Posted by: politiek | mei 18, 2008

De nieuwe kans

maan

In het begin had A’akane nog vertrouwd op de stem van Kalams vader maar hoe langer haar aanwezigheid in het dorp van de Vogelgrijpers duurde, des te minder kreeg zij die stem te horen. Ze had begrepen dat ze meer op haar eigen waarneming en inzichten moest afgaan.

Het duurde niet lang of A’akane had begrepen dat Amtros’ vrouw de baas was in huis. Ja, de Vogelgrijpers hadden haar herkend als vrouw van Kalam en ze hadden haar een plekje bezorgd in het huis van Amtros. Ze haalde water uit de rivier, leerde het eten te koken en bediende Amtros’ vrouw en haar vriendinnen. “Mefista” leek haar naam te zijn en bijna elke dag kwamen vrouwen uit de het hele dorp van de Vogelgrijpers naar haar toe. Dan spraken ze uren lang in een taal die A’akane niet begreep maar zij zag wel de gezichten. Vooral als zij de dranken binnen bracht, die zij van tijd tot tijd ook stiekem proefde. Vriendinnen? Nou, het leek A’akane niet dat het allemaal vriendinnen waren.   

Van tijd tot tijd sprak zij erover met M’aga en Toat’, twee  vrouwen waarmee zij in de loop van de grote tocht steeds meer contact had gekregen. M’aga heette eigenlijk M’aga Asok, zij was de dochter van een grootjager maar Toat’ was van oorsprong een vrouw uit de buitenste kring en A’akane had haar naam bedacht.”Toat’”  betekende “de slinkse”. Dat klopte ook wel want Toat’ zag altijd kans om zich te onttrekken aan dingen waarin ze geen zin had en…ze deed voortdurend dingen die eigenlijk niet door de beugel konden. Zo had ze A’akane laten zien hoe ze ongemerkt van de drankjes van haar meesteres kon snoepen. Toat’ was ook degene die altijd precies wist waar en wanneer ze even met z’n drieën konden spreken.

Het ging altijd over hetzelfde. “Hoe komen we hier weg en op welke manier krijgen we contact met de mannen?” De drie vrouwen waren niet van plan de rest van hun leven in het dorp van de Vogelgrijpers door te brengen. Daarvoor hadden ze niet de lange tocht doorstaan en…er was  nog iets. De meeste vrouwen waren zwanger. Wat zouden de Vogelgrijpers met de kinderen doen als die eenmaal waren geboren? Daarover maakten A’akane en haar vriendinnen zich nog de meeste zorgen. “Ik heb gezien dat de Vogelgrijpervrouwen veel van hun kinderen houden maar ik weet zeker dat ze niets om opnze kinderen geven”, had M’aga op een goede dag tegen de twee anderen gezegd. Toat’, die zelf een kindje verwachtte, begreep dat maar al te goed. “Als het er op aankomt, zullen ze onze kinderen opofferen. De Vogelgrijpers zijn wreed, kijk maar wat ze met Na’Anth hebben gedaan.” Als het gesprek bij Na’Anth uitkwam, bleef het altijd even stil. De vrouwen waren erg geschrokken van het gemak waarmee de gevederde figuur, Vederaar zoals deze door hen werd genoemd, Na’Anth had vermoord. Later hadden ze begrepen dat het een offer aan de voorvaderen of zoiets was geweest. Toch deed het hen vooral terugdenken aan de wreedheid van Rannhald. Het leek een mensenleven geleden maar de vrouwen hadden gezworen een eind te maken aan die bloeddorstigheid.

Voorlopig was daar nog weinig zicht op. A’akane sjouwde dagelijks trouw met water en hout dat nodig was om de zonnedieren te voeren, zoals zij het noemde. Zij vreg zich trouwens af of het wel dieren waren maar heel vaak hield ze zich daarmee niet bezig. Ze had teveel andere zaken aan haar hoofd, vooral de vraag hoe ze weg zouden kunnen  komen.

Door A’akanes werk hoefde Mefista niets te doen en kon zij de hele dag met haar vriendinnen of soortgenoten doorbrengen. Amtros vertrok elke ochtend uit huis en reed dan samen met zijn vrienden op een loopvoeter de poort van het dorp uit. Pas laat in de middag keerde hij terug en als de jacht weinig had opgeleverd, dan foeterde Mefista hem uit. Ja, één keer had A’akane gezien hoe een paar mannen door vrouwen met zwepen waren afgeranseld omdat zij helemaal geen buit hadden meegenomen. Zij moesten de hele nacht buiten de muren van het dorp doorbrengen en de volgende ochtend kwamen zij, minder in getal, terug. Een paar waren opgegeten door de jankermannen. Dat maakte A’akane uit hun gebaren en drukke verhalen op. Ja, de vrouwen waren de baas in het dorp.

Het viel A’akane ook op dat niet alleen het dorp maar ook de meeste huizen waren omgeven door een houten muur. Vooral de huizen van de belangrijke families leken wel allemaal kleine forten. Misschien waren de Vogelgrijpers toch niet zo eensgezind als ze zich tegenover de Anth’ voordeden. Die gedachte sprak A’akane uit en haar twee vriendinnen deden vanaf die dag hun werk opgewekter dan eerst. Er leek een kans te zijn om weg te komen.

Een hand op haar schouder liet A’akane opschrkken. Zij keek scuin achter zich en zag hoe één van de andere dienstmeiden vlakbij haar was komen staan. Ze keek vriendelijk en onzeker. Zachtjes sprak ze een paar woorden die A’akane niet begreep maar meteen daarna drukte ze A’akane een paar glinsterende voorwerpen in haar hand. Het waren dezelfde vierkantjes, driehoekjes en andere figuren die A’akane ook gezien had bij de terechtstelling van Na’Anth. Het meisje maakte er eeen beweging van alsof ze een vogel was die opsteeg om te vliegen. Dat dacht A’akane wel te begrijpen. Wegvliegen, de vrijheid tegemoet, ja dat wilde ze wel en ze glimlachte het meisje toe. Zij glimlachte  en fluisterde zachtjes: “Ira” terwijl ze op zichzelf wees. A’akane noemde nu ook haar naam en vulde het aan met “Anth’”  . Het moeizame gesprek kon niet verder doorgaan omdat één van de Vogelgrijpervrouwen plotseling woedend de grote kamer van Mefista uitrende en hysterisch stond te krijsen. Ze zwaaide haar vuist in de richting van de vrouw des huizes en keerde zich toen om. Nog voordat het zover was, hadden Ira en A’akane zich om de hoek teruggetrokken. Zo snel zij konden gingen zij terug naar de keuken. Ze hadden maar al te goed begrepen dat woedende Vogelgrijpers op elk moment heel gevaarlijk konden worden. Dan was het zaak om uit de buurt te zijn.

Het gerkijs ging nog lang door en steeds meer stemmen begonnen door elkaar te gillen. A’akane wilde eerst in lachen uitbarsten maar door het ernstige gezicht van Ira begreep zij dat er weinig te lachen viel. Ira wees naar de gang en zei “Lofita”! Daarna schudde zij haar hoofd en maakte ze een snijdende beweging langs haar keel en die van A’akane. Ze liet een paar tranen vallen en keek somber. Lofita was de veel genoemde naam van de vrouw die het zoëven op een hysterisch gekrijs had gezet. een  naam vaWaren de Vogelgrijpervrouwen gewend hun woede-aanvallen uit te leven op de dienstmeiden, de slavinnen? A’akane voelde haar hart ineenkrimpen.

Het duurde niet lang of uit de kamer van Mefista kwam een gegil en gekrijs alsof een jong dier werd geslacht. A’akane voelde een sterke drang in zich opkomen om te gaan kijken en ze liep voetje voor voetje naar de deur maar Ira hield haar tegen. Ze schudde hevig “nee” en A’akane schrok vooral van haar ogen. Schrik en angst spraken eruit. Er moest zich in die kamer een verschrikking afspelen. A’akane probeerde de stem van Kalams vader opnieuw te vatten om raad maar ze kreeg geen klanken te horen. Alleen het gekrijs uit Mefista’s kamer was er. Het overstemde alles. Het gekrijs ging over in langgerekte huilgeluiden en langzaamaan werd het weer stil.

Die middag zag A’akane terwijl ze het huis uitsloop op weg naar Toat’ en M’aga hoe Ira ook haar weg ging. Elke dag omstreeks hetzelfde uur ging dat het gemakkelijkste. Mefista en de andere vrouwen waren gewend om een tijdje te slapen en dan hadden ze hun dienstmeiden niet nodig. De vrouwen moesten alleen uitkijken voor de jongemannen die de hele dag door door het dorp rondliepen. Het waren jongens die nog niet oud genoeg waren om aan de jacht mee te doen maar zzij hielden wel het gedrag van de andere dorpelingen in de gaten. Ze begeleidden de slavinnen ook buiten het dorpen zouden hen zeker terugbrengen naar huis. Vrij rondlopende slavinnen waren in het dorp van de Vogelgrijpers ondenkbaar. Gelukkig waren de jongens meer met zichzelf bezig dan met hun werk en zo groepten ze vaak samen op steeds weer dezelfde plekken in het dorp. Het waren de plekken waarvandaan zij het beste zicht hadden op de jonge Vogelgrijpermeiden. Dat gaf A’akane en haar vriendinnen haast vrij spel en nu bleek dat Ira er ook gebruik van maakte.

De dagen gingen voorbij zonder dat er zich een kans voordeed om het dorp te ontvluchten. Zeker, Ira had in de kamer van Mefista de overblijfselen moeten opruimen van één van de meisjes van haar volk dat door de ruziënde vrouwen van pure woede uit elkaar was gereten. Ze was te dicht in de buurt geweest. De haat van A’akane en haar vriendinnen tegen de meesteressen was gegroeid maar de kansen waren er niet groter op geworden. Alleen spraken Ira en A’akane méér met elkaar en langzamerhand begonnen zij elkaars taal een beetje te begrijpen. Ze leerden de taal van de ander zelfs sneller dan de taal van de Vogelgrijpers maar daarin kwam verandering. Het was M’aga die daarvoor zorgde. “We moeten hun taal goed leren kennen, we moeten begrijpen waarover ze praten”, legde ze uit. “Op die manier komen we er sneller achter wat er aan de hand is in dit dorp. Dat zal ons de kans geven eerder weg te gaan.”

Ze had gelijk gehad en A’akane en haar vriendinnen maar ook Ira leken de taal van de Vogelgrijpers haast op te slurpen. Ze kwamen er ook achter dat de mannen een beetje een andere taal spraken dan de vrouwen al leek het wel veel op elkaar. De Anth’ vrouwen hadden besloten niets te laten merken van hun groeiende talenkennis aan hun meesteressen. Zij bleven zich dom en half-onwetend voordoen als de Vogelgrijpervrouwen hen een bevel gaven. Soms hadden zij er moeite mee en moesten zij later met elkaar eens even flink lachen om hun schijnbare domheid. Het waren de weinig momenten waarop er echt iets te lachen viel.

Zo konden zij ongemerkt heel wat van de cultuur van de Vogelgrijpers te weten komen. De huizen waren inderdaad niet voor niets ommuurd. De rijke families maakten soms zo erg ruzsie met elkaar, dat zij de huizen van hun tegenstanders bestormden en de inwoners afmaakten. Dat was in het verleden sporadisch voorgekomen maar gebeurde nu steeds vaker. A’akane en haar vriendinnen merkten er meestal weinig van omdat dat soort oorlogjes altijd ’s nachts plaatshad. Dan konden de slavinnen niet veel anders dan in hun slaaphok verkeren. Soms drongen de geluiden van woede en strijd wel tot hen door maar de volgende ochtend was er niet veel meer van te zien.

De ruzies gingen meestal over de kinderen. De vrouwen van de Vogelgrijpers waren voortdurend op hun hoede dat hun zoon of dochter een goede plek in de samenleving zou krijgen. Kinderen die andere kinderen pestten, waren steevast de oorzaak van veel herrie. Ook de keuze van de jongens voor de meisjes en andersom vormde een belangrijk twistpunt. Soms leek het erop dat de gesprekken tussen de vrouwen vooral daarover gingen. In A’akane’s gedachten groeide dan ook langzaam het idee dat de ruzies een kans moesten bieden om weg te komen uit het dorp. Maar hoe?

Op een ochtend was A’akane met Toat’ en M’aga temidden van een paar dorpsjongens en andere vrouwen onder weg naar de rivier. Er was veel water nodig voor de maaltijd van die dag. Een bijzondere dag want er zouden zelfs feesten zijn op het plein. Bij de poort moesten de vrouwen kort wachten want Amtros en zijn vrienden hadden voorrang bij het verlaten van het dorp. Daar hoorde Toat’ de aanvoerder enkele woorden wisselen met één van de andere ruiters. Zijn woorden kwamen er op neer dat hij verwachtte dat ze pas laat terug zouden zijn, misschien wel te laat voor het feest en dat de vrouwen op hen moesten wachten. In de woordenschat van de vrouwentaal betekende dat iets anders: “Laat die meiden maar op ons wachten, wij gaan eens lekker de bloemetjes buiten zetten. Morgenochtend is er weer een dag.”

