
Sikke was misschien niet de meest snuggere tamer van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin Randa Telgenheert,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij waarschijnlijk te danken aan de zes poten onder zijn korte romp die elke onregelmatige beweging tegengingen. Soms draaide Randa zich even om en dan fluisterde zij haast “Sikke” en meteen, als vanuit het niets verscheen het trouwe dier achter haar. Zij keek niet eens verbaasd op toen ze hem deze keer niet meteen zag. Haar trouwe tamer zou haar niet in de steek laten, hij zou zeker aan de andere kant staan en nog een keer zei ze zijn naam. Deze keer kwam zij uit haar gehurkte houding tussen de dwijne-aren op. “Sikke”, riep zij nu wat harder, een beetje ongeduldig zelfs maar de lichtbruine kop met beige ogen dook nergens op tussen de witachtige planten. Misschien kon het dier haar niet goed vinden zolang ze verscholen zat achter de brede bladeren van de planten die ook nog eens grote, lichtbruine bessen droegen.
Ongerust keek zij om zich heen. Ginds boven zee pakten zich donkere wolken samen, de eerste zware regenbuien van het warme seizoen waren in aankomst zoals Randa al eerder had meegemaakt Zij maakte zich daarover niet al te ongerust want wolken zouden al vrijwel leeg zijn tegen de tijd dat zij Aldemundt zouden bereiken. De regens sloegen elk jaarweer hard neer op de hellingen aan de westkant waardoor er niets kon groeien. Elk zaadje dat er in het voorjaar wortel schoot, spoelde aan het begin van de zomer weer weg.
“Sikke”, riep zij deze keer harder met iets van wanhoop in haar stem en … werkelijk, tussen de ronde, rode huizen van Aldemundt verschenen de contouren van een tamer. Het dier kwam met zijn typische, zwevende bewegingen in ijltempo naar haar toe. Randa strekte haar armen opgewonden uit naar het dier dat nu nog harder door het landschap gleed. Een brede glimlach groeide op Randa’s gezicht maar haar mondhoeken gleden weer naarbeneden toen zij niet ver achter Sikke een man ontdekte. Ramold Barg. Die zou vast weer komen met een fantastisch verhaal, dat hij goed voor Sikke had gezorgd nadat hij het dier had gevonden, ver van zijn bazin vandaan en dat hij het dier nu terug kwam brengen. Ramold zat al een jaar achter Randa aan maar zij voelde niets voor zijn langdradige en vooral zelfbedachte avonturen, zijn zware dreunende stap en de steeds aanwezige lucht van gajem, het strootje dat zoveel Mendese mannen tot sigaret diende.
“Hallo Randa”, Ramolds stem klonk vrolijk maar tegelijkertijd was er een onzekere klank in zijn stem. “Sikke liep op de Haar rond te snuffelen, alleen. Ik dacht, ik zal hem even brengen.” “O hallo Ramold”, antwoordde Randa vlakjes. Ze hurkte bij Sikke neer. “Was jij alleen op pad, zo maar naar het midden van Aldemundt? En kwam je toen deze meneer tegen. Is dat echt waar”? vroeg zij zachtjes aan de tamer maar toch zo hard dat Ramold het kon horen. Ramold beet zich op zijn onderlip en keek doelloos om zich heen. “De zomer begint”, begon hij zwakjes. “De werolden zijn onderweg.” Hij wees naar de dikke, zwarte wolken die langzaam tegen de berghelling begonnen op te klimmen. Ineens kwam er een glimlach op zijn gezicht. Het naderende slechte weer zou wel eens zijn bondgenoot kunnen zijn. Over hoogstens zes uur zouden de wolken hun laatst druppels uitgieten over Aldemundt en dat bood de mogelijkheid om een schuilplek te zoeken en dan misschien … Hij schraapte zijn keel en daarmee riep hij al zijn moed omhoog. “Zullen we na de mandert een wandeling maken langs de Hanebrood?” Hij probeerde zijn stem zo luchtig mogelijk te laten klinken en hij zag zichzelf al met Randa de berghelling af en, heel langzaam, weer oplopen, schuilend onder de takken en bladen van de mondajen en de freek. Randa voelde hoe haar gezicht rood aanliep. “Zodat we kunnen schuilen onder de mondajen en de freek en zodat jij mij onverhoeds kunt zoenen zeker?” vroeg ze op spottende toon. “Nou, ja, daar … goed, ik hoor het al. Het gebeurt niet vanavond.” ”Niet vanavond en nooit niet, nog niet als de raak je komt halen”, deze keer klonk haar stem venijnig, bijna vijandig. Ramold draaide zich om. “Jammer, ik had het een mooi afscheid gevonden.”Deze keer had hij haar toch geraakt want Randa voelde onzekerheid in zich groeien, het kloppen van haar hart in haar keel werd voelbaar. “Afscheid”? vroeg ze in een slecht gelukte poging om haar nieuwsgierigheid te camoufleren. “Ja, ik ga voor lange tijd het dorp uit”, Ramold liet zijn stem nu expres losjes en onverschillig klinken. “En waarheen dan wel”? was Randa’s ongelovige reactie. Ga je naar aarde?”Ramold glimlachte. “Nee, zover ga ik niet. Over tien dwindlen ga ik mee met de expeditie van Berg Wamerhorn.” Tien dwindlen, dat waren twintig aardedagen! “Heeft hij je uitgenodigd?” De ongelovige klank in Randa’s stem had voor ieder ander geklonken als een belediging maar Ramold hoorde er alleen maar belangstelling en enthousiasme in. “Nee, ik heb me aangemeld en ik mag mee”, zijn ogen straalden. “En hoelang blijf je dan weg?” vroeg Randa weer. Ineens was de gedachte aan gajem en verzonnen verhalen verdwenen. “Dat weten we nog niet”, Ramold voelde zich nu belangrijk worden. “Het kan veertien dagen zijn maar ook een halfjaar. We gaan met 21 mannen en zes vrouwen, tenminste als er nog twee vrouwen bij komen.” Onderzoekend keek Ramhold haar aan. Randa voelde zich over haar hele lichaam trillen maar ze verried niets. “Nou, dan kom je niets tekort”, schoot er na een paar seconden uit. Ze schrok er zelf van en begreep meteen dat haar opmerking nergens op sloeg. Zes vrouwen en 21 mannen! “Moet ik de aren voor je dragen?” Ramolds stem verried niets van zijn gekwetstheid. Randa keek met een schuin oog naar de dikke stapel korenaren. “Dragen”, zenuwachtig begon ze te lachen. “Nee, nee, doe jij dat maar niet”, trilde haar stem ookal zag ze er tegenop de aren zelf naar het dorp te torsen. Ze mocht nu niet toegeven. Als Ramold haar aren zou dragen, zou hij denken … Zo wilde de traditie en in Aldemundt waren tradities en strenge regels nodig, zo had haar vader het keer op keer ingeprent. Niet dat ze het er nooit moeilijk mee had gehad maar … “Regels en traditie”? Ramolds woorden doorkruisten haar gedachten. “Waar is de oude Randa gebleven die ’s morgens vroeg met de jongens uit het dorp liever naar Baalder wilde zwemmen dan naar school te gaan?” Randa voelde zich rood worden. “Baalder, ja, ze was er vaak naartoe gezwommen ook al had haar vader, de Moden van Aldemundt, het verboden. Ze glimlachte verontschuldigend. “Kleine meisjes worden groot”, zei zij zachtjes. “Een de gevaren groeien mee.” Ze had een hekel aan zichzelf, vooral vanwege die laatste zin. Het klonk alsof ze haar moeder hoorde. “Kind, dat kun je niet doen, je bent de dochter van de Moden”! “Maar Ramold en Clijne doen het ook en Havan en Trido en … .”En toen had haar moeder haar gewaarschuwd. “Het zal de slechte invloed van Ramold zijn”, zei zij dan ernstig. “Het is een kateling en katelingen worden nooit wijs.” Eerst had ze die opmerking niet begrepen maar later legde haar moeder uit dat een kateling iemand was zonder geschiedenis. “Geboren aan boord van de Arketan”, die woorden klonken uit haar mond dan heel veel betekenend.
Ze hurkte soepeltjes bij de stapel aren neer en stond weer op. De vracht was zwaar maar hoe zwaar zou de band zijn met een kateling, een man die twee jaar jonger was dan zij zelf ook nog?
“Wat is jouw eerste herinnering”? plotseling vroeg zij uitdagend. Die uitdaging was vooral aan haar zelf gericht want ze verwachtte niet veel van het antwoord.
Ramold bedwong zijn neiging om een schop te geven tegen de steen die voor zijn voet lag. Altijd die vragen over het verleden! Hij wist maar al te goed dat het te maken had met zijn katelingschap. Maar toch, als Randa’s vraag oprecht bedoeld was, dan was dit zijn kans. “Een liedje dat mijn moeder zong. Het ging over een mannetje dat elke avond een blauwe ster zag aan de hemel en niets liever wilde dan er naartoe te klimmen. De blauwe ster glimlachte en er woonde een heel lieve fee. Het liedje eindigde met de zin. “En dat mannetje ben jij”. Randa keek zwijgend naar hem op. Een heuse herinnering! “En je tweede herinnering?”vroeg zij iets onzekerder. “Dat ik uit het patrijspoort van ons huis keek en heel in de verte de blauwe ster zag. Mijn moeder vertelde met toen dat zij daar geboren was.” “En ik ook”, Randa’s woorden klonken te triomfantelijk om vriendschappelijk te zijn. “En toch zien we nu allebei hoe uit de werolden de plensregens beginnen te vallen, hoe de zomer nadert en we weten allebei dat de dwijne-aren snel binnengehaald moeten worden.”Randa’s stem stokte even. Voor een kort moment wist ze geen weerwoord. Haar ogen richtten zich op de haast pikzwarte wolken waaruit zich nu de stortregens losmaakten die de rotsachtige hellingen aan de westkant van het gebergte geselden en die Baalder aan het oog onttrok. Ze keek ook naar de huizen, een ander dorp dan het groepje ronde, donkerrode huizen met hun platte dak had ze nooit gekend. Haar moeder had wel eens verteld over grote steden op aarde zoals Merkenborg met zijn anderhalf miljoen inwoners. Maar zij, Randa, kon zich daarbij niets voorstellen. Zij kende het dorpje en het daarvoor had ze tien jaar aan boord van de Arketan doorgebracht. ‘Dit is mijn wereld’, waren de woorden die zij in haar hoofd steeds weer hoorde. Zij begon langzaam te lopen ion de richting van Aldemundt. Even leek ze te struiken maar daarbij pakte ze Ramolds mouw. “Ik zou willen dat er veel meer was dan Aldemundt”, ze glimlachte naar Ramold. “Iets drukkers, meer leven… .” Ze huiverde. “Stel je voor dat we de enigen zijn op deze planeet. Het maakt me bang, die eenzaamheid.”
Ramold weerhield zich ervan om zijn arm om haar schouders te slaan. “Alleen, eenzaam”, zei hij langzaam. “Dat zijn we allemaal. Het valt minder op als je samen eenzaam bent.” Naast elkaar liepen ze nu naar het dorp. De regen plensde nog steeds neer op de kale hellingen aan de westkant. Het zou nog een paar uur duren voordat een dunne regen boven Aldemundt en haar akkers zou losbarsten. En morgen, morgen was het Demerbeen, het begin van de zomer. Een feest!
