker. Hij overlegde voor een beslissing veel minder met zijn vrienden een vroeg steeds meer raad bij de K’awal. De herinneringen van de voorouders leken zijn belangrijkste raadgevers te zijn geworden. Dat ging gemakkelijker en zelfs ook sneller dan overleg met Tugor, Foelar en Rannsjak. Tugor had er niet veel moeite mee. Hij leefde gelukkig met zijn vrouw in  het huisje naast de plaats waar hij lessen gaf aan jonge mannen. Hij leerde hen de tekens van de Gamor kennen en gaf voorbeelden van het belang van Gamor, de band die hen de kracht gaf om te blijven bestaan. Heel vaak raadpleegde ook Tugor trouwens de K’awal om nieuwe inzichten te krijgen voor zijn lessen. Een andere keer name hij zijn leerlingen weer mee op loopvoeter om te reizen langs de zee en in de bossen die veel verderop haast de zee raakten. Daarbij putte hij uit zijn eigen ervaringen en maar al te graag vertelde hij over de dag dat hij voor het eerst van zijn leven een boom had gezien. Hoe ze hadden gereageerd, hoe ze het ding van alle kanten hadden onderzocht en hoe verbaasd ze waren geweest over alle planten en dieren die ze daarna hadden ontdekt. Tugor beschouwde zijn leven als één opeéénvolging van prachtige dagen al miste hij zijn vriend Kalam wel eens. Ja zeker. Hij merkte wel hoe zijn vriend steeds meer binnen de stadsmuren bleef en zich soms terug leek te trekken in zijn huis. Zelfs als A’akane met de kinderen een bezoek wilde brengen aan het strand, dan bleef Kalam toch vaak liever thuis. De dagen van de spannende gesprekken en gezamenlijk avonturen waren voorbij en soms vroeg Tugor zich af of Kalam niet moe en heel eenzaam was. Als hij zijn vriend dan weer een keer zag, dan wist hij bijna zeker dat het niet zo was. Kalam had nog steeds dezelfde kracht en macht in zijn woorden en gebaren als vroeger. In stilte hoopte Tugor dat het allemaal zo zou blijven, een hechte vriendenkring in een mooie stad, een stad die steeds mooier en rijker werd van de handel met de rode stad en ook met voorbijtrekkende handelaren

 

Koud was het nooit. Als Kalam aan de ijskou van Kana’an terugdacht dan voelde hij hoe in Gamor an Gamor elke dag de warmte hem aanraakte. Ook ’s nachts voelde de lucht steeds behaaglijk aan. Overdag was de lucht meestal blauw maar een enkele keer trokken er dikke witte en grijze wolken over en dan raadpleegde Kalam de K’awal opnieuw. Of de tijd was aangebroken dat sneeuw en ijs ook Gamor an Gamor zou gaan bedekken. En of de sluipers de stad zouden gaan innemen. Elke keer weer was het antwoord dat hij daarvoor niet bang hoefde te zijn. Gamor an Gamor kende geen dreiging, Tevreden keek hij dan uit over zijn stad, de vlotten die ze “ba’arg” noemden en de mannen vrouwen die melk, buit en handelswaar door de poort naar binnen brachten.

 

Vandaag was het anders. Nadat alle mensen uit de tempel waren vertrokken was A’akane met de kinderen zonder Kalam naar het strand gegaan om te zien hoe de ba’arg uitvoeren. Het was prachtig weer, een mooiere dag om naar zee te gaan viel nauwelijks te bedenken maar Kalam voelde een zware hoofdpijn opkomen en hij was niet in de stemming op er een leuke dag van te maken. Hij was vastbesloten om de K’awal te raadplegen want iets in hem zei hem dat het leven niet altijd zo zou kunnen blijven. In zijn onrustige hoofd was op de lange duur geen plaats voor een leven van regelmaat, rust en gelukzaligheid. Bijna vanuit zijn botten voelde hij dat er grootse dingen op til waren maar welke vorm die zouden aannemen, was hem verre van duidelijk. Toen A’akane met de kinderen was vertrokken, begaf hij zich meteen naar de tempelkamer waar de K’awal was geplaatst en terwijl hij voelde hoe zijn hoofdpijn verder toenam. Vleidde hij zich tegen de kist aan. Het was meteen alsof scheuten en steken dwarsdoor zijn hoofd heen vlogen, alsof hij geen hoofd meer had bijna. In zijn omgeving leken zich de zonnedieren te verzamelen totdat er één heel grote zonnevlam ontstond en vertwijfeld vroeg hij zich af wanneer hij voor het laatst zijn Gamor an Gamorspreuk had vergeten. Hij kon het zich niet herinneren. Nee, het kon geen wraakneming van Gûl zijn, zoals lang geleden middenin de ijswoestijn. Maar wat dan wel?