Toat’ besloot die verfomfaaide boodschap in het dorp rond te laten gaan. Eerst vertelde ze het aan A’akane en M’aga en die zeiden het samen weer tegen Ira, die het weer doorgaf aan een vriendin en ook de jongens die hen begeleidden, kregen er zo de lucht van. Ze begonnen al dreigende taal uit te slaan zoals “Denk maar niet dat het voor jullie iets uitmaakt. Jullie zijn en blijven slavin.” A’akane glimlachte en Toat’en M’aga hadden er niet minder plezier in. De gedachte dat de mannen het feest zouden verzuimen en lekker hun eigen gang zouden gaan, was al pret genoeg. Onder de Vogelgrijpervrouwen veroorzaakte het veel onrust.  A’akane had er de hele dag plezier om, vooral omdat Mefista alsmaar tierde over het “onbeschofte gedrag” van de mannen. uiteindelijk besloot ze zelfs naar het grote, gekleurde gebouw bij het plein te gaan, de “hempla” zoals de Vogelgrijpers dat noemden, om de Vederaar te raadplegen.

Het plezier van A’akane veranderde langzaamaan in hoop toen zij merkte hoe ’s avonds bij het donker worden de mannen nog steeds niet waren teruggekeerd.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

De Trojaanse oorlog is zeker niet uitsluitend een mythologisch verhaal geweest. De oorlog draaide om de bevrijding van het Griekse westen van het oosten. Meer filosofisch: de ratio maakte zich loos van de mystieke denkwijze.

www.verwarring.nl

www.dirah.dds.nl/godin1.htm

www.polle.net/2006/05/19/vrouwen-aan-de-macht

 

 

 

Tags: , , , , , , , , ,

Posted by: politiek | mei 12, 2008

Bloeddorst

 

boeddorstig

Na een paar slokken merkte Kalam dat hij het gevoel had zelf mee te dansen. Hij wist niet eens zeker meer of hij danste of dat hij nog langs de kant zat. Argwanend keek hij naar Tugor die nog doodrustig met gekruiste benen naast hem zat en ook Oedar bewoog zich nauwelijks. Alleen Tugors ogen leken te tranen en ze zagen wat rood. ”Wat een rode ogen, heb jij”, zei  Kalam. Zijn stem klonk traag en loom en al even langzaam kwam het atwoord. “Kijk jouw eigen ogen maar eens, die zien knalrood.!” Het leek alsof de stem van heel ver kwam.

Zonder dat hij het merkte, werd zijn beker opnieuw gevuld. Kalam voelde argwaan en spanning uit zich wegvloeien en toch keek hij nog eens goed zijn hele groep langs. De mensen leken allemaal even traag en vaag te bewegen en dat verbeterde niet toen de figuur met de vogelveren midden op het plein begon te dansen, met een hele kring mannen en vrouwen om zich heen. Het geroffel en gestamp nam toe en de mannen en vrouwen dansten wilder en toen Kalam in zijn beker keek, was ze weer niet leeg. Dat vond hij vreemd omdat hij net een paar stevige teugen had genomen. Heel in de verte leek een stem hem te roepen, het klonk als een waarschuwing, zoals zijn moeder hem vroeger als kind had geroepen als hij achter de jagers aan de vlakte in rende.

Hij zag zichzelf haast zweven boven de onmetelijke ijsvlakten en er waren dansende roofkoppen om hem heen. Ze wilden zich allemaal op hem werpen maar dan kwamen de lange schreeuwen van zijn moeder weer en werd hij teruggetrokken naar Kana’an en dan was hij weer veilig bij zijn moeder. Maar even later rende hij weer opnieuw buiten over de ijsvlakten, alleen en zonder jagers en weer waren er roofkoppen totdat de wilde kreten van zijn moeder die weer verdreven. Steeds weer en weer en even later was hij ouder en hield hij zich schuil in een grot met onmetelijke gangen en doorgangen en meren. Hi rende, ja hij vloog alsof de roofkoppen hem op de hielen zaten maar er was niemand. Eindelijk bereikte hij een opening en daar lag een blauwgolvende zee in het licht van de zon, de grond was er wit en geel en de planten oogden bruin en dor.

Hij werd wakker door de warmte in zijn gezicht en door het geschreeuw om hem heen. Voorzichtig opende hij zijn ogen en hij keek meteen in een fel schijnende zon. Hij lag op zijn rug en probeerde te gaan zitten, maar een veemd soort misselijkheid weerhield hem daarvan. Daarom keek hij om zich heen en hij zag hoe de jagers en wagarden allemaal op de grond lagen. Zij droegen geen dikke bonten mantels meer en hun wapens waren weg. Een onrustig gevoel gaf hem de kracht om overeind te gaan zitten. De grond om hem heen zag er grijs uit als een sneeuwlucht en alles leek hier te bestaan uit blauw ijs of  ”pedan” zoals de vogelgrijpers dat noemden. Het was hard en korrelig en Kalam had al lang begrepen dat het met ijs niets te maken had. Hij draaide zich om en zag hoe Tugor er al even ongelukkig bij lag. Een paar stappen verderop stond een vogelgrijper met een knuppel in zijn handen. Kalam begon nu het ergste te vrezen en Tugor bevestigde het hem. “We zijn verraden en gevangen, verdoofd door die rare drank en van onze wapens beroofd. Waar de vrouwen zijn, weet ik niet.”

De vogelgrijper met de knuppel had nu een hele groep van zijn kameraden bij elkaar geroepen en de mannen kwamen dreigend op hen af. Ze beduidden hen dat ze op moesten staan maar de meestenw eigerden dat. Daarop grepen de vogelgrijpers hen bij haar en armen en trokken hen omhoog van de grond. Ze kregen schoppen en slagen met de knuppels en moesten lopen. Zo verging het ook Kalam en Tugor. Kalam schreeuwde daarbij als een woeste roofkop en wilde één van de vogelgrijpers bij de keel grijpen maar onmiddellijk troffen een paar knuppels hem.  De slagen bleven komen totdat Kalam nauwelijks nog kon lopen en hij moest deniken aan de tijd van de knuppelmannen in Kana’an. Alleen, deze keer waren ze met heel velen. Ze zouden deze knuppelmannen niet de baas kunnen.

 Ze kwamen in een grot waar het niet meer zo warm aanvoelde als buiten en waar ook de straaltjes water langs de wanden liepen. Toen alle mannen bij elkaar waren verzameld liep één van de vogelgrijpers naar een groot brok pedan en ging er boven op staan. Het was niet Amtros. “Babas”, riep hij terwijl hij op zichzelf wees en breed grijnsde. Hij wees nu naar een paar van zijn makkers die een klein stuk pedan in hun handen hielden en zij sloegen daarmee tegen de wand van de grot. Daardoor brokkelden bij tijd en wijle kleine en grote stukken pedan af. Toen wees hij op Kalam en zijn vrienden en weer op de wanden van de grot. De bedoeling was duidelijk maar géén van de Anth’ mannen bewoog. Daarop liet Babas een woedende schreeuw horen. Hij sprong van het brok pedan af en greep met zijn machtige armen één van de wagarden in zijn nek. Hij sloeg de man een keer met zijn gezicht tegen de rotswand zodat het bloed hem over neus en lippen liep en duwde hem toen een klein stuk pedan in handen. Daarop wees hij hem de rotswand en gaf hij hem een schop onder zijn achterste. De wagarde keek hulpeloos naar zijn vrienden maar dat duurde Babas te lang. Hij greep de hand met het stuk pedan beet en bonkte die hard tegen de rotswand. De wagarde schreeuwde het uit en toen hij weer een schop kreeg, begon hij uit zichzelf met het stuk pedan tegen de rotswand te slaan. De brokken pedan vloegen hem om de oren en een dichte stofwolk omhulde zijn gezicht.

Nu kregen alle mannen een stuk pedan in handen gedrukt en werden ze op de rotswand gewezen. Wie aarzelde of onbegrijpend om zich heen keek, kreeg met de knupppel te maken of werd tegen de rotswand gegooid. Ook Oedar, Kalam en Tugor moesten eraan geloven. Daarna vertrokken de meeste knuppelmannen weer maar een flinke groep bleef staan bij de opening van de grot. “We zitten in de val”, fluisterde Tugor en Kalam knikte. “Dat kon je net verwachten van mensen die een vrouw als baas hebben. Ik snap alleen niet waarom we dit moeten doen. Wat verwachten ze er precies van? 

Het was geen fijne arbeid. Het stof drong in keel en neus door, krienbelden en maakte dorstig. Bovendien voelden de Anth’ hoe hun lijf begon te zweten en hoe zij moe werden. Elke keer als ze wilden gaan zitten, kwam een knuppelman de rust verstoren en dus probeerden de mannen zichzelf al gauw te sparen door zo nu en dan wat minder hard te werken. Soms zagen ze kans elkaar af te wisselen zodat één van hen een tijdje tegen de rotswand kon leunen om uit te rusten maar dat duurde nooit lang. De knuppelmannen hielden hen goed in de gaten en wie niet werkte, kreeg slaag. Pas toen er geen licht meer door de rotsopening naarbinnen viel, kregen ze toestemming te rusten. Een paar vogelgrijpers brachten grote schalen met eten en drinken was er ook. Het viel Kalam op dat het voedsel heel goed smaakte, het hield het midden tussen waterrat en nevelgarde en had aan de buitenkant een knapperige korst. De drank was wit en schuimde maar ze werden er niet zo sloom van als van de drank op de eerste avond.

“Wat zijn ze met ons van plan?” vroeg Tugor zich af en ook de andere jagers groepten om Kalam en Oedar heen. Kalam schudde zijn hoofd. “Wist ik het maar. De stemmen en klanken die ik vroeger in Kana’an gebruikte, werken hier niet meer. het lijtk werl of ze teveel worden verstoord. Oedar knikte. “Dat is heel goed mogelijk. In oude verhalen wordt daarvan wel verteld en men zei altijd dat het het werk was van de sluipers.” “Zouden zij een bondgenootschap hebben met de sluipers?” vroeg Tugor zich weer af en Kalam bromde instemmend. “Ik denk dat die drank die we de eerste avond hebben gehad, de drank is die sluipers maken. Ze is bedoeld om je hoofd vol onzin te stoppen zodat je kan worden omgevormd tot sluiper. Dan ben je gedoemd je hele leven onder de grond door te brengen.” Oedar beaamde het verhaal van Kalam. “Als het bondgenoten zijn van de sluipers, moeten we hier weg. We zijn niet uit Kana’an weggeggaan om een levenlang zinloosheid door te brengen.”

“Ik wil hier in elk geval weg”, mopperde Kalam. “De vraag is hoe we dat moete doen en…ik wil eerst weten waar A’akane en de andere vrouwen zijn. En waar is Na’Anth eigenlijk?” Tugor haalde zijn schouders op. Ook hij wist het niet omdat hij lange tijd in een roes had gelegen. In de tussentijd moest alles veranderd zijn: de vriendelijke gastheren en -vrouwen, de dans, het feest.

Ze kregen eerder antwoord op hun vragen dan ze hadden gedacht want tijdens de maaltijd verscheen Amtros op zijn loopvoeter met een groep ruiters in de opening van de grot. Hij knikte goedkeurend en liep op Kalam af. Deze voelde de neiding in zich opkomen om zijn gastheer aan te vliegen maar het was Tugor die kalmerend een hand op zijn schouder legde. “Laat hem alles maar eens uitleggen”, zei hij zachtjes. De uitleg duurde niet lang. Amtros wees op Kalam en zijn vrienden en maakte een hakkende beweging. Daarna wees hij op zichzelf en zijn vrienden en maakte bewegingen van eten en slapen. De boodschap was duidelijk genoeg; de Anth’ moesten hard werken en Amtros en zijn mannen zouden rusten en eten. “Het lijkt erop dat we gevangenen zijn, voorgoed”, fluisterde Kalam tegen Tugor maar deze schudde zijn hoofd. “Niet voorgoed natuurlijk, ik denk er niet aan.”

Over de vrouwen kregen ze niets te horen en dat maakte Kalams en Tugors vastbeslotenheid alleen maar groter om op een goede dag er vandoor te gaan. De grote vraag was, hoe? Het werd nog erger. Drie zonsopkomsten na hun gevangenneming naderde een grote stoet de grot. Amtros reed voorop op een loopvoeter. Achetr hem volgde een lange rij ruiters en in hun midden liep Na’Anth. Amtros had een touw om zijn hals geslagen en dat vastgemaakt aan één van de benen van de loopvoeter. Met elke stap van het dier, kreeg de jongen daardoor een klap in zijn nek. Kalam voelde de tranen in zijn ogen opwellen en zijn vuisten balden zich maar hij kon weinig doen. Achteraan de stoet volgde de figuur in het veren en pluimenpak met ene groot, lang zwaard in de handen. Amtros beval nu iedereen af te stijgen. Ondertussen dreven de knuppelmannen de Anth’ naar de opening van de grot.