De grote zaal van de tempel zat vol. Heel Aldemundt had zich verzameld rond een grote, lege plek in het midden, mannen en vrouwen door elkaar. De mannen droegen hun zwarte, rode of gele getailleerde, halflange jassen en iets poffende broeken in dezelfde kleur. Daaronder hadden ze witte hemden die nauw om de hals sloten en aan hun voeten zwarte schoenen met opkrullende puntneuzen. De schoengespen waren mooier opgepoetst dan op andere avonden want op Demeravond wilde iedereen er op zijn beste uitzien. De vrouwen droegen witte, beide of lichtblauwe jurken met een zilver- of goudkleurige centuur, een sjaal in dezelfde kleur, lange oorhangers van zilver, goud en een lichtgele, doorschijnende steen die bekend stond als kamilix. Randa zocht haar vriendinnen Tiami, Faria, Aquia, Bonara en Syfa. Voor zij zich bij hen voegde, wilde zij eerst zien hoe zij reageerden toen zij met Ramold binnenkwam. Ze zagen haar niet, ze lachten en praatten. Ramold aarzelde niet. Hij schoot zo snel hij kon naar zijn vrienden die in een cirkel bij elkaar zaten. “Laatkomer”, bromde Fode spottend. “Op de loer gelegen tussen in het dwijneveld? Nog steeds op jacht naar Randa?” Belber, de oudste van de vriendenclub zweeg grijnzend terwijl Thibon zijn neus ophaalde. “Heb je haar al eens … een worst in de dwijne gelegd?” Ramold voelde zich boos worden maar hij had geen zin in ruzie. “Ze zal me toevallen als een rijpe zarzak”, fluisterde hij zodat zijn vrienden het nog net konden horen. “En net zo sappig smaken”? vroeg Fode weer, “de dochter van de Moden? Dat is wel een heel vette prooi voor een kateling.” Ramold haalde zijn schouders op. “Zullen we het over iets anders hebben?” Hij had geen zin in ruzie met zijn vrienden en al helemaal niet op Demeravond. Vanavond hoopte hij tijdens de Demerdans aan Randa te laten zien wat hij kon. “We mogen even onze mond houden”, kwam Belber ertussen. “De Moden is in aantocht,”Hij wees op het gordijn achterin de tempel dat nu opzij werd geschoven. Moden Paup Telgenheert kwam met grote, snelle passen dichterbij. Zijn gezicht zelfverzekerdheid en daadkracht uit, hij was zich bewust van het belang van het moment en dat mocht ook van een Moden worden verwacht. Demeravond was het op een na belangrijkste feest van Aldemundt. Op het moment dat hij de ronde zaal betrad, stopten de gesprekken. Sommige mensen braken hun zin halverwege af en richtten hun blik op de burgemeester, de man die voor, tijdens en na de reis met de Arketan zoveel mensen een hart onder de riem had gestoken en steeds weer de kracht had gevonden om verder te gaan.
Hij begon meteen te spreken, niet hard maar duidelijk verstaanbaar tot in de verste rijen achter in de zaal. “Vermogende Aldemundters”, het was de normale aanhef voor ene grote groep mensen die de ontberingen en uitdagingen van de kolonisering van Mende hadden uitgevoerd en voortgezet. “”De Werolden zijn teruggekomen, precies op de behn die we hadden gedacht. Professor Wamerhorn heeft de komst tot op de akta nauwkeurig vastgesteld, een prestatie die we van hem mochten verwachten. Ik kom net van buiten en ik kan u vertellen dat de eerste druppels sinds vijftien akta op onze graanakkers neerdalen. Onze graanakkers die trots gevuld zijn met onze eigen granen dwijne, gombert, allach, frees en merkelbaert. Onze granen die zo anders zijn dan de granen van de aarde en die de Mendese grond heeft voortgebracht uit tarwe, gerst, rogge, haver en rijst. Zo anders, zoals alles anders is hier, dan op aarde. Velen van ons weten het zich te herinneren en velen hebben er geen weet van maar we plukken er allemaal, letterlijk, de vruchten van. En nu, bij onze twaalfde demeravond, staan nieuwe, grootse avonturen voor de deur. Eenentwintig van onze mannen en vrouwen gaan dit jaar voor het eerst een retourreis ondernemen naar aarde onder leiding van Paup Groeffen Zij offeren meer dan twee kedachronen van hun jaren om op aarde te presenteren wat onze successen zijn. Een reis van meer dan twintig aardse jaren. Dat vergt moed en vastberadenheid en dat zijn eigenschappen die met Aldemundt zo verbonden zijn als Hornich met ons allen. En ook eenentwintig mannen en vrouwen gaan op reis op onze nieuwe planeet want professor Wamerhorn vertrekt over twee dwindlen met twintig jonge Aldemundters op reis, op zoek naar de zuidkust van ons continent en nieuwsgierig naar alles wat zich tussen ons en die kust bevindt. Zij zullen niet tweemaal een kedachroon onderweg zijn maar hun loop zal er niet minder om zijn.
Dat wij in staat zijn om tweeenveertig dappere Aldemundters op stap te laten gaan hebben we te danken aan twaalf chronen van proberen, vechten en winnen. Dat hebben wij aan onszelf te danken en natuurlijk aan de steun van Hornich. Om hem te danken en hulp te vragen bij onze nieuwe ondernemingen, laat ik graag het woord aan usker Breemhoor.”Wij zien elkaar weer bij de demerdans.”
Niemand sprak een woord, ook het groepje jongemannen rond Ramold niet. Respect voor de Moden en voor de usker liet hun zwijgen. De usker van deze avond was Ramold Breemhoor, die de meesten kenden als tandarts. De lange man stond lenig en vlot op van zijn stoel en zag de zaal rond. “Mende betekent “hoop” en mijn hoop is het dat we die hoop allemaal nog in ons voelen, aardlingen, katelingen en mendlingen. Voor mij was het de hoop om mijzelf beter te leren kennen aan de hand van de heel nieuwe kansen die ik kreeg. Het is me helder geworden, wie ik ben. Meer dan op aarde heb ik mijzelf leren kennen en ik ben Hornich, de Weg, dankbaar dat hij me tweeenhalve kedachroon geleden heeft geholpen om die stap te zetten. Het was een stap. In Helen was ik een succesvol wetenschapper, met vrouw, zoon en dochter en nu zijn ze nog steeds allemaal om me heen. Nooit hebben ze me tegengehouden. Tot en met de twaalfde werolden trouw aan mij en onze gezamenlijke hoop. Een hoop die is uitgekomen.” Hij zweeg en liet zijn blik gaan over zijn dorpsgenoten. “En ik hoop dat u me dat allemaal kan nazeggen.” Zijn ogen bleven rusten op Weemer van Hornhaaf. Heel even, de mannen wisselen een blik uit en Ramold schrok. Hij zag, hij zag afwezigheid in de ogen van de ander. En Weemer schrok, hij zag het inzicht in Ramolds ogen. “Allemaal”, herhaalde hij aarzelend. “Wij vinden onze hoop toch allemaal in het prachtige lied “Over Hornich naderen de werolden opnieuw”. De usker gaf een teken aan het orkest dat achter hem klaar zat: een strijker met zijn vatar, een pianist met de mendepiano, weer een strijker met zijn liodin, twee blazers met een tander en een wreksch voor de ritmische ondersteuning. Geen electronica, geen computerinstrumentarium maar echt handwerk waaruit ook foute tonen konden klinken want “zoals niet de mooiste vrouw het meest aantrekkelijk is, zo is ook de zuiverste toon niet echt geliefd”. Het orkest zette in en de usker liep achteruit naar zijn stoel, ondertussen uit volle borst meezingend. Opnieuw lette hij op Weemer maar deze zong minstens zo overtuigd mee als Ramold zelf. En ook de jongeren, de katelingen en de mendlingen, er klonk een groot slepend en melodieus gezang. Niemand vond de zes coupletten van het Weroldenlied te vermoeiend. Het werkte zelf heel anders. De energie van de jongens en de meisjes nam alleen maar toe en de jongens begonnen verlangend naar hun uitverkoren vrindinnen te kijken. Nog scherper keken zij toen het orkest de eerste tonen van een ralka inzette, een Mendse-dans die al aan boord van de Arketan bekend was. Traag sleepten zich de eerste tonen voort maar de jongens, vrouwen, mannen en kinderen repten zich naar de dansvloer. Zij stelden zich op in lange rijen en zorgden ervoor dat hun meete geliefde dichtbij was. De jongens tegenover de meisjes en de kinderen aapten dat na. In langzame bewegingen probeerden zij duidelijk te maken wat zij de anderen wilden vertellen en die bewegingen werden steeds sneller. Ze draaiden rond, maakten sprongen, hurkten en maakten koprollen. Tussen door zonden ze boodschappen uit met hun handen, mond, ogen en zelfs oren. Ja, er was geen Mendling die niet zijn oren kon bewegen. De muziek zweepte ze op. De jongens vormden nu een kring en zij scheeuwden het lied uit : “Moe Mende wos na hie”(Mijn hoop ben jij). Zij trokken hun jassen van hun lijf en wierpoen die op een grote stapel, de demerberg die een rol zou gaan spelen aan het eind van de avond. Hun glimmende bovenlijven maakten het nog beter mogelijk om met elke beweging hun gevoelens te uiten. De usker reed nu een rollende tafel met een vuurtoorts en een fles zafyr binnen. Zafyr was een drank die haast niemand ooit kreeg, alleen de oudste mannen namen wel eens een kleine beker ervan op een vrije dag. De rest van de drank bewaarden de Aldemundters in vaten voor feesten en vooral voor de demeravond. De meisjes rekten hun hals. Zou het hun favoriete jongen zijn die met een mond vol zafyr vuur ging spuwen? De muziek speelde door en de kring van jongens draaide in cirkels steeds dichter naar de tafel toe. Weg! De muziek stond stil en een kluwen van jongens wierp zich op de zafyr en het vuur. Een tijdlang was er alleen een worsteling maar dan dook onderuit de groep Ramold op met een mond vol drank en de toorts in zijn handen. Hij aarzelde niet. Dit was zijn kans om zijn favoriete meisje te vragen. Een hoge vlam die bijna het plafond van de tempel raakte, spoot uit zijn mond omhoog en alle meisjes zongen luidkeels: Ze wos on ramoen., Jij bent de kampioen!” In een paar sprongen was Ramold deze keer bij Randa. Hij greep haar om haar middel en wervelde in grote cirkels over de vloer. Het meisje had nauwelijks kans om zich te realiseren wat er gebeurde. Ze liet zich meevoeren want Ramold was sterk, handig en een snelle danser! Zij voelde zich zweven, voortgedreven door zijn benen en armen. Heerlijk, dit was demeravond.
Nu begonnen ook de andere jongens en meisjes de dansvloer te vullen en daarna volgden de ouderen met hun man of vrouw. Ook de Moden danste mee maar met een oog hield hij zijn dochter in het oog en wat hij zag, beviel hem niet. Ramold zette de fles zamyr aan zijn mond, nam een slok en kuste daarna zo lang mogelijk de mond van Randa. Daarna gaf hij het meisje een slok. Dat was nog allemaal niet het ergste, het behoorde tot het recht van de Ramoen. Het was meer het gezicht van Randa. Zij straalde geluk uit terwijl de jongen haar steeds dichter naar de ingang van de tempel toe wervelde. Natuurlijk hadden aardlingen, katelingen en mendlingen gelijke rechten. Maar toch, de Moden had zijn dochter liever in de armen van een aardling gezien. Hij bleef het paar volgen totdat zij in twee snelle kringen de deur van de tempel uit dansten. “Je danst beroerd”, mopperde Feya, zijn vrouw. “Let toch niet zo op die kinderen, het is hun feest.””Het is meer dan een feest”, zei de Moden beslist. “Het is een furene.” Een bruiloft? Feya glimlachte. “Je zoekt wel erg snel overal iets achter. Kop op, het is demeravond. Laat dit feest niet verpesten door je eigen norse gedachten.” De Moden schudde zijn hoofd. “Geen norsheid, meer een teleurstelling.”