 

Vanuit een halfverdoofde toestand zag hij hoe Foelar in de hoofdtoegang van de tempel verscheen. Onmiddellijk besefte Kalam dat het onheil dichterbij was dan ooit. Misschien was het ook het feit dat Foelar het zwaard van Kraj had omgegord terwijl hij zich bij de opening vertoonde. Het was heel ongebruikelijk om wapens mee te nemen naar de tempel. Wie een bezoek bracht aan het heilige huis, legde zijn wapens af op de grond voor het gebouw maar dat had Foelar niet gedaan. Integendeel, hij kwam de tempel zwaaiend alsof hij onder invloed van een drank was binnen. Hij schreeuwde ook “Kalam, Kalam, kom te voorschijn:”, riep hij alsmaar maar. De stem klonk hol en weergalmde sterk door het gebouw. Opnieuw schreeuwde Foelar de naam van de uitverkorene uit en deze keer trok hij het zwaard uit zijn gordel. Met een harde klap sloeg hij het ding tegen de muren van het gebouw. “Kalam, kom tevoorschijn”, riep hij weer. Zijn gedrag en geschreeuw maakten Kalam woedend en hij kom zich niet langer beheersen. Plotseling stond hij voor zijn jonge vriend en versperde hij hem de weg. “Je zoekt mij en roept mijn naam. Waarvoor heb je me zo ernstig nodig dat je met je zwaard deze tempel binnen bent gekomen?” vroeg hij. Zijn stem klonk zachter en zwakker dan hij zelf had gedacht. Foelars ogen weerspiegelden Gûl.

 

“Jij valse uitverkorene!:” brulde Foelar nu. Nooit eerder was hij zo fel tegen zijn vriend en meester ingegaan. “Jij houdt ons hier door je voortdurende gezwam met die kist. Ze weerhouden ons van onze taak en laten ons niet vrij om te doen waarvoor wij zijn geschapen.” Met een woedende beweging haalde hij met het zwaard uit naar Kalam die verschrikt een sprong achteruit deed. “Ik begrijp je niet”, stamelde hij verbaasd. “Wie houdt je tegen waarvan?” Er kwam niet meteen antwoord van Foelar maar deze nam zijn zwaard nog steviger vast in zijn hand. “Je wilt ons niet laten gaan, over de zee. De wagarden en ik zitten al zolang te verlangen naar een tocht op een ba’arg naar het Huis van Gûl maar jij houdt ons tegen met je toverkist.” Opnieuw deed hij een sprong naar voren en deze keer raakte hij Kalam aan zijn borst. Een felrode streep liep van zijn rechterschouder naar zijn borstbeen. “Geef die kist opdracht om ons te laten gaan!”

Kalam voelde de pijn in zijn lichaam bijna niet en hij zag hoe slecht Foelar eraan toe was. “Die kist houdt niemand tegen”, zei hij nu bedaard. En ik doe dat nog veel minder. Jullie zitten jezelf in de weg doordat je gelooft in Gamor  en dat is goed. Alleen Gamor schenkt je een goed leven. Ga niet op reis omdat je op reis wilt gaan, ga alleen op reis om iets groters te bereiken.”

 

Het leek of Foelar in de war was gebracht door Kalams woorden. Iets groters bereiken? De andere woorden van Kalam klonken alsof ze op grote afstand weerden gezegd. “Iets groters voor het volk, niet voor jezelf. Als je dat doet, zul je de steun van Gamor hebben maar als je gaat om er zelf groter van te worden, dan val je in het vuur van Gûl.” Foelar merkte hoe zijn knieën het begaven en tot zijn  grote schaamte begonnen zelfs de tranen over zijn wangen te lopen. Hij zakte naar de grond en liet het zwaard van Kraj kletterde op de blauwsteen van de vloer. Kalam merkte hoe de hoofdpijn in zijn hoofd ondragelijk werd en hoe hij de wond op zijn borst nauwelijks voelde. Was de Gamor aan het verslappen? Hij keerde zich om en slofte naar de K’awal want daar moest het antwoord te vinden zijn. Hij merkte nauwelijks hoe twee grootjagers het verslapte lichaam van Foelar uit de tempel sleepten.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Siegfried is de hoofdpersoon uit een gelijknamige Oud-germaanse sage die stamt uit de tijd van de Grote Volksverhuizing

De jonge held Siegfried, afkomstig uit Xanten beschikt over bovennatuurlijke krachten en weet zich te onderscheiden als drakendoder en op het slagveld, waar hij met de krijgers van Günther, koning der Bourgondiërs, de Saksen verslaat. Uiteindelijk wordt Siegfried, als uitvloeisel van liefdesintriges, op last van Günther, door diens vazal Hagen vermoord.

www.schrijversnet.nl/mulisch.htm

www.wetenschap-eindtijd.com/

www.spiritualiteit.nl

www.fantasy.com

Oudere Berichten »

Categorieën