Terwijl Amtros bija onafgebroken naar Kalam keek, knoopte hij het touw en Na’Anth los van het loopvoetersbeen om de jongen vervolgens aan het touw met zich mee te sleuren. De gevederde figuur met het grote zwaard kweam nu nader. Het leek erop dat hij en Amtros alles van te voren goed hadden afgesproken. Amtros dwong de jongen op de knieën en de verenfiguur legde om hem heen vierkanten, driehoeken, vijfhoeken en sterre van ijzer, wat in Kalams ogen een onbekend,glimmend materiaal was.

Ondertussen naderden in de verte de vrouwen van de Anth’. Ze werden haast meegevoerd door een zwerm vrouwen van de volgelgrijpers. Ze zagen er niet ongelukkig uit, huilden of kermden niet maar leken zelfs te dansen, samen met de vogelgrijpervrouwen. Dichtbij de opening van de grot werden hun gezichten strakker en ze probeerden te zwaaien naar de mannen. Voor hen was het geen vrolijk gezicht om te zien in welke omstandigheden de mannen verkeerden.

Plotseling klonk er een schrille fluit, ongeveer zoals de Z’akran in Kana’an altijd had geklonken. Een man in een kleurig pak van veren en glinsterende stukjes metaal danste al fluitend tussen de rijen door. De gevederde figuur met het grote zwaard deed op de maat een anatal stappen in de richting van Na’Anth, het leken haast danspassen. In een wervelende beweging draaide hij rond en leek het grote zwaard haast door de lucht te vliegen.

Het bloed raakte Kalams handen en gezicht. Hij voelde eerst onbegrijpend de spetters maar lang duurde dat niet. Het onthoofde lichaam van Na’Anth werd door Amtros achteloos over de grond geschoven in de richting van de grot. De vrouwen krijsten en jammerden en de mannen stonden overeind om hun belagers aan te vallen maar daarop hadden deze zich voorbereid. Zij stonden klaar met zwaarden in de hand. Er was geen denken aan dat ene vechtpartij iets had kunnen opleveren voor Kalam en de zijnen.

Amtros tilde het hoofd van Na’Anth aan de haren op en stak het ver omhoog, in de richting van de lucht. Met één reusachtige armbeweging slingerde hij het hoofd hoog de lucht in. “Sto Thia”, gilde hij er haast hysterisch bij en lachte. Kalam begreep, na enige uitleg van Oedar, dat Amtros het hoofd van Na’Anth naar de hogere machten had geslingerd. Hij begreep ook dat elke kans op vriendschap met de vogelgrijpers voorgoed was verkeken.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Bloeddorstigheid is een kenmerk van veel sprookjes en heeft een symbolische functie. Kinderen weten deze vaak beter te begrijpen dan volwassenen.

www.freewebs.com/deatheist/Artikelen/Offer.html

www.nl.novopress.info/?p=606

www.syntex.be/downloads/anoniem_rapport_coaching_on_the_job_nl.pdf

 

 

Posted by: politiek | mei 4, 2008

Het oordeel

 

gastvrijheid

Het bleef stil, heel stil, terwijl de gevederde figuur waarin Kalam een vrouw vermoedde onbewegelijk voor het grote, in felle kleuren geschilderde gebouw bleef staan. De ogen waren nu op de strak blauwe hemel gericht en de armen wijd uiteen gespreid met de handpalmen naar boven. Kalam spiedde ernaar door zijn half toegeknepen oogleden. 

De roffel kwam toch nog verrassend en meteen zette de figuur in het midden van de vlakte zich in beweging. Met grote, haast glijdende stappen verdween ze in het gebouw terwijl het geroffel aanzwol en het sonore, aanhoudende geluid dat eerder te horen was geweest er opnieuw tussendoor gondsde. Het gedreun van de muziek en de trommels begon nu de hele omgeving te beheersen zodat Kalam de grond onder zich voelde trillen. Het geluid veranderde ook, het geluid van de trommels klonk sneller en opzwepender. Hoewel het gefluit van de vogels door het geroffel werd overstemd, veranderde er niet veel op het plein.

Uit zijn linker ooghoek zag Kalam hoe Amtros naar hem toe kwam. Hij droeg een grote mand die aan de bovenzijde was afgedekt met een doek van dezelfde bruine kleur als de kleding van de vogelgrijpers. Amtros liep op de maat van de trommelslagen ook al kwamen die nu heel onregelmatig. Vlak voor Kalam hurkte hij en plaatste hij de mand op de grond. “Fate”, klonk zijn onbekende woord terwijl hij een eetbeweging maakte. Kalam keek hem onbegrijpend aan en opnieuw maakte Amtros een eetbeweging. Daarop wees hij op de doek en duidde hij aan dat Kalam die weg moest trekken. Deze keer begreep Kalam hem goed. Nieuwsgierig en onzeker tegelijk, trok hij de doek weg. In de mand lag een platte en ronde plak met een lichtbruine kleur en witte vlekken. Hier en daar waren zwarte en groene brokjes in de plak te ontdekken. Moest hij dit eten? Het leek in niets op het vlees van een waterluiaard of ijsrat, zelfs niet van een vogel!

Achter zijn gevoel van onzekerheid hoorde hij een stem, een klank die hem een influistering van rust gaf. Langzaam bewoog zijn hand zich naar de plak in de mand maar een andere hand was hem voor. Het was Tugor die een stevige greep deed en zonder aarzelen een stuk van de plak afbrak. In een razendsnelle beweging propte hij het brok in zijn mond. Kalam keek hem verwijtend aan. “Het was aangeboden aan mij”, siste hij maar Tugor haalde zijn schouders op. “Je aarzelde zolang en het ruikt en het smaakt heel goed. Proef toch!” Kalam voelde zich betrapt. Had hij als leider sneller moeten reageren? Gek genoeg bezorgde die gedachte hem opnieuw een aarzeling maar eindelijk nam hij toch een stuk van de plak en langzaam begon hij te eten.

Het smaakte goed, Kalam zou niet kunnen zeggen waar het op leek maar lekker was het wel. Instemmebnd keek hij nu naar Tugor. “Wij moeten iedereen hiervan laten proeven”, zei hij. Meteen brak hij een stuk af om het voor te houden aan Oedar. Met enige tegenzin nam de wijze man het voedsel aan maar hij aarzelde ermee het in zijn mond te stoppen. Kalam stond nu op en ging langs alle Anth’, ook de wagarden, om een stuk van het voedsel aan te bieden. Nu de mensen zagen dat Kalam en Tugor er niet ziek van werden, besloten ze ook te eten. 

Vanaf een afstand bekeek Amtros met een tevreden glimlach de kennismaking van de berehuiders met het voedsel dat hij en de zijnen “panda” noemden. “Berehuiders” was de naam die ze voor hun bezoekers hadden bedacht. Wat waren die mensen in dikke kleren gehuld, waar kwamen ze vandaan? En waar waren hun lippo’s, de dieren waarop hij en de zijnen zo behendig waren? En hoe kwam het dat zij zo onhandig met “Ur”omgingen? Zo onhandig dat één van hen erdoor verbrandde?  Het waren raadselen waarop Amtros het antwoord niet zomaar wist te geven. Het zou ook niet gemakkelijk zijn om die antwoorden te krijgen want de vreemdelingen brabbelden geluiden in plaats van fatsoenlijk te spreken. Konden ze dat niet? Waren het wel mensen? Nou ja, dat leek toch wel…ze zagen er bijna hetzelfde uit als zij, de “Mensen van de Zon” zelf. Ja, ze hadden andere haren en de ogen hadden ook een andere kleur maar ze leken elkaar toch ook wel te begrijpen met wat geluid en gebaren. Amtros had dat eerder meegemaakt, met een ander volk dat nu op de velden van Amtros en de zijnen werkte. Goede werkers waren het, zouden de berehuiders ook goed kunnen werken? 

Een bediende bracht hem bekers van ijzer en Amtros zette ze neer op de plaats waar Kalam en Tugor hadden gezeten. Deze kwamen net terug van het rondbrengen van het voedsel. Na’Anth had zijn stuk in twee happen weggekauwd en hij had om méér gevraagd. Ook de andere Anth’ hadden hun deel met smmaak opgegeten. Eigenlijk voelde Kalam ook de honger in zijn lijf omhoog kruipen maar hij durfde niet zo maar om meer te vragen. Hoewel, de gedachte dat zijn gastheren zich lieten regeren door ene vrouw maakte hem wel moedig. De tocht die hij was begonnen, had hem toch niet voor niets op hun spoor gebracht. Ze zouden de Anth’ laven en de weg wijzen naar een jachtgebied waar zij zich konden evstigen of…naar een nog veel beter land.

Hij schrok toen hij zag hoe Amtros nu met bekers met een vloeistof aan kwam lopen. Aan de bovenkant dekte een witte schuimlaag het drinken af maar daaronder  zich een rood-bruine stof. De geur die er af kwam deed een beetje denken aan ghet voedsel dat zij net hadden gekregen maar…het gaf Kalam ook het gevoel dat hij een beetje begon te zweven. Was dit een volk van tovenaars? Gingen ze hem en zijn metgezellen betoveren om…?  Voorzichtig proefde hij de drank. Het vocht streelde koeltjes zijn verhemelte. Dat was een weldaad in de warmte van vadaag. De bittere en prikkelende afdronk deed hem verlangen naar meer. Zorgvuldig gaf hij de beker door aan Oedar en toen aan Tugor en zo verder.

Het lopen viel zwaar. Misschien kwam het door de aanhoudende hitte die nu van alle kanten leek te komen. Kalam strompelde over het plein en hij zag hoe ook de anderen moeizaam voortgingen. Zijn argwaan begon weer te groeien. Hadden de vogelgrijpers een list bedacht om hen uit te putten en zouden ze hen dan gevangen nemen of misschien wel doden?

Voorlopig bleek daar niets van. Amtros en zijn mannen begeleidden de Anth’ naar een groot afdak achter het gebouw midden op het plein. Hier konden de Anth’ koelte en rust vinden. Het duurde niet lang of een groot deel van Kalams volgelingen was in een diepe slaap gevallen. Alleen Kalam zelf kon de slaap maar niet vatten en hij had het idee dat Na’Anth, geplaagd door pijn en onrust ook nog wakker was. Zijn ogen zochten de jongeman op zijn draagdoek maar viel in het halfduister moeilijk te ontdekken. In de verte hoorde hij ondertussen het getrappel van loopvoeters en het geschreeuw van mannen en vrouwen die hard aan het werk waren. Het leek hem alsof het zich allemaal mijlenver van hem afspeelde.

Hoelang hij daar onder het afdak had gelegen, wist Kalam zich niet meer te herinneren. Hij wist wel zeker dat hij lange tijd had geslapen want het zonlicht had zich grotendeels teruggetrokken. Om hem heen heerste rust. het gaf hem een goed gevoel te weten dat al zijn mannen en vrouwen nog steeds veilig om hem heen lagen. Tijdes zijn slaap was er niemand weggegaan of weggehaald.

Hij ademde nu de zuivere lucht in die ontstaat wanneer de zon een daglang op het bos schijnt. Alle geuren van planten en aarde bereikten hem nu en ze waren hem vreemd. Niet eerder had hij zo uitgebreid kunnen genieten van de lucht die een bosachtige omgeving te bieden heeft. Tijdens de tocht door het rivierdal en ook daarvoor, had hij de tijd niet gehad om de geur op te merken. Nu genoot hij ervan. Het maakte hem duidelijk dat de uittocht uit Kana’an niet voor niets was geweest. Er was wel degelijk een betere, warmere wereld met meer mogelijkheden. Hij genoot er nog even van totdat een vreemd geschuifel hem alarmeerde.

Gesnuif en geschuifel klonken vanuit een hoek die Kalam vanaf zijn plaats net niet kon zien. Het gesnuif veranderde in een vreemd geluid, geknor, dat Kalam nog niet eerder had gehoord. Daarom keek hij onophoudelijk naar de hoek waarvandaan het geluid kwam. Het duurde niet lang of een groot, harig beest met een opvallend brede neus kwam tevoorschijn uit de schaduw. Het knorrende geluid nam nog toe toen het dier zag hoe Kalam overeind kwam. Tegelijkertijd nam het dier een aanloop en stoof het weg totdat het achter de gebouwen in de omgeving was verdwenen.

Juist op dat moment verscheen Amtros met een paar mannen in Kalams blikveld. Met grote stappen kwam hij naar hem toe. Deze keer maakte hij een eet- en een drinkbeweging. Kalam trok zijn wenkbrauwen op. Alweer eten? Hij voelde dat zijn maag de vorige maaltijd nog lang niet had verwerkt. Toch begreep hij ook dat het geen pas had om te weigeren en dus probeerde hij uitstel te krijgen. Hij wees op zijn slapende gezelschap waarop Amtros begon te lachen. Hij maakte een beweging achter zijn rug met zijn hand en het geroffel en gebrom dat de hele middag had geklonken, begon opnieuw. Hij had succes.

Het plein lag niet langer meer verlaten in de zon. In het midden dansten de zonnedieren uitgebreid met elkaar. “Ur” noemden de vogelgrijpers dat, zo merkte Kalam. Een grote menigte van mannen en vrouwen had zich rondom verzameld maar twee plekken waren nog helemaal leeg. Amtros wees op één van de plekken en beduidde Kalam en zijn volgelingen dat ze daar moesten gaan zitten. Deandere open plek bleef nog leeg, nog even…terwijl het geroffel van de trommels weer minder werd. Een zacht, zangerig geluid werd hoorbaar achter het gebouw met de elle kleuren en de groottanden. 