Het orkest zette het volgende stuk in. Nog wilder en vuriger dan het vorige. De hoge tonen van de liodin gilde nu boven de ondertonen van de andere instrumenten uit. De mensen zongen mee en probeerden de hoge klanken te volgen. Ondertussen grepen zij de bekers die op een lange tafel stonden, bekers met zafyr. Ze klonken met elkaar en soms klotste het vurige vocht boven de bekers uit. Ze lieten hun partners losten en kozen een ander, dansten door en lieten een tweede beker zafyr door hun keel glijden. De muziek werd nu langzamer en de Moden en zijn vrouwe kozen een stoel langs de kant van de dansvloer. Lachend keken zij naar hun dorpsgenoten maar de Moden voelde zijn mondhoeken soms naar beneden glijden. Een kateling!
De kateling en zijn verovering zaten inmiddels buiten vlak voor de deur van de tempel. Hij zag haar prachtige, donkere lokken, haar blanke huid, haar stevige borsten en het kostte hem moeite om haar woorden te verstaan. “Ramoen”, lachtte zij. “Kan ik nu je dwijne-aren dragen
?” vroeg hij ernstig maar het meisje schudde haar hoofd. “Dwijne-aren dragen?” Ze proestte het uit. “Hoe kom je erbij?”Even voelde Ramold zich teleurgesteld maar dat kon niet lang duren. Zij keek hem met stralende ogen aan. “Jij moet mij heel Mende laten zien totdat ik voor goed mijn ogen sluit omdat ik genoeg heb gezien.” Ramold durfde nu voor het eerst een arm om haar schouders te slaan maar hij liet ook meteen weer los en Randa hoefde niet eens om te kijken om de reden daarvoor te raden. Een groep van vijf jongens strompelde door de ingang van de tempel naar buiten. “De usker zei …”, lalde een van hen maar daarna hield hij op. De rest van de zin wilde hem maar niet te binnen schieten “De usker zei, en de usker zei”, zong zijn vriend Paup Loggen luidkeels. “De usker zei, dat de usker zei”, hij hield zich met moeite vast aan zijn kameraad. Vooral omdat hij bijna omviel van het lachen. “Wij hebben een beetje zafyr gedronken”, loeide Warmen weer. “En meteen, ik zei: meteen, moesten we de tempel…pel uit. “Snap jij dat nou?” Hij greep Ramold bij een punt van zijn kraag vast. “Ik snap er niets van, geen raak, geen tamer, geen Moden, geen usker, snap ik er van. Hij gierde het uit. “Geen Moden, geen Moden en geen Moho-den!”zong hij lallend op de meloidie vann het Aldemundter lied. Hij lachte hard en schor en waggelde naar Ramold toe. Hij bleef met zijn gezicht vlak voor Ramolds ogen staan. “He, Ramoldje, lach ook eens. Kan je niet lachen?” Weer bulderde hij het uit maar het lachen ging over in een hoestbui en een rochel. “Lach dan, je hebt toch zo’n lekker ding versierd? Die kliene van de Moden. Mag jij daar wel aankomen, kateling.”Nog reageerde Ramold niet. Hij probeerde niet naar Warmen te kijken maar die pakte hem bij zijn neus en trok er hard aan. Wie teveel zafyr heeft gedronken, is voor een verstandig woord niet meer bereikbaar, dacht Ramold nog maar hij voelde hoe zijn bloed begon te koken. Hij had geen zin in vechten maar ook zijn geduld zou een einde hebben, hij voelde het. Woedend keek hij zijn plaaggeest aan maar die voelde zich daardoor juist aangemoedigd. “He, ellendige kateling”, schreeuwde Warmen. “Zeg nou eens wat, snap jij er nou iets van? Kateling, kateling”, joelde Warmen opnieuw en dat was net een keer teveel. Ramold sprong overeind. Hij zou er in een keer een eind aan maken. Warmen moest zijn bek houden. Stil zijn! Met zijn hoofd vooruit rende hij op Warmen af en met een harde klap belandde zijn schedel in de maag van de scheldende dronkeman. De dronkaard klapte dubbel en kotste zo hard dat een straal met een hoorbare klap op de aangestampte aarde kwakte. Hij viel voorover in zijn eigen vuiligheid. Hij bloedde aan zijn hoofd en een hevige siddering ging door zijn hele lichaam. Doodstil lag hij met zijn gezicht naar beneden en … zelfs zijn vriend Paup ging onderuit. Met een klap viel hij naast zijn Warmen neer.
Verbijsterd viel Ramold op zijn knieen. Hij voelde de polsen van de beide jongens en luisterde scherp. Er klonk zelfs geen ademhaling meer. In paniek beukte hij met zijn vuisten op de grond en schreeuwend stond hij daarna op om de tempel binnen te rennen. “Een arts, een arts”, gilde hij. “Daarbuiten…”Zijn arm wees als een wegwijzer naar buiten. Toen zakte ook hij door zijn knieen. Randa wees de mannen huilend de weg. “Een ongeluk, een ongeluk”, schreeuwde zij steeds weer. Zij bleef heen en weer rennen tussen de jongens buiten en Ramold totdat ze bij hem op de grond ging zitten. “Je wordt weer beter”, fluisterde ze in zijn oor. Het gaat heus beter met je”. “Beter”? vroeg hij. “Het is mijn schuld toch?” “Jouw schuld?” Randa zweeg even. Het was nog niet eerder voorgekomen in Aldemundt dat twee mensen elkaar bijna of helemaal dood hadden geslagen. De Aldemundters waren zich er altijd bewust van geweest dat ze elkaar nodig hadden. Geen vechtpartijen onder elkaar, dat was ook altijd een uitspraak van haar vader geweest. Ze wist ook helemaal niet hoe dit zou aflopen. Zou er een rechtbank komen? Moest Ramold zich verantwoorden? Waarschijnlijk wel. Haar hele lichaam begon te trillen. Ze voelde zich kwaad over de beledigingen die de andere jon gens over Ramold hadden uitstort. Maar ja, had hij niet beter moeten weten? “Word eerst maar gauw beter”, ze kon het alleen maar fluisteren. Haar stem was zwak door haar onzekerheid en ze voelde zich misselijk worden. “Eerst beter worden”, zei ze weer en ze streek met een hand door zijn haar. Haar stem ging onder in het geluid van de menigte die nu de tempel uitstroomde. De mensen zeiden niets maar hun voetstappen klonken als het gedreun van een kudde bisons. De ouders van Warmen en Paup liepen voorop. Toen ze Ramold en Randa op de grond zagen zitten, schreeuwden ze pas. “Moordenaars! Mijn zoon”, gilde Warmens moeder. Ze stortte zich op haar knieen naast Warmens lichaam.
Fode, Thibon en Belber kwamen nu bij Ramold en Randa staan. “Je hebt hem goed te pakken gehad, of liever hun allebei”, Fode’s stem klonk alsof hij er zelf wel op los zou willen slaan. “Warmen en Paup zijn allebei dood”, die laatste woorden zei hij met een wat vlakkere stem. “Ze waren je ook wel flink aan het uitdagen.” ”Dood, allebei dood”? Randa’s stem klonk verslagen maar ook verbaasd. Wat zou er nu met Ramold gebeuren en hoe kon het dat Paup dood was? Ramold had hem niet aangeraakt. Daar moest een andere reden voor zijn! Ze voelde tranen in haar ogen opkomen. “Hoe kan dit nou, Ramold, dood.” Ze dook met haar hoofd tegen zijn borst en bleef daar liggen, ook toen ze zijn hand op haar schouders voelde. “ Ik wilde het niet maar ze moesten ophouden met schelden.”
“Laat mij er eens even bij”, een bevelende stem klonk boven haar. Ze keek om en daar stond Weemer van Hornhaaf. “Ik moet hem onderzoeken.”
Randa stond op. In het midden van de tempel zaten haar vader met de moderaal en de lenderaar te praten. Hoog overleg! Ze zag de ernstige gezichten en de intensieve gesprekken. Haar vader schudde vaak zijn hoofd en mengde zich dan meteen opnieuw in het gesprek. De moderaal gebaarde wild en Randa probeerde zijn woorden op te vangen. In de queerhaan? Wilden ze Ramold in de queerhaan stoppen en hoelang dan? Stapje voor stapje ging ze in de richting van de drie mannen.
“We hebben dat in twaalf jaar tijd nog maar twee keer eerder gedaan. Een keer toen Fode Heender zijn buurvrouw had lastig gevallen en een keer omdat Bidder Hombarg dwijne-aren voor zichzelf had weggestopt”, merkt de Moden op. “In beide gevallen waren ze weer na een week op vrije voeten. We konden ook niemand missen. De schande was genoeg straf voor die jongens. “Ja, misschien wel”, kapt de moderaal hem af. “Maar deze keer zijn er twee jongens vermoord. We moeten streng ingrijpen anders gaan de mensen denken dat zeer altijd met een kleinigheidje vanaf komen. “Geen wraak maar herstel”, bracht de Moden daar tegenin. “Zo is het in Helen altijd geweest en zo wil ik het graag houden. Straf mag geen vergelding zijn. Ik sta voor rechtvaardigheid en ik weet dat Ramold geen slechte jongen is.” “O, en vind je het dan zo mooi dat zo’n kateling probeert je dochter in te palmen?” De moderaal kijkt de Moden scherp aan. “Een moordenaar misschien wel.”De Moden springt overeind van zijn stoel. “Een kateling, ja, een jongen die aan boord van jouw ruimteschip is geboren. Weet je nog hoe je zelf de eerste baby aan boord van de Arketan begroette. Wat was je trots!” “Dat was toen”, brult de moderaal kwaad. “Nu is alles anders, de mensen denken anders en daar moet je rekening mee houden.” ”Ja zeker”, valt de Moden hem in de rede. “Er zijn hier honderd katelingen, dat is een op de vijf Aldemundters. Wil je die allemaal tegen je in het harnas jagen? Kateling of niet, iedereen zal hier de kans krijgen gelukkig te worden.” “Daar gaat het niet om”, moppert de moderaal. “Het gaat om het geluk van het hele dorp.” De stem van de Moden klinkt nu schamper. “Ja, ja en dat geluk bereik je door de katelingen uit te sluiten. Denk je dat nu heus?”.
Randa voelt haar hart sneller kloppen. Haar vader komt op voor Ramold en de andere katelingen! Voor het eerst heeft zij respect voor hem en zijn werk. Hij is geweldig. Nu zal het goedkomen met Ramold. Hij gaat vast niet naar de queerhaan! Bij die laatste gedachte voelt zij toch wat twijfel omhoog komen want haar vriendje is de schuld van de dood van twee mensen.Dat kan toch niet zo maar …? Ze voelt een hand op haar schouder. Het is Weemer van Hornhaaf. “Ik heb slecht nieuws en ook een beetje goed”, zegt hij. “Die jongens zijn allebei dood. Ramold heeft een shock. Hij denkt dat hij ze heeft vermoord maar ik weet het niet zeker. Heeft hij alleen Warmen geraakt of ook Paup?” Randa schudt verward haar hoofd. “Ik weet het niet meer precies, ik snap er niets van. Het is allemaal zo snel gegaan.” ”Denk goed na”, waarschuwt Weemer. “Hert is belangrijk voor Ramold. Ik denk trouwens wel dat de moderaal hem in de queerhaan zal stoppen maar misschien kan hij er weer heel snel uit zijn.. Denk goed na.” Het meisje buigt haar hoofd en staart naar de grond en knijpt haar ogen heel stijf dicht. Dat is de beste manier om de tranen tegen te houden en het helpt haar bij het nadenken. “Ik weet het niet meer”, herhaalt ze en ze stampt op de grond. “Denk goed na”, herhaalt Weemer. “Misschien weet je het morgen weer. Ik ben helemaal niet zeker dat Ramold schuldig is. Ik weet niet wat er wel is gebeurd maar er is iets raars… Iets dat ik niet kan verklaren.”
De tempel was nu helemaal leeg. In het hele dorp stonden kleine groepjes mensen te praten. Randa hurkte opnieuw bij Ramold neer. “Je moet opstaan en met me meegaan”, ze probeerde haar stem nu zo opgewekt mogelijk te laten klinken. “Dat zal helaas niet gaan”, achter haar kwam de moderaal met grote stappen dichterbij. “Ik ben bang dat Ramold enige tijd in de queerhaan moet doorbrengen. We moeten nadenken wat er met hem moet gebeuren.” Hij gaf de lenderaar een teken en deze pakte Ramold nu beet om hem. “Kom jongen”, zei hij. “Maak het me niet te moeilijk.” Ook de Moden kwam nu dichterbij. Hij keek zijn dochter aan. “Het spijt me.” Hij sloeg zijn arm om haar schouder. Het was lang geleden dat hij haar zo had beschermd. Misschien wel te lang geleden. Randa dacht dat ze in een stevige huilbui zou uitbarsten maar dat gebeurde niet. Haar ogen bleven droog. Nee, zelfmedelijden zou geen kans krijgen. Voorzichtig maakte ze zich uit de armen van haar vader los. “Als hij naar de queerhaan gaat, dan ga ik mee”, riep ze en ze holde achter de lenderaar en Ramold aan. De lenderaar draaide zich half om. “Je bedoelt het vast goed”, zei hij zachtjes. “Maar het kan niet. Ik kan niet iemand zo maar in de queerhaan opsluiten. “Ik ga mee”, riep Randa weer en ze volgde de beide mannen.
De queerhaan was ingericht in de grot die in het midden van Aldemundt lag. Het wasx een armzalig onderkomen waar weinig licht binnenkwam. Drie getraliede hekken scheidden een deel van de grot af. Achter elk hek was een kleine ruimte, omgeven door tralies en steen. Op de grond lag een laag aren van frees, de meest zachte korenaren van Mende. “Ik zal je naar de voorste queerhaan brengen, daar is het meeste licht”, zei de lenderaar zachtjes. “Ik hoop echt dat dit allemaal goed zal aflopen. Het is zo’n smet op ons dorp. We hadden het geod en vredig en nu … Het zal best goedkomen” “Weet je wel wat die jongens allemaal tegen hem riepen en wat ze deden?” klinkt Randa’s stem schril. De leneraar schudt zijn hoofd. “Nee, ik hoef het niet te weten en ik wil het weten. Het is allemaal zo … “ “Je moet het wel weten”, bij die woorden stampvoette Randa opnieuw. De lenderaar keek haar verschrikt aan terwijl hij het hek van de queerhaan opendeed. “Ren, Ramold, ren”, riep Randa maar de jongen schudde zijn hoofd. “Het heeft geen zin, waar moet ik heen?” Randa gooide haar hoofd naar achteren. “Er is hier een hele planeet en meneer weet niet waar hij heen moet.” Het was al te laat. De lenderaar duwde Ramold naar binnen en sloot het hek af. “Vervelend, nu moet ik hier vannacht ook blijven. Misschien kunnen een paar lenderingen me aflossen. Dat is belangrijk, niet omdat hij zal weglopen maar om hem te beschermen”, zei hij tegen Randa. “Ik zal ze een wix sturen en vragen of ze even hier komen voor overleg.” “Hij werd uitgedaagd, gepest en
vernederd. Ze zaten aan hem te trekken en te duwen want ze hadden wel een vat zafyr weggewerkt”, Randa’s stem klinkt verontwaardigd. “Het was een ongeluk en … “ “Ga nou naar huis”, de stem van de lenderaar klonk vriendelijk maar ook dwingend. “Nee, nee, nee”, begon Randa weer. “Hoe ging het nou toch ook weer, ik ben helemaal in de war. Hij heeft alleen maar Warmen aangeraakt”, zei ze ineens. “Ik weet het zeker. Hoe kan het nou toch. Waarom is Paup dan ook dood? Dat kan toch niet?” De lenderaar haalde zijn schouders op. “Ga eerst slapen, morgen … “Nee, nee”, lachte Randa bitter. “Morgen is het echt niet beter. Dit gaat niet zo maar voorbij. Ik moet denken, ik moet … Ze voelde hoe er moed in haar lichaam vloeide, het was een warme stroom. Ze rechtte haar rug en keek de lenderaar triomfantelijk aan. Zwijgend draaide zich om naar Ramold. Ze stak haar hand tussen de tralies door en raakte zijn haar aan. “Je bent weer vrij voordat je het weet”, glimlachte ze. “Ik ga je helpen. En een ding, lieve Ramold. Je mag niets bekennen. Zeg niet dat het jouw schuld is, nooit.” Ramold haalde zijn schouders op. “Dit is in Aldemundt nog nooit gebeurd”, Randa. “De lendering en je vader hebben geen idee hoe ze dit moeten aanpakken. Vroeger misschien, in Helen, toen was alles duidelijk maar nu. Er zijn geen boeken, geen wijze rechters, geen prins, niemand. Er is alleen de Moden en er is de wraakzucht van de ouders van Warmen. Misschien laten ze het me mel uitvechten met een mes of een zwaard of misschien een knots. Ging het vroeger ook niet zo? En was het dan niet de god die besliste. “Een Godsoordeel”, fluisterde Randa, “maar dat is belachelijk, dat is van heel lang geleden. Toen had nog nooit iemand van Mende gehoord en zelfs niet van de planeet. Bacchus. Er was toen nog een God die alles bestierde en iedereen aan zich had onderworpen. Maar vergis je niet, de Hornich heeft ons al zolang bevrijd. Die zal ook nu meetellen, we zijn toch geen oermensen meer?” Ramold glimlachte, “Hier zijn we oermensen, Randa, hier op Mende zijn we nog maar net begonnen dezelfde fouten te maken als op aarde, kijk maar hoe de mensen naar ons, katelingen, kijken.” “Je bent bitter”, antwoordde Randa maar ze kon maar met moeite haar tranen binnenhouden. “Waarom zouden we dezelfde fouten maken als tienduizend jaar geleden? Je hebt nu toch te maken met mijn vader en de moderaal, misschien is de lendering wel haatdragend maar hij beslist toch niet alleen?” Ramold glimlachte. “Ik heb toch ook dezelfde fout gemaakt? Ik ben toch ook weer woedend geworden en ik ben begonnen met vechten? Waarom zou een ander niet ook weer fouten uit de oertijd maken, of ben ik dan toch minder? Mis ik dan toch een verleden en moeten katelingen alleen de hele geschiedenis overdoen? Denk jij er ook al zo over.” Randa keek zwijgend voor zich uit maar plotseling begon ze te glimlachen. “De hele geschiedenis, die wil ik wel samen met jou overdoen. Dan zijn we heel lang bij elkaar.” Dat was Randa, ook in de ernstigste minuten kon zij nog grapjes maken. Het was een reden voor Ramold om van haar te houden.” Toch bleef hij somber. “Ik ben bang dat het niet zover komt en het kont niet eens zover dat ik met de loop mee kan. Die vertrekt voordat ik uit dit hok weg ben.” Randa boog haar hoofd. Ergens diep in haar binnenste was ze blij dat Ramold niet weg kon. Die loop met al zijn risico’s en gevaren had ze helemaal niet zien zitten. Hoewel, bedacht ze nu. Misschien was die loop nog wel minder gevaarlijk dan het verblijf in de queerhaan. Wie weert wat voor barbaarse ideeën sommigen zouden krijgen over het lot van hun katelingse dorpsgenoot.
Het licht van Osme, de oude zon kroop langzaam boven de horizon uit. Het dal beneden zou nu al helemaal beschenen zijn. Demerbeen brak aan maar wat voor demerbeen! Elk jaar was de eerste dag van de zomer een feest geweest met volop warmte en licht van Osme als begeleiding. En nu, dit jaar, zou het een treurdag worden. Een dag om te treuren over de doden en de vermeende moordenaar. Er zouden ruzies zijn en twistgesprekken in plaats van zwempartijen naar Baalder. Families zouden van hun vrienden worden gescheiden door ruzies in plaats van de glooiritten waarin zij onderling om de eer streden. Dat was voorspeld in de duizenden pagina’s van de boeken van Hornich. “Als een bliksemschicht zal een kloof openbreken en het licht zal er in neerdalen om nooit meer terug te keren.” Het was niet een getuige maar het waren tientallen die al lang geleden zulke teksten hadden geschreven. Randa kende ze bijna allemaal uit haar hoofd. “Het licht zal in de gleuf van aarde en water verdwijnen”, ook zo’n tekst. Haar ogen kregen een wanhopige uitdrukking. Plotseling begon zij te begrijpen want Ramold haar al de hele tijd probeerde te zeggen. Oude waarden en gedachten zouden met de opkomst van deze Osme een kans krijgen.
“Je bent stil”, klonk Ramolds stem nu bezorgd. “Waar”denk je aan?”Randa durfde hem nauwelijks aan te kijken maar hij herhaalde zijn vraag iets dwingender. Deze keer stonden haar ogen vol tranen. “De Verhornich”, Ramold had moeite haar te verstaan maar hij begreep haar door haar blik en haar gebaren. Zwijgend knikte hij. “Het is nog niet te laat”, zei hij. “Er moet een bewijs zijn voor mijn onschuld. Let goed op de mensen die het goed met ons menen. Zij zullen je de sleutel geven voor een oplossing. Ga nu maar en slaap nog wat. Morgen wordt het een zware dag.” Randa knikte. “Morgen, zo meteen, ben ik er weer.” Ze wuifde met haar vingers van twee handen, een gebaar dat betekende “houd moed”. Met een bijna onverstaanbaar gemompel groette zij de lenderaar. Er begon een liedje uit haar jeugd in haar hoofd rond te zoemen, een liedje waarmee haar moeder haar ’s avonds steeds in slaap had gekregen. Met opgeheven hoofd liep zij naar buiten en de eerste stralen van Osme gaven haar zwarte haar glimmen. Licht nestelt zich ook in duisternis. Ramold zag het en ademde diep uit.