Http://mythologie.wordpress,com

 

Service

In de Griekse mythologie was Zeus de hemelgod, de beschermer van recht en moraal, van staat, huis en hof en van de gast.

www.martijnhulst.nl/weblog/pivot/entry.php?id=294

www.elim.nl/ned/lgs/gastvrijheid.htm

www.geocities.com/citaten/G/gastvrijheid.html

 

 

 

 

Tags: , , , , , ,

Posted by: politiek | april 27, 2008

De schok

aardwezensNa’Anth had een verwilderde blik en hij wist nioet goed wat hij meost antwoorden op alle vragen die Kalam en Tugor op hem afvuurden. Hij leek wweerbarstig en koppig maar dat moedigde Kalam aan dwingender vragen te stellen en zelfs met zijn knuppel te dreigen. “Jij brengt onze hele groep in gevaar en nu wil je gewoon niet zeggen wat voor rottigheid je hebt uitgehaald? Moeten we de vogelgrijpers vragen om je hier eenzaam achter te laten? Dat heb je verdiend, je hebt niets anders verdiend. Niet onze kameraadschap, niet onze vriendschap”, brieste hij. Na’Anth’ kreunde ondertussen en wreef met zij handen soms over de zwarte plekken op zijn lichaam maar Kalam bleef onvermurwbaar. “Ja, je zult wel pijn hebben maar dat is je verdiende loon. Vertel op zijn minst wat je hebt uitgehaald!”  

Na’Anth keek nog steeds weerbarstig en onzeker maar hij leek nu toch te willen spreken vooral toen bleek dat zijn vriend Tugor ook niet bepaald blij was met zijn gedrag. “Ik heb”, zei hij uiteindelijk stotterend en hakkelend, bij de plek met de zonnedieren een paar van die beestjes onder mijn kleren verborgen. ik dacht dat we wel wat zonnedieren zouden kunnen gebruiken, vooral als er vreemde volkeren in de buurt waren. Ik kon ook niet weten dat ze aan mij en mijn kleren zouden gaan eten.” “Nee, inderdaad”, schreeuwde Kalam nog bozer dan tevoren. “Dat kon je inderdaad niet weten en daarom deed je maar van alles zo maar in het geniep. Zulke jagers kan ik toch helemaal niet in mijn groep gebruiken?” Na’Anth trok wit weg en wist niet wat te zeggen maar deze keer kwam Tugor tussen beiden. “je hebt hem gevraagd wat hij heeft gedaan. Nu moet je hem niet extra hard aanpakken. We moeten kijken wat we eraan kunnendoen om de schade te beperken.” Kalam keek zijn vriend aan met een blik die nog steeds woede verried maar toch antwoordde hij kalm. “Je hebt gelijk, los jij het maar op. Je kutn beter met hem overweg dan ik.”

Met een ruk keerde Kalam zich van de beide mannen af en met grote stappen liep hij naar de leider van de vogelgrijpers.  Hij boog voor de vrreemdeling en wees op Na’Anth om hem te bedanken voor de hulp maar de vreemde man wees zijn dankbaarheid af. Hij wees op de lucht en toen op Kalam en maakte zelf een nederig gebaar.  Kalam bgreep niet waarom de vreemde man zo bescheiden en onderdanig deed maar het vergrootte zijn vertrouwen in de vreemdeling niet. Zat er een truc achter? Zouden de vogelgrijpers een soort wolvermannen blijken te zijn? Gevaarlijk, onbetrouwbaar en wreed? Of waren ze verwant aan de sluipers en verleidden zij mensen met allerlei mooie onzin?

De leider van de vogelgrijpers maakte een lichte buiging in de richting van Kalam en gebaarde dat hij vóór mocht gaan. Kalam begreep hem. Ook hij had een vreemde bezoeker altijd voor laten gaan, zeker één die zo talrijk was. Precies om die reden wilde hij liever met zijn vrienden volgen maar hij begreep dat die houding argwaan zou wekken. Kalam volgde dan ook de uitnodiging van zijn gastheer en wenkte Oedar en Tugor om hem te volgen. Na’Anth was dfoor het ongeluk te verzwakt om mee te lopen. Onder leiding van Tugor hadden de wagarden een draagkleed gemaakt waarom Nas’Anth kon liggen. Sterke wagarden tilden hem op en kregen de opdracht de half verrbrande jager mee te zeulen. 

Onderussen deelde Kalam zijn opdrachten en bevelen uit. ”We moeten onze gastheren goed in de gaten houden. Ze mogen ons niet scheiden van de vrouwen of de jagers en ook geen onverhoedse uitvallen doen. We moeten waakzaam zijn.” Tugor knikte instemmend en bood aan vooral op de mannen achter hen te letten.

De leider van de vogelgrijpers die door zijn vrienden werd aangesproken met “Amtros” wees nu twee van zijn mannen aan om helemaal voorop te lopen en de weg te wijzen. Zelf kroop hij met zijn mannen tussen Kalam, Oedar, Tugor en na’Anth aan de ene kant en de jagers aan de andere. Dat was precies wat Kalam had willen voorkomen maar hij wist niet goed wat hij ertegen kon doen. De lange stoet zette zich in beweging.

Het ging hier weer omhoog en de helling was zelfs zo steil dat de mannen die Na’Anth droegen de hulp nodig hadden van een paar anderen. Voor de vrouwen was het allemaal nog goed te doen. Ze waren nog aan het begin van hun zwangerschap en hadden eerder energie over dan tekort. Onderussen hield  Kalam voortdurend Amtros en de zijnen in de gaten maar ze leken geen kwaad in het zin te hebben. Toch nam hij zich voor zijn waakzaamheid niet te laten verminderen. Daarbij lette hij van tijd tot tijd ook op de mannen die de loopvoeters met zich meevoerden. De dieren hadden ieder een flinke buit aan prooidieren op hun rug. Zij leken de zware vracht met weinig moeite met zich mee te nemen. Kalam besefte hoeveel gemak hij en zij vrienden vroeger in Kana’an hadden kunnen hebben van zulke hulp. Kana’an! Zelden kwamen herinneringen van het grote huis nog bij hem op maar nu, nu hij bij dit vreemde volk was, werden de verschillen scherper en duidelijker.

Ze waren nu bijna boven op de heuvel. Het bos, de “be’as” zoals de Anth’ het noemden, maakte plaats voor een kaler en vlakker gebied. Kalam had al gezien dat in een paar toppen van de be’as een vogelgrijper zat. Die maakte een oorverdovend maar zangerig geluid zodra hij de stoet in zicht kreeg. Dat was niet bedoeld om af te schrikken maar waarvoor dan wel? Het antwoord op die vraag liet niet lang op zich wachten.

Nog maar net kon Kalam over de rand van de heuvel heen kijken toen hij ene kreet van verbazin gniet kon inhouden. Voor hem was een hoge muur gebouwd van vele staken die vermoedelijk afkomstig waren van de be’as. De muur was veel hoger dan een man en bovenop de muur zaten een paar vogelgrijpers. Middenin de muur was een gat gemaakt waar mensen alsmaar in- en uitgingen. Iedereen  die passeerde moest zich laten opnderzoeken door de twee vogelgrijpers die bij het gat stonden en pijl en boog droegen, pijlen en knuppels. Ze droegen dezelfde kleren als Amtros en de zijnen maar hadden ook nog aan hun middel een langwerpig, platte, plaat die in de zon blonk. Kalam had geen idee waarvoor de platen dienden maar hij vermoedde dat het iets te maken had met het werk van de wachters.

Amtros kwam nu met grote stappen naar voren en hij liep meteen door tot asan de wachters. Na een paar woorden weken de mannen opzij en gebaarde Amtros dat de stoet naar binnen kon. De wachters konden hun ogen haast niet afhouden van Kalam en zijn volgelingen maar datw as wederzijds. Kalam bekeek de blinkende platen die hij in de verte al had ontdekt nu eens beter. Hij zag dat onderaan een scherpe rand en puntuig uiteinde zat. Dat versterkte zijn gevoel dat het om wapens ging. Heel lang kon hij zijn aandacht er niet op richten wan achter de muur vertoonde zich een soort Kana’an in de open lucht. Overal waren kleine hokjes die bestonden uit dezelfde soort staken als de muur. In elk hokje leek een aantal mensen te leven, net als in de kamers die de grootjagers vroeger in Kana’an hadden gehad.

Kinderen en grote mensen liepen tussen de hokjes door met bakken waarin veelkleurige bollen en rollen lagen die de mensen soms zo maar opaten of ruilden tegen andere rollen en bollen van andere mensen. De hokjes weken even verderop uiteen en nu kwam Kalam op een grote, lege ruimte. in ht middenstond een groter hok dat uit staken was opgebouwd. De muren ervan waren met kleuren besmeurd en hier en daar had iemand geprobeerd mensen af te beelden. Kalam moest wel even lachen. Volgens hem waren zijn eigen tekeningen in de grot veel mooier en duidelijker geweest. Hij keek naar Tugor maar deze keer wist ook zijn vriend niets te zeggen. Hij keek overal verbaasd en soms wat achterdochtig om zich heen. Eindelijk draaide hij zich om naar Kalam. “Dit is een belangrijke plaats, lijkt me. Maar wat moeten wij hier?”

Kalam begon nu om zich heen te kijken en hij ontdekte dat de open ruimte voor het gebouw helemaal leeg was. Alleen de Anth’ stonden er nog en liepen een beetje doelloos heen en weer. Ongerust keek Kalam Tugor aan om hem op de leegte te wijzen maar zijn voornemen werd gestoord door een overweldigend gebonk, ritmisch en eentonig. dat uit het grote bouywwerk voor hem klonk. Steeds weer dezelfde roffel klonk al ging ze wel elke keer iets sneller voorbij. Kalam zag nu ook de onrust in het gezicht van Tugor komen. Alleen Oedar leek zich weinig aan te trekken van de situatie. ‘Kalams ogen zochten nu ook A’akane. Zou zij nog contact hebben met zijn vader en zou die een bericht hebben gestuurd? Hoe hij ook zocht, hij kon haar tussen de andere vrouwen deze keer niet ontdekken en het lukte hem ook niet om haar stem in zijn hoofd te vangen. Misschien weas zijn onrust te groot.

Het gebonk dat uit het gebouw kwam klonk nu steed wilder en wilder en het overheerste steeds meer de omgeving. Zelfs de grond waarop ze stonden begon de dreunen. Tussen de slagen op de trommels klonk bovendien een laag, trillend geluid dat alsmaar door bleef gaan. Op Kalam kwam het over als het eindeloze geblaas van een groottand. De gedachte aan groottanden richtte zijn blik nog een keer op de ingang van het grote gebouw waarvoor hij stond en ineens begreep hij dat een blauwe en een groene schildering aan weerszijden ervan een groottand uitbeeldden. Als een soort voortzetting Daarvan staken twee slagtanden van een groottand vanuit de muur van het gebouw schuin omhoog. Was de groottand voor zijn gastheren zo belangrijk?

In het midden van de grote ingang van het gebouw verscheen nu een figuur. Zijn hoofd was als een stralenkrans omzoomd door grote, kleurige veren van een vogel. Uit het gezicht van de persoon leken twee grote slagtanden naarvoren te komen en verder naar achteren wapperden twee grote oren. De figuur droeg dezelfde kleren als Amtros maar dan in heel felle kleuren geel, rood, blauw en groen. Kalam merkte hoe de andere Anth’ dichter om hem heen dromden nu de figuur uit het gebouw verder naar voren kwam, gevolgd door een lange stoet mannen en vrouwen in even kleurige kledij. Het was duidelijk dat de voorste de leiding had want hij gaf de andere voortdurend aanwijzingen. Ze kwamen dichterbij op de maat van de dreunende slagen totdat de voorste man zijn hand omhoog tilde of…was het wel een man?

Een hand op zijn schouder deed Kalam naar zijn knuppel grijpen maar net voordat hij toesloeg, keek hij om. Het was Amtros die zijn hand rustig op Kalams schouder liet liggen en wees op de figuur die uit het gebouw naar buiten was gekomen. “Orrejania”, Amros sprak het woord met eerbied en letter voor letter uit zodat Kalam het wel moest verstaan en begrijpen. Amtros wees op zichzelf en toen weer op Orrejjania. Daarna wees hij boven zijn hoofd. Kalam knikte want hij dacht het begrepen te hebben. Orejjania was de baas van Amtros, of misschien wel de bazin. Dat kon Kalam niet goed zien maar iets in de bewegingen van de figuur, gaf hem het gevoel dat het een vrouw was. Hij voelde zich misselijk worden. Een vrouw als baas! Opnieuw zochten zijn ogen A’akane en zij had zich nu losgemaakt uit de kluwen vrouwen en bewoog zich naar hem toe. Zeker, Kalam hield van A’akane maar hij kon onmogelijk zijn baas in haar zien. Dat zou hij nooit laten gebeuren!  

Zij vlijdde zich tegen hem aan. “Hert is een vrouw”, fluisterde ze hem in het oor en Kalam wist nu zeker dat hij zich niet had vergist. Hij keek nu naar Tugor. “Een vrouw is hier de baas, in dit Kana’an.” Tugor grijnsde breed. “Dan hoeven we nergens bang voor te zijn”, zei hij snel. “Een volk dat zich door vrouwen laat knechten, is al dood.” Kalam antwoordde niet. Hij liet zijn hand gaan door het haar van A’akane en vroeg zich af of hij dat ook zou doen als zij zijn baas zou zijn. Weer kwam er een misselijkheid in hem op en hij begreep dat hij deze gedachte ver van zich moest houden om van A’akane te blijven houden.

Amtros was op de grond geknield en hij beduidde Kalam dat hij dat ook moest doen. Met tegenzin besloot hij het verzoek op te volgen en ook Tugor deed het. Het duurde niet lang of alle Anth’ lagen geknield op de grote open ruimte. Het roffelen van de trommels werd minder en ook het langgerekte sonore geluid daartussendoor verminderde. Haast ongemerkt brak het moment aan dat alleen volgelgeluiden nog de stilte verbraken. De zon scheen heet en schel neer op het stille plein. De wereld wachtte af.

Http://mythologie.wordpress.com

Service

Symboliek en het matriarchaat

Heel duidelijk is aan de symboliek te zien hoe het matriarchaat werd vervangen door het patriarchaat.  Het beste voorbeeld is de rol die de slang of draak speelt en van een heilig symbool ten tijde van het matriarchaat wordt veranderd in symbool van de duivel, die te vuur en te zwaard moet worden bestreden.

www.nissaba.nl/nisphp/viewtopic.php?t=159&sid=05cfc58a25ed308c2ff0e7533757c21a

www.quetzalquatl.web-log.nl

www.zappen.blog.nl/sbs_broadcasting/2006/01/25/de_ultieme_cultuurschok_rimboe-groeten_terug - 72k

Tags: , , , , , , , , , , , ,

Posted by: politiek | april 20, 2008

De doorbraak

ontmoeting

Gemakkelijk ging het niet. De Anth’ vorderden maar langzaam langs de helling die dan weer eens steiler werd en dan weer wat vlakker. Het lopen ging moeizaam omdat ze allemaal één voet laag en één voet hoog moesten zetten. Kalam en Tugor speurden inmiddels de rand van de helling af om te zien of de vreemde mannen, de vogelgrijpers, zich vertoonden. Waarschijnlijk hadden zij de Anth’ niet waargenomen want het bleef bovenaan de helling stil en leeg. Daarom besloot Kalam dat ze naarboven moesten klimmen op een plaats waar de helling minder steil was. Er scheen geen gevaar te dreigen.

De grond had hier een soort geul gevormd, misschien doordat er van tijd tot tijd water doorstroomde. Nu zag Kalam ook dat de wezens zoals nagelvallen, die ze “ba’em” hadden  genaamd ook onder de grond nog staken hadden. Ze staken bij de geul zo nu en dan naarbuiten en Kalam en de zijnen moesten uitkijken er niet over te vallen. “Ba’em” was het woord dat de Anth’ gaven aan onverzettelijkheid, onbewegelijkheid en de nagelvallen, oorvallen en andere wezens bleken onverzettelijk te zijn. Ze bewogen alleen met de wind mee.

De klimtocht naarboven viel nog niet mee. In de geul ging de helling soms heel steil omhoog en dan moesten de mannen en vrouwen de staken van de ba’em gebruiken om zich vast te houden. Soms pakten ze zich ook vast aan grote brokken blauw ijs. De brokken voelden niet koud maar van tijd tot tijd zelfs warm aan en Oedar begon dan ook te begrijpen dat zijn twijfels altijd terecht waren geweest. Blauw ijs was geen ijs, het was géén bevroren water al was het wel net zo hard.

Kalam en Tugor kwamen als eersten boven aan de rand van de helling en keken om zich heen. Na’Anth voegde zich zo snel mogelijk bij hen en even later volgde Oedar. De overigen klommen op hun gemak naar boven. Kalam wees in de richting waar vandaan ze gekomen waren en daar zagen zij hoe de nevel die ze al eerder bij de vogelgrijpers hadden gezien nog steeds omhoog kringelde. Ze zagen ook hoe de mannen heen en weer liepen en een enkele keer bereikte een flard van hun geschreeuw hen. Het waren harde, felle keelklanken. Heel anders dan de geluiden die de Anth’ zelf altijd voortbrachten en die zacht maar kort klonken. De vogelgrijpers schreeuwden ook veel meer tegen elkaar, hele verhalen leken ze te houden terwijl de Anth’ meestal zwijgzaam waren.

Kalam besefte dat zij de vogelgrijpers konden zien maar dat het omgekeerde ook het geval zou zijn. het verschil was dat de vogelgrijpers zich nog helemaal niet bewust waren van de aanwezigheid van de Anth’. Zij meenden onbespied en eenzaam in het landschap te zitten maar op een goed moment zouden zij toch iets van de nieuwkomers opmerken. Dan moesten hij en zijn kameraden daarop voorbereid zijn. Tugor was inmiddels een klein eindje naar beneden gelopen om te kijken of de laatsten ook al bijna klaar waren met hun tocht naar boven. Daar begon het nu naar uit te zien. De wagarden deden de laatste stappen. Ondertussen maakte Kalam zich ook zorgen over iets anders. De vrouwen waren in druk gesprek met elkaar en met Oedar. Er was opwinding in de groep vrouwen en A’akanes gezicht toonde verrassing en bezorgdheid. Kalam wenkte haar maar zij schudde haar hoofd. Om één of andere reden kon zij de groep vrouwen nog niet verlaten. 

Het viel Kalam meer dan anders op hoe mooi ze was. Haar brede gezicht, sterk gevormde lippen en neus en haar felle ogen verhevigden zijn verlangen. Maar wat was er anders dan vroeger? Waarom zag A’akane er nu zoveel aantrekkelijker uit dan eerder? Kalam keek scherper naar haar en langzaamaan brak er een brede grijns op zijn gezicht door. Dat hij het nu pas zag! A’akane had haar dikke, bonten muts afgedaan en haar lange, blonde haar hing in dikke lokken naar beneden. Het maakte haar prachtig en accentueerde haar kracht en haar kwetsbaarheid tegelijkertijd. Het kostte Kalam moiete om te blijven waar hij was maar plotseling zag hij hoe A’akane zich losmaakte uit de groep vrouwen en naar hem toe kwam. Ze glimlachte breed maar onder die glimlach ontdekte Kalam toch een zorg

“Mooier kan het niet zijn en ook niet moeilijker”, zei ze langzaam. “Een heel stel vrouwen is zwanger. Dat betekent dat we veel nieuw plezier krijgen maar ook dat de tocht langzamer gaat verlopen. Trager en trager… “Ze keek Kalam onderzoekend aan. Kalam slikte en zweeg. Hiermee had hij geen rekening gehouden ook al wist hij dat het bij ed Anth’ heel vaak zo was: heel veel vrouwen waren nog al eens tegelijkertijd zwanger en daarna gebeurde er weer een hele tijd niets. Hij had er niet aan gedacht omdat hij meende dat zoiets zich tijdens hun lange reis niet zou voordoen. Toch waren de gewoonten en tradities van de Anth’ kennelijk sterker dan het inzicht in de noden. ”Ik krijg een echt volk”, hij probeerde zijn stem luchthartig te laten klinken. A’akane knikte. “Dat kun je wel zeggen maar kinderen betekent veel zorg en oponthoud.” Kalam keek haar zwijgend aan met een vraag op de lippen maar A’akane begon te lachen. “Nee, Kalam, ik  weet maar al te goed hoe je dat moet tegengaan. Ik wist dat je het niet zou willen.” Opnieuw slikte kalam en weer keek hij zwijgend voor zich uit. Ik wil het wel”, zei hij na een tijdje. De woorden kwamen er langzaam maar krachtig uit. ”Van jou.”

Hij zag nog net hoe het gezicht van A’akane begon te stralen maar een geluid achter hem trok meteen daarna de aandacht. Gespannen keek hij in de richting van de krinkelende nevel. De vreemde mannen waren opgestaan en liepen druk heen en weer terwijl ze opgewonden schreeuwden. Hadden ze Kalam en zijn vrienden ontdekt? Snel keek hij nu naar de vrouwen en Oedar. Daar was de opwinding over de zwangerschap al weer een beetje voorbij al praatten de vrouwen wel heel druk met elkaar.

“Ik denk dat je het al gehoord hebt?”vroeg Oedar voorzichtig aan Kalam en die knikte langzaam. “Ja, we moeten de komende tijd extra goed op onze vrouwen passen. Zij moeten maar het tempo gaan bepalen”, meende Kalam. “Ik wil ze niet meer inspanning laten doen dan nodig is.”Oedar  knikte instemmend. “Ik denk dat je gelijk hebt en misschien moeten we ook wat vaker een echte rommer voor ze bouwen. Daarin kunnen we ze beter beschermen.” Kalam bromde goedkeurend en keek ondertussen in de richting van de vogelgrijpers. “Maar op dit moment hebben we denk ik weer een heel ander probleem”, zei hij langzaam. “Kijk eens…”. Hij wees in de richting van de vreemde mannen. Een grote groep van hen kwam regelrecht op de Anth’ af. “Ik denk dat ze kennis komen maken.”

De vogelgrijpers liepen met stevige pas op de Anth’ af. Ze leken zeker van hun zaak alsof ze in hun eigen jachtgebied waren en misschien was dat ook wel zo. Voorop liep de man die Kalam het eerste had gezien. Het viel hem nu op dat de man een korte mantel van dik bruin haar droeg en een lap om zijn benen die tot aan de knie rijkte. Daaronder staken twee zwartbehaarde en bruinig benen uit en aan zijn voeten had de man niet de stevige, bonten laarzen van de Anth’. Het schoeisel was meer gemaakt van dikke repen dierenhuid.

Plotseling stond de vogelgrijper stil. Nu viel ook de kleurige band op die hij om zijn haar had geknoopt en de twee glinsterende ringen in zijn oren. De man bleef stokstijf staan en wees met zijn hand naar de grond om vervolgens met zijn duim naar zijn borstbeen te wijzen. Kalam begreep het gebaar. De man liet hem weten dat de grond van hem was. Haast ongemerkt kwam er een stem in zijn hoofd die hem influisterde wat te doen en Kalam kon niet malaten flauw te glimlachen. Hij onderdrukte die glimlach snel omdat hij de ander niet wilde beledigen. Nu liet hij zijn hand rond gaan als of hij alle Anth’ stuk voor stuk aanwees. Toen hij daarmee eenmaal klaar was, richtte zijzijn duim op zichzelf. Alsof hij zeggen wilde “ze zijn allemaal van mij”. De vogelgrijper glimlachte nu ook en hij wees op de mannen en de loopvoeters om hem heen om vervolgens naar zichzelf te wijzen. Kalam kreeg het gevoel dat het niet meteen tot vechten zou komen ook al had hij de jagers gezegd hun pijl en boog bij de hand te houden. Hij wees nu op de lucht en daarna op zichzelf maar deze keer zag hij een verschrikte blik in de ogen van de vogelgrijpers komen. Zij haalden niet hun wapens tevoorschijn maar groepten onrustig bij elkaar. De leider van de groep boog diep en begon een dansje te maken. Kalam had willen aangeven dat hij van ver weg was gekomen en geen jachtgronden in de buurt had maar wat had de vogelgrijper begrepen? 

De leider van de vogelgrijpers en zijn kameraden staken nu de koppen bij elkaar en zo nu en dan keken zij onrustig naar Kalam en zijn vrienden. Kalam riep Tugor en Na’Anth bij zich. “Houd ze goed in de gaten. ik denk dat ze mij niet goed hebben begrepen maar waarover we praten, weet ik niet.”"We kunnen ze nu aanvallen, nu ze niet opletten”, stelde Na’Anth voor maar daar piekerden Kalam en Tugor niet over. “Het is helemaal niet zeker dat ze kwaad in het zin hebben”, meende Kalam. “Ik ga me niet als een lafgaard gedragen.” Met een kwaad gezicht trok Na’Anth zich terug maar veel tijd om daarop te letten had Kalam niet.

De voorste vogelgrijper wenkte Kalam terwijl hij zelf een paar stappen vooruit deed. Daarna wees hij in verte waar ee grote groep be’am  bij elkaar stond. Hij wees op Kalam en op zichzelf en toen weer naar de plek met de be’am. “Ik denk dat hij wil dat we met hem meegaan”, ried Tugor. Oedar keek bedenkelijk. “Maar waar naartoe? Hij is hier heer en meester, wij kennen het land en zijn gevaren niet.” “ik heb toch gezegd dat we ze moesten aanvallen”, riep Na’Anth daar overheen maar de anderen reageerden daar niet op. ”Let maar op, straks maken ze ons stuk voor stuk af.”