Warmtefront
Sikke was misschien niet de meest snuggere tamer van Mende maar wel snel en vooral heel trouw. Onafscheidelijk was het dier van zijn bazin Randa Telgenheert,. Terwijl zij op de akkers aan de rand van Aldemundt dwijne-aren sneed, gleed de tamer haast als een schaduw achter haar aan. Zijn gelijkmatige stap had hij waarschijnlijk te danken aan de zes poten onder zijn korte romp die elke onregelmatige beweging tegengingen. Soms draaide Randa zich even om en dan fluisterde zij haast “Sikke” en meteen, als vanuit het niets verscheen het trouwe dier achter haar. Zij keek niet eens verbaasd op toen ze hem deze keer niet meteen zag. Haar trouwe tamer zou haar niet in de steek laten, hij zou zeker aan de andere kant staan en nog een keer zei ze zijn naam. Deze keer kwam zij uit haar gehurkte houding tussen de dwijne-aren op. “Sikke”, riep zij nu wat harder, een beetje ongeduldig zelfs maar de lichtbruine kop met beige ogen dook nergens op tussen de witachtige planten. Misschien kon het dier haar niet goed vinden zolang ze verscholen zat achter de brede bladeren van de planten die ook nog eens grote, lichtbruine bessen droegen.
Ongerust keek zij om zich heen. Ginds boven zee pakten zich donkere wolken samen, de eerste zware regenbuien van het warme seizoen waren in aankomst zoals Randa al eerder had meegemaakt Zij maakte zich daarover niet al te ongerust want wolken zouden al vrijwel leeg zijn tegen de tijd dat zij Aldemundt zouden bereiken. De regens sloegen elk jaarweer hard neer op de hellingen aan de westkant waardoor er niets kon groeien. Elk zaadje dat er in het voorjaar wortel schoot, spoelde aan het begin van de zomer weer weg.
“Sikke”, riep zij deze keer harder met iets van wanhoop in haar stem en … werkelijk, tussen de ronde, rode huizen van Aldemundt verschenen de contouren van een tamer. Het dier kwam met zijn typische, zwevende bewegingen in ijltempo naar haar toe. Randa strekte haar armen opgewonden uit naar het dier dat nu nog harder door het landschap gleed. Een brede glimlach groeide op Randa’s gezicht maar haar mondhoeken gleden weer naarbeneden toen zij niet ver achter Sikke een man ontdekte. Ramold Barg. Die zou vast weer komen met een fantastisch verhaal, dat hij goed voor Sikke had gezorgd nadat hij het dier had gevonden, ver van zijn bazin vandaan en dat hij het dier nu terug kwam brengen. Ramold zat al een jaar achter Randa aan maar zij voelde niets voor zijn langdradige en vooral zelfbedachte avonturen, zijn zware dreunende stap en de steeds aanwezige lucht van gajem, het strootje dat zoveel Mendese mannen tot sigaret diende.
“Hallo Randa”, Ramolds stem klonk vrolijk maar tegelijkertijd was er een onzekere klank in zijn stem. “Sikke liep op de Haar rond te snuffelen, alleen. Ik dacht, ik zal hem even brengen.” “O hallo Ramold”, antwoordde Randa vlakjes. Ze hurkte bij Sikke neer. “Was jij alleen op pad, zo maar naar het midden van Aldemundt? En kwam je toen deze meneer tegen. Is dat echt waar”? vroeg zij zachtjes aan de tamer maar toch zo hard dat Ramold het kon horen. Ramold beet zich op zijn onderlip en keek doelloos om zich heen. “De zomer begint”, begon hij zwakjes. “De werolden zijn onderweg.” Hij wees naar de dikke, zwarte wolken die langzaam tegen de berghelling begonnen op te klimmen. Ineens kwam er een glimlach op zijn gezicht. Het naderende slechte weer zou wel eens zijn bondgenoot kunnen zijn. Over hoogstens zes uur zouden de wolken hun laatst druppels uitgieten over Aldemundt en dat bood de mogelijkheid om een schuilplek te zoeken en dan misschien … Hij schraapte zijn keel en daarmee riep hij al zijn moed omhoog. “Zullen we na de mandert een wandeling maken langs de Hanebrood?” Hij probeerde zijn stem zo luchtig mogelijk te laten klinken en hij zag zichzelf al met Randa de berghelling af en, heel langzaam, weer oplopen, schuilend onder de takken en bladen van de mondajen en de freek. Randa voelde hoe haar gezicht rood aanliep. “Zodat we kunnen schuilen onder de mondajen en de freek en zodat jij mij onverhoeds kunt zoenen zeker?” vroeg ze op spottende toon. “Nou, ja, daar … goed, ik hoor het al. Het gebeurt niet vanavond.” ”Niet vanavond en nooit niet, nog niet als de raak je komt halen”, deze keer klonk haar stem venijnig, bijna vijandig. Ramold draaide zich om. “Jammer, ik had het een mooi afscheid gevonden.”Deze keer had hij haar toch geraakt want Randa voelde onzekerheid in zich groeien, het kloppen van haar hart in haar keel werd voelbaar. “Afscheid”? vroeg ze in een slecht gelukte poging om haar nieuwsgierigheid te camoufleren. “Ja, ik ga voor lange tijd het dorp uit”, Ramold liet zijn stem nu expres losjes en onverschillig klinken. “En waarheen dan wel”? was Randa’s ongelovige reactie. Ga je naar aarde?”Ramold glimlachte. “Nee, zover ga ik niet. Over tien dwindlen ga ik mee met de expeditie van Berg Wamerhorn.” Tien dwindlen, dat waren twintig aardedagen! “Heeft hij je uitgenodigd?” De ongelovige klank in Randa’s stem had voor ieder ander geklonken als een belediging maar Ramold hoorde er alleen maar belangstelling en enthousiasme in. “Nee, ik heb me aangemeld en ik mag mee”, zijn ogen straalden. “En hoelang blijf je dan weg?” vroeg Randa weer. Ineens was de gedachte aan gajem en verzonnen verhalen verdwenen. “Dat weten we nog niet”, Ramold voelde zich nu belangrijk worden. “Het kan veertien dagen zijn maar ook een halfjaar. We gaan met 21 mannen en zes vrouwen, tenminste als er nog twee vrouwen bij komen.” Onderzoekend keek Ramhold haar aan. Randa voelde zich over haar hele lichaam trillen maar ze verried niets. “Nou, dan kom je niets tekort”, schoot er na een paar seconden uit. Ze schrok er zelf van en begreep meteen dat haar opmerking nergens op sloeg. Zes vrouwen en 21 mannen! “Moet ik de aren voor je dragen?” Ramolds stem verried niets van zijn gekwetstheid. Randa keek met een schuin oog naar de dikke stapel korenaren. “Dragen”, zenuwachtig begon ze te lachen. “Nee, nee, doe jij dat maar niet”, trilde haar stem ookal zag ze er tegenop de aren zelf naar het dorp te torsen. Ze mocht nu niet toegeven. Als Ramold haar aren zou dragen, zou hij denken … Zo wilde de traditie en in Aldemundt waren tradities en strenge regels nodig, zo had haar vader het keer op keer ingeprent. Niet dat ze het er nooit moeilijk mee had gehad maar … “Regels en traditie”? Ramolds woorden doorkruisten haar gedachten. “Waar is de oude Randa gebleven die ’s morgens vroeg met de jongens uit het dorp liever naar Baalder wilde zwemmen dan naar school te gaan?” Randa voelde zich rood worden. “Baalder, ja, ze was er vaak naartoe gezwommen ook al had haar vader, de Moden van Aldemundt, het verboden. Ze glimlachte verontschuldigend. “Kleine meisjes worden groot”, zei zij zachtjes. “Een de gevaren groeien mee.” Ze had een hekel aan zichzelf, vooral vanwege die laatste zin. Het klonk alsof ze haar moeder hoorde. “Kind, dat kun je niet doen, je bent de dochter van de Moden”! “Maar Ramold en Clijne doen het ook en Havan en Trido en … .”En toen had haar moeder haar gewaarschuwd. “Het zal de slechte invloed van Ramold zijn”, zei zij dan ernstig. “Het is een kateling en katelingen worden nooit wijs.” Eerst had ze die opmerking niet begrepen maar later legde haar moeder uit dat een kateling iemand was zonder geschiedenis. “Geboren aan boord van de Arketan”, die woorden klonken uit haar mond dan heel veel betekenend.
Ze hurkte soepeltjes bij de stapel aren neer en stond weer op. De vracht was zwaar maar hoe zwaar zou de band zijn met een kateling, een man die twee jaar jonger was dan zij zelf ook nog?
“Wat is jouw eerste herinnering”? plotseling vroeg zij uitdagend. Die uitdaging was vooral aan haar zelf gericht want ze verwachtte niet veel van het antwoord.
Ramold bedwong zijn neiging om een schop te geven tegen de steen die voor zijn voet lag. Altijd die vragen over het verleden! Hij wist maar al te goed dat het te maken had met zijn katelingschap. Maar toch, als Randa’s vraag oprecht bedoeld was, dan was dit zijn kans. “Een liedje dat mijn moeder zong. Het ging over een mannetje dat elke avond een blauwe ster zag aan de hemel en niets liever wilde dan er naartoe te klimmen. De blauwe ster glimlachte en er woonde een heel lieve fee. Het liedje eindigde met de zin. “En dat mannetje ben jij”. Randa keek zwijgend naar hem op. Een heuse herinnering! “En je tweede herinnering?”vroeg zij iets onzekerder. “Dat ik uit het patrijspoort van ons huis keek en heel in de verte de blauwe ster zag. Mijn moeder vertelde met toen dat zij daar geboren was.” “En ik ook”, Randa’s woorden klonken te triomfantelijk om vriendschappelijk te zijn. “En toch zien we nu allebei hoe uit de werolden de plensregens beginnen te vallen, hoe de zomer nadert en we weten allebei dat de dwijne-aren snel binnengehaald moeten worden.”Randa’s stem stokte even. Voor een kort moment wist ze geen weerwoord. Haar ogen richtten zich op de haast pikzwarte wolken waaruit zich nu de stortregens losmaakten die de rotsachtige hellingen aan de westkant van het gebergte geselden en die Baalder aan het oog onttrok. Ze keek ook naar de huizen, een ander dorp dan het groepje ronde, donkerrode huizen met hun platte dak had ze nooit gekend. Haar moeder had wel eens verteld over grote steden op aarde zoals Merkenborg met zijn anderhalf miljoen inwoners. Maar zij, Randa, kon zich daarbij niets voorstellen. Zij kende het dorpje en het daarvoor had ze tien jaar aan boord van de Arketan doorgebracht. ‘Dit is mijn wereld’, waren de woorden die zij in haar hoofd steeds weer hoorde. Zij begon langzaam te lopen ion de richting van Aldemundt. Even leek ze te struiken maar daarbij pakte ze Ramolds mouw. “Ik zou willen dat er veel meer was dan Aldemundt”, ze glimlachte naar Ramold. “Iets drukkers, meer leven… .” Ze huiverde. “Stel je voor dat we de enigen zijn op deze planeet. Het maakt me bang, die eenzaamheid.”
Ramold weerhield zich ervan om zijn arm om haar schouders te slaan. “Alleen, eenzaam”, zei hij langzaam. “Dat zijn we allemaal. Het valt minder op als je samen eenzaam bent.” Naast elkaar liepen ze nu naar het dorp. De regen plensde nog steeds neer op de kale hellingen aan de westkant. Het zou nog een paar uur duren voordat een dunne regen boven Aldemundt en haar akkers zou losbarsten. En morgen, morgen was het Demerbeen, het begin van de zomer. Een feest!