Kalam schudde zijn hoofd. “Ik zie geen kwaad in deze vogelgrijpers ook al gedragen ze zich anders en stoten ze walgelijke keelklanken uit. Ik denk dat we hen moeten volgen, misschien kunnen we er baat bij hebben. Misschien kunnen we bij hen zonnedieren krijgen. Als dat…  Een schreeuw die Kalam door merg en been ging riep een halt toe aan zijn woorden. Hij voelde hoe het bloed uit zijn gezicht wegtrok en draaide zich razendsnel op zijn hakken om. Daar dreef een zwarte rookwolk en daaronder waren de zonnedieren te zien, zonnedieren die probeerden Na’Anth te verscheuren. In een flits keek Kalam naar de vogelgrijpers die als versteend waren blijven staan.

Na’Anth’schreeuwde het uit. “Haal ze weg, haal ze weg”, krijste hij maar de zonnedieren schenen  zich steeds steviger in zijn kleren en lijf vast te pakken. De Anth’ schreeuwden en riepen en renden in het rond maar wisten niet wat te doen. Plotseling rende een groep vogelgrijpers op Na’Anth’ af. Zij hadden in hun handen een paar zakken van dierenhuid en één daarvan keerden ze om boven Na’Anth’s hoofd. Een stortbui aan water daalde over het hoofd van de jonge jager heen. Tugor wilde zijn knuppel grijpen om er op los te slaan en de vogelgrijpers te verjagen maar Kalam hield hem tegen.  Je kunt hem niet helpen….

De zonnedieren weken maar de kleren van Na’Anth waren kapot en zijn lichaam vertoonde zwarte plekken. Maar hij leefde nog en Kalam haalde opgelucht adem. “Wij volgen de vogelgrijpers”,  besloot hij. “Zij kunnen de zonnedieren temmen en dat wil ik ook leren.”

www.mythologie.wordpress.com

 

Service

In veel mythologieën is een aparte, belangrijke plaats ingericht voor het gezin. Bij Grieken Romeinen waren het de godinnen Hera en Juno die waakten over de huiselijke haard terwijl hun echtgenoten meer gevoel konden opbrengen voor Aphrodite eof venur, de godinnen van de zinnelijke liefde, de seks ook.

www.xs4all.nl/~tateoac/01kennismaking.html

www.ontmoeting.nl

www.histoforum.digischool.nl/middeleeuwen/ontdekkingen.htm

www.ikbenopreis.nl

 

Tags: , , , , , , ,

Posted by: politiek | april 13, 2008

Het geschenk

Vuur

 

De droefenis over het nevelen van Zaltmann overtrof de nieuwsgierigheid. Langzaamaan drongen alle mannen en vrouwen rond het levenloze lichaam van de oude grootjager. Deze keer was er zelfs bij de wagarden iets van medeleven te ontdekken. Zij hadden Zaltmann leren kennen als een vriend, een man die hen wilde helpen, die hen ook waardeerde voor de kleine werkjes die ze konden doen. Ze voelden zich verlaten en eenzaam nu hun grote leermeester er niet meer was. Spontaan begonnen ze te graven, een plek te maken waarin het lichaam van Zaltmann kon rusten, veilig achter kon blijven.

 

Als er één was die de grootjager minstens zo erg miste, dan was het Kalam. Zaltmann was een trouwe steun voor zijn vader geweest en had ook steeds hem als een waardevolle vriend geholpen. Nooit had hij ook maar de minste neiging vertoond om hem te verlaten, ook niet in de periode toen Kalam zelf minder ontvankelijk was voor de adviezen van zijn oude leermeesters. Kalam zou hem missen en hij vroeg zich af wat voor gevaren hij nog zou moeten trotseren waarbij hij de raad van Zaltmann goed had kunnen gebruiken. Hij kon weinig méér doen dan toekijken hoe de wagarden aarde en brokken blauw ijs aansleepten bij gebrek aan ijs en sneeuw voor de bouw van een rommer.

 

Tugor gaf de wagarden ondertussen aanwijzingen. Dat was maar goed ook want de mannen waren nog steeds niet in staat om op eigen gezag een rommer te bouwen. Het viel Kalam daarbij wel op hoe rustig en vriendelijk Tugor met de mannen omging. Hij zag ook hoe zij zijn aanwijzingen onmiddellijk opvolgden en blij waren met elk resultaat dat ze bereikten. Het was goed te weten dat er opnieuw een jager was opgestaan die ook de wagarden op een goede manier kon aanspreken.

 

Er was een hele kring van blokken blauw ijs ontstaan. Aan één kant bleef tussen de blokken een wat ruimere opening zodat Anth’die het zouden willen nog bij Zaltmann in de buurt konden komen om een groet te brengen. De wagarden dekten de rustplaats af met het rulle dat op de grond lag, finstof, kluiten en groene wezentjes die zich tussen al dat stof prima bleken te voelen. Voordat de laatste rommer van Zaltmann helemaal was gesloten, liet Tugor zijn stem weer horen. “Wij kunnen hem niet terugbrengen naar de vlakten van sneeuw en ijs”, zei hij. “Maar hij zal hier rusten in een vreemde omgeving. We moeten hem iets meegeven op zijn weg naar de nevelen, iets dat hij herkent, iets dat onze band met hem weergeeft.”

 

De anderen waren stil. Kalam en Oedar beten zich op hun lip en vonden dat zij daar eigenlijk aan hadden moeten denken. “Er moet iets zijn waaraan hij herkenbaar is als Anth’”, stemde Kalam eindelijk in. Langzaam en met een plechtig gebaar pakte hij één van zijn halssnoeren met de botten en tanden van een rooftand. Voorzichtig kliet hij het sieraad door het laatste gat in de heuvel glijden. Daarna volgden de anderen. Eén van de mannen liet zelfs een zelfgemaakte Zakr’an achter. Het graf vulde zich met geschenken.

 

Het was niet de gewoonte van de Anth’ om lang bij een graf te blijven om te treuren. Daarvoor was hun leven altijd teveel verbonden geweest met het heden. Er was een dagelijske speurtocht naar eten nodig. Het rouwen om een verlies deed iedereen in stilte en soms ook helemaal niet. Zo voelde Kalam het ook en hij moest denken aan de zinnen die hij van Panak had geleerd.

“Het was nooit begonnen en nooit kon er aan begonnen worden en toch was het er. Het Gamor ziet er op toe dat niets is zoals het is begonnen en alles blijft zoals het eindigen zal.” Die woorden klonken hem vertrouwd in zijn hoofd maar hij merkte dat hij ze voor het eerst niet in de “verleden” vorm zei. Het klonk zo wezenlijk, op dit moment, alsof alles wat er ooit zou zijn zich nu afspeelde. De rommer waarin het lichaam van Zaltmann nu rustte, trok zijn gedachten haast naar zich toe alsof de oude grootjager alsnog probeerde bezit vabn hem te nemen. Maar nee, dat was het niet. Kalam voelde hoe gevoel en gedachten wervelend door elkaar speelden en heen en weer gingen tussen de rommer en hem. Eén grote maalstroom speelde zich in zijn hoofd af en hij had het gevoel dat iets hem langzaam de rommer in trok. Dan rukte hij zichzelf weer terug uit de wreedheid van die trekkracht en plotseling begreep hij het. Het waren de geschenken die de Anth’aan Zaltmann hadden meegegeven, die de grootjager ertoe brachten Kalams hoofd te vullen met ervaringen en inzichten. Dat was het laatste geschenk van de grootjager.

Een hoge, langgerekte toon wekte hem op uit zijn gedachten. De toppen van de hoogoprijzende wezens die hier uit de grond opkwamen, bogen zich. Sommige groene nagels lieten los en dwarrelden naar beneden maar ze schenen dat niet erg te vinden. Kalam keek nu op van de rustplaats van Zaltmann  en en merkte hoe hoog de groene gevaarten waren en hoe zij als maar hoger leken, naarmate ze verder weg stonden. Aan de overkant van de waterstroom liep de grond steil omhoog en ze was dicht bezet met de hoge gevaarten. Over het water strekten zonnestralen zich steeds verder uit en de lucht was diep en strak blauw. In zijn dikke mantel van roofkoppenhuid kreeg hij het warm, erg warm. Er kwam zelfs de neiging op om de mantel uit te doen maar in Kana’an had hij geleerd dat zoiets alleen maar binnen de veilige muren van het grote huis mogelijk was.

Hij keek om zich heen en zag hoe de Anth’ langzaamaan van het graf van Zaltmann wegliepen. Ze hadden hun verdriet gehad en de toekomst lonkte. Misschien was het ook gewoon de zucht naar eten die hen verder dreef. Een paar jonge jagers hadden inderdaad hun mantels uitgetrokken maar dat bleek niet een echte bevrijding te zijn. Ze durfden de kleren niet weg te gooien en knoopten de loodzware vracht om hun nek. Dat gaf nauwelijks enige verkoeling. 

Vragend keek Kalam zij beide vrienden, Oedar en Tugor aan en ook Na’anth voegde zich bij het groepje. “We moeten de weg volgen in de richting van Gûl was de mening van de laatste maar Oedar twijfelde en Tugor vroeg zich af of er wel een richting van de zon was. Gûl verplaatste zich immers de hele dag door en je zou op die manier in een kringetje kunnen gaan lopen. Het was de stem van A’akane die Kalam in zijn hoofd hoorde en die hem de weg wees. “Je vader heeft egzegd dat we het water moeten oversteken en de plek met zonnedieren moeten passeren”, was de boodschap. Kalam keek in de richting van zijn vrouw. Ze stond met haar rug naar hem toe en keek naar het water in de stroom. Nee, ze was niet bezig hem haar wil voor te schrijven. Het was een natuurlijke stem, zoals die zo vaak de goede oplossing had geboden. Hoewel, Kalam vroeg zich wel af of zijn vader in deze omgeving nog wel raad kon geven. Hij was immers alleen maar de velden van sneeuw en ijs gewend?

De stroom was niet diep en ze konden gemakkelijk door het water naar de andere oever lopen. Ze groepten nu samen, verdongen zich zelfs rond de plek waar nog heel kleine zonnedieren vlak over de grond kropen. Toen opnieuw een langdurige windvlaag voorbijkwam, leken de zonnedieren feller te kleuren en zelfs begon een aantal van hem te “dansen” zoals Na’anth het noemde en wat Kalam een leuk woord vond. ”We mogen dit mest niet verstoren”, meende Oedar. “Zonnedieren zijn niet te eten en we moeten ze laten waar ze leven.” Na’anth stootte Tugor aan. “Hoor hem, de oude man van ijs en sneeuw”, fluisterde hij. “We hebben toch wel eerder mensen gezien die zonnedieren met zich meevoerden? Waarom zouden wij dat niet mogen doen?” Tugor haalde zijn wenkbrauwen op. Ook hij twijfelde aan de woorden van Oedar maar hij wilde toch horen wat Kalam er van te zeggen had.

Hij zag in de ogen van Kalam een aarzeling opkomen maar de uitverkorene  verhief zijn stem niet tegen de woorden van de oude, wijze man. “De zonnedieren zullen tot ons komen, als ze bij ons willen zijn”, merkte Oedar nog op en Na’Anth stootte opnieuw Tugor aan. “En daarom zijn ze hier op onze weg gekomen”, fluisterde hij maar deze keer wendde Tugor zich af. Het woord van Kalam was voor hem het laatste woord zolang hij de Anth’ op nieuwe wegen voerde. Hij schudde kribbig zijn hoofd. “Ik wil er niets van weten”, voor het eerst klonk zijn stem kribbig tegen Na’Anth maar deze hoorde dat niet. Nee, hij hoorde iets heel anders in Tugors opmerking.  

Verbaasdd en verwonderd bleven de mannen en vrouwen nog een tijdlang naar de kleine zonnedieren staren. Ze verbaasden zich ook over de warmte en de blauwe nevel die er vanaf kwam maar ze raakten de hete wezens niet aan. Dat was niet aan te raden ook, hadden ze al gauw begrepen want er kwam meer warmte vanaf dan ze ooit hadden gevoeld. Wie heel dichtbij kwam, voelde zelfs pijn.

Kalam liep niet snel. In zijn hoofd worstelden nog steeds gedachten en inzichten met elkaar en van tijd tot tijd keek hij om naar de bult met zonnedieren die ze nu achter zich hadden gelaten. Was het wijs en verstandig wat ze hadden gedaan? Hadden ze niet beter tegen Oedars zin in een paar zonnediertjes mee kunnen nemen? Zouden ze hen niet goed kunnen dienen?

Een schril gekrijs en woest geschreeuw stoorde zijn gedachten toen hij bijna de bovenste rand van de helling had bereikt. Vlak voor hem daalde een vogel neer, kleiner dan een nevelgarde maar zeker zo grauw en met een kromme snavel in de kleur vande zon. Het dier keek hem met zijn kleine, zwarte ogen venijnig aan. Van tijd tot tijd klapperde het woest met zijn vleugels. Kalam was stil blijven staan en durfde zich nauwelijks te verroeren. Vlak achter de vogel verscheen een man, gehuld in een poepkleurige mantel. Hij had zijn hoofdhaar bij elkaar gebonden zodat het in een lange sliert over zijn rug naar beneden hing. Met éen hand greep hij de vogel bij zijn hals en sleurde hij het dier met zich mee. Had hij Kalam of één van de andere Anth’ gezien? Het leek er niet op maar Kalam kon de aanblik van de man met zijn pikzwarte haar niet snel vergeten.

De Anth’ waren stil op de wagarden na die rustig met elkaar liepen te praten omdat zij niets van de vogel en de man hadden gezien. Daarvoor liepen zij te ver achteraan. Het was Tugor die hen beduidde dat ze stil moesten zijn. Er heerste een doodse stilte terwijl Kalam en Tugor langzaam verder naar de rand van de helling kropen totdat hun ogen net over de rand heen konden kijken. Op nog geen vijf passen afstand zat een groep mannen, allemaal met dezelfde poepkleurige mantels en lange, zwarte slierten haar over hun rug. Ze droegen een soort bogen en hadden een bundel pijlen op hun rug, net zoals de jagers van de Anth’ gewend waren te doen. De mannen zaten rond een heuvel waarin een flink aantal zonnedieren dansten en boven de zonnedieren hingen botten en vlees van een dier. Er droop vocht uit en het vlees werd donkerder en donkerder. De vreemde mannen waren druk in gesprek en één van hen plukte de veren uit een grote vogel. Ze leken de Anth’ niet te hebben opgemerkt.

Kalam en Tugor lieten zagen het allemaal in één oogopslag en lieten zich toen weer zo stil mogelijk zakken. “Als we ons nu laten zien”, zei Tugor zachtjes. “Dan staan we op een smal stuk grond en hebben we alleen de helling achter ons. Als de vreemdelingen kwaad in het zin hebben, kunnen we onze kruisbogen niet eens gebruiken.” Kalam knikte. “Het is beter om een stuk langs de helling te lopen en een eind verderop pas boven te komen”, de mannen waren het met elkaar eens. Zonder al teveel woorden maar met een paar gebaren maakten zij de andere Anth’ duidelijk dat ze niet meteen over de rand zouden klimmen maar pas een eind verderop. De mannen en vrouwen leken onder de indruk al wisten ze niet precies wat er aan de hand was. Stil en terwijl zij voortdurend de rand van de helling in de gaten hielden, zetten ze hun weg voort langs een steeds steiler wordende helling. Niemand had hen nog opgemerkt want de vreemde mannen lieten zich niet zien, zo meende Kalam.

Http://mythologie.wordpress.com

 

Service

De Olympische vlam werd oorspronkelijk door de zon ontstoken in Olympia. Het vuur gold als suymbool voor de volmaaktheid en het streven naar overwinning. De fakkeltocht ontstond ook in de klassiek griekse tijd ook al en had plaats in Olympia.

www.loki-game.com

www.veto.student.kuleuven.ac.be/jg25/veto2522/promethe.html

www.athensinfoguide.com/nl/olympic.htm

 

 

Tags: , , , , , , , , , ,

Posted by: politiek | maart 30, 2008

Het spoor en de verdwijning

potten_05.jpg 

Het gedaver van de kudde loopvoeters klonk nog aan alle kanten toen in de verte opnieuw een groep dieren opdoemde. Kalam herkende hen onmiddellijk als jankermannen en gezien de grote groep, vreesde hij hun aanval. Onmiddellijk tikte hij Zaltmann op de schouders om hem op het naderende gevaar te wijzen. De oude jager kneep zijn ogen tot spleetjes om iets scherper te kunnen zien en nu pas ontdekte Kalam hoe oud zijn vriend werkelijk was geworden en hoe vermoeid zijn ogen waren. Vroeg de trektocht door bergen, sneeuw en nieuw land teveel van zijn krachten?

Zijn gedachten werden onderbroken door Zaltmanns stem die altijd nog krachtig en overtuigend klonk. “Neem de kruisbogen”, beval hij. De grootjagers en jagers haalden hun wapens meteen tevoorschijn en ook Kalam aarzelde daarmee geen moment. Hij legde zijn boog al aan met een pijl geladen maar Zaltmanns hand rustte plotseling op zijn pols. “Niet schieten, niet nu al schieten.” Zijn stem klonk luid genoeg zodat alle jagers hem hoorden. De jankermannen kwamen nu snel dichterbij en Kalam kon al in de gele ogen van de voorste dieren kijken. Zijn ogen zochten onwillekeurig de grootste op die vooraan liep. Het leek hem dat het dier hem recht in de ogen keek en Kalam besloot die blik de beantwoorden. Hoe dieper hij in de ogen van de jankerman keek, des te meer concentreerde het dier zijn blik ook op Kalam.

Het was nu duidelijk te zien hoe de bekken van de jankermannen zich openden en een fel gehuil steeg op maar nog steeds gaf Zaltmann niet het teken om te schieten. Gespannen stond hij naast Kalam helemaal vooraan en zijn ogen verbonden zich met de dieren in de voorste rij. Er was geen onderscheid meer tussen de jagers en de jankermannen in de voorhoede. Langzaqam ging Zaltmanns arm omhoog want het bevel om te schieten zou gepaard gaan met een snelle handbeweging van boven naar beneden. “Ga weg, ga weg, keer om”,  daverde het in Zaltmanns hoofd en Kalam ontving die woorden  glashelder zonder dat Zaltmann zijn lippen bewoog. De hand van de grootjager was nu helemaal boven en nog steeds verdrongen zijn woorden zich in Kalams hoofd. De grote jankerman vooraan had zijn muil helemaal opengesperd en er kwam geen geluid meer uit en toen, toen zag Kalam hoe de ogen van het dier even afweken in de richting van Zaltmann. Bijna op hetzelfde moment boog het krachtige lijf zich in een bocht en zijn kop keek opzij. Onmiddellijk draaiden ook de koppen van de jankermannen die het leidende dier volgden en in dezelfde vaart sloeg de groep af, in de richting waaruin de loopvoeters waren verdwenen. Zaltmann hield zijn hand naar boven uitgestrekt alsof hij zeggen wilde “niet bewegen, blijf waar je bent” en de grootjagers en jagers volgden het bevel van dat dwingende gebaar. Huilend en blaffend rende de groep jankermannen voorbij. Eerst volgden zij het spoor van de loopvoeters maar al gauw sloegen ze een andere richting in om de berghelling naar boven te gaan, daar waar Kalam en de zijnen vandaan kwamen. De dieren waren niet meer op hun oorspronkelijke prooi uit of…van boven klonk een schreeuw die door merg en been ging. Hadden ze dan toch een loopvoeter te pakken?

De kreten van het stervende dier begeleidden de gedachten van Kalam maar ze brachten hem er niet toe boven te gaan kijken. Zijn gedachten gingen uit naar de weg die voor hen lag. De berghelling liep hier heel lichtjes naar beneden en hoe verder hij weg keek, des te minder witte vlekken en des te meer nagelvallen hij zag. Er ontrolde zich voor hem hier echt een andere wereld. Hij raakte er opgewonden van en hij hoorde nauwerlijks de woorden van Oedar: “Een loopvoeter heeft zich geofferd zodat wij ongehinderd verder kunnen trekken. Laten we die kans goe gebruiken.” De eerste die aan die woorden gevolg wilde geven was Tugor. Hij was al begonnen aan de wandeling naar beneden maar Oedar was nog niet van zin een stap voorwaarts te doen. Een paar momenten staarde hij naar de strak blauwe lucht, in de richting waarin de jankermannen waren verdwenen. Doodstil stond hij daar in zijn lange, witte mantel en met zijn lichtgrijze, lange baard die een beetje wapperde in de wind. Het was alsof iedereen begreep dat hij niet gestoord moest worden. Het duurde niet lang, toen deed hij twee passen naarvoren en voor Zaltmann was dat het moment om aan te dringen op vertrek. Oedar had in zijn hoofd het offer van de loopvoeter opgetekend. Alleen Tugor had van dat alles niets gemerkt. 

Het was geen zware tocht. De helling naar beneden bleef heel gelijkmatig en het lopen kostte weinig inspanning. Juist daardoor had Kalam de tijd om goed om zich heen te kijken en te zien hoe de groepen nagelvallen steeds dichter en groter werden. Hier en daar lag ook een blok blauw ijs en van tijd tot tijd moest hij een wat grotere stap nemen voor een stroompje water dat naar beneden kolkte. Volgens Oedar was dat het smeltwater dat van het blauwe ijs af kwam hoewel het hem verbaasde dat niet alle blokken zo’n stroompje voortbrachten.

Al gauw kwamen zij in een gebied waar de witte vlekken zo goed als helemaal waren verdwenen en de grond met de kleur van de nacht was bedekt met een soort dons. Het dons had de kleur van de nagels die aan de nagelvallen  groeiden en waarvoor Oedar de naam “gr’in” had gegeven. Dat betekende “kleur van het leven”.  Het liep lekker op het dons en kennelijk vomnde niet alleen Kalam en zijn vrienden dat.

Tugor, die inmiddels weer bij zijn vriend was komen lopen, wees vooruit. Niet veel verder stond een groepje dieren bij elkaar. Ze leken op loopvoeters maar hadden grote staken op de kop, soms in de vorm van een bot, soms leken het ook grote oorschelpen. De dieren liepen op het dons en knabbelden eraan. Ze zagen er stevig en goed doorvoed uit. De nadering van Kalam en zijn gezelschap leek hen eerst te ontgaan maar plotseling klonk vanuit de groep wild gesnuif en de dieren wendden en gingen er in een grappige, hobbelende galop vandoor. Niet ver. Een stuk verderop bleven ze opnieuw staan en zetten ze hun geknabbel rustig voort.

Oedar die altijd graag aan alles een naam gaf, noemde hen a’erd omdat dat ook het woord voor “grootoor” was. Een paar wagarden vroegen zich af hoe de dieren zouden smaken maar de jagers, grootjagers, wijze mannen en de vrouwen letten niet op die praat. Zij hadden meer belangstelling voor de gedachten van Tugor. Deze had lang geleden vol bewondering gekeken naar de mannen die zich voortbewogen op de loopvoeters en hij vroeg zich af of de grootoren daarvoor ook geschikt zouden zijn. Het zou immers nog al wat schelen of het hele gezelschap in de toekomst te voet verder zou moeten trekken of dat zij daarbij de hulp kregen van de grootorige dieren? Kalam was wel gevoelig voor zijn gedachten maar Zaltmann zag er niet veel in. “Jagers verplaatsen zich te voet en maken zichzelf niet afhankelijk van anderen”, stelde hij. “En zeker niet van dieren.”

Kalam wist het niet, hij wist niet goed wie van de twee hij gelijk zou geven. Zaltmann had het gelijk van de voorouders en de voorouders daarvan. Maar had Tugor niet een beetje gelijk vanwege de toekomst? Omdat alles veranderd was? De hele wereld zag er anders uit en zelfs Oedar twijfelde aan veel regels van het verleden. Zo had hij Kalam al een ingefluisterd dat hij niet zeker wist of blauw ijs wel echt ijs was. Heel lang geleden hadden hij en Panak ook al eens twijfels daarover gehad en nu groeide die twijfel alleen maar. Kennelijk konden oude regels in een neiuwe wereld volkomen onbruikbaar of ongeloofwaardig zijn of tenminste…daar leek het op. Het maakte Kalam ook wel bang want als je de oude regels losliet, wat voor betekenis had dan nog de Gamor Anth’em? Eén ding wist hij zeker, zonder Gamor zou het leven er nooit beter op kunnen worden. Maar…moest hij vergeten wat hij ooit in het ijs had uitgehakt? Zou hij een heel nieuwe Gamor Anth’em moeten maken?

De helling ging nu steiler naar beneden en de mannen en vrouwen moesten iets naar achteren hellen om niet naar beneden te rollen. In de diepte tekende zich een grijze, schitterend en oplichtend lint af, omzoomd door nagelvallen en andere wezensd die daarop veel leken maar geen nagels hadden maar meer oorvormige uitstulpingen. De staken waaraan ze groeiden hadden ook andere kleuren zoals wit, poepkleur (ash’in) en gr’in. Soms voelden ze glad aan en een andere keer weer ruw en zaten ze vol kloven. Bovendien leek het of de grond beneden tussen de vele wezens in helemaal gr’in van kleur was.

Een schreeuw verscheurde Kalams gedachten en liet hem verwilderd om zich heen kijken. Overal hoorde hij verwarde en onrustige stemmen en vlak naast hem miste hij zijn vertrouwde vriend Zaltmann. “Hij is gevallen”, schreeuwde Tugor, “gevallen en naar beneden gerold maar ik zie hem nergens meer.” Kalam voelde hoe zij hart zich in zijn lichaam omkeerde, het leek of hij moest spugen en of alles aan hem begon te trillen. De grond bewoog onder zijn voeten en hij wist dat hij alleen maar kon gaan zitten. Tugor en Na’anth’ lieten zich ondertusen op hun achterste naarbeneden glijden in een poging om de grootjager te ontdekken maar al gauw hadden ze in de gaten dat het geen goede gedachte was. De helling werd steeds steiler en het zou niet lang duren of ze zouden zelf hulperloos naarbeneden glibberen. De mannen hielden zich daarom vast aan een paar nagelvallen. Daar bleven ze wachten op hun makkers.