De grote zaal van de tempel zat vol. Heel Aldemundt had zich verzameld rond een grote, lege plek in het midden, mannen en vrouwen door elkaar. De mannen droegen hun zwarte, rode of gele getailleerde, halflange jassen en iets poffende broeken in dezelfde kleur. Daaronder hadden ze witte hemden die nauw om de hals sloten en aan hun voeten zwarte schoenen met opkrullende puntneuzen. De schoengespen waren mooier opgepoetst dan op andere avonden want op Demeravond wilde iedereen er op zijn beste uitzien. De vrouwen droegen witte, beide of lichtblauwe jurken met een zilver- of goudkleurige centuur, een sjaal in dezelfde kleur, lange oorhangers van zilver, goud en een lichtgele, doorschijnende steen die bekend stond als kamilix. Randa zocht haar vriendinnen Tiami, Faria, Aquia, Bonara en Syfa. Voor zij zich bij hen voegde, wilde zij eerst zien hoe zij reageerden toen zij met Ramold binnenkwam. Ze zagen haar niet, ze lachten en praatten. Ramold aarzelde niet. Hij schoot zo snel hij kon naar zijn vrienden die in een cirkel bij elkaar zaten. “Laatkomer”, bromde Fode spottend. “Op de loer gelegen tussen in het dwijneveld? Nog steeds op jacht naar Randa?” Belber, de oudste van de vriendenclub zweeg grijnzend terwijl Thibon zijn neus ophaalde. “Heb je haar al eens … een worst in de dwijne gelegd?” Ramold voelde zich boos worden maar hij had geen zin in ruzie. “Ze zal me toevallen als een rijpe zarzak”, fluisterde hij zodat zijn vrienden het nog net konden horen. “En net zo sappig smaken”? vroeg Fode weer, “de dochter van de Moden? Dat is wel een heel vette prooi voor een kateling.” Ramold haalde zijn schouders op. “Zullen we het over iets anders hebben?” Hij had geen zin in ruzie met zijn vrienden en al helemaal niet op Demeravond. Vanavond hoopte hij tijdens de Demerdans aan Randa te laten zien wat hij kon. “We mogen even onze mond houden”, kwam Belber ertussen. “De Moden is in aantocht,”Hij wees op het gordijn achterin de tempel dat nu opzij werd geschoven. Moden Paup Telgenheert kwam met grote, snelle passen dichterbij. Zijn gezicht zelfverzekerdheid en daadkracht uit, hij was zich bewust van het belang van het moment en dat mocht ook van een Moden worden verwacht. Demeravond was het op een na belangrijkste feest van Aldemundt. Op het moment dat hij de ronde zaal betrad, stopten de gesprekken. Sommige mensen braken hun zin halverwege af en richtten hun blik op de burgemeester, de man die voor, tijdens en na de reis met de Arketan zoveel mensen een hart onder de riem had gestoken en steeds weer de kracht had gevonden om verder te gaan.
Hij begon meteen te spreken, niet hard maar duidelijk verstaanbaar tot in de verste rijen achter in de zaal. “Vermogende Aldemundters”, het was de normale aanhef voor ene grote groep mensen die de ontberingen en uitdagingen van de kolonisering van Mende hadden uitgevoerd en voortgezet. “”De Werolden zijn teruggekomen, precies op de behn die we hadden gedacht. Professor Wamerhorn heeft de komst tot op de akta nauwkeurig vastgesteld, een prestatie die we van hem mochten verwachten. Ik kom net van buiten en ik kan u vertellen dat de eerste druppels sinds vijftien akta op onze graanakkers neerdalen. Onze graanakkers die trots gevuld zijn met onze eigen granen dwijne, gombert, allach, frees en merkelbaert. Onze granen die zo anders zijn dan de granen van de aarde en die de Mendese grond heeft voortgebracht uit tarwe, gerst, rogge, haver en rijst. Zo anders, zoals alles anders is hier, dan op aarde. Velen van ons weten het zich te herinneren en velen hebben er geen weet van maar we plukken er allemaal, letterlijk, de vruchten van. En nu, bij onze twaalfde demeravond, staan nieuwe, grootse avonturen voor de deur. Eenentwintig van onze mannen en vrouwen gaan dit jaar voor het eerst een retourreis ondernemen naar aarde onder leiding van Paup Groeffen Zij offeren meer dan twee kedachronen van hun jaren om op aarde te presenteren wat onze successen zijn. Een reis van meer dan twintig aardse jaren. Dat vergt moed en vastberadenheid en dat zijn eigenschappen die met Aldemundt zo verbonden zijn als Hornich met ons allen. En ook eenentwintig mannen en vrouwen gaan op reis op onze nieuwe planeet want professor Wamerhorn vertrekt over twee dwindlen met twintig jonge Aldemundters op reis, op zoek naar de zuidkust van ons continent en nieuwsgierig naar alles wat zich tussen ons en die kust bevindt. Zij zullen niet tweemaal een kedachroon onderweg zijn maar hun loop zal er niet minder om zijn.
Dat wij in staat zijn om tweeenveertig dappere Aldemundters op stap te laten gaan hebben we te danken aan twaalf chronen van proberen, vechten en winnen. Dat hebben wij aan onszelf te danken en natuurlijk aan de steun van Hornich. Om hem te danken en hulp te vragen bij onze nieuwe ondernemingen, laat ik graag het woord aan usker Breemhoor.”Wij zien elkaar weer bij de demerdans.”
Niemand sprak een woord, ook het groepje jongemannen rond Ramold niet. Respect voor de Moden en voor de usker liet hun zwijgen. De usker van deze avond was Ramold Breemhoor, die de meesten kenden als tandarts. De lange man stond lenig en vlot op van zijn stoel en zag de zaal rond. “Mende betekent “hoop” en mijn hoop is het dat we die hoop allemaal nog in ons voelen, aardlingen, katelingen en mendlingen. Voor mij was het de hoop om mijzelf beter te leren kennen aan de hand van de heel nieuwe kansen die ik kreeg. Het is me helder geworden, wie ik ben. Meer dan op aarde heb ik mijzelf leren kennen en ik ben Hornich, de Weg, dankbaar dat hij me tweeenhalve kedachroon geleden heeft geholpen om die stap te zetten. Het was een stap. In Helen was ik een succesvol wetenschapper, met vrouw, zoon en dochter en nu zijn ze nog steeds allemaal om me heen. Nooit hebben ze me tegengehouden. Tot en met de twaalfde werolden trouw aan mij en onze gezamenlijke hoop. Een hoop die is uitgekomen.” Hij zweeg en liet zijn blik gaan over zijn dorpsgenoten. “En ik hoop dat u me dat allemaal kan nazeggen.” Zijn ogen bleven rusten op Weemer van Hornhaaf. Heel even, de mannen wisselen een blik uit en Ramold schrok. Hij zag, hij zag afwezigheid in de ogen van de ander. En Weemer schrok, hij zag het inzicht in Ramolds ogen. “Allemaal”, herhaalde hij aarzelend. “Wij vinden onze hoop toch allemaal in het prachtige lied “Over Hornich naderen de werolden opnieuw”. De usker gaf een teken aan het orkest dat achter hem klaar zat: een strijker met zijn vatar, een pianist met de mendepiano, weer een strijker met zijn liodin, twee blazers met een tander en een wreksch voor de ritmische ondersteuning. Geen electronica, geen computerinstrumentarium maar echt handwerk waaruit ook foute tonen konden klinken want “zoals niet de mooiste vrouw het meest aantrekkelijk is, zo is ook de zuiverste toon niet echt geliefd”. Het orkest zette in en de usker liep achteruit naar zijn stoel, ondertussen uit volle borst meezingend. Opnieuw lette hij op Weemer maar deze zong minstens zo overtuigd mee als Ramold zelf. En ook de jongeren, de katelingen en de mendlingen, er klonk een groot slepend en melodieus gezang. Niemand vond de zes coupletten van het Weroldenlied te vermoeiend. Het werkte zelf heel anders. De energie van de jongens en de meisjes nam alleen maar toe en de jongens begonnen verlangend naar hun uitverkoren vrindinnen te kijken. Nog scherper keken zij toen het orkest de eerste tonen van een ralka inzette, een Mendse-dans die al aan boord van de Arketan bekend was. Traag sleepten zich de eerste tonen voort maar de jongens, vrouwen, mannen en kinderen repten zich naar de dansvloer. Zij stelden zich op in lange rijen en zorgden ervoor dat hun meete geliefde dichtbij was. De jongens tegenover de meisjes en de kinderen aapten dat na. In langzame bewegingen probeerden zij duidelijk te maken wat zij de anderen wilden vertellen en die bewegingen werden steeds sneller. Ze draaiden rond, maakten sprongen, hurkten en maakten koprollen. Tussen door zonden ze boodschappen uit met hun handen, mond, ogen en zelfs oren. Ja, er was geen Mendling die niet zijn oren kon bewegen. De muziek zweepte ze op. De jongens vormden nu een kring en zij scheeuwden het lied uit : “Moe Mende wos na hie”(Mijn hoop ben jij). Zij trokken hun jassen van hun lijf en wierpoen die op een grote stapel, de demerberg die een rol zou gaan spelen aan het eind van de avond. Hun glimmende bovenlijven maakten het nog beter mogelijk om met elke beweging hun gevoelens te uiten. De usker reed nu een rollende tafel met een vuurtoorts en een fles zafyr binnen. Zafyr was een drank die haast niemand ooit kreeg, alleen de oudste mannen namen wel eens een kleine beker ervan op een vrije dag. De rest van de drank bewaarden de Aldemundters in vaten voor feesten en vooral voor de demeravond. De meisjes rekten hun hals. Zou het hun favoriete jongen zijn die met een mond vol zafyr vuur ging spuwen? De muziek speelde door en de kring van jongens draaide in cirkels steeds dichter naar de tafel toe. Weg! De muziek stond stil en een kluwen van jongens wierp zich op de zafyr en het vuur. Een tijdlang was er alleen een worsteling maar dan dook onderuit de groep Ramold op met een mond vol drank en de toorts in zijn handen. Hij aarzelde niet. Dit was zijn kans om zijn favoriete meisje te vragen. Een hoge vlam die bijna het plafond van de tempel raakte, spoot uit zijn mond omhoog en alle meisjes zongen luidkeels: Ze wos on ramoen., Jij bent de kampioen!” In een paar sprongen was Ramold deze keer bij Randa. Hij greep haar om haar middel en wervelde in grote cirkels over de vloer. Het meisje had nauwelijks kans om zich te realiseren wat er gebeurde. Ze liet zich meevoeren want Ramold was sterk, handig en een snelle danser! Zij voelde zich zweven, voortgedreven door zijn benen en armen. Heerlijk, dit was demeravond.
Nu begonnen ook de andere jongens en meisjes de dansvloer te vullen en daarna volgden de ouderen met hun man of vrouw. Ook de Moden danste mee maar met een oog hield hij zijn dochter in het oog en wat hij zag, beviel hem niet. Ramold zette de fles zamyr aan zijn mond, nam een slok en kuste daarna zo lang mogelijk de mond van Randa. Daarna gaf hij het meisje een slok. Dat was nog allemaal niet het ergste, het behoorde tot het recht van de Ramoen. Het was meer het gezicht van Randa. Zij straalde geluk uit terwijl de jongen haar steeds dichter naar de ingang van de tempel toe wervelde. Natuurlijk hadden aardlingen, katelingen en mendlingen gelijke rechten. Maar toch, de Moden had zijn dochter liever in de armen van een aardling gezien. Hij bleef het paar volgen totdat zij in twee snelle kringen de deur van de tempel uit dansten. “Je danst beroerd”, mopperde Feya, zijn vrouw. “Let toch niet zo op die kinderen, het is hun feest.””Het is meer dan een feest”, zei de Moden beslist. “Het is een furene.” Een bruiloft? Feya glimlachte. “Je zoekt wel erg snel overal iets achter. Kop op, het is demeravond. Laat dit feest niet verpesten door je eigen norse gedachten.” De Moden schudde zijn hoofd. “Geen norsheid, meer een teleurstelling.”
Het orkest zette het volgende stuk in. Nog wilder en vuriger dan het vorige. De hoge tonen van de liodin gilde nu boven de ondertonen van de andere instrumenten uit. De mensen zongen mee en probeerden de hoge klanken te volgen. Ondertussen grepen zij de bekers die op een lange tafel stonden, bekers met zafyr. Ze klonken met elkaar en soms klotste het vurige vocht boven de bekers uit. Ze lieten hun partners losten en kozen een ander, dansten door en lieten een tweede beker zafyr door hun keel glijden. De muziek werd nu langzamer en de Moden en zijn vrouwe kozen een stoel langs de kant van de dansvloer. Lachend keken zij naar hun dorpsgenoten maar de Moden voelde zijn mondhoeken soms naar beneden glijden. Een kateling!
De kateling en zijn verovering zaten inmiddels buiten vlak voor de deur van de tempel. Hij zag haar prachtige, donkere lokken, haar blanke huid, haar stevige borsten en het kostte hem moeite om haar woorden te verstaan. “Ramoen”, lachtte zij. “Kan ik nu je dwijne-aren dragen
?” vroeg hij ernstig maar het meisje schudde haar hoofd. “Dwijne-aren dragen?” Ze proestte het uit. “Hoe kom je erbij?”Even voelde Ramold zich teleurgesteld maar dat kon niet lang duren. Zij keek hem met stralende ogen aan. “Jij moet mij heel Mende laten zien totdat ik voor goed mijn ogen sluit omdat ik genoeg heb gezien.” Ramold durfde nu voor het eerst een arm om haar schouders te slaan maar hij liet ook meteen weer los en Randa hoefde niet eens om te kijken om de reden daarvoor te raden. Een groep van vijf jongens strompelde door de ingang van de tempel naar buiten. “De usker zei …”, lalde een van hen maar daarna hield hij op. De rest van de zin wilde hem maar niet te binnen schieten “De usker zei, en de usker zei”, zong zijn vriend Paup Loggen luidkeels. “De usker zei, dat de usker zei”, hij hield zich met moeite vast aan zijn kameraad. Vooral omdat hij bijna omviel van het lachen. “Wij hebben een beetje zafyr gedronken”, loeide Warmen weer. “En meteen, ik zei: meteen, moesten we de tempel…pel uit. “Snap jij dat nou?” Hij greep Ramold bij een punt van zijn kraag vast. “Ik snap er niets van, geen raak, geen tamer, geen Moden, geen usker, snap ik er van. Hij gierde het uit. “Geen Moden, geen Moden en geen Moho-den!”zong hij lallend op de meloidie vann het Aldemundter lied. Hij lachte hard en schor en waggelde naar Ramold toe. Hij bleef met zijn gezicht vlak voor Ramolds ogen staan. “He, Ramoldje, lach ook eens. Kan je niet lachen?” Weer bulderde hij het uit maar het lachen ging over in een hoestbui en een rochel. “Lach dan, je hebt toch zo’n lekker ding versierd? Die kliene van de Moden. Mag jij daar wel aankomen, kateling.”Nog reageerde Ramold niet. Hij probeerde niet naar Warmen te kijken maar die pakte hem bij zijn neus en trok er hard aan. Wie teveel zafyr heeft gedronken, is voor een verstandig woord niet meer bereikbaar, dacht Ramold nog maar hij voelde hoe zijn bloed begon te koken. Hij had geen zin in vechten maar ook zijn geduld zou een einde hebben, hij voelde het. Woedend keek hij zijn plaaggeest aan maar die voelde zich daardoor juist aangemoedigd. “He, ellendige kateling”, schreeuwde Warmen. “Zeg nou eens wat, snap jij er nou iets van? Kateling, kateling”, joelde Warmen opnieuw en dat was net een keer teveel. Ramold sprong overeind. Hij zou er in een keer een eind aan maken. Warmen moest zijn bek houden. Stil zijn! Met zijn hoofd vooruit rende hij op Warmen af en met een harde klap belandde zijn schedel in de maag van de scheldende dronkeman. De dronkaard klapte dubbel en kotste zo hard dat een straal met een hoorbare klap op de aangestampte aarde kwakte. Hij viel voorover in zijn eigen vuiligheid. Hij bloedde aan zijn hoofd en een hevige siddering ging door zijn hele lichaam. Doodstil lag hij met zijn gezicht naar beneden en … zelfs zijn vriend Paup ging onderuit. Met een klap viel hij naast zijn Warmen neer.
Verbijsterd viel Ramold op zijn knieen. Hij voelde de polsen van de beide jongens en luisterde scherp. Er klonk zelfs geen ademhaling meer. In paniek beukte hij met zijn vuisten op de grond en schreeuwend stond hij daarna op om de tempel binnen te rennen. “Een arts, een arts”, gilde hij. “Daarbuiten…”Zijn arm wees als een wegwijzer naar buiten. Toen zakte ook hij door zijn knieen. Randa wees de mannen huilend de weg. “Een ongeluk, een ongeluk”, schreeuwde zij steeds weer. Zij bleef heen en weer rennen tussen de jongens buiten en Ramold totdat ze bij hem op de grond ging zitten. “Je wordt weer beter”, fluisterde ze in zijn oor. Het gaat heus beter met je”. “Beter”? vroeg hij. “Het is mijn schuld toch?” “Jouw schuld?” Randa zweeg even. Het was nog niet eerder voorgekomen in Aldemundt dat twee mensen elkaar bijna of helemaal dood hadden geslagen. De Aldemundters waren zich er altijd bewust van geweest dat ze elkaar nodig hadden. Geen vechtpartijen onder elkaar, dat was ook altijd een uitspraak van haar vader geweest. Ze wist ook helemaal niet hoe dit zou aflopen. Zou er een rechtbank komen? Moest Ramold zich verantwoorden? Waarschijnlijk wel. Haar hele lichaam begon te trillen. Ze voelde zich kwaad over de beledigingen die de andere jon gens over Ramold hadden uitstort. Maar ja, had hij niet beter moeten weten? “Word eerst maar gauw beter”, ze kon het alleen maar fluisteren. Haar stem was zwak door haar onzekerheid en ze voelde zich misselijk worden. “Eerst beter worden”, zei ze weer en ze streek met een hand door zijn haar. Haar stem ging onder in het geluid van de menigte die nu de tempel uitstroomde. De mensen zeiden niets maar hun voetstappen klonken als het gedreun van een kudde bisons. De ouders van Warmen en Paup liepen voorop. Toen ze Ramold en Randa op de grond zagen zitten, schreeuwden ze pas. “Moordenaars! Mijn zoon”, gilde Warmens moeder. Ze stortte zich op haar knieen naast Warmens lichaam.
Fode, Thibon en Belber kwamen nu bij Ramold en Randa staan. “Je hebt hem goed te pakken gehad, of liever hun allebei”, Fode’s stem klonk alsof hij er zelf wel op los zou willen slaan. “Warmen en Paup zijn allebei dood”, die laatste woorden zei hij met een wat vlakkere stem. “Ze waren je ook wel flink aan het uitdagen.” ”Dood, allebei dood”? Randa’s stem klonk verslagen maar ook verbaasd. Wat zou er nu met Ramold gebeuren en hoe kon het dat Paup dood was? Ramold had hem niet aangeraakt. Daar moest een andere reden voor zijn! Ze voelde tranen in haar ogen opkomen. “Hoe kan dit nou, Ramold, dood.” Ze dook met haar hoofd tegen zijn borst en bleef daar liggen, ook toen ze zijn hand op haar schouders voelde. “ Ik wilde het niet maar ze moesten ophouden met schelden.”
“Laat mij er eens even bij”, een bevelende stem klonk boven haar. Ze keek om en daar stond Weemer van Hornhaaf. “Ik moet hem onderzoeken.”
Randa stond op. In het midden van de tempel zaten haar vader met de moderaal en de lenderaar te praten. Hoog overleg! Ze zag de ernstige gezichten en de intensieve gesprekken. Haar vader schudde vaak zijn hoofd en mengde zich dan meteen opnieuw in het gesprek. De moderaal gebaarde wild en Randa probeerde zijn woorden op te vangen. In de queerhaan? Wilden ze Ramold in de queerhaan stoppen en hoelang dan? Stapje voor stapje ging ze in de richting van de drie mannen.
“We hebben dat in twaalf jaar tijd nog maar twee keer eerder gedaan. Een keer toen Fode Heender zijn buurvrouw had lastig gevallen en een keer omdat Bidder Hombarg dwijne-aren voor zichzelf had weggestopt”, merkt de Moden op. “In beide gevallen waren ze weer na een week op vrije voeten. We konden ook niemand missen. De schande was genoeg straf voor die jongens. “Ja, misschien wel”, kapt de moderaal hem af. “Maar deze keer zijn er twee jongens vermoord. We moeten streng ingrijpen anders gaan de mensen denken dat zeer altijd met een kleinigheidje vanaf komen. “Geen wraak maar herstel”, bracht de Moden daar tegenin. “Zo is het in Helen altijd geweest en zo wil ik het graag houden. Straf mag geen vergelding zijn. Ik sta voor rechtvaardigheid en ik weet dat Ramold geen slechte jongen is.” “O, en vind je het dan zo mooi dat zo’n kateling probeert je dochter in te palmen?” De moderaal kijkt de Moden scherp aan. “Een moordenaar misschien wel.”De Moden springt overeind van zijn stoel. “Een kateling, ja, een jongen die aan boord van jouw ruimteschip is geboren. Weet je nog hoe je zelf de eerste baby aan boord van de Arketan begroette. Wat was je trots!” “Dat was toen”, brult de moderaal kwaad. “Nu is alles anders, de mensen denken anders en daar moet je rekening mee houden.” ”Ja zeker”, valt de Moden hem in de rede. “Er zijn hier honderd katelingen, dat is een op de vijf Aldemundters. Wil je die allemaal tegen je in het harnas jagen? Kateling of niet, iedereen zal hier de kans krijgen gelukkig te worden.” “Daar gaat het niet om”, moppert de moderaal. “Het gaat om het geluk van het hele dorp.” De stem van de Moden klinkt nu schamper. “Ja, ja en dat geluk bereik je door de katelingen uit te sluiten. Denk je dat nu heus?”.