De afdaling verliep allesbehalve gemakkelijk en vooral de vrouwen bleken nu over onbruikbaar schoeisel te beschikken om op een steile helling overeind te blijven. De jagers probeerden hen zoveel mogelijk te helpen maar snel ging het allemaal niet. Terwijl ze aan de lastige afdaling bezig waren, keken ze gespannen uit naar Zaltmann maar van de oude grootjager was niets te zien.

“Ik begrijp er niets van”, zei Kalam somber tegen Tugor. “Zaltmann is nergens te vinden terwijl we toch dezelfde weg afleggen en er zijn hier nergens grotten waarin hij zijn toevlucht kan hebben gezocht. Bovendien is hij veel te slim om zo maar in zijn eentje een grot in te gaan. De gevaren zijn daarvoor veel te groot, vooral hier. We weten nog niet eens of er nog onbekende rooftanden leven.” Ook Tugor voelde zich wanhopig. “Ik kan alleen maar denken dat hij helemaal naar beneden gevallen is en ergens bij dat zilveren lint ligt. Dat moet een heel erge val zijn geweest. Dat kan niet goed zijn.” Ze zwegen allebei vol angstige voorgevoelens en vermoedens. Zelfs Oedar die altijd vol zat met wijsheden en troost, had zo gauw geen woorden om zijn angst van zich af te wentelen. Zaltmann was zijn belangrijkste band met de wereld die hij altijd had gekend, Kana’an en de onmetelijke ijsvlakten. Het leven zou er ook voor hem niet gemakkelijker op worden zonder het gesprek met de oude, ervaren grootjager.

Water, het was water, het hele zilveren lint bestond uit water dat zo nu en dan wild kolkte en snel naar beneden liep en op andere plaatsen weer stilstond. verspreid in het water lagen blokken blauw ijs die niet kleiner leken te worden. Dat versterkte oedars twijfel of het wel ijs was. Toch kon het hem op dit moment niet zoveel schelen want zij ogen zochten nog steeds naar Zaltmann. Eenmaal beneden bij het zilveren lint aangekomen, speurden zijn ogen de oevers van de waterstroom af en daar vond hij half op de kant, gedeeltelijk in het water iets…ja het was het lichaam van de grootjager. “gevonden”!  riep hij uit maar het was geen kreet van blijdschap.

De oude jager lag met zijn benen in de stroom en zijn hoofd had één van de staken geraakt. Het lag een beetje vreemd scheef ten opzichte van zijn schouders. De grootjager had zijn mond open zonder geluid los te laten. Kalam knielde bij hem neer en zag hoe Zaltmanns wimpers nog bewogen. “We zullen  je weer helemaal opknappen”, zei Kalam opgewekt. “Het kan me niet schelen hoelang we hier moeten blijven.” Hij keek Zaltmann daarbij recht in het oog dat naar boven lag gericht maar de oude jager schudde zijn hoofd zachtjes. Hij tilde één hand op en wees naar de overkant van het waterlint. “Ik heb het gezien. Dat was wat ik wilde”, fluisterde hij. Kalam volgde de hand en de vinger van de grootjager en keek naar de overkant. Daar kringelde de lucht omhoog boven een hoopje staken die van een nagelval gesloopt waren. In het hoopje waren nog net wat lichtpuntjes te zien alsof de zon zich daar had genesteld. Ze waren in het land van de zonnedieren! Kalam keek weer naar het gezicht van Zaltmann. Het straalde van tevredenheid en het laatste wat hij had gedaan was…zijn ogen sluiten.

Http://mythologie.wordpress.com

 

Service

Onderzoekers vergeleken de maten van de Mexicaanse tempels met de Egyptische en kwamen tot de conclusie dat de grote piramide dienst doet als een soort klok met als einddatum 20 december 2012

 

www.de-nieuwe-wereld.nl

www.homepages.hetnet.nl/~fm-ter-horst/Nieuwe%20Wereld%20Orde%20in%20opkomst.htm

www.fantasyshopchimera.com

www.wereldexpat.nl/nl/vertrek/voorbereiding/expert_hestia_cultuurschok

Posted by: politiek | maart 24, 2008

Dorst

naaldbomenalgemeen.jpg

Kalam merkte weinig van de ongemakkelijk toestand waarin hij verkeerde. Hij lag op zijn rug en zijn ene been deed behoorlijk zeer maar dat was niet wat hem bezighield. Hij kon zijn ogen maar niet afhouden van de merkwaardige barsten die in de lucht waren verschenen. “Ik zie een gebarsten lucht”, riep hij naar zijn makkers boven aan de rand. “Zien jullie dat ook?” De mannen keken naar boven en namen van de barsten niets waar. “Nee, de lucht is netzo gladjes en uitgestrekt als anders”, riep Tugor terug. ”Maar we kunnen jou hiervandaan nauwelijks zien en er hangt iets boven je al weten we niet wat het is.”

De mannen bleven boven aan de rand van de ijsvlakte staan. Alleen Zaltmann deed pogingen om in het donker een weg naar beneden te vinden maar steeds weer merkte hij hoe steil de helling was en haast nergens voelde hij genoeg stevigheid om te staan. “Ik denk dat we de komst van Gul moeten afwachten”, besloot hij eindelijk. Misschien brengt de dag ons een beter zicht op de dingen.” Tugor en Na’anth dachten er niet veel anders over en zelfs A’akane stemde in hoewel ze ongerust was over Kalams lot.

Kalam besloot zich ondertussen te schikken en er het beste van te maken. Hij probeerde te gaan staan maar zijn ene been deed hem teveel pijn. Dan maar zitten, dacht hij. Met zijn rug probeerde hij tegen de steile helling aan te leunen. Dat ging beter al voelde de helling keihard aan. Van tijd tot tijd streek er iets door zijn haar, elke keer als er een zuchtje wind was. Het leek een soort draad van de huid van waterluiaard die heel zachtjes door zijn gezicht werd gehaald. Er zaten stekels aan maar ze haalden zijn gezicht niet open. Hij besloot er eens goed op te letten en wachtte de volgende windvlaag af. Opnieuw streek er iets door zijn gezicht. Hij stak zijn hand uit en pakte de sliert vast. Ze voelde buigzaam maar ook ruw en ruig aan en ze schuurde in zijn hand. De stekels prikten diep in zijn vel en hij besloot weer los te laten. Ten slotte bedacht hij dat het toch hij zich nog het prettigste had gevoeld toen hij lag. Toen had hij nergens last van gehad en nu, in de duisternis, kon hij de geheimen van zijn onbekende plaaggeest toch niet ontdekken. Langzaamaan kreeg de slaap hem te pakken terwijl hij onderuit zakte en uiteindelijk weer gestrekt op de grond lag. 

Zo lag hij nog steeds toen de kreten van zijn vrienden en de vroege zonnestralen hem wekten. De lucht was wolkenloos blauw al leek ze nog steeds gebarsten vanuit Kalams plek. Hij keek omhoog en zag de “barsten” in de lucht nu beter. Het was het meest wonderlijke dat hij ooit had gezien. Uit de donkere grond onder hem rees een dikke staak omhoog en aan alle kanten hingen daaraan weer andere staken, slierten die iets weg hadden van de lange, dunne armen van een waterluiaard. Deze waren bedekt met massa’s nagels in een kleur die Kalam ook al niet bekend voorkwam. Opnieuw probeerde hij te gaan staan en deze keer lukte dat beter dan gisteren. Hij kon de staken nu aanraken en als hij met zijn hand erlangs streek, vielen sommige nagels eruit. Verder gebeurde er niets. Dat stelde Kalam enigszins gerust. het ween of het ding had geen kwaad in het zin. ”Het ding heeft heel veel nagels”, riep hij naar boven. Tugor knikte. “Ja en ze lijken op de splinter die mijn vader in zijn hand had. Zou hij tot hier zijn gekomen? En toen?” Hij boog zich verder over de rand. “Ik kom zo bij je, we komen allemaal zo bij je. Verderop is een plek waar de helling minder steil naar beneden loopt. Daar kunnen we langs.”

Kalam knikte om te tonen dat hij het had begrepen. Hij leunde nu met één hand tegen de steile helling want het staan kostte hem nog wel veel moeite. Zijn ogen keken nu verder weg. De grond was hier bijna overal zo donker als de nacht. “Slapend” of bala’ak heette dat in de taal van de Anth’. Alleen sporadisch waren nog de bekende witte plekken van sneeuw en ijs te zien. Verederop zag Kalam nog meer staken die leken op het ding waaronder hij had gelegen. Ze stonden soms in kleine groepjes bij elkaar, een enkele keer waren ze ook helemaal alleen.

Het waren vooral Oedar en Tugor die zich dichtbij de “dingen” begaven. Van tijd tot tijd streken zij voorzichtig met hun handen er langs en de afvallende nagels hielden zij stevig vast. Er zat een geur aan die hen deed denken aan de gerechten die ze vroeger in Kana’an wel hadden gegeten. De gekookte korrels en pluizen die met de stormen vooral in de vroege zonnetijd vaak meekwamen. “Nagelval” was het woord dat Oedar ervoor bedacht. De anderen bleven op een afstand staan kijken. De jagers hadden zelfs hun kruisbogen gepat en een enkeling had er al een pijl op gelegd. Ze wisten niet wanneer de nagelvallen zouden toeslaan. Ook rooftanden konden soms lange tijd stil blijven loeren voordat ze aanvielen.

“Maar, er is een groot verschil”, vond Zaltmann. “Rooftanden laten ons niet zo dichtbij komen, ze staan niet toe dat we zo maar over hun vacht strijken. Nagelvallen hebben daar geen moeite mee.”"Misschien is het een valstrik”, opperde Na’anth. “Het kan zo maar zijn dat die nagels je langzaamaan doodmaken.” Er ging een siddering door de groep en Kalam merkte de onrust. “We kunnen daar beter niet teveel over denken”, zei hij. “Het is wel verstandiger om zoveel mogelijk van de Nagelvallen af te blijven. Het kan ook zijn dat ze in winterslaap zijn zoals waterluiaards. We weten niet of ze ineens gevaarlijk worden.” De laatste woorden sprak hij wat aarzelend uit toen hij merkte hoe Oedar zijn hoofd schudde. “Ik zie geen kwaad in de de Nagevallen”, zei hij zachtjes. “Het kan zijn dat ze onze vrienden worden.” De oude wijze man leek een boodschap te hebben ontvangen. Kalam raadde waar die boodschap vandaan kwam maar zei er niets over. “Vrienden kunnen we goed gebruiken”, zei hij langzaam. “Dit is waar de nieuwe wereld begint.” 

“Of de oude”, glimlachte Oedar. Hij merkte dat hij die woorden moeilijk voor zich kon houden. “De Nagelval doet me erg denken aan sommige aanwijzingen in de Gamor Anth’em en vooral waar het gaat over het land van de sluipers. Het is immers het land van de sluipers dat voorafging aan de wereld van Kana’an?” Kalam keek hem onderzoekend aan. “Maar dat zou betekenen dat we heel erg op moeten letten want sluipers proberen ons steeds weer in de val te lokken en fluisteren ons verkeerde boodschappen in.” Oedars glimlach werd nog breder. “Dat is wat de Anth’elkaar vertellen maar in de Gamor Anth’em is dat nergens zo duidelijk gezegd. Het was de angst van de Anth’ in Kana’an, het ongemakkelijke gevoel dat ze hadden met de duisternis die er bijna altijd heerst, die hun dat soort verhalen heeft ingegeven.” “Even zo goed moeten we goed opletten”, hield Kalam vol en Oedar kon dat alleen maar beamen. 

“Kijk eens”, riep Tugor opgetogen. Hij kwam naar Kalam en Oedar toe rennen met zijn handen als een kommetje voor zich uit. Hij liet de beide mannen zien hoe zijn handen waren gevuld met een zwarte stof. “Dit heb ik opgeraapt van de grond”, zei hij opgewonden. “En het verandert niet in water.”

“Het lijkt wel poep”, merkte Oedar op. “Zachte, korrelige poep van een waterluiaard of een rooftand.” “Maar het ligt hier overal”, antwoordde Tugor haastig. “De grond is er mee bezaaid. Ik vind eigenlijk dat het ook wel een beetje op rulle sneeuw lijkt, droog, korrelig…alleen verandert het niet in water.” Oedar knikte. “Ik wil de nagelval en dit zwarte wel een lied geven in de Gamor Anth’em. Ik ga erover nadenken.”"En ik ga je daarbij helpen”, die woorden kwamen van Ranntvik. “Misschien moeten we dat spul op de grond gewoon  “rulnacht” noemen. Rul en de kleur van de nacht”, lachte hij en Oedar knikte instemmend. “Goed idee, en we moeten er zeker iets van meenemen, als herinnering. iemand moet er iets van meenemen.” Ranntvik graaide met twee handen langs de grond en propte de rulnacht in zijn zakken. “Ik neem het mee”, riep hij luidkeels.

De hele groep was nu uitgezwermd over het gebied met de rulnacht en nagelvallen en overal stonden groepjes met elkaar te praten. A’akane was met de andere vrouwen naar een grote nagelval gelopen en liet haar handen langs de dikke staak gaan die uit de grond oprees. ”Hard, ruig, korrelig”, lachte ze en ze klopte deeltjes van de buitenkant van de nagelval van haar handen. Ondertussen liet ze haar ogen langs de afhangende staken gaan met de