Randa voelt haar hart sneller kloppen. Haar vader komt op voor Ramold en de andere katelingen! Voor het eerst heeft zij respect voor hem en zijn werk. Hij is geweldig. Nu zal het goedkomen met Ramold. Hij gaat vast niet naar de queerhaan! Bij die laatste gedachte voelt zij toch wat twijfel omhoog komen want haar vriendje is de schuld van de dood van twee mensen.Dat kan toch niet zo maar …? Ze voelt een hand op haar schouder. Het is Weemer van Hornhaaf. “Ik heb slecht nieuws en ook een beetje goed”, zegt hij. “Die jongens zijn allebei dood. Ramold heeft een shock. Hij denkt dat hij ze heeft vermoord maar ik weet het niet zeker. Heeft hij alleen Warmen geraakt of ook Paup?” Randa schudt verward haar hoofd. “Ik weet het niet meer precies, ik snap er niets van. Het is allemaal zo snel gegaan.” ”Denk goed na”, waarschuwt Weemer. “Hert is belangrijk voor Ramold. Ik denk trouwens wel dat de moderaal hem in de queerhaan zal stoppen maar misschien kan hij er weer heel snel uit zijn.. Denk goed na.” Het meisje buigt haar hoofd en staart naar de grond en knijpt haar ogen heel stijf dicht. Dat is de beste manier om de tranen tegen te houden en het helpt haar bij het nadenken. “Ik weet het niet meer”, herhaalt ze en ze stampt op de grond. “Denk goed na”, herhaalt Weemer. “Misschien weet je het morgen weer. Ik ben helemaal niet zeker dat Ramold schuldig is. Ik weet niet wat er wel is gebeurd maar er is iets raars… Iets dat ik niet kan verklaren.”
De tempel was nu helemaal leeg. In het hele dorp stonden kleine groepjes mensen te praten. Randa hurkte opnieuw bij Ramold neer. “Je moet opstaan en met me meegaan”, ze probeerde haar stem nu zo opgewekt mogelijk te laten klinken. “Dat zal helaas niet gaan”, achter haar kwam de moderaal met grote stappen dichterbij. “Ik ben bang dat Ramold enige tijd in de queerhaan moet doorbrengen. We moeten nadenken wat er met hem moet gebeuren.” Hij gaf de lenderaar een teken en deze pakte Ramold nu beet om hem. “Kom jongen”, zei hij. “Maak het me niet te moeilijk.” Ook de Moden kwam nu dichterbij. Hij keek zijn dochter aan. “Het spijt me.” Hij sloeg zijn arm om haar schouder. Het was lang geleden dat hij haar zo had beschermd. Misschien wel te lang geleden. Randa dacht dat ze in een stevige huilbui zou uitbarsten maar dat gebeurde niet. Haar ogen bleven droog. Nee, zelfmedelijden zou geen kans krijgen. Voorzichtig maakte ze zich uit de armen van haar vader los. “Als hij naar de queerhaan gaat, dan ga ik mee”, riep ze en ze holde achter de lenderaar en Ramold aan. De lenderaar draaide zich half om. “Je bedoelt het vast goed”, zei hij zachtjes. “Maar het kan niet. Ik kan niet iemand zo maar in de queerhaan opsluiten. “Ik ga mee”, riep Randa weer en ze volgde de beide mannen.
De queerhaan was ingericht in de grot die in het midden van Aldemundt lag. Het wasx een armzalig onderkomen waar weinig licht binnenkwam. Drie getraliede hekken scheidden een deel van de grot af. Achter elk hek was een kleine ruimte, omgeven door tralies en steen. Op de grond lag een laag aren van frees, de meest zachte korenaren van Mende. “Ik zal je naar de voorste queerhaan brengen, daar is het meeste licht”, zei de lenderaar zachtjes. “Ik hoop echt dat dit allemaal goed zal aflopen. Het is zo’n smet op ons dorp. We hadden het geod en vredig en nu … Het zal best goedkomen” “Weet je wel wat die jongens allemaal tegen hem riepen en wat ze deden?” klinkt Randa’s stem schril. De leneraar schudt zijn hoofd. “Nee, ik hoef het niet te weten en ik wil het weten. Het is allemaal zo … “ “Je moet het wel weten”, bij die woorden stampvoette Randa opnieuw. De lenderaar keek haar verschrikt aan terwijl hij het hek van de queerhaan opendeed. “Ren, Ramold, ren”, riep Randa maar de jongen schudde zijn hoofd. “Het heeft geen zin, waar moet ik heen?” Randa gooide haar hoofd naar achteren. “Er is hier een hele planeet en meneer weet niet waar hij heen moet.” Het was al te laat. De lenderaar duwde Ramold naar binnen en sloot het hek af. “Vervelend, nu moet ik hier vannacht ook blijven. Misschien kunnen een paar lenderingen me aflossen. Dat is belangrijk, niet omdat hij zal weglopen maar om hem te beschermen”, zei hij tegen Randa. “Ik zal ze een wix sturen en vragen of ze even hier komen voor overleg.” “Hij werd uitgedaagd, gepest en
vernederd. Ze zaten aan hem te trekken en te duwen want ze hadden wel een vat zafyr weggewerkt”, Randa’s stem klinkt verontwaardigd. “Het was een ongeluk en … “ “Ga nou naar huis”, de stem van de lenderaar klonk vriendelijk maar ook dwingend. “Nee, nee, nee”, begon Randa weer. “Hoe ging het nou toch ook weer, ik ben helemaal in de war. Hij heeft alleen maar Warmen aangeraakt”, zei ze ineens. “Ik weet het zeker. Hoe kan het nou toch. Waarom is Paup dan ook dood? Dat kan toch niet?” De lenderaar haalde zijn schouders op. “Ga eerst slapen, morgen … “Nee, nee”, lachte Randa bitter. “Morgen is het echt niet beter. Dit gaat niet zo maar voorbij. Ik moet denken, ik moet … Ze voelde hoe er moed in haar lichaam vloeide, het was een warme stroom. Ze rechtte haar rug en keek de lenderaar triomfantelijk aan. Zwijgend draaide zich om naar Ramold. Ze stak haar hand tussen de tralies door en raakte zijn haar aan. “Je bent weer vrij voordat je het weet”, glimlachte ze. “Ik ga je helpen. En een ding, lieve Ramold. Je mag niets bekennen. Zeg niet dat het jouw schuld is, nooit.” Ramold haalde zijn schouders op. “Dit is in Aldemundt nog nooit gebeurd”, Randa. “De lendering en je vader hebben geen idee hoe ze dit moeten aanpakken. Vroeger misschien, in Helen, toen was alles duidelijk maar nu. Er zijn geen boeken, geen wijze rechters, geen prins, niemand. Er is alleen de Moden en er is de wraakzucht van de ouders van Warmen. Misschien laten ze het me mel uitvechten met een mes of een zwaard of misschien een knots. Ging het vroeger ook niet zo? En was het dan niet de god die besliste. “Een Godsoordeel”, fluisterde Randa, “maar dat is belachelijk, dat is van heel lang geleden. Toen had nog nooit iemand van Mende gehoord en zelfs niet van de planeet. Bacchus. Er was toen nog een God die alles bestierde en iedereen aan zich had onderworpen. Maar vergis je niet, de Hornich heeft ons al zolang bevrijd. Die zal ook nu meetellen, we zijn toch geen oermensen meer?” Ramold glimlachte, “Hier zijn we oermensen, Randa, hier op Mende zijn we nog maar net begonnen dezelfde fouten te maken als op aarde, kijk maar hoe de mensen naar ons, katelingen, kijken.” “Je bent bitter”, antwoordde Randa maar ze kon maar met moeite haar tranen binnenhouden. “Waarom zouden we dezelfde fouten maken als tienduizend jaar geleden? Je hebt nu toch te maken met mijn vader en de moderaal, misschien is de lendering wel haatdragend maar hij beslist toch niet alleen?” Ramold glimlachte. “Ik heb toch ook dezelfde fout gemaakt? Ik ben toch ook weer woedend geworden en ik ben begonnen met vechten? Waarom zou een ander niet ook weer fouten uit de oertijd maken, of ben ik dan toch minder? Mis ik dan toch een verleden en moeten katelingen alleen de hele geschiedenis overdoen? Denk jij er ook al zo over.” Randa keek zwijgend voor zich uit maar plotseling begon ze te glimlachen. “De hele geschiedenis, die wil ik wel samen met jou overdoen. Dan zijn we heel lang bij elkaar.” Dat was Randa, ook in de ernstigste minuten kon zij nog grapjes maken. Het was een reden voor Ramold om van haar te houden.” Toch bleef hij somber. “Ik ben bang dat het niet zover komt en het kont niet eens zover dat ik met de loop mee kan. Die vertrekt voordat ik uit dit hok weg ben.” Randa boog haar hoofd. Ergens diep in haar binnenste was ze blij dat Ramold niet weg kon. Die loop met al zijn risico’s en gevaren had ze helemaal niet zien zitten. Hoewel, bedacht ze nu. Misschien was die loop nog wel minder gevaarlijk dan het verblijf in de queerhaan. Wie weert wat voor barbaarse ideeën sommigen zouden krijgen over het lot van hun katelingse dorpsgenoot.
Het licht van Osme, de oude zon kroop langzaam boven de horizon uit. Het dal beneden zou nu al helemaal beschenen zijn. Demerbeen brak aan maar wat voor demerbeen! Elk jaar was de eerste dag van de zomer een feest geweest met volop warmte en licht van Osme als begeleiding. En nu, dit jaar, zou het een treurdag worden. Een dag om te treuren over de doden en de vermeende moordenaar. Er zouden ruzies zijn en twistgesprekken in plaats van zwempartijen naar Baalder. Families zouden van hun vrienden worden gescheiden door ruzies in plaats van de glooiritten waarin zij onderling om de eer streden. Dat was voorspeld in de duizenden pagina’s van de boeken van Hornich. “Als een bliksemschicht zal een kloof openbreken en het licht zal er in neerdalen om nooit meer terug te keren.” Het was niet een getuige maar het waren tientallen die al lang geleden zulke teksten hadden geschreven. Randa kende ze bijna allemaal uit haar hoofd. “Het licht zal in de gleuf van aarde en water verdwijnen”, ook zo’n tekst. Haar ogen kregen een wanhopige uitdrukking. Plotseling begon zij te begrijpen want Ramold haar al de hele tijd probeerde te zeggen. Oude waarden en gedachten zouden met de opkomst van deze Osme een kans krijgen.
“Je bent stil”, klonk Ramolds stem nu bezorgd. “Waar”denk je aan?”Randa durfde hem nauwelijks aan te kijken maar hij herhaalde zijn vraag iets dwingender. Deze keer stonden haar ogen vol tranen. “De Verhornich”, Ramold had moeite haar te verstaan maar hij begreep haar door haar blik en haar gebaren. Zwijgend knikte hij. “Het is nog niet te laat”, zei hij. “Er moet een bewijs zijn voor mijn onschuld. Let goed op de mensen die het goed met ons menen. Zij zullen je de sleutel geven voor een oplossing. Ga nu maar en slaap nog wat. Morgen wordt het een zware dag.” Randa knikte. “Morgen, zo meteen, ben ik er weer.” Ze wuifde met haar vingers van twee handen, een gebaar dat betekende “houd moed”. Met een bijna onverstaanbaar gemompel groette zij de lenderaar. Er begon een liedje uit haar jeugd in haar hoofd rond te zoemen, een liedje waarmee haar moeder haar ’s avonds steeds in slaap had gekregen. Met opgeheven hoofd liep zij naar buiten en de eerste stralen van Osme gaven haar zwarte haar glimmen. Licht nestelt zich ook in duisternis. Ramold zag het en ademde diep uit.
Service
www.dossierx.nl/content/view/502/61/